Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Broos


Langzaam wordt de arm weer van mij. Vier weken lang behoorde mijn arm toe aan de brace. Een ingewikkelde mitella van klittenband die ik kreeg van de verpleegkundige in het kelderziekenhuis van het bergdorp Les Deux Alpes. Ze vouwde de constructie – want dat was het – uit met achteloze gebaren van jarenlange ervaring. Ik keek benauwd toe. Zou ik kunnen onthouden hoe dat ding nu precies in elkaar zat? Ik nam me voor de brace voorlopig niet af te doen. Dan liep ik het minste risico te verdwalen in dat woud van klittenband.

                          *

De brace was vier weken lang mijn toegang tot de onveilige buitenwereld. Alle ogen trokken naar de blauwe constructie en men begreep dat daaronder iets niet klopte. Onwillekeurig hield men afstand en dat was fijn. De gekwetste schouder was intussen aan het werk: bloeduitstortingen die fijne draadjes trokken van bloedvaten, cellen die zich vermenigvuldigden, botdeeltjes die zich langzamerhand aan elkaar vasthechtten als de twee delen van het gebroken beeldje dat jarenlang – zorgvuldig door mijn vader gelijmd – op het dressoir stond van mijn ouders. Als je er vlakbij stond en goed keek zag je het: dat dunne breuklijntje, je pakte het kameeltje – want dat was het – niet meer op, zometeen viel het in twee stukken uiteen.

                          *

Het werden vier weken met zeeën van tijd voor, ja voor wat eigenlijk? Lezen bleek – nu er zoveel lege uren waren – minder aantrekkelijk dan lezen in krappe uurtjes tussen werken, eten, sporten en slapen door. Je kan ook niet de hele dag t.v. kijken, het ultieme symbool van nietsnutten en luiaards. 

                         *

Ik maakte iedere dag een ommetje en zag alle uithoeken van mijn slaperige dorp. Alleen mensen met honden maken ommetjes ontdekte ik. Ik zigzagde van de bibliotheek naar het weiland met schapen, van het bos met de grootste speeltuin van Nederland naar het stille landgoed van de inrichting voor verstandelijk gehandicapten. Ik zag niemand.

                      *

Vandaag maakte ik mijn eerste ommetje zonder brace. 

‘Zou je dat wel doen?’, vroeg mijn man, ‘Niemand ziet dat je wat aan je schouder hebt.’

Maar ik deed het. Het voelde bloot maar vrij. Als een gewoon mens liep ik door de stille straten, het verlaten stukje bos. Toen ik langs de tennisbaan liep riep een jongetje wat naar mij. Ik stond stil. ‘Mevrouw, kunt u mijn bal over het hek gooien?’, vroeg hij. Ik keek naar de bal. Het was een fluorescerende gele tennisbal. Hij lag in het gras. Ik keek naar het hek. Dat was minstens vijf meter hoog.

‘Ik heb mijn schouder gebroken, ik zou de bal wel willen teruggooien maar dat lukt mij niet’, zei ik. Het jongetje keek naar mij. Ik zag dat hij gewoon een mevrouw zag met twee armen. Ik liep door. Een beetje verslagen. 

                       *

Thuis lag de brace werkeloos op mijn bed als een stuk huid zonder lijf. ‘Yezz, but zis is zie best peenkiller’, aldus de Franse arts met walrus-snor toen ik vroeg of ik pijnstillers van hem kreeg. Hij wees naar de brace die snel en deskundig om mijn lijf werd aangebracht. Het was zo. Ik bewaar hem nog maar even, de brace.

                     ***

Slow motion

Na De Val In De Sneeuw kwam het leven als een pruttelende brommer zonder benzine tot stilstand. Wat kan je doen met één hand? Met een naar voren gebogen nek letter voor letter op schoothoogte tikken, televisie kijken, voor je uit staren en boeken lezen. Geen echte boeken, deze zijn te zwaar. De e-reader is een uitkomst. Ik lees ‘Jasper en zijn knecht’ van Gerbrand Bakker. Over de schrijver zelf, zijn belevenissen in en rond zijn huis in de Eifel en zijn hond Jasper. 

                        *

Wekelijks schrijft Gerbrand Bakker een column in Trouw. Die ook gaat over belevenissen in en rond zijn huis in de Eifel en zijn hond Jasper. Alleen is Jasper een tijd geleden gestorven. In het boek is de hond nog springlevend. Gerbrand is open over zichzelf, zijn depressie, zijn schrijverschap. Mooi is het maar na weer een uitgegraven conifeer, een ontsnappende Jasper en klagende Duitse buurman leg ik Gerbrand opzij.

                       *

Wat kan je doen? Ik vraag mijn zoon mij in mijn jas te helpen. We vinden in huis een veiligheidsspeld. Daar maakt hij – nauwgezet gevolgd door mij – de jas om mijn schouder mee vast aan de brace. ‘Zo glijdt hij niet af’, zegt hij. Ik maak een ommetje. Onder de broeierige brace voel ik de gekwetste schouder licht bewegen. Ik trek met de linkerhand het klittenband van de brace om mijn middel los en zet kracht. Nu – met een geplet middenrif – moet het beter gaan met de schouder. Het is niet zo maar ik zet door. Het ommetje zal worden gemaakt.

                         *

De wereld zit vol nieuwe gevaren. Rennende schoolkinderen, langsrijdende fietsers, een busje dat groene afvalbakken schoonmaakt parkeert half op de stoep. Ik loop er met een grote boog omheen. ‘Groenfris’ staat met vrolijke letters op het busje. Ik wist niet dat er busjes waren voor het schoonmaken van groenbakken. Achter mij hoor ik het spuiten van water. 

                         *

Ik zie schapen in een weiland, een huis met een slinger van vlaggetjes – ‘Hulde aan het bruidspaar’, – een dame loopt mij tegemoet op het lege voet – annex fietspad. Bij het passeren kijk ik angstvallig achterom. ‘U kijkt goed uit, hè?’, vraagt de dame vriendelijk. Ik draai mij half om, de vrouw kijkt naar de brace, de speld en de afzakkende jas. ‘Ik brak mijn schouder’, zeg ik. ‘Ach, wat naar, beterschap voor u’, zegt de dame. Haar sjaaltje wappert in de wind.

                        *

‘Dank u’, zeg ik en ik vervolg mijn weg. Zometeen weer verder met Gerbrand, de Eifel en de hond. 

                        ***

Guilty pleasures

  
Het zou gaan regenen vandaag maar het blijft grijs en droog. Het gekke is dat het mij teleurstelt. Graag had ik de hele dag binnen gezeten zonder het gevoel te hebben dat ik naar buiten moet ‘nu het nog droog is.’ Nee, ik wil in pyjama de krant lezen, een broodje eten, de katten aaien en The Voice Kids kijken, het programma dat ik opgenomen heb, zonder een man die vraagt: ‘moet jij je burgerkleren niet aantrekken?’ en een kind dat niets vraagt, maar zo nu en dan naar beneden komt om eten te pakken en daarbij zijn wenkbrauwen lichtjes optrekt.

                          *

En ja, dat is wat. Bekennen dat je als volwassen vrouw met een respectabele baan en boeken in de kast kijkt naar een dergelijk programma. Ik twijfelde lang. Zou ik het bekennen? Het ergste is nog dat ik mijn eigen kinderen niet kan betrekken bij deze guilty pleasure. Een is de deur uit, studeert, sport, heeft een vriend en een oppasbaan. Haar krijg ik niet meer iedere week op de bank met kaneelthee, een kruik en twee reclameblokken verder een toastje met kaas van de plaatselijke delicatessen-zaak.

                         *

Het andere kind is vastgeplakt aan zijn bed waarop hij multi-taskt met behulp van verschillende apparatuur-met-beeldscherm. Boeken die hij misschien in zou moeten kijken – wil hij alle tentamens halen volgende week – verdwalen in de chaos van een overvol bureau. Een sleutel, muntstukken, een glas met wat water, een bakje waarin ooit zoutjes zaten, een pen, potlood zonder punt en een halve gum. Nee, ook hij kan niet betrokken worden bij zijn moeders geheime genoegens. Dus kijk ik geheel en al op eigen conto.

                             *

Wat is het toch dat mij trekt in zingende kinderen, artiesten die wel of niet omdraaien, zenuwachtige ouders en opgewonden presentatoren? Wat zie ik toch hierin? Waarom moet ik dit programma kijken en trekt het mij aan als een ijzervijlsel-slurpende magneet?

                             *

Misschien is het de vertedering die de kinderen opwekken: de meesten zijn verlegen en beleefd. Ze zeggen ‘dank u wel’, lachen hun mooie lachjes. En sommigen zingen de onverwachte sterren van de hemel. Dan maakt Marco Borsato een gebaartje met zijn hand, het gebaar dat ooit Gerald Vanenburg maakte bij de goal van van Basten in 1988. Nederland-Rusland 2-0. 

                              *

Nog erger dan bovenstaand plezier is het bekijken van You tube filmpjes met dezelfde strekking als hierboven: filmpjes van volwassenen en kinderen die de jury verrassen met een prachtige zangstem, een ontroerend verhaal plus optreden, zang- en danstalenten ineen. Britain’s got talent, de Amerikaanse Voice, de Duitse Voice Kids, you name it, ik heb het gezien. De twee pubers die onwaarschijnlijk mooi ‘All of me’ zingen van John Legend, tweestemmig, de jury tot tranen toe roerend. Het meisje Laura, 11 jaar, met brilletje en vreselijke moeder in de coulissen die moeiteloos ‘I Will always love you’ zingt, een geluksbeertje hangt uit de zak van haar vest.

                             *

Het Nederlandse meisje Amira dat met een glaszuivere stem opera zingt. Isaac Waddington, Britse puber, die ontroerender dan Billy Joel ‘She’s always a woman’ zingt en daarbij piano speelt. Ik ken ze, allemaal. 

                            *

De schaamte voorbij: ja, ik vind dat leuk. En ik heb nog meer geheime genoegens naast alle respectabele bezigheden als lezen, schrijven en reizen. Mateloos zoeken naar vakantiebestemmingen is er zo-een. Alles weten van de Tweede Wereldoorlog met als specialiteit de Jodenvervolging. Maar het ergste zijn toch wel die You tube filmpjes. 

                           *

En nu ga ik mijn boek uitlezen, ‘Ik zag een man’ van Owen Sheers. Zeer verantwoord, een pleasure but…not guilty.

                         ***

 

                          

Over schrijven

 En opeens is tie daar. Het schrijfduiveltje. Een paar dagen verstopt achter in een kast, weg, foetsie, waar dan ook ergens ingedoken om er voorlopig niet uit te komen. Het is raar, dat schrijven. Schrijven vereist leegte. Met een vol hoofd is het lastig schrijven. Een vol hoofd ontstaat niet alleen door werk. Ook een kind dat examen doet en witjes thuiskomt, een man tegenover je met de krant – ook al zit hij heel stil -, boodschappenlijstjes, bezoek van een vriendin, mails en prettige etentjes veroorzaken reuring. Het is prima allemaal, meestal meer dan prima, maar ze jagen het schrijven naar de achtergrond.
                              *

Kijk naar nu: op de achtergrond doet de Ipod zijn best met klassieke muziek die eeuwig voortduurt. Het wonderlijke doosje brengt al vanaf tien uur vanochtend klassieke werken ten gehore. Het is nu twee uur in de middag. Buiten hoor ik het fluiten van een vogel, wakker geschrokken door de zon die opeens na druilregen verschijnt.

                             *

Onder mijn Ipad ligt een stukje krant. Een glossy magazine dat op zaterdag tussen de krant verscholen zit. Na het lezen van de krant en een deel van het magazine weet ik dat de hele wereld schrijft. Harlan Coben, een Amerikaanse thrillerschrijver, die vertelt dat zijn boeken op het nachtkastje liggen van Hillary Clinton, heeft een nieuwe boek geschreven. Dat moet ik even noteren, een goede schrijver deze Harlan Coben, lekkere thrillers schrijft hij. Rick Nieman, de ietwat arrogante nieuwslezer van RTL schreef ook een boek. Een ‘Ventoux’ met motoren, begrijp ik. De dochter van Leon de Winter, net als mijn zoon eindexamen-kandidaat, schrijft. Ze schrijft zelfs in plaats van voor haar examen te leren, vertelt Leon trots in zijn Bloemendaalse woning, zo te zien heerlijk gelegen in het groen.

                              *

Mijn woning ligt ook heerlijk in het groen, en ja, sinds kort wonen wij officieel ook in Bloemendaal. Wel in het dorpse, wat achtergebleven zusje, met wat meer 25-onder-een-kappers dan in het echte Bloemendaal. Het echte Bloemendaal waar ik van houd, omdat ik daar als zesjarige naar school ging en dagelijks door mijn moeder gewezen werd op de mooie bomen in de laan die loopt van het pannenkoekenhuisje naast de toegang van Thijsse’s hof tot aan de Lage Duin en Daalse weg. Lage Duin en Daalse weg, hoe lieflijk en poëtisch klinkt dat?  

                                *

En dan word je schrijver. Gewoon van een simpel blogje. Ooit wellicht van een minder simpel blogje. Een kort verhaal waarvan men denkt: ‘zo een lees ik nooit meer.’ Een verhaal als het verhaal dat ik zelf ooit las. Was het van Belcampo? Ik weet het niet meer zeker. Ik weet wel dat onze lerares Nederlands in de derde klas de stapel stencils uitdeelde en dat ik, toen al een enorme lezer, verstomd op de groene zitbank in onze woonkamer de stencils las en een voor een naast mij neerlegde. Hoe kon iemand zo schrijven? Wie moet je zijn om zoiets te verzinnen? 

                               *

De naam van het verhaal, ik zoek het op. Het verhaal zelf ben ik nooit vergeten. Sterker nog, ik denk er vaak aan. Hele zinnen, een alinea kan ik reciteren. Het verhaal draaide om liefde en vertrouwen. Van de nood een deugd maken. Over dromen van vroeger en een ongewisse toekomst. En het plot? Een zo prachtig plot las ik nooit meer.

                             *

Eigenlijk hoort iedereen dit verhaal te lezen. Van een pak stencils op een groene bank, met een beduimeld tweedehands boek in de hand, met een bibliotheekboek op schoot waarin een viezerik een koffievlek en ander onbestemd vuil heeft achter gelaten. Maar heb je 34 minuten en 53 seconden? Dan kan je luisteren naar een stukje uit het leven van een man, – 35 jaar, schrijver, – met zijn jas ‘als losse hond’ en zijn vrouw. Over opoffering en verdriet, omslaand in toekomst en hoop. Over liefde voor het schrijven en over liefde voor elkaar. Ik verklap niks meer. Maar het verhaal is boeiender dan welk verhaal dan ook, dan welke thriller dan ook en dan welke ‘Ventoux’ dan ook. Het verhaal wordt voorgelezen door Maarten Bronst. Ik ken deze Maarten niet, maar hij leest prachtig voor.

                              *

Op zaterdag 6 juni 2015 vindt een reünie plaats van mijn middelbare school. De school met de treurbeuk, midden in het centrum van Haarlem, achter het stadhuis. Ongetwijfeld ruiken we allen die zaterdag in juni de vage stroopwafellucht van meer dan dertig jaar geleden. Die van de marktkraam iets verderop. 

                              *

En als ik haar zie bedank ik haar. Voor het overbrengen van haar liefde voor lezen op mij, op het aanwakkeren van mijn bestaande boekenliefde. En voor dit verhaal. ‘De achtbaan’. Van Belcampo.

                            *

Mieke Tillema, juf Nederlands.

                           ***

Lectori Salutem!

IMG_4701.PNG
De Scandinaviërs zijn bezig met een gestage opmars. Zowel in de literatuur als in de wereld van de goede series doen onze bovenburen iets bijzonders.

Ik maakte zelf voor het eerst kennis met een hoge Noorderling, toen ik op advies van vriendin E., een boek kocht van Henning Mankell. ‘Midzomermoord’. Het was wel een triller, waarschuwde E. mij. En ik hield niet van thrillers. Maar zij overreedde mij met haar enthousiasme en ik kocht het dikke boek. In de lieve boekhandel G. te L.

In een mei-vakantie waren wij met onze kleine kinderen beland in het midden van nergens op het verrassend groene en ruige Gran Canaria. Ik had via internet een huisje gehuurd dat alleen te bereiken was via een oneindig-klimmend weggetje, steil naar boven kronkelend. Rechts keken we vanuit ons huurautootje uit op een steeds dieper wordend ravijn. Links werd de bergwand rotstiger en schuurden we bijna de lak van het autootje eraf door de toenemende nauwte van de route.

Wit om de neus stapte mijn echtgenoot tijdens de spannende rit uit om te kijken ‘of we wel goed reden.’ Dat was natuurlijk een gotspe. Goed rijden? Er was geen alternatief! Keren kon niet op dat 2,5 meter brede pad waarop ik voortdurend de hellingproef deed. Natuurlijk was dit de goede weg. En ik reed langzaam, met achterin twee tegen het raam geplakte neusjes, achter mijn witte man aan. Hopend op een teken van leven. Een mens. De sleuteldame. Of ons huis.

We klommen zeer langzaam en behoedzaam verder naar boven en ja, daar stond ons tijdelijke huis! Een Canarische schoonheid, wit met grote, bruine spikkels. Een buitenbarbecue. Een trappetje lager dan het huis flirtte een blauwblauw zwembad met onze bezweette lichamen. Het werd een supervakantie. Met ons kleine jongetje, dat lieveheersbeestjes verzamelde in een Spaans lucifersdoosje. Met ons meisje dat urenlang speelde met de afgrijselijk-felgekleurde Little Pony’s.

Met mango’s en tapas. Sangria. En geblakerde vleesjes van de buitenbarbecue. Wij lagen meestal aan het zwembad. Met een boek en een half oogje op de twee kleintjes in verband met dat diepe ravijn. De steile trappetjes. Het zwembad.

Een van de boeken die ik daar in de zalige warmte las was ‘Midzomermoord’. Ik kon niet meer ophouden met lezen. Spannend, goed geschreven, een heerlijke dikke pil. Wel een beetje raar in de hitte met zo’n koud, Scandinavisch boek. Alhoewel het verhaal zich afspeelt in de Zweedse midzomer. Dus dat klopte dan weer wel.

‘s Avonds, als de kinderen in bed lagen, zaten wij tweeën buiten bij het zachte licht van de, met muggen omzwermde, buitenlamp te lezen. Totdat we een autootje de lange, steile ravijnweg op hoorden rijden. Die stopte. Ik keek op uit mijn boek. Moord en doodslag. Mysterieuze moord en doodslag. Wij keken elkaar aan en dachten hetzelfde. We lazen binnen verder. De deuren en ramen van ons Spaanse huis dicht en grondig afgesloten.

Vanaf die tijd was ik gegrepen. Door thrillers van Scandinavische en IJslandse thriller-schrijvers. Arnaldur Indridason (IJsland), Jo Nesbo
(Noorwegen), Stieg Larsson (Zweden).

Daarna volgden geweldige Scandinavische series: de prachtige verfilming van Stieg Larsson’s trilogie (‘Mannen die vrouwen haten’…, bloedstollend!), alle afleveringen van de boeken met de detective Wallander (van Henning Mankell), ‘The Bridge’ (Zweeds /Deense misdaadserie), ‘The Killing’ (Deense misdaadserie), gevolgd door de intrigerende, politieke serie ‘Borgen’ over een (fictieve) prachtige Deense politica en haar regeringsstrijd en de laatste, maar zeker niet de minste, The Legacy: over een Deense familie die verscheurd wordt door een erfenis. Stuk voor stuk fantastische series: goed gespeeld, geweldig gecast, mooi gemaakt.

En dan ‘mijn’ twee literaire ontdekkingen van vorig jaar en dit jaar: de persoonlijke ontboezemingen van Karl Ove Knausgard met zijn ‘Strijd’: ‘Vader’, ‘Zoon’, ‘Liefde’ en ‘Nacht’. En gisteren las ik eindelijk ‘Twee wegen’ van Per Petterson uit. Ontroerend mooi. Van inhoud. Van taal. Van opbouw.

Wat is dat toch met onze Noorderburen? Waarom schrijven ze zo mooi? Waarom maken ze zulke goede series? In de Volkskrant van zaterdag 30 augustus 2014 vraagt ook de Nederlandse thrillerschrijver Rene Appel zich af wat de Scandinavische thriller zo goed en succesvol doet zijn. Hij denkt dat het komt door de combinatie van de drie M’s: Mensen, Misdaad en Maatschappij. Ik houd het zelf op drie andere ingrediënten: Taal, Talent en Tragedie. En dan vooral de liefde voor Taal, het Talent om te kijken, te denken, te dromen, te doen en de eeuwige Tragiek, die zich nu eenmaal voordoet in het leven.

De lange, lange winter ligt voor ons. Lees, kijk en oordeel zelf. Lees de literaire thrillers van Larsson, Mankell, Nesbo, Indridason. Kijk naar de trilogie die start met ‘Mannen die vrouwen haten’, de Wallanders, ‘The Bridge’, ‘Borgen’ en ‘The Legacy’. Lees het prachtige oeuvre van Knausgard en lees ‘Twee wegen’ van Per Petterson.

Het is vandaag 1 september 2014. Vanaf 10 juli 2014 schreef ik iedere dag een verhaal. Een (Zeer) Kort Verhaal. 54 blogs. Ik heb trouwe volgers. Hen bedank ik voor de mooie reacties. Hun bemoedigende woorden. Hun oplichtende likes. Soms heel vroeg in de ochtend. Of heel laat in de avond.

Het dagelijkse zomerblog sluit ik hierbij af. Maar niet getreurd. Ik schrijf door. En als het een (Z) KV is plaats ik het natuurlijk op dit blog. Dat zal niet meer elke dag zijn. Maar misschien een keer per week. Of twee keer per week. Of twee keer per maand. Schrijven blijf ik doen. Maar het wordt ook tijd voor het ‘serieuze’ werk. Dat kost tijd. Veel tijd. Droom-, denk- en schrijftijd. Schaaf-en schraptijd.

Ik eindig voorlopig met de eeuwen-oude beginzin:

‘Lectori Salutem!’ Gegroet, lezer!
Of beter nog:

‘Benevoli Lectori Salutem!’ Gegroet, lieve lezer!