Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Plantje

Dance Me to the End of Love

(…)

Dance me to the end of love
Dance me to the end of love
Dance me to the end of love

Leonard Cohen (1934-2016)
                          

‘Ik vind Gerbrand Bakker een geweldige schrijver’, zeg ik als ik zijn wekelijkse stukje heb gelezen in de krant.

‘Ik vind het helemaal niks’, zegt mijn man.

En dat begrijp ik niet. Hoe Bakker schrijft dat hij wandelt met zijn hond, kraanvogels ziet overvliegen en nog een groep lager vliegende kraanvogels en dat die vogels na een beetje passen, meten en door elkaar heen fladderen samen doorvliegen naar het zuiden.

                       *

Gerbrands nieuwe hond – met de geweldige naam Joop – blaft niet als de vogels weg zijn. En Gerbrand Bakker vindt dat jammer, het had zo mooi gepast in zijn stukje. Ik glimlach. Ik zie hem lopen met de niet-blaffende Joop en de vogels die over het dal in de Eifel vliegen in van dat grijze gehaktballenweer. Van dat weer dat wij ook hier hebben. Weer als een deken van grauw vocht.

                            *

Verderop in de krant lees ik een interview met Rutger Bregman. Rutger is 28 jaar en hij heeft al vier boeken geschreven. Hij citeert – als het over de liefde gaat – zijn moeder: ‘Ik word eigenlijk van iedereen moe, behalve van je vader.’ En ook dat is geweldig, zo’n definitie van liefde. 

                      *

En ik kijk naar mijn man die na het ontbijt stofzuigt – hij kondigde dat vóór het ontbijt reeds aan – en daarna alle was die wij laten liggen naar boven meeneemt en het maakt niet uit dat ik zeg dat ik zo een kerstboom koop waar weer rotzooi van komt, hij zuigt. Wel laat hij de stofzuiger liggen voor na de komst van de boom. Dan zuigt hij weer. Hij vraagt of ik nog wat heb voor de bonte was. En ik word er niet moe van.

                       *

En als ik vertel dat ik zaterdagochtend op het t.v.-tje van het fitness-apparaat een interview met de schrijfster A.S. Byatt zag dan weet hij wie dat is. ‘Vorige week werd er veel over haar geschreven in de krant’, zegt hij. En dat is zo.

‘Het is jammer dat ik niet de rust heb gewoon overdag eens te lezen’, verzucht ik en ook dat begrijpt hij. Hij las afgelopen donderdag overdag op de bank een boek maar greep toch vaak naar ‘dat ding’. Daar bedoelt hij de telefoon mee waar ik ook niet vanaf kan blijven.

                        *

Ook wordt hij niet moe van mij als ik zeg dat het plantje in de vensterbank zo leuk bloeit en ik vraag hoe we eigenlijk aan dat plantje komen. ‘Jezus, mam,’ zegt mijn zoon, ‘Dat heeft hij echt al een keer uitgebreid verteld.’ En opeens herinner ik mij dat mijn man dat vertelde. Het plantje waarmee hij op de foto stond in een boekje dat een kunstproject was met allemaal mensen met plantjes in hun handen. Dit was het plantje dat hij vast had. ‘Het bloeit nu zo mooi’, zeg ik. Maar ook dat scheen mijn man al een paar keer gezegd te hebben.

                          *

En zo gaat het, met het leven, de liefde. Soms raken sporen elkaar als twee zwermen vogels die over elkaar heen vliegen en met een beetje passen en meten en wat tijd samen doorvliegen naar het zuiden.

                         ***

Voltooid leven


Ik spreek niet met mijn vader over het voltooide leven waar de kranten vol mee staan en het journaal mee opende. De ideeën van de liberalen over het verruimen van de euthanasie-wet bepaalden deze week het nieuws. Stoppen met leven zodra het voltooid is.
                          *

Ik zag op het journaal een dame van 91 jaar met haar hondje. Zij vertelde dat zij klaar was met haar leven. ‘Ik vind het niks meer.’ Haar kinderen zijn het er niet mee eens dat hun moeder het leven als voltooid beschouwt. ‘Maar zij gaan weer door met hun leven nadat ze hier geweest zijn’, zei de dame, ‘Zij werken, verzorgen de kinderen…’ Ik keek naar het hondje. Hij vleide zijn kop liefdevol tegen het linkerbeen van zijn vrouwtje aan. 

                       *

En opeens weet ik het niet meer. Ik weet wel dat de dame met haar voltooide leven en verongelijkte toon mij tegenstaat. Wat nou voltooid als je zelfstandig door je huis kan lopen, in de serre kan zitten, koffie kan zetten, de krant kan lezen, je kinderen van je houden en je hond zich liefdevol tegen je aan vleit?

                        *

Wanneer is het leven voltooid? 

                        *

Ik loop de gang in van het verzorgingshuis en ik tref mijn vader niet aan in zijn kamer. De plastic tas met gewassen kleding zet ik op zijn bed dat keurig opgemaakt is. De NCRV-gids op het tafeltje ligt open bij een kruiswoordraadsel. Beverige letters in hokjes.

                          *

Als ik de gang inloop kom ik Judith tegen, de jonge regelaar en verzorgster van de revalidatie-afdeling. ‘Je vader zit daar!’, zegt ze vrolijk en ze wijst naar het middenstuk waar de ovale tafel staat en de kast met grote-letter boeken. 

                          *

Mijn vader zit aan de ovale tafel in zijn rolstoel. Naast hem zoemt een zuurstofapparaat. In zijn neus zitten twee plastic klemmetjes. 

Het is koffietijd. Een doos met allerhande koekjes staat uitnodigend open op tafel. ‘He, hallo!’, zeg ik en ik buig me voorover om hem een kus te geven. Hij roept hard ‘Au!’, lacht en kijkt om zich heen. ‘Wat ben je koud!’, roept hij. Ik beaam dat het koud is maar zeg direct dat het wel lekker weer is: ‘Het zonnetje schijnt’, meld ik terwijl ik ondertussen mijn jas uittrek. 

                         *

Ik zit nog niet op mijn stoel of de dame naast mij vraagt of ik koffie wil. ‘Lekker!’, antwoord ik. Tegenover mij zit een man die mij vriendelijk toeknikt. Ik zag hem al eens mijn vader gedag zeggen, beneden in het restaurant. Hij sloeg mijn vader daarbij zachtjes op zijn schouder. 

                           *

Ik kijk mijn vader aan. ‘Je ziet er goed uit!’, zeg ik. Na twee weken van hollende achteruitgang heeft mijn vader weer wat kleur in zijn gezicht, de holle en afwezige blik is uit zijn ogen verdwenen. Zijn huid is glad en strak. Zijn ogen staan helder. 

                            *

‘Wil je melk en suiker?’ Ik concentreer me weer even op mijn koffie. Mijn vader reikt mij de suiker aan, de dame rechts van mij de melk. ‘Ik zal mij even voorstellen’, zeg ik, ik sta op en ik geef de beide tafelgenoten van mijn vader een hand. 

                             *

De conversatie stokt. Ik vraag aan de tafelgenoten of ze hier allang wonen. Ze wonen hier allang. De schouderkloppende man zegt zacht: ‘Ik ben pas zeventig. Ik ben hier gebleven nadat mijn vrouw was overleden.’ De dame naast mij zegt lachend dat ze nog heel erg jong is en blijft want ‘Ik heet mevrouw de Jong!’ Zij lacht hard, wij lachen mee. De twee bejaarden-oude-stijl wonen in een twee-kamer appartement tegenover de revalidatie-kamers. ‘Het is een heel ruime kamer en we hebben een keukentje’, vertelt de vrouw. De man tegenover mij knikt instemmend. Als ik vraag of ze zelf koken zeggen beiden dat ze altijd beneden in het restaurant eten. ‘Lekker makkelijk.’

                           *

Ik kijk naar mijn vader. Tot drie maanden geleden kookte hij iedere dag zelf. Vol trots tilde hij wekelijks de deksels van de pannetjes op en liet mij zijn  zelfgemaakte paella zien. ‘Daar doe ik drie dagen mee!’ En ik bewonderde de paella, gruwend van de gedachte aan drie-dagen-oude garnalen.

                            *

Toen hij gevallen was op die zomerse maandagmiddag waren de voorbereidingen voor het avond-eten in volle gang. ‘Nemen jullie het eten mee naar huis?’ vroeg mijn vader, liggend op de grond met zijn been in een rare kronkel en zijn hoofd licht voorover geknakt tegen de keukenplint aan. De ijskastdeur stond half open. ‘Ik viel toen ik er iets uit pakte’, verklaarde hij met een van pijn vertrokken gezicht. 

Nu geniet hij van het eten in het verzorgingshuis. ‘Het is hier allemaal even lekker!’ Klokslag twaalf en vijf uur rolt hij naar de maaltijden toe. Bezoek of geen bezoek. 

                           *

‘Morgen komt Trix’, zeg ik tegen mijn vader. Trix is een stokoude kennis van mijn vader die net aan haar knie geopereerd is. Zij woont in Gelderland. ‘Zij regelde met kennissen vervoer naar jou toe. Ze komt om twee uur.’ De inmiddels 92-jarige Trix hengelt al meer dan vijftien jaar achter mijn vader aan. Maar hij geeft geen sjoege. Nu komt ze helemaal uit het oosten des lands op bezoek. ‘Ik wil hem zo graag nog eens zien!’, zei ze tegen mij door de telefoon. ‘Vind je het leuk dat Trix komt?’, vraag ik vilein. 

‘Nee’, zegt mijn vader.

                                *

Na de koffie rol ik mijn vader naar zijn kamer. ‘We moeten nog je levensverhaal opschrijven pa’, zeg ik. De clientbegeleider vroeg mij vorige week om het levensverhaal van mijn vader. ‘Dat leest de verzorging, ze hebben dan wat aanknopingspunten bij de verzorging van de cliënten, vooral als het geheugen wat minder wordt.’ Ik vind het een sympathiek idee. Ik stel de vragen die op het stencil van de clientbegeleider staan en schrijf terwijl mijn vader vertelt. Als het tijd is om te gaan zijn we beland bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. ‘En toen vond je je ouders in Indie, toch?’ is mijn laatste vraag.

                              *

Mijn vader knikt instemmend. ‘Volgende keer gaan we verder’, beloof ik en ik trek mijn jas aan.

‘Tot zondag!’, zeg ik en ik kus hem op zijn wang. 

                            *

Ik zwaai naar de 94-jarige. De grijze zuurstof-machine zoemt maar door als een bijenkast vol nijvere bijtjes. Zuurstof vloeit als nectar zijn neus in via het plastic slangetje. ‘Dahag!’, roep ik nog een keer. Hij zwaait. Zijn kruiswoordraadsel ligt open voor hem op tafel.

                            *

Wanneer is het leven voltooid? 

Ik moet het hem toch eens vragen.

                          ***

Lichtheid van bestaan 


Heel lang geleden,

Toen elfjes bestonden, en een heks in een huisje van koek

En de wolven, die geitjes verslonden, mochten niet bij je oma op bezoek

Lang geleden,
Er zaten rovers in de struiken, en de prinsen waren allemaal heel knap

En de kater, droeg zijn pas gelakte laarzen, en een muiltje liet je achter op de trap

                         *

Heel lang geleden,

Werd je was gedaan door vogels en dan vlogen ze een strikje in je haar.

En de muizen, die zongen veel te schel, maar waren vriendjes stonden altijd voor je klaar.

Lang geleden,

Kon je niet slapen door de geest van een meisje in de hoek

Maar na een kusje van je moeder, ontsnapte je gewoon weer aan haar vloek **

                        *

Aan mijn linkerhand ontvouwt zich een Engels landschap van alle kleuren groen; lichtbruine koeien grazen gemoedelijk in de wind die langs mijn huid strijkt en langs hun gladde vel waarvan ik in gedachten de haartjes voel, tegen de draad in aaiend, korte en stugge haren, al strelend dwarrelen de vliegen die rond hun koppen zoemen weg. Achter het gras ligt een strook bos als in een sprookje met een kasteel, verborgen achter bomen, struiken en dorens.
                       *

Op het lege fietspad zig-zag ik tussen rood-wit geblokte paaltjes door. Ik zie een huis boven op een duintop, licht door de zon-gebleekt hout, de ramen kijken uit op het landschap van mijn jeugd. Ik fiets langs een camping in de duinpan, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                         *

Na vijftien keer het bericht ‘Alle medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft’ krijg ik het revalidatie-centrum aan de lijn.

‘Goedemiddag, u spreekt met Annelie Jonquiere, dochter van Ad Jonquiere. Mijn vader is gisteren teruggekomen vanuit het ziekenhuis. Hij heeft een abonnement op de krant. Tot nog toe ontving hij twee van de zes kranten. Vandaag kreeg hij er ook geen. Kunt u nagaan waar de krant gebleven is?’ Zo rustig en beleefd mogelijk stel ik mijn vraag. Ik merkte de afgelopen weken dat rust alleen je kan redden. En dan nog. Een aantal medewerkers van dit zorgcentrum schiet direct bij iedere vraag in de verdediging.

                         *

‘De kranten zijn weg, die zijn al naar boven.’

‘Toch kreeg mijn vader hem niet.’ 

                         *

Ik hoor de beverige stem van mijn vader die insprak op mijn voicemail. ‘Met mij, je vader. Ik werd pas om half tien geholpen. De krant kreeg ik niet en de t.v. doet het niet meer. De batterijen zijn opeens verdwenen uit de afstandsbediening. Wanneer kwam je ook al weer? Vanavond? Nou meis, dit was het. Je vader.’

                         *

Welke naam zei u?’, vraagt de dame van de receptie. 

Ik spel mijn vaders naam.

‘Nee, die naam staat er niet bij.’

Ik bewaar mijn kalmte.

‘Eh, o ja, wacht even, nu zie ik het. Ja, de krant heeft hij gekregen.’

‘Hij kreeg de krant niet vandaag, daarom bel ik u’, zeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat moet wel gebeurd zijn. Ik heb de kranten naar boven gestuurd.’

Ik geef het op.

                         *

‘Dan heb ik nog een vraag.’ Ik hoor een zucht twintig kilometer verderop.

Ik bewaar de rust.

‘De televisie van mijn vader doet het niet meer. De batterijen zijn uit de afstandsbediening gehaald. Kan iemand misschien voor nieuwe batterijen zorgen?’

                         *

Ik denk aan mijn vader. Vanaf vijf uur vanochtend lag hij wakker. Om half tien werd hij uit bed geholpen. Vierenhalf uur staren naar het plafond. 

                         *

‘Nee, dat doen wij niet’, antwoordt de dame van de receptie. ‘Daar moeten bewoners zelf voor zorgen.’ 

‘Voordat hij naar het ziekenhuis ging deed de afstandsbediening het nog’, probeer ik. ‘Hoe kan dat?’

‘Daar ga ik niet over’, antwoordt de dame bits, ‘Maar ik weet wel: voor batterijen zorgen wij niet. Dat moet u zelf doen’

‘De krant en televisie zijn de enige afleiding die hij heeft. Ik vind het erg dat hij nu weer de hele dag geen van beide heeft.’ Twintig kilometer verderop hoor ik niets meer. Het gesprek loopt ten einde. Er is niets wat ik kan doen. Ik moet er heen om iemand aan te spreken. Wie? Ik weet het niet. Het zomerregime zorgt ervoor dat de bezetting minimaal is. 

‘Ik zie hier niemand’, zoals mijn vader vertelt. En dat is zo. 

                        *

Ik fiets, zig-zaggend achterop het zitje naar het strand. Ik staar met mijn kinderogen omhoog. De ogen van mijn vader. Ik zie blauw en wit, langs mijn oren ruist de wind. We gaan de camping in de duinpan voorbij, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn vaders been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                       *

Heel lang geleden,

Was niets wat het leek, de bonen in de moestuin waren geld

En je gehaktbal, was een planeet, waar je heen vloog en verliefd werd op een held

Niemand ging dood dat bestond toen niet echt

Alleen als je oud was of lelijk of slecht

Dan werd je door pijlen uit bogen doorzeefd

Toen er nog lang en gelukkig werd geleefd

(…)

** Muziek en tekst: Christine de Boer (Yentl en de Boer)

 

Dwaze dagen

  
Vlot snellen mijn ogen – die in tegenstelling tot ‘s avonds nog niet op steeltjes staan – de koppen van onze trouwe krant.

                           *

Op de voorpagina ‘maakt Rusland vrienden.’ Een foto siert het artikel. Zeven heren zitten aan een lange tafel. Op de tafel staan glazen limonade, alle glazen precies tot ietsje over helft gevuld. De zeven heren kijken niet vrolijk. Hoe ze dan wel kijken? Het is moeilijk te zeggen. De grootste boef lijkt nog het meest ontspannen. De ander staart naar een bord met wat lekkers. De voorste heer houdt krampachtig de tafel vast alsof deze op ieder moment uit zijn handen kan glippen. Mijn ogen trekken telkens naar de witte borden met eten. Wat ligt er toch op? Gehaktrondjes, pannenkoekjes -blini – en vooraan een taartje, gegarneerd met…sla? Eigenaardig. Assad de boef en Poetin, zijn redder in de nood. Snuf en Snuitje @2015.

                          *

Ik denk aan de mensen die de nacht ervoor door een smerig riviertje in Slovenië waadden. IJskoud water trok in hun broek, hun jas, rugzak. Een jongen van een jaar of acht, negen, huilend, nee, schreeuwend van angst, kou en ellende baant zich een weg door het water.

                           *

De president van de jongen zit aan een lange tafel. Op de tafel staan witte borden met heerlijkheden. Zijn president heeft het niet koud. Geen wanhoop of ellende is van zijn gezicht af te lezen. Zijn volk waadt door de modder in Slovenië.

                            *

Op pagina drie zijn de dwaze dagen van de Bijenkorf begonnen. Ik zie een foto van een vrouw – hoe eigenaardig, ze lijkt precies op de ex van een vriend – om zich heen kijken met aan haar voeten zeven gele dwaze dagen tassen. Naar wie kijkt zij uit? Haar vriendin met ook zeven gele tassen? Haar moeder, zus, schoonzus? Een andere foto met gezichten voor de deuren van de Bijenkorf. Verwachtingsvolle, hebberigheid. Anders kan ik het niet omschrijven. 

                         *

In Steenbergen wordt vooral geschreeuwd. Vuisten ballen zich, vingers wijzen naar voren, het beeld van een jongen met pet, wijd open mond, rechterhand naar voren gestrekt. Brave burgers zitten verloren en ongemakkelijk op de stoelen ervoor. Ze kijken strak voor zich uit.

                         *

Verder dan pagina drie kom ik niet. Maar het is wel weer genoeg voor vandaag.

                           *

De winkelier van Damascus. Hij vouwt zijn zoveelste shirtje op. Mouwtjes naar binnen. Twee scherpe vouwen links en rechts. Dubbel en klaar.

                            *

Dwaze dagen.
                        ***

Taart

  
Het is dinsdag 15 september. Donker groen buigt naar rechts, loden luchten jagen boven zwaaiende takken. Op de Gooise weg/s112 valt al dwarrelend een zeskantig blad op het asfalt. Met een aandoenlijk bruin steeltje. Ik rijd er overheen.

                        *

Op deze dag met klinkende regenbuien, donderwolken en katten die voor geen goud naar hun geliefde buiten gaan, komt het niet van schrijven. Tot hier. De file op de Gooise weg ordent gedachten. Het ondergedompeld zijn in de herfst in deze behaaglijke cocon, de warme auto, haalt de woorden tevoorschijn waar ik overdag tevergeefs naar zocht.

                          *

Op vrijdag 18 september maken buien plaats voor blauw met witwatten wolken. Op tafel liggen kranten, kruimels en de iPad. Een half vol glas thee, de pot erachter. Opeens overvalt me de zin in taart. Appeltaart.

                         *

‘Zal ik een appeltaart bakken?’, roep ik richting de voorkamer. Daar ligt de verse student met laptop op schoot, oordopjes in. We praten hier in huis alsof we met slechthorenden samenwonen. HARD en DUIDELIJK anders krijg je GEEN REACTIE.

                         *

‘Huh, eeh, ja, wat voor een taart?’ vragen de oordopjes.

‘EEN APPELTAART!’, is het antwoord.

‘O ja, lekker!’

                          *

En ik bak een taart. Met twee oude rimpelappels en vier gladde groene. Dat van die rimpelappels vertel ik de hardhorende niet. Gisteren vroeg hij zijn vader om een appel: ‘zonder ook maar iets erop, pap, geen deuk of bruin plekje, anders lust ik het niet.’ Vanaf zijn tweede jaar begon de verregaande kieskeurigheid en kokhalzen-bij-iets-‘vies’. De kieskeurigheid houdt al zestien jaar stand.

                         *

Als ik de laatste hand leg aan de taart beweegt er iets in mijn ooghoek: de student is in beweging gekomen.

‘Ik ga zo nog even naar Romee.’

‘O, net nu ik de taart afheb…’ Hij knikt verlegen en ik zeg hem direct dat ik het niet erg vind alleen te zijn, ook niet met taart. ‘Geen probleem!’, roep ik vrolijk.

                         *

‘Mag ik de wagen?’ 

‘De wagen?’

‘Nou ja, de auto, bedoel ik.’

‘Ja, natuurlijk.’

                         *

En daar gaat hij. Opgedoft in de wagen naar Romee. 

                         *

Een uur later is de taart klaar. Ik snijd een warm puntje af. Lekker.

                       ***

Toppunt van genot

IMG_5429
Voordat ik naar mijn vader ga bel ik altijd op. Na een tijdje, -bijna wil ik al opleggen,- hoor ik: ‘hallo!’ Direct daarop start de in-gesprek-toon. Geïrriteerd bel ik nog een keer:
‘hallo, met wie?’
‘Met mij, Annelie’
‘O ja, ben jij het? Ik kwam uit de keuken met vieze handen en..’
Ik onderbreek rücksichtlos zijn verhaal.
‘Ik kom zo even je harinkje brengen, oké?’
‘Nee, je hoeft geen haring te halen, ik eet vandaag die bokking.’

Mijn vader kreeg vorige week voor zijn 93e verjaardag een bokking van zijn vriend Henk cadeau. Henk is 92 en rijdt in een lage Saab waar hij zich nog steeds met zijn stramme benen in en uit weet te wurmen. Ik wist niet eens dat mijn vader van bokking hield. Zelf eet ik het nooit. Wikkelden ze vroeger niet bokking in een oude krant? Of was het stokvis? Waar heb ik dat toch gelezen?

Ik stap op de fiets zonder haring. Mijn vader eet bokking. Ik verheug me al op de vislucht die in zijn warme flat hangt.

Als ik de sleutel omdraai van de deur en binnenstap ruik ik niets. Mijn vader komt mij tegemoet. Hij loopt tegenwoordig in huis zonder stok.
‘Ik ben bekaf’, klaagt hij, ‘ik heb pijn in mijn rug van het strijken. Ook heb ik het balkon opgeruimd.’
Weer borrelt de irritatie omhoog. Ik had hem beloofd het balkon vandaag op te ruimen. Julia zou morgen bij hem strijken. Waarom doet hij dit zelf? Stoerigheid? Bescheidenheid? Ik snap er niks van.

In de keuken staat het schoongemaakte peertje, in kleine stukjes gesneden, al klaar. Een zilveren vorkje staat rechtop in één van de stukjes. Hij maakt zijn boterhammetje klaar. O, daar is de bokking! Hij pelt het papier eraf en peutert de gerookte vis onder het glanzende velletje vandaan.

‘Kan jij het balkon even vegen?’, vraagt hij.
‘Ja, natuurlijk’ en ik neem een kijkje.
‘Wil je die oude aarde in de potten bewaren?’, vraag ik hem. Je weet het nooit. Voor de zekerheid maar even checken.
‘Dat is geen oude aarde, het is prima aarde, ik gebruik die om de bloempotten binnen aan te vullen.’

‘Oké’, en ik veeg het balkonnetje van één bij drie meter aan. Zorgvuldig veeg ik om alle zielige potten met oude aarde en halfvergane geraniums heen.
‘Wie weet, doen ze het zo weer’, legt mijn vader uit.
‘Ja, je weet het nooit’, is mijn schijnheilige antwoord.

‘Wat doe je dat toch snel!’ zegt mijn vader, als hij na een kwartier klaar is met zijn ene boterham smeren en twee koppen koffie zetten.
‘Ja, daarom kan je mij ook beter dat soort dingen laten doen, pa. Hetzelfde geldt voor de strijk. Julia heeft dat zo gedaan!’
‘Ja’, antwoordt mijn vader trots, ‘ze is zo snel hè? En ik heb het haar geleerd: overhemden strijken!’

We maken ons wekelijkse dinsdagpraatje en daarna fiets ik terug naar huis. Het is heerlijk weer.

Op de fiets weet ik het opeens zeker: het was Gerard Reve. Die at een gerookte bokking,- de zalm der armen,- van een krant in een hoekje van de kamer. Het toppunt van genot.