Hommage

‘Enseigner, c’est ma vie’

Omdat ik ziek was las ik drie kranten op één dag. Eén krant las ik – onhandig in bed – op papier. De zachte, bijna vloeibare krantenflappen eindigden in ongelijke stukken met een scheve vouw in het midden. De andere kranten las ik, onderbroken door koortsdromen die afnamen en opkwamen als eb en vloed, op de iPad.

*

In de tweede krant viel mijn oog op een overlijdensadvertentie. Ik zag een bekende naam. Ik las door maar swipete terug. Boven de advertentie stond in schuine letters: ‘Enseigner, c’est ma vie’. Mijn grieperige hersens herinnerden zich dat woord – ‘enseigner’ – betekende dat niet ‘lesgeven’? Ik zocht het op. ‘Lesgeven’ was het. En toen wist ik het. Mevrouw de Buck was dood, mijn lerares Frans op de middelbare school.

*

Aan de advertentie kon ik zien dat deze met liefde was opgesteld. Ik las haar voornaam – die had ik nooit geweten – en haar bijnaam. Alsof zij een mens was, gewoon met familie, een huis, een leven. Voor mij was zij mijn juf. Mentor van klas 1 c, dat heette destijds klassenleraar. Ik herinner mijn teleurstelling dat wij haar kregen als klassenlerares. De andere leraren zagen er spannender uit. Jonger. Hipper. Baardjes, lang haar. Wijde jurken. Mevrouw de Buck droeg een rechte jurk tot boven de knie met een riempje om de taille. Zij had een smal, driehoekig gezicht. Ietsje vooruitstekende tanden, een kittige pas. 23 onzekere twaalfjarigen liepen in de zomer van 1974 achter haar aan naar lokaal 13.

*

Door de hoge ramen van lokaal 13 viel zonlicht als engelenglijbanen naar binnen. Wij stonden op de drempel van dat nieuwe leven zoals alleen twaalfjarigen dat kunnen. Onbevangen en leergierig. Mevrouw de Buck legde ons uit hoe wij onze agenda moesten gebruiken.

*

Ik had een Rijam-agenda met een onwillige kaft. We schreven het rooster in onze agenda’s op de pagina waarboven stond ‘Rooster’. Tijdens het schrijven drukte ik mijn rechterarm op de kaft om deze plat op tafel te krijgen. Met mijn linker-wijsvinger en duim hield ik de linkerkaft in bedwang. Geheimzinnige lokaalnummers, namen van leraren, het adres van de gymzaal in de stad, de uren gym in de zomer op een sportveld buiten de stad vulden de lijntjes op de witte, licht-gebogen pagina’s.

*

Daarna kregen wij een stencil met een plattegrond van de school. We vouwden het stencil netjes op, in een vierkantje, en schoven het in de agenda. ‘Goed bewaren’, adviseerde mevrouw de Buck ‘Hiermee kan je je weg vinden in de school.’

*

Mevrouw de Buck gaf Frans, in lokaal 13. Wij leerden heel veel woordjes. Op een dag klapte mevrouw de Buck het bord open met de Franse werkwoord-vervoeging. Thuis huilde ik. Ik snapte er niets van.

Een paar jaar later sprak ik voor mijn examen met mevrouw de Buck over ‘Les miserables’ en de schrijver Victor Hugo. Ik mocht er van alles over vertellen. Mevrouw de Bucks ogen glommen van plezier. Ik kreeg een 9.

*

‘Mevrouw de Buck, Ingrid, Itid, ook voor ons was u zorgzaam. Toen zag ik alleen dat riempje om uw ietwat uitdijende taille. Nu denk ik aan onze ontmoeting in de plaatselijke kroeg waar ik u tegenkwam met mijn eerste, echte vriendje. Het was nog geheim. U zat daar met mevrouw B., de juf Duits. In de kroeg…! Weet u nog wat u zei?

‘Ik wist dat jullie samen iets hadden, ik heb het gelezen in de Franse brief van Mark aan jou!’ Schalks keek u mijn geheime vriendje aan.

‘Mark vroeg in de brief die hij aan jou richtte ”Comment ca va avec Annelie?” En toen wist ik het!’ U en mevrouw B. lachten. Wij schoven bedeesd aan een ander tafeltje.

*

En nu bent u dood. ‘Na een liefdevolle verzorging in de Houttuinen.’ Ik had wel eens bij u langs kunnen gaan. Dan had ik het u gewoon kunnen zeggen.

*

Dank u wel mevrouw de Buck. Voor het mooie gesprek over Victor Hugo, de 9, uw milde lach in die kroeg.

En ik ken nog zoveel Franse woorden. Ook de werkwoorden kan ik vervoegen. Zonder tranen.

*

”Enseigner, c’etait votre vie”.

C’est vrai.’

***

Advertisements

Droomloos

‘Vannacht slapen we in een tent in de woonkamer

we hebben touw, brood en lakens

niemand zal ons vinden’

Hanneke van Eijken (1981-)

Laatst hadden we een cursus. Daarin werd geadviseerd onze dromen te onthouden.

‘Je kan je daarin bekwamen’, vertelde de cursusleider.

*

Meestal vergeet ik mijn dromen. Toch ging ik oefenen. De eerste droom die ik onthield was bizar en niet voor publicatie geschikt. In de tweede droom kwam mijn moeder voorbij.

‘Dat is de reden dat ik dromen graag vergeet,’ dacht ik toen ik beklemd wakker werd. In de droom schoot ik te kort, wilde ik weg, had ik graag een grote mond willen geven. In de droom-praktijk deed ik dat niet, bleef ik, ging ik door, luisterde ik. Zoals het was, vroeger.

*

De krant die ik lees heeft een wekelijkse rubriek over dromen. Meestal sla ik die over. Dromen van anderen zijn niet interessant. Ze zijn alleen leuk als je de mensen én de mensen die in de dromen voorkomen kent. Dat levert nog wel eens hilariteit op.

*

Nog leuker echter is de realiteit.

Gisteravond kwam onze zoon naar beneden met de laptop in zijn hand. Hij schoof naast mij op de bank.

‘Kijk eens’, zei hij, ‘De betaling van die tickets is niet gelukt.’

We boekten ‘s middags twee tickets naar Bolivia. Daar reist hij in de zomer met zijn vriendin naar toe.

‘Tja, dan moet je even bellen’, antwoordde ik een beetje kribbig. Ik was moe en uit een serie getrokken waar we net zo lekker inzaten.

‘Hier heb je mijn pasje’, zei ik en ik gaf hem mijn credit-card.

*

Stilletjes liep hij naar de eettafel en ging bellen.

‘Zet maar weer aan’, zei ik tegen mijn man en we verzonken in het verhaal van een familie die met elkaar zit opgescheept op een Zweeds eiland vanwege de voorwaarden die hun moeder aan de erfenis verbindt. De gezinsleden schieten te kort, willen weg en zouden graag een grote mond willen geven. Maar dat kan niet, vanwege die erfenis.

*

Door de dichte schuifdeuren heen hoorde ik de stem van onze zoon.

‘Yes, I booked this flight today, but something went wrong.’

‘Ik ga toch even kijken’, zei ik en we stopten met de Zweedse familie-perikelen.

*

Ik zat naast mijn zoon. Vaag hoorde ik de stem van de call-center-medewerkster via het microfoontje van zijn telefoon, dicht tegen zijn oor gedrukt. Zijn knokkels waren wit, op zijn wangen stonden blosjes.

*

Hij staarde naar mijn pasje.

‘The name is Jonquiere’, zei hij, ‘JONQUIERE’, herhaalde hij en hij begon met spellen. ‘J, O, N…’

‘Can you please use words?’, hoorde ik de medewerkster van het call-center vragen. En daar ging onze zoon.

‘J from Justin, O from Okay, N from Nico…’

‘Q from Queen?’, hoorde ik het meisje vragen.

‘Yes’, zei hij en hij ging verder,

‘U from…eh, Uterus’

*

En daar gingen we. Ik probeerde het tegen te houden maar er was geen houden aan. Hikkend en proestend zat ik naast hem en worstelend met een onbedwingbare lachkramp maakte hij de naam letter voor letter af.

‘Can you please repeat it?’, vroeg het meisje. Toen ben ik maar weggelopen.

‘Wat betekent uterus eigenlijk?’, vroeg mijn zoon.

‘Baarmoeder’, hikte ik.

*

Even later keken zijn vader en ik de serie af.

De nacht bleef droomloos.

***

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Plantje

Dance Me to the End of Love

(…)

Dance me to the end of love
Dance me to the end of love
Dance me to the end of love

Leonard Cohen (1934-2016)
                          

‘Ik vind Gerbrand Bakker een geweldige schrijver’, zeg ik als ik zijn wekelijkse stukje heb gelezen in de krant.

‘Ik vind het helemaal niks’, zegt mijn man.

En dat begrijp ik niet. Hoe Bakker schrijft dat hij wandelt met zijn hond, kraanvogels ziet overvliegen en nog een groep lager vliegende kraanvogels en dat die vogels na een beetje passen, meten en door elkaar heen fladderen samen doorvliegen naar het zuiden.

                       *

Gerbrands nieuwe hond – met de geweldige naam Joop – blaft niet als de vogels weg zijn. En Gerbrand Bakker vindt dat jammer, het had zo mooi gepast in zijn stukje. Ik glimlach. Ik zie hem lopen met de niet-blaffende Joop en de vogels die over het dal in de Eifel vliegen in van dat grijze gehaktballenweer. Van dat weer dat wij ook hier hebben. Weer als een deken van grauw vocht.

                            *

Verderop in de krant lees ik een interview met Rutger Bregman. Rutger is 28 jaar en hij heeft al vier boeken geschreven. Hij citeert – als het over de liefde gaat – zijn moeder: ‘Ik word eigenlijk van iedereen moe, behalve van je vader.’ En ook dat is geweldig, zo’n definitie van liefde. 

                      *

En ik kijk naar mijn man die na het ontbijt stofzuigt – hij kondigde dat vóór het ontbijt reeds aan – en daarna alle was die wij laten liggen naar boven meeneemt en het maakt niet uit dat ik zeg dat ik zo een kerstboom koop waar weer rotzooi van komt, hij zuigt. Wel laat hij de stofzuiger liggen voor na de komst van de boom. Dan zuigt hij weer. Hij vraagt of ik nog wat heb voor de bonte was. En ik word er niet moe van.

                       *

En als ik vertel dat ik zaterdagochtend op het t.v.-tje van het fitness-apparaat een interview met de schrijfster A.S. Byatt zag dan weet hij wie dat is. ‘Vorige week werd er veel over haar geschreven in de krant’, zegt hij. En dat is zo.

‘Het is jammer dat ik niet de rust heb gewoon overdag eens te lezen’, verzucht ik en ook dat begrijpt hij. Hij las afgelopen donderdag overdag op de bank een boek maar greep toch vaak naar ‘dat ding’. Daar bedoelt hij de telefoon mee waar ik ook niet vanaf kan blijven.

                        *

Ook wordt hij niet moe van mij als ik zeg dat het plantje in de vensterbank zo leuk bloeit en ik vraag hoe we eigenlijk aan dat plantje komen. ‘Jezus, mam,’ zegt mijn zoon, ‘Dat heeft hij echt al een keer uitgebreid verteld.’ En opeens herinner ik mij dat mijn man dat vertelde. Het plantje waarmee hij op de foto stond in een boekje dat een kunstproject was met allemaal mensen met plantjes in hun handen. Dit was het plantje dat hij vast had. ‘Het bloeit nu zo mooi’, zeg ik. Maar ook dat scheen mijn man al een paar keer gezegd te hebben.

                          *

En zo gaat het, met het leven, de liefde. Soms raken sporen elkaar als twee zwermen vogels die over elkaar heen vliegen en met een beetje passen en meten en wat tijd samen doorvliegen naar het zuiden.

                         ***

Voltooid leven


Ik spreek niet met mijn vader over het voltooide leven waar de kranten vol mee staan en het journaal mee opende. De ideeën van de liberalen over het verruimen van de euthanasie-wet bepaalden deze week het nieuws. Stoppen met leven zodra het voltooid is.
                          *

Ik zag op het journaal een dame van 91 jaar met haar hondje. Zij vertelde dat zij klaar was met haar leven. ‘Ik vind het niks meer.’ Haar kinderen zijn het er niet mee eens dat hun moeder het leven als voltooid beschouwt. ‘Maar zij gaan weer door met hun leven nadat ze hier geweest zijn’, zei de dame, ‘Zij werken, verzorgen de kinderen…’ Ik keek naar het hondje. Hij vleide zijn kop liefdevol tegen het linkerbeen van zijn vrouwtje aan. 

                       *

En opeens weet ik het niet meer. Ik weet wel dat de dame met haar voltooide leven en verongelijkte toon mij tegenstaat. Wat nou voltooid als je zelfstandig door je huis kan lopen, in de serre kan zitten, koffie kan zetten, de krant kan lezen, je kinderen van je houden en je hond zich liefdevol tegen je aan vleit?

                        *

Wanneer is het leven voltooid? 

                        *

Ik loop de gang in van het verzorgingshuis en ik tref mijn vader niet aan in zijn kamer. De plastic tas met gewassen kleding zet ik op zijn bed dat keurig opgemaakt is. De NCRV-gids op het tafeltje ligt open bij een kruiswoordraadsel. Beverige letters in hokjes.

                          *

Als ik de gang inloop kom ik Judith tegen, de jonge regelaar en verzorgster van de revalidatie-afdeling. ‘Je vader zit daar!’, zegt ze vrolijk en ze wijst naar het middenstuk waar de ovale tafel staat en de kast met grote-letter boeken. 

                          *

Mijn vader zit aan de ovale tafel in zijn rolstoel. Naast hem zoemt een zuurstofapparaat. In zijn neus zitten twee plastic klemmetjes. 

Het is koffietijd. Een doos met allerhande koekjes staat uitnodigend open op tafel. ‘He, hallo!’, zeg ik en ik buig me voorover om hem een kus te geven. Hij roept hard ‘Au!’, lacht en kijkt om zich heen. ‘Wat ben je koud!’, roept hij. Ik beaam dat het koud is maar zeg direct dat het wel lekker weer is: ‘Het zonnetje schijnt’, meld ik terwijl ik ondertussen mijn jas uittrek. 

                         *

Ik zit nog niet op mijn stoel of de dame naast mij vraagt of ik koffie wil. ‘Lekker!’, antwoord ik. Tegenover mij zit een man die mij vriendelijk toeknikt. Ik zag hem al eens mijn vader gedag zeggen, beneden in het restaurant. Hij sloeg mijn vader daarbij zachtjes op zijn schouder. 

                           *

Ik kijk mijn vader aan. ‘Je ziet er goed uit!’, zeg ik. Na twee weken van hollende achteruitgang heeft mijn vader weer wat kleur in zijn gezicht, de holle en afwezige blik is uit zijn ogen verdwenen. Zijn huid is glad en strak. Zijn ogen staan helder. 

                            *

‘Wil je melk en suiker?’ Ik concentreer me weer even op mijn koffie. Mijn vader reikt mij de suiker aan, de dame rechts van mij de melk. ‘Ik zal mij even voorstellen’, zeg ik, ik sta op en ik geef de beide tafelgenoten van mijn vader een hand. 

                             *

De conversatie stokt. Ik vraag aan de tafelgenoten of ze hier allang wonen. Ze wonen hier allang. De schouderkloppende man zegt zacht: ‘Ik ben pas zeventig. Ik ben hier gebleven nadat mijn vrouw was overleden.’ De dame naast mij zegt lachend dat ze nog heel erg jong is en blijft want ‘Ik heet mevrouw de Jong!’ Zij lacht hard, wij lachen mee. De twee bejaarden-oude-stijl wonen in een twee-kamer appartement tegenover de revalidatie-kamers. ‘Het is een heel ruime kamer en we hebben een keukentje’, vertelt de vrouw. De man tegenover mij knikt instemmend. Als ik vraag of ze zelf koken zeggen beiden dat ze altijd beneden in het restaurant eten. ‘Lekker makkelijk.’

                           *

Ik kijk naar mijn vader. Tot drie maanden geleden kookte hij iedere dag zelf. Vol trots tilde hij wekelijks de deksels van de pannetjes op en liet mij zijn  zelfgemaakte paella zien. ‘Daar doe ik drie dagen mee!’ En ik bewonderde de paella, gruwend van de gedachte aan drie-dagen-oude garnalen.

                            *

Toen hij gevallen was op die zomerse maandagmiddag waren de voorbereidingen voor het avond-eten in volle gang. ‘Nemen jullie het eten mee naar huis?’ vroeg mijn vader, liggend op de grond met zijn been in een rare kronkel en zijn hoofd licht voorover geknakt tegen de keukenplint aan. De ijskastdeur stond half open. ‘Ik viel toen ik er iets uit pakte’, verklaarde hij met een van pijn vertrokken gezicht. 

Nu geniet hij van het eten in het verzorgingshuis. ‘Het is hier allemaal even lekker!’ Klokslag twaalf en vijf uur rolt hij naar de maaltijden toe. Bezoek of geen bezoek. 

                           *

‘Morgen komt Trix’, zeg ik tegen mijn vader. Trix is een stokoude kennis van mijn vader die net aan haar knie geopereerd is. Zij woont in Gelderland. ‘Zij regelde met kennissen vervoer naar jou toe. Ze komt om twee uur.’ De inmiddels 92-jarige Trix hengelt al meer dan vijftien jaar achter mijn vader aan. Maar hij geeft geen sjoege. Nu komt ze helemaal uit het oosten des lands op bezoek. ‘Ik wil hem zo graag nog eens zien!’, zei ze tegen mij door de telefoon. ‘Vind je het leuk dat Trix komt?’, vraag ik vilein. 

‘Nee’, zegt mijn vader.

                                *

Na de koffie rol ik mijn vader naar zijn kamer. ‘We moeten nog je levensverhaal opschrijven pa’, zeg ik. De clientbegeleider vroeg mij vorige week om het levensverhaal van mijn vader. ‘Dat leest de verzorging, ze hebben dan wat aanknopingspunten bij de verzorging van de cliënten, vooral als het geheugen wat minder wordt.’ Ik vind het een sympathiek idee. Ik stel de vragen die op het stencil van de clientbegeleider staan en schrijf terwijl mijn vader vertelt. Als het tijd is om te gaan zijn we beland bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. ‘En toen vond je je ouders in Indie, toch?’ is mijn laatste vraag.

                              *

Mijn vader knikt instemmend. ‘Volgende keer gaan we verder’, beloof ik en ik trek mijn jas aan.

‘Tot zondag!’, zeg ik en ik kus hem op zijn wang. 

                            *

Ik zwaai naar de 94-jarige. De grijze zuurstof-machine zoemt maar door als een bijenkast vol nijvere bijtjes. Zuurstof vloeit als nectar zijn neus in via het plastic slangetje. ‘Dahag!’, roep ik nog een keer. Hij zwaait. Zijn kruiswoordraadsel ligt open voor hem op tafel.

                            *

Wanneer is het leven voltooid? 

Ik moet het hem toch eens vragen.

                          ***

Lichtheid van bestaan 


Heel lang geleden,

Toen elfjes bestonden, en een heks in een huisje van koek

En de wolven, die geitjes verslonden, mochten niet bij je oma op bezoek

Lang geleden,
Er zaten rovers in de struiken, en de prinsen waren allemaal heel knap

En de kater, droeg zijn pas gelakte laarzen, en een muiltje liet je achter op de trap

                         *

Heel lang geleden,

Werd je was gedaan door vogels en dan vlogen ze een strikje in je haar.

En de muizen, die zongen veel te schel, maar waren vriendjes stonden altijd voor je klaar.

Lang geleden,

Kon je niet slapen door de geest van een meisje in de hoek

Maar na een kusje van je moeder, ontsnapte je gewoon weer aan haar vloek **

                        *

Aan mijn linkerhand ontvouwt zich een Engels landschap van alle kleuren groen; lichtbruine koeien grazen gemoedelijk in de wind die langs mijn huid strijkt en langs hun gladde vel waarvan ik in gedachten de haartjes voel, tegen de draad in aaiend, korte en stugge haren, al strelend dwarrelen de vliegen die rond hun koppen zoemen weg. Achter het gras ligt een strook bos als in een sprookje met een kasteel, verborgen achter bomen, struiken en dorens.
                       *

Op het lege fietspad zig-zag ik tussen rood-wit geblokte paaltjes door. Ik zie een huis boven op een duintop, licht door de zon-gebleekt hout, de ramen kijken uit op het landschap van mijn jeugd. Ik fiets langs een camping in de duinpan, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                         *

Na vijftien keer het bericht ‘Alle medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft’ krijg ik het revalidatie-centrum aan de lijn.

‘Goedemiddag, u spreekt met Annelie Jonquiere, dochter van Ad Jonquiere. Mijn vader is gisteren teruggekomen vanuit het ziekenhuis. Hij heeft een abonnement op de krant. Tot nog toe ontving hij twee van de zes kranten. Vandaag kreeg hij er ook geen. Kunt u nagaan waar de krant gebleven is?’ Zo rustig en beleefd mogelijk stel ik mijn vraag. Ik merkte de afgelopen weken dat rust alleen je kan redden. En dan nog. Een aantal medewerkers van dit zorgcentrum schiet direct bij iedere vraag in de verdediging.

                         *

‘De kranten zijn weg, die zijn al naar boven.’

‘Toch kreeg mijn vader hem niet.’ 

                         *

Ik hoor de beverige stem van mijn vader die insprak op mijn voicemail. ‘Met mij, je vader. Ik werd pas om half tien geholpen. De krant kreeg ik niet en de t.v. doet het niet meer. De batterijen zijn opeens verdwenen uit de afstandsbediening. Wanneer kwam je ook al weer? Vanavond? Nou meis, dit was het. Je vader.’

                         *

Welke naam zei u?’, vraagt de dame van de receptie. 

Ik spel mijn vaders naam.

‘Nee, die naam staat er niet bij.’

Ik bewaar mijn kalmte.

‘Eh, o ja, wacht even, nu zie ik het. Ja, de krant heeft hij gekregen.’

‘Hij kreeg de krant niet vandaag, daarom bel ik u’, zeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat moet wel gebeurd zijn. Ik heb de kranten naar boven gestuurd.’

Ik geef het op.

                         *

‘Dan heb ik nog een vraag.’ Ik hoor een zucht twintig kilometer verderop.

Ik bewaar de rust.

‘De televisie van mijn vader doet het niet meer. De batterijen zijn uit de afstandsbediening gehaald. Kan iemand misschien voor nieuwe batterijen zorgen?’

                         *

Ik denk aan mijn vader. Vanaf vijf uur vanochtend lag hij wakker. Om half tien werd hij uit bed geholpen. Vierenhalf uur staren naar het plafond. 

                         *

‘Nee, dat doen wij niet’, antwoordt de dame van de receptie. ‘Daar moeten bewoners zelf voor zorgen.’ 

‘Voordat hij naar het ziekenhuis ging deed de afstandsbediening het nog’, probeer ik. ‘Hoe kan dat?’

‘Daar ga ik niet over’, antwoordt de dame bits, ‘Maar ik weet wel: voor batterijen zorgen wij niet. Dat moet u zelf doen’

‘De krant en televisie zijn de enige afleiding die hij heeft. Ik vind het erg dat hij nu weer de hele dag geen van beide heeft.’ Twintig kilometer verderop hoor ik niets meer. Het gesprek loopt ten einde. Er is niets wat ik kan doen. Ik moet er heen om iemand aan te spreken. Wie? Ik weet het niet. Het zomerregime zorgt ervoor dat de bezetting minimaal is. 

‘Ik zie hier niemand’, zoals mijn vader vertelt. En dat is zo. 

                        *

Ik fiets, zig-zaggend achterop het zitje naar het strand. Ik staar met mijn kinderogen omhoog. De ogen van mijn vader. Ik zie blauw en wit, langs mijn oren ruist de wind. We gaan de camping in de duinpan voorbij, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn vaders been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                       *

Heel lang geleden,

Was niets wat het leek, de bonen in de moestuin waren geld

En je gehaktbal, was een planeet, waar je heen vloog en verliefd werd op een held

Niemand ging dood dat bestond toen niet echt

Alleen als je oud was of lelijk of slecht

Dan werd je door pijlen uit bogen doorzeefd

Toen er nog lang en gelukkig werd geleefd

(…)

** Muziek en tekst: Christine de Boer (Yentl en de Boer)

 

Dwaze dagen

  
Vlot snellen mijn ogen – die in tegenstelling tot ‘s avonds nog niet op steeltjes staan – de koppen van onze trouwe krant.

                           *

Op de voorpagina ‘maakt Rusland vrienden.’ Een foto siert het artikel. Zeven heren zitten aan een lange tafel. Op de tafel staan glazen limonade, alle glazen precies tot ietsje over helft gevuld. De zeven heren kijken niet vrolijk. Hoe ze dan wel kijken? Het is moeilijk te zeggen. De grootste boef lijkt nog het meest ontspannen. De ander staart naar een bord met wat lekkers. De voorste heer houdt krampachtig de tafel vast alsof deze op ieder moment uit zijn handen kan glippen. Mijn ogen trekken telkens naar de witte borden met eten. Wat ligt er toch op? Gehaktrondjes, pannenkoekjes -blini – en vooraan een taartje, gegarneerd met…sla? Eigenaardig. Assad de boef en Poetin, zijn redder in de nood. Snuf en Snuitje @2015.

                          *

Ik denk aan de mensen die de nacht ervoor door een smerig riviertje in Slovenië waadden. IJskoud water trok in hun broek, hun jas, rugzak. Een jongen van een jaar of acht, negen, huilend, nee, schreeuwend van angst, kou en ellende baant zich een weg door het water.

                           *

De president van de jongen zit aan een lange tafel. Op de tafel staan witte borden met heerlijkheden. Zijn president heeft het niet koud. Geen wanhoop of ellende is van zijn gezicht af te lezen. Zijn volk waadt door de modder in Slovenië.

                            *

Op pagina drie zijn de dwaze dagen van de Bijenkorf begonnen. Ik zie een foto van een vrouw – hoe eigenaardig, ze lijkt precies op de ex van een vriend – om zich heen kijken met aan haar voeten zeven gele dwaze dagen tassen. Naar wie kijkt zij uit? Haar vriendin met ook zeven gele tassen? Haar moeder, zus, schoonzus? Een andere foto met gezichten voor de deuren van de Bijenkorf. Verwachtingsvolle, hebberigheid. Anders kan ik het niet omschrijven. 

                         *

In Steenbergen wordt vooral geschreeuwd. Vuisten ballen zich, vingers wijzen naar voren, het beeld van een jongen met pet, wijd open mond, rechterhand naar voren gestrekt. Brave burgers zitten verloren en ongemakkelijk op de stoelen ervoor. Ze kijken strak voor zich uit.

                         *

Verder dan pagina drie kom ik niet. Maar het is wel weer genoeg voor vandaag.

                           *

De winkelier van Damascus. Hij vouwt zijn zoveelste shirtje op. Mouwtjes naar binnen. Twee scherpe vouwen links en rechts. Dubbel en klaar.

                            *

Dwaze dagen.
                        ***