Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Een goed gesprek


‘Mis jij opa?’ Mijn zoon en ik zitten in de auto. We rijden ergens naar toe. Weerloos zit ik daar, mijn handen geklemd om het stuur. Ik tuur door de koude voorruit naar verre verten. Huizen links en rechts schieten aan ons voorbij, een park, bomen, kaal als lege kapstokken na een feestje.
                     *

Eerder al vonden belangrijke gesprekken in de auto plaats. Voor ons uitkijkend – rijdend door een eindeloos polderlandschap – bespraken mijn man en ik ons huwelijk ‘We zouden eens kunnen gaan trouwen?’ en een paar jaar later op de terugweg van Frankrijk naar Nederland bedachten we de naam van ons oudste kind ‘Ja, dat klinkt goed, Julia, naar de lieve, Russische tolken in Suzdal en de zus van Sebastian in Brideshead Revisited.’ We proefden de klank, prevelden de naam in alle talen en het klopte.

                        *

Het was mijn dochter die op de achterbank van de auto vertelde dat er ‘slechte rekengroepjes’ in de klas waren ‘en een slecht taalgroepje, maar daar zit ik niet in’ en dat was de druppel die ons deed besluiten de kinderen naar een school te laten gaan waar ze sommen op het plein huppelden, verfden, viltten en geen leerlingen diskwalificeerden. 

                        *

En nu de vraag of ik mijn vader mis. Ja, ik beken, ik mis hem en de vraag van mijn kind werpt mij terug op de dinsdagen met koffie en appelpartjes, de zondagen met Buitenhof en geroosterde boterham met zorgvuldig uitgesmeerde halvarine en plakjes kaas. Verhalen over oude kennissen, sport en werk. Onderwerpen van gesprek die er niet waren, over vroeger, oude koeien, die we met rust lieten. Liever praten over reizen, de politiek, de kinderen. 

                      *

En rijdend van dorp naar dorp schiet mijn hoofd vol door de vraag of ik hem mis, mijn vader. Ik zie de tere orchidee in de vensterbank van zijn kamer in het verzorgingshuis, het zware lijf, stil in het hoge bed. Het laken strak om zijn borst, zijn handen. En ik bedenk mij hoe mooi het is dat mijn zoon deze vraag stelt. Niet bang voor verdriet, geen angst voor emotie. Ik kan nog wat van hem leren.

                        *

‘Ja, ik mis opa’, zeg ik.

                       ***

Plantje

Dance Me to the End of Love

(…)

Dance me to the end of love
Dance me to the end of love
Dance me to the end of love

Leonard Cohen (1934-2016)
                          

‘Ik vind Gerbrand Bakker een geweldige schrijver’, zeg ik als ik zijn wekelijkse stukje heb gelezen in de krant.

‘Ik vind het helemaal niks’, zegt mijn man.

En dat begrijp ik niet. Hoe Bakker schrijft dat hij wandelt met zijn hond, kraanvogels ziet overvliegen en nog een groep lager vliegende kraanvogels en dat die vogels na een beetje passen, meten en door elkaar heen fladderen samen doorvliegen naar het zuiden.

                       *

Gerbrands nieuwe hond – met de geweldige naam Joop – blaft niet als de vogels weg zijn. En Gerbrand Bakker vindt dat jammer, het had zo mooi gepast in zijn stukje. Ik glimlach. Ik zie hem lopen met de niet-blaffende Joop en de vogels die over het dal in de Eifel vliegen in van dat grijze gehaktballenweer. Van dat weer dat wij ook hier hebben. Weer als een deken van grauw vocht.

                            *

Verderop in de krant lees ik een interview met Rutger Bregman. Rutger is 28 jaar en hij heeft al vier boeken geschreven. Hij citeert – als het over de liefde gaat – zijn moeder: ‘Ik word eigenlijk van iedereen moe, behalve van je vader.’ En ook dat is geweldig, zo’n definitie van liefde. 

                      *

En ik kijk naar mijn man die na het ontbijt stofzuigt – hij kondigde dat vóór het ontbijt reeds aan – en daarna alle was die wij laten liggen naar boven meeneemt en het maakt niet uit dat ik zeg dat ik zo een kerstboom koop waar weer rotzooi van komt, hij zuigt. Wel laat hij de stofzuiger liggen voor na de komst van de boom. Dan zuigt hij weer. Hij vraagt of ik nog wat heb voor de bonte was. En ik word er niet moe van.

                       *

En als ik vertel dat ik zaterdagochtend op het t.v.-tje van het fitness-apparaat een interview met de schrijfster A.S. Byatt zag dan weet hij wie dat is. ‘Vorige week werd er veel over haar geschreven in de krant’, zegt hij. En dat is zo.

‘Het is jammer dat ik niet de rust heb gewoon overdag eens te lezen’, verzucht ik en ook dat begrijpt hij. Hij las afgelopen donderdag overdag op de bank een boek maar greep toch vaak naar ‘dat ding’. Daar bedoelt hij de telefoon mee waar ik ook niet vanaf kan blijven.

                        *

Ook wordt hij niet moe van mij als ik zeg dat het plantje in de vensterbank zo leuk bloeit en ik vraag hoe we eigenlijk aan dat plantje komen. ‘Jezus, mam,’ zegt mijn zoon, ‘Dat heeft hij echt al een keer uitgebreid verteld.’ En opeens herinner ik mij dat mijn man dat vertelde. Het plantje waarmee hij op de foto stond in een boekje dat een kunstproject was met allemaal mensen met plantjes in hun handen. Dit was het plantje dat hij vast had. ‘Het bloeit nu zo mooi’, zeg ik. Maar ook dat scheen mijn man al een paar keer gezegd te hebben.

                          *

En zo gaat het, met het leven, de liefde. Soms raken sporen elkaar als twee zwermen vogels die over elkaar heen vliegen en met een beetje passen en meten en wat tijd samen doorvliegen naar het zuiden.

                         ***

Room

  
Een jongetje woont in Kamer. Hij slaapt in Bed en soms, als old Nick komt, slaapt hij in Kast. Het jongetje heet Jack en hij krijgt voor zijn vijfde verjaardag een zelfgemaakte taart. Een ‘5’ staat in het glazuur geschreven. 

                       *

‘Waarom staan er geen kaarsjes op de taart?’ vraagt Jack. 

‘Ik heb geen kaarsjes’, antwoordt zijn moeder.

‘Je had kaarsjes moeten vragen in plaats van een spijkerbroek!’, houdt Jack aan. Hij kijkt met grote ogen naar zijn moeder. Zij ziet er moe uit. Wallen onder haar ogen. Wit. Pukkeltjes op haar huid. 

‘Jack, je had een nieuwe broek nodig. Volgend jaar krijg je kaarsjes.’ 

‘IK WIL NU KAARSJES!’, schreeuwt Jack. 

                        *

De camera draait weg. De kamer is klein: een bed, een bad, een tafel met twee stoelen en een kast. Door een klein dakraam valt daglicht naar binnen. Moeder en zoon zitten opgesloten in Room. En alleen old Nick kent de code.

                       *

Het is stil in de bioscoop. We zitten allemaal in Room. Soms liggen we in Wardrobe. We kijken door de spleten van Wardrobe naar old Nick en luisteren naar zijn stem, de geluiden die hij maakt. We knutselen een slang van lege eierdoppen, we kijken t.v. En ons overvalt dezelfde moedeloosheid als die we zien in de ogen van Jacks moeder. Ogen als knikkers die te lang in de knikkerzak tegen elkaar aan schudden en butsten.

                       *

Ruim twee uur leven wij mee met Jack en zijn moeder. Overdonderd lopen we de filmzaal uit. Meegesleurd door de liefde tussen moeder en zoon, weergaloos acteerwerk en een uitzonderlijke cameravoering. 

                         *

Het is Goede Vrijdag. Over twee dagen is het Pasen. In de stad waar veel mensen zijn wandelt de afgelopen week als een schaduw achter ons aan. 

                         *

De week die ervoor zorgt dat mijn dochter en ik in de bioscoop praten over de kans dat hier iets gebeurt. De week die je in de filmzaal even doet zoeken naar de nooduitgang. Het besef dat we wel heel erg op de achterste rij zitten en er geen andere mogelijkheid is dan – als zich iets voordoet – diep weg te duiken achter de stoelen voor ons. 

                         *

De week die tot gevolg had dat tijdens het tentamen Bestuursrecht – voor zoveel studenten dat de universiteit een zaal huurde in de RAI – gezegd werd dat iedereen rustig moest blijven zitten terwijl politieagenten met honden de tafeltjes langsliepen en de honden alle tassen lieten besnuffelen. ‘Ach, mam, als er echt iets was hadden ze ons wel weg laten gaan.’ 

                         *

De week die tot gevolg heeft dat een Maastrichts ouderpaar de paasdagen doorbrengt in de wetenschap dat hun zoon en dochter – twintigers – dood zijn, een dertienjarig meisje nooit haar moeder terugziet en een peutertweeling alleen met hun vader eieren zoekt in de tuin. 

                        *

We leven net als Jack en zijn moeder in Room. Er zijn old Nicks maar ook is er Liefde. Vrolijke onbezorgdheid in de stad voor een paasweekend. Eten in een nieuw restaurant met een gekke naam. Een verjaardag: ‘Mam, ik kocht zoiets schattigs voor Lin: ik kan het bijna niet weggeven, zo leuk is het.’ 

                         *

Deze week overleed Johan Cruijff. De verlosser. Als er iemand is naar wie we willen luisteren is hij het:

‘Als je niet ken winnen, moet je zorgen dat je niet verliest.’ 

En zo is het.

                      ***

Plotseling, liefde 

  
Bij de oudste nog in leven zijnde Haarlemse boekhandel vraag ik of ze de nieuwe roman hebben van Aharon Appelfeld. De jongeman die nonchalant achter de computer op een soort barkruk hangt draait zich om.

‘De nieuwe roman van Appelfeld?’, vraagt hij.

‘Ja, de titel is ‘Plotseling, liefde’, zeg ik. Wat een wonderschone titel is.

                          *

Ik verheug me op dit boek. Appelfeld is een van de schrijvers die je ontdekt, ooit, als een parel in de diepte van een zee aan boeken. Schoonheid van schrijven komt je tegemoet bij het omslaan van iedere bladzijde van het boek ‘Het verhaal van een leven.’ Appelfeld, die als klein, Joods jongetje uit een Oekraïens kamp ontsnapt en rondzwerft over akkers en velden, de grijpgrage nazi’s en onbetrouwbare Oekraïense boeren – met ogen die op verraad staan – ontwijkend.

                           *

De zwerftocht van dit jongetje in een wereld van ellende en verschrikking staat in schrille tegenstelling tot zijn kinderjaren voor het als Jood beschouwd worden. Voor de vervolging. De poëtische beschrijving van Transsylvanie waar Appelfeld opgroeide in een cocon van geluk is prachtig. Het leven toen, daar, is zo beeldend beschreven dat je zelf in dat sprookjesachtige landschap ronddwaalt: je ziet Aharon huppelen als jongetje van vijf, zes jaar, omringd door de liefde van zijn ouders en grootouders.

                           *

De jongen op de barkruk kijkt mij aan en zegt: ‘nee, dat boek verkoop ik niet.’

Verbouwereerd kijk ik hem aan. ‘Het zijn prachtige boeken, het laatste is toch net uitgebracht?’ En ik kijk om me heen naar al die boektitels, boekomslagen en kasten vol boeken in deze kwaliteitsboekhandel.

‘Ja, ik heb er laatst een recensie over gelezen’, antwoordt de barkruk, ‘maar de boeken van Appelfeld verkopen niet. Wij hebben ze niet in huis. Ik kan het boek wel voor u bestellen.’

‘Nee, dat hoeft niet’, zeg ik. 

                         *

Ik fiets naar huis. Het is prachtig weer. In de krant lees ik dat een proces gaande is in Duitsland. De 94-jarige Reinhold Hanning wordt verdacht van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Hanning was bewaker in Auschwitz. Hanning zwijgt. Eerder verklaarde hij in een deel van Auschwitz te hebben gewerkt waar geen mensen werden vergast. Echter, de aanklagers gaan ervan uit dat alle bewakers betrokken waren bij het vergassen van de Hongaarse Joden die in 1944 in grote getale in Auschwitz zijn vermoord. Ook Hanning zou daarbij zijn geweest. Maar Hanning zwijgt. 

                       *

Getuige Leon Schwarzbaum houdt op het journaal een foto omhoog met daarop in sepia-kleuren hijzelf, zijn oom en zijn ouders. Een heel jonge, serieus kijkende twintiger, twee oudere, vriendelijke heren en een knappe vrouw met een kersenmond en net zo’n serieuze blik als haar zoon. Leon overleefde als enige van zijn familie Auschwitz. Twintig jaar was hij toen hij in Auschwitz belandde. Hij is getuige in Hannings proces. Leon, een oude man die op zijn vader is gaan lijken, vraagt zich af: ‘zou hij mijn ouders hebben gezien, daar op het perron?’ 

                        *

Maar Hanning zwijgt. En tijdens het fietsen in de kou met de winterzon op mijn gezicht vraag ik mij af hoe het gaat met Aharon Appelfeld. Dat kleine jongetje wiens leven zo mooi begon en al gauw veranderde in een onbegrijpelijke nachtmerrie. Welke Hanning heeft Aharons vader gezien, daar in dat Oekraïense kamp? Zijn moeder was niet in dat kamp. Zij was al eerder door de nazi’s vermoord.

                          *

Hanning zwijgt. En daarom moeten wij blijven lezen. Het nieuwe boek van Aharon Appelfeld, ‘Plotseling, liefde’. Ik bestel het maar gewoon bij Bol. com. En ik hoop dat het boek wel goed verkocht wordt. Dat de jongen op de barkruk bij boekhandel de Vries ongelijk heeft. Want zolang Hanning zwijgt lezen wij, over alles wat niet meer gebeuren mag en toch gebeurt. In Zuidoost-Turkije. In Aleppo. In Zuid-Soedan en Nigeria. Kleine jongens en meisjes wier leven zo beloftevol begon en nu een gruwelijke nachtmerrie is geworden ontsnappen niet aan nazi’s maar aan withete brandbommen, zij kijken niet in de ogen van hebzuchtige verraders maar ontwijken gerichte kogels van scherpschutters of religieuze fanatici.

                           *

En Hanning? Reinhold Hanning, 94 jaar oud, kijkt naar de grond en zwijgt.

‘Plotseling liefde’, heet het nieuwe boek van Appelfeld. Plotseling, liefde.
                       ***

Schathemeltjerijk

  Lopen langs de lijnen van de tijd. Met de rechterhand houden we het ruwe touw vast van de wiebelende loopbrug en wandelen we van vandaag naar morgen. Gisteren ligt achter ons. 

                         *

Onze bestemming is nog geen stip op de horizon, een vage contour die zich aftekent en je knijpt je ogen dicht tegen de felle zon. Gisteren en eergisteren verplaatste je nog wat obstakels op je pad, hele stukken liepen lekker door en soms, na een scherpe bocht, verraste een prachtig vergezicht. 

                           *

Het werd donker en na wat tastend doorlopen en struikelend over onzichtbare stenen sloeg je uiteindelijk haringen met een houten hamer in de rotsige grond. En je sliep, opgekruld in het tentje, omhuld door een warme slaapzak. Dons tegen je wang, geluiden in de verte als muziek van een onbekende zender uit een radio die zachtjes aanstaat.

                           *

Nu wankel je boven het ravijn. Als je durft kijk je naar beneden en je ziet de rijke begroeiing, vingervormige varens en palmen met ananasachtige stammen. Smal, snelstromend water slingert zich schuimend door de diepten. 

                          *

Hoe baan ik mijn weg door de tijd? Het is als een tocht door een onbekende natuur: onberekenbaar, mooi, spannend en vol hindernissen. De afgelopen week schalde naast de afgekloven Top 2000 nummers uit de radio: ‘HOE WORD JE SCHATHEMELTJERIJK?’ Een reclame van de Triodos-bank, over rijkdom. Onderzoeken naar geluk komen voorbij in krant en tijdschrift.

                         *

Rijkdom en geluk. En de betekenis ervan voor het aflopen van het pad, die mooie, soms hobbelige, dan weer onneembaar lijkende weg waarlangs we wandelen, struikelen en soms heerlijk slenteren.

                           *

Laatst at ik met mijn in Amsterdam bivakkerende 18-jarige zoon. Mijn meestal nogal zwijgzame kind zat tegenover mij. Op enig moment was hij op mijn pad gekomen. Ik raapte hem verwonderd op, een klein en rood manneke. 18 jaar wandelen we, lopen we samen op. 

                          *

Tijdens het eten vraagt hij:

‘Hoe was oma Cootje eigenlijk?’ En ik vertel hem over oma Cootje. Over wie zij was. 

‘Praten Barry en jij wel eens over Ige?’ En ik vertel dat wij dat doen.

‘Heeft Ids bewust Ige’s dood meegemaakt?’ En ik kan dat alleen maar bevestigen. Het kleine broertje van Ige praat nog regelmatig over zijn grote broer. Die hij mist. En ik vertel mijn kind dat even oud is, was als Ige – die stierf toen hij dertien was – dat zijn kleine broertje graag optrekt met grote jongens. Jongens als zijn broer.

‘Ige was een aardige, slimme jongen’, herinnert mijn zoon zich de zoon van mijn vriendin.

‘Jullie speelden altijd leuk met elkaar. Eindelijk deed jij ook eens wat met LEGO als je bij hem was.’ Ik glimlach bij de herinnering.

                           *

Gisteren haalde ik mijn meisje op die de middag met haar opa doorbracht. Ze draagt haar nieuwe, blauwe trui. Daarboven wapperen blonde haren en ik zie blauwe ogen hetzelfde blauw als de trui. 

‘Opa liep erg slecht vandaag’, meldt mijn kind. ‘Hij kwam haast niet vooruit. Hij struikelde een paar keer in de Deka en viel bijna bij van Maanen van het trappetje.’

                            *

Glunderend vertelde mijn vader de dag ervoor dat hij woensdag – als mijn dochter kwam – hij haar zou meenemen naar bakker van Maanen voor thee met een taartje.

‘Ze weet het nog niet.’ Mijn vader’s ogen glimmen. Hij gaat met zijn kleindochter boodschappen doen en gezellig iets drinken. 

                           *

Gisteren zei mijn man: ‘Ik moest vanochtend even een boodschap doen in Hillegom. Ik zag een leuke vrouw onderweg.’ Ik kijk hem lachend aan en laat alle leuke vrouwen uit de omgeving de revue passeren. Mij maakt hij niet gek. De leukste is net verhuisd. Zij kan het niet zijn. 

                           *

‘Ze fietste en had een kek, rood jasje aan. Echt een mooie vrouw.’

Weer kijk ik hem aan. ‘s Ochtends fietste ik naar Lisse. Voor de verandering eens niet langs de Leidsevaart maar door ons buurdorp Hillegom. Ik wilde weer eens de weg fietsen van toen. Toen ik de kinderen naar school bracht, de Veenenburgerlaan op zwenkte en naar het werk fietste door bontgekleurde velden in de zomer, kale in de winter. Vanochtend droeg ik mijn rode bomberjackje.

‘Haha, was ik het?!’ En ja, ik was het. Ik word er verlegen van. Hij meent het.

                          *

Het mooiste boek dat ik las in 2015 was Stadium 4, over een echtpaar dat tijdens een reis naar hun geliefde Zweden afscheid van elkaar neemt. De vrouw heeft kanker, het is hun laatste reis. Een verhaal over de liefde.

De mooiste film van 2015 was Son of Saul. Over een Sonder-kommando in Auschwitz die in een onbegrijpelijk inferno zijn zoon een fatsoenlijke begrafenis wil geven. Een film over de liefde.

                            *

Ik loop over de wiebelbrug. Met mijn gezicht in de zon, mijn vingertoppen raken het ruwe touw, het kriebelt, en ik kijk naar het groen, het stromende water, de onzichtbare verte. Schathemeltjerijk.

                         

                         ***

Smaak

  
Het is de eerste week van de Kerstvakantie. Ooit las ik over het lengen der dagen, zo mooi, dat ik niet wil weten wat het is. Lengen der dagen, woorden die een belofte inhouden.

                           *

Nu zijn de dagen kort. Ik schrijf in het donker met stilte om mij heen. Kinderen die geen kind meer zijn slapen. In mijn eerste halfslaap hoorde ik vannacht hun gestommel en heen-en-weer lopen. Het is vakantie. En we genieten van langzaam wakker worden, rustig beginnen en laat naar bed.

                           *

We kijken series op t.v., koken extra lekker want er is tijd. Tijd om na te denken, wat eten we? Waar hebben we zin in? En dan kiezen voor dikke ravioli’s, gevuld met spinazie. Truffelsaus en gewokte spinazie met knoflook erbij. Kleine plakjes knoflook sissen in de hete olie. De groente wordt lichtgroen en rul. De gladde ravioli, stugge vulling, zachte saus en rulle spinazie. Structuren en smaken als strelingen over de tong.

                         *

Het kind dat ‘s avonds in de keuken rommelt: ‘hier pap, mam, een kaneelbroodje!’ En het zachte deeg met kruidig kaneel ploft in de mond als eetbaar, roze bellenblaas-kauwgom dat naar vroeger smaakt. 

                          *

Overdag lachen we in de brillenwinkel om brillen waarmee je verandert van nerd in hippie, van schooljuffrouw in ‘hey, deze staat je echt leuk!’ Maar we kopen geen bril, we kijken alleen maar. We bezoeken een film in de Filmschuur. Dat prachtige gebouw in een van de oudste Haarlemse buurten. Oud- en nieuwbouw: glas en beton, baksteen en stucwerk. In zaal 2 moeten wij zijn. Het is druk. Groepjes vrouwen, mannen. 

                         *

Een paar donkere mannen krijgt uitleg in het Engels. Ik blijf even staan. Ik moet wachten op het kind. De mannen luisteren aandachtig naar de enthousiast-sprekende dame. Zij legt iets uit over het gebouw, de voorstellingen, de films. De mannen luisteren en kijken om zich heen. Ook in Haarlem worden vluchtelingen opgevangen. Is dit een groepje geïnteresseerde Syrische architectuur-liefhebbers? Toneel- en filmbezoekers? Daar is mijn kind en we gaan naar boven. De zaal is half gevuld. De stoelen zijn zacht. Stof met een grijs-zwart patroontje. We zakken erin weg.

                          *

En we worden meegenomen naar de jaren vijftig. Een warenhuis met liftboy. Een speelgoedafdeling met echte poppen: poppen met oogleedjes die op-en neergaan. Poppen met harde huidjes, deukjes onder de wangen, een poppenmondje. Een dame met kalfsleren handschoentjes koopt een cadeau voor haar kind. Van een verkoopster met poppen-ogen, zacht bruin haar met een pony. De dame heeft oranje lippen. Zij is mooi en sterk. 

                           *

Er is liefde. Liefde tussen de dame met de mooie, oranje mond en het poppenmeisje dat een baret draagt. Hoe kan je de liefde filmen? Nou, zo. 

                           *

Stil lopen we na afloop door een natte en winderige stad. ‘Wat een mooie film’, zegt mijn kind. ‘Ja, prachtig’, antwoord ik. En we denken aan het warenhuis, het bloesje van Therese met een driehoekige uitsparing op het borstbeen. De oranje mond en smalle, blauwe ogen van Carol. Zo kan de liefde zijn.

                         *

Smaakvol. 

                         ***