Keet

Soms valt er even niet zo veel te vertellen. Het leven kabbelt voort, de kinderen gaan het huis uit en keren weer terug. Boemerangkinderen, je gooit ze weg en dan, opeens, zijn ze er weer. Gelaten vang je ze, suizend in de lucht, op.

‘Hoe gaat het?’, vraag ik onze dochter die om 9 uur ‘s ochtends woest tikkend op haar toetsenbord tekeer gaat met naast haar een uitgeprint document vol gele en roze markeringen. Aan de andere kant van de laptop ligt haar telefoon waarop continu berichten verschijnen, die mij zacht trillend afleiden van de ochtendkrant.

‘Goed’, zegt ze en ze tikt woedend verder, af en toe kijkend naar de prints en de telefoon.

Gisteren was onze zoon op bezoek met zijn vriendin. Hij woont sinds een paar weken in een kamer van een vriend die anderhalve maand weg is. Onlangs bezochten wij hem. Bij het bestijgen van de drie trappen – onze kinderen wonen altijd op bovenste etages als ze op kamers verblijven – werd de poezengeur doordringender. De vier jongens hebben een kat, een kitten is het nog. ‘Ze pist overal’, had onze zoon al somber gemeld. Het poesje heet Keet. Mijn man dacht Kate naar Kate Bush, ik dacht meer aan de hippe Amsterdams meisjesnaam, Keet. Zeker weten we het dus niet. Keet of Kate had ‘Gvd vanochtend op mijn bed gepist’ vertelde onze zoon. In het piepkleine keukentje ratelde de wasmachine met zijn beddengoed.

‘Op hoeveel graden was je het?’, informeerde mijn man.

‘40 graden’, antwoordde onze zoon. Mijn man adviseerde het beddengoed nogmaals te wassen maar dan op 90 graden.

We gingen zitten op de comfortabele bank die bijna de hele kamer in beslag nam.

‘Waar is Keet?’, vroeg ik.

‘Die zit onder de bank’, antwoordde onze zoon. We zagen haar niet.

‘Ze verdwijnt altijd als er wordt gezogen’, zei hij. Aha, hij had dus schoongemaakt.

‘Ja, ik heb ook achter de bank gezogen’, vertelde hij, ‘Daar was een soort van biotoop ontstaan.’ En hij lachte.

Onze zoon leidde ons rond. In zijn leen-slaapkamer paste precies een twijfelaar en een kast. ‘Zo, mooi hoor’, zeiden wij.

In een andere slaapkamer vloog een flinke zwerm vliegjes om de lamp, evenals in de huiskamer.

‘Ja ik weet niet hoe dat komt’, zei hij, ‘Ik deed het raam open en opeens waren er allemaal vliegjes in de kamer.’ Op het balkon stonden vier opgestapelde, lege kratjes. Voor de deur in het halletje stonden er ook vier. In de huiskamer, waar een grote televisie de ruimte domineerde, stond een vitrinekast te zoemen met blikjes bier erin. ‘Reuze handig’, vertelde ons kind, ‘Al maakt ie wel veel lawaai.’

Omdat hij bijna jarig was gaven we hem alvast cadeautjes. Hij was er erg bij mee. ‘Kom, zullen we wat gaan drinken?’, vroeg hij en we gingen wat drinken. Bij het steile trapje voor de deur vertelde hij dat een van zijn huisgenoten daar van afgevallen was. ‘Hij had een lichte hersenschudding’, lachte onze zoon. ‘De sukkel.’

Trots liep hij ons voor, de Amsterdamse straten door. Toen ik een aardig tentje aanwees zei hij dat dat een heel duur restaurantje was. ‘Verderop is een leuke’ zei hij, man van de wereld. Braaf liepen wij achter hem aan. Op een Amsterdamse stoep dronken wij café latte, spraken vader en zoon over voetbal en praatten wij over zijn laatste tentamens en de aanstaande reis naar Bolivia.

Op de terugweg liepen we langs een dierenwinkel. ‘O, wacht, ik moet even een kammetje halen voor Keet’, zei hij en we liepen het zaakje in. Een oudere dame was een stapel blikjes met kattenvoer aan het tellen. Wij wachtten tot zij klaar was. Het duurde even.

‘Heeft u een kam voor een kitten?’, vroeg onze zoon.

‘Nee’, zei de vrouw nors. ‘Wel voor een kat, daar zit namelijk geen verschil in.’

‘O’, zei onze zoon.

‘Heeft u misschien van die kleefrollen voor vliegjes?’, informeerde mijn man. Achteloos wees de vrouw naar achteren. ‘Als we die hebben liggen ze daar’ Voor de vorm keken we, ze lagen er niet.

Gelukkig was er nog een dierenwinkel in de buurt. Een aardige vrouw had een kleine poezenkam en kleefstrips voor vliegen.

‘Hoe kom je aan vliegen?’, vroeg ze. ‘Ligt er soms fruit in de kamer of iets anders zoets?’

‘Alleen een paar lege bierkratten op het balkon’, zei mijn zoon. De vrouw lachte en zei dat aan de hals van de flesjes zoet achterblijft waar vliegjes op af komen.

‘Dus misschien moet je de kratten wegbrengen’, adviseerde ze lief.

En nu was onze zoon weer even thuis. Over een dikke week vertrekt hij met zijn vriendin naar Bolivia.

Hoe is het met Keet?’, vroegen wij.

‘Ze pist nog steeds overal in huis’, vertelde hij. ‘Maar ik kan die kamer misschien huren vanaf 1 juli en daar blijven. Ik denk dat ik dat maar doe.’

‘Hoewel huur betaal je?’, informeerden wij.

‘550 euro inclusief’, zei hij.

‘Nou’, zeiden wij. ‘Doen!’ En we zeiden niets over een slaapkamer overvol met bed en kast, vliegjes rond de lamp, een beplast dekbed, een kitten onder de bank en een biotoop erachter.

‘Heb je Keet nog gekamd?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei hij. En zijn vriendin voegde eraan toe, ‘Het is een schatje.’

Net voor het acht uur journaal komt onze dochter thuis. Met in haar ene hand de tas met laptop, in de andere hand twee zakjes van de snackbar. Ze ziet er moe uit.

‘Hoe gaat het?’, vragen wij.

‘Goed’, zegt ze.

En zo kabbelt het leven voort.

Advertisements

Laat los

Op de voorkant van het vorige-week-weekend-katern Tijd van Trouw staat ‘Papa en mama doen het wel’ Laat dat volwassen kind eens los. Het katern ligt open en bloot op tafel.

Mijn man en ik kijken elkaar aan. Hij deed zojuist de was van ons allen. De uithuiswonende dochter woont weer thuis. De zoon is nooit weggeweest. Ik keek een ‘plan van aanpak’ na, nadat ik – eerlijk is eerlijk – dat zelf aan mijn zoon had aangeboden.

‘Het gaat om een fictief plan hoor’, zei hij achteloos tijdens het door zijn vader en mij voorbereide ontbijt. Toen had ik alle puntjes al op de i gezet.

Laatst fietste ik met onze dochter naar het station. Voor wij vertrokken rende zij drie keer naar boven, voor de sleutel, voor de zooltjes in haar laarzen en voor iets wat ik niet hoorde.

‘Nu kom ik te laat!’, hoorde ik wel, boven haar roffelende voeten uit. Zelf stond ik al vijf minuten met de deurklink van de achterdeur in mijn hand.

In mijn mond lag bestorven: ‘Heb je je portemonnee en OV-kaart?’ maar ik zei niks. Per slot van rekening woonde ze eerder ruim drie jaar op zichzelf waarvan een half jaar in China.

‘Die redt zich prima’, vertelden wij trots en verbaasd aan wie er maar naar vroeg.

Bij het station scheidden onze wegen. Zij ging met studiegenoten naar Den-Haag, ik fietste naar Zandvoort. Het zonnetje scheen, ik zocht bij een strandtent een plekje in de zon, uit de kille wind. De tent was nog niet helemaal af. Losse planken lagen hier en daar op het zand. Bolle kussens waren schijnbaar lukraak op stoelen en bankjes gegooid. Golven spoelden af en aan, ik volgde met mijn ogen de lijnen van schuimend wit op blauwgroen die als oneindige krijtstrepen op een schoolbord het einde van de winter markeerden.

Een vrolijke jongen serveerde mij koffie.

‘U zit zo heerlijk hier!’, zei hij en ik beaamde het. Ik sloot mijn ogen en dacht aan mijn boek in het tasje naast mij. Dat ging ik lezen, in de zon, met achter mij kussens die roken naar nieuw.

In mijn tasje lag ook mijn telefoon. Ik pakte het op. Drie telefoontjes en meerdere WhatsApp-berichten met vraagtekens lichtten op. Mijn dochter. Ik zuchtte en belde.

‘Ja, ik zit nu in de bus’, hoorde ik. ‘Ik was mijn portemonnee en OV vergeten.’

‘O, en nu?’, vroeg ik.

‘Ik kwam erachter dat ik op mijn telefoon een treinkaartje kon kopen en nu zit ik in de bus dankzij de chauffeur die mij liet meerijden zonder kaartje.’

‘Zo, dat is vriendelijk’, zei ik.

‘Ja, en ik leen wel wat geld voor de terugweg van een van mijn klasgenoten.’

‘Dat is dan mooi opgelost’, antwoordde ik.

‘Nou, doehoei! Tot morgen he?! Vanavond eet en logeer ik bij S.’

Ik dacht aan het eten voor vier in de ijskast. En aan de niet opgegeten restjes pasta, stoofvlees en curry van de laatste tijd.

‘Oké, tot morgen’, zei ik.

‘Ik had het toch moeten vragen, van die portemonnee en OV’, dacht ik en ik blies een kuiltje in mijn koud geworden koffie.

We laten ze binnenkort los. Echt.

Thx

De zon schijnt rechtstreeks op mijn vaste plek aan de eettafel. Na dagen met ijzige wind die door je sjaal heen op de huid neersloeg als de vinnige klap met de plak van een ouderwetse schoolmeester op het gevoelige, zachte vlees van je handpalm is dit een verademing. Zitten op een stoel in de zon.

Gisteravond ontving ik een mail van mijn zoon met de vraag of ik een ‘stuk’ wilde nakijken. Onderaan de mail stond vooruitlopend op mijn antwoord, thx.

Tegen het middaguur kwam hij tevoorschijn. Een verwarde haardos boven een pyjamabroek en capuchonvest.

‘Kan ik op je laptop dat stuk nakijken?’, vroeg ik. Ja, dat had hij zelf ook al bedacht.

‘Hier kan je lezen wat de criteria zijn’, legde hij uit, ‘En dit is het stuk.’ Daarna roosterde hij een broodje.

Ik begon te lezen. ‘Het stuk’ handelde over sociale ondernemingen die, zo betoogde mijn zoon, voortvloeien uit de participatie-samenleving en een belangrijke en verdergaande verschijningsvorm zijn van de ‘doe-democratie’. Geboeid lees ik verder. Zo nu en dan denk ik eraan een komma te wijzigen of een punt te zetten.

Met stijgende verbazing lees ik een goed onderbouwd betoog waar menig beleidsmedewerker een puntje aan kan zuigen. Het ‘stuk’ dat bij inlevering ineens een essay blijkt te zijn eindigt met een beschrijving van de Haagse sociale onderneming ‘Seepje’, vijf jaar geleden gestart door twee studenten die wasmiddelen maken van Nepalese boomschilletjes. De studiefinanciering vormde het startkapitaal. Een hilarisch gegeven.

Tegenover mij eet de schrijver van het ‘stuk’ zijn broodje. Met oortjes in leest hij een artikel waarin hij streepjes zet.

‘Dit is echt een heel goed stuk’, zeg ik en ik draai de laptop naar hem toe.

‘Dank je’, zegt hij, terwijl hij een oortje uitdoet.

‘Mail het alsjeblieft naar me’, zeg ik.

‘Naar je werkmail?’, vraagt hij.

‘Ja graag’, antwoord ik.

Later doezel ik verder in de zon boven de krant. Deze dag markeert de overgang van het ene naar het andere tijdperk. Het moment dat een kind inzicht verschaft aan de ouder en het opvoeden definitief tot de geschiedenis behoort.

‘Sociale ondernemers zijn mensen die (duurzaam) investeren in de maatschappij en in mijn ogen een positieve invloed uitoefenen op de samenleving. Ik geloof dan ook dat er een grote toekomst voor is en ik vind dat de overheid dit soort ondernemingen moet stimuleren en helpen.’

Thx, Mx.

Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Het bureau

Toen ik begon te schrijven

Woonde ik in een dorp

Met vuilwit zonlicht in mijn mond

Alom vrede

Ik trapte naar de zon

En wist niet hoe te leven

(…)

Uit: Slordig met geluk door Menno Wigman (1966-2018)

Weer is een dichter dood. Kind van de jaren tachtig, een gymnasiumleerling met liefde voor taal en een leraar Nederlands die dat zag. Het zijn bekende flarden herinnering. Alleen wist ik na enig trappen naar de zon wél hoe te leven. Zoals gisteren, toen we op zoek gingen naar een bureau.

*

Onze dochter huist sinds een week weer in de kamer die ooit haar kinderkamer was. Voordat zij kwam ruimde ik haar kamer op. Ik verplaatste dozen, stofte de bovenkant van de kledingkast die jarenlang niet beroerd was. Plukken grijs kleefden aan mijn doekje als plakkerige asresten van verbrande kinderjaren. Ik heette met iedere veeg over een plank mijn terugkerende kind welkom. De beer die ze van opa kreeg plaatste ik op het voeten-eind van het zorgvuldig opgemaakte meisjesbed. Met domme ogen keek hij mij aan.

*

‘Eigenlijk heb ik een bureau nodig’, zei ons kind een tijdje later, peinzend rondkijkend in haar schone kamer.

Omdat ze geen nieuw bureau wilde – ‘Dat kost mij weer €70,-‘ – stelde ik voor naar een tweedehands-winkel in de buurt te gaan.

*

‘Zo, het is druk hier’, constateerde mijn kind bij het binnenstappen van de magazijn-achtige ruimte. Pensionado’s snuffelden rond, vrijwilligers in blauwe fleece-truien liepen af en aan met dozen en sorteerden alle ingeleverde waar.

*

Achter de kasten met boeken en tafels vol prullen stuitten we op een houten bureautje met drie laden. Op iedere la zat een ronde knop.

‘Die wil ik’, zei mijn kind, ‘Kijk, mam, hij kost maar €12,50.’

*

‘Kunnen de poten eraf geschroefd worden?’, vroeg ik aan niemand in het bijzonder en ik dook onder het bureaublad. Vier ijzeren plaatjes met onwrikbare schroeven – onder iedere poot één, – lachten mij uit.

‘Nee, dat wordt niks’, zei ik. ‘Laten we vragen of ze het kunnen bezorgen.’

*

Een aardige jongen vertelde ons dat de dag-coördinator ‘Nog even in gesprek was.’ ‘Kijkt u rustig rond’, zei hij vriendelijk. Ook hij droeg een blauwe fleece-trui.

We keken rond. Een corpulente dame nam plaats op een rode bureaustoel. De stoel zakte met een diepe zucht tien centimeter naar beneden. Onverstoorbaar zat de vrouw daar, middenin de ruimte, op de rode bureaustoel. Toen ze uitgerust was kwam de stoel langzaam omhoog. Met het hydraulisch systeem was niks mis.

*

Ik vroeg mijn dochter die klaar was met rondkijken of zij geen bureaustoel nodig had. Ik wees haar op de flexibele rode.

‘Nee, dat is een afschuwelijk-lelijk ding’, zei ze. En toen zag ik het ook.

*

De jonge vrijwilliger kwam na tien minuten aanlopen met de dag-coördinator. Wij hoorden haar al van verre aankomen. Een zwaar-doorrookte stem snelde op de eigenaresse vooruit, over de rotan-stoelen, langs de boekenkasten, onder de tafels met prullaria door.

‘Om welk bureautje gaat het?’, hoorden wij haar aan de jongen vragen. De stem hoorde bij een tanige, zonnebank-bruine dame. Diepe rimpels verdeelden haar gezicht in kabbelende golfjes.

‘Is het mogelijk dit bureau te laten bezorgen?’, vroeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat kan’, zei de vrouw. Ze keek mij aan. ‘Dat kost €15,-‘ Ik zag dat ze maar wat zei. De jongen keek haar verbaasd aan, maar richtte snel zijn blik op de betonnen vloer.

‘Kunnen we het bureau reserveren? We moeten opmeten of het past in de draai van de trap.’

‘O, u woont klein?’, vroeg de doorrookte stem.

‘Ja, de trap maakt een flinke draai’, antwoordde ik.

‘Aan reserveren beginnen we niet’, zei de vrouw op ferme toon. ‘Daar hebben we heel slechte ervaringen mee.’

Een beetje sip verlieten we het magazijn.

‘Ik vind het een leuk bureau’, zei mijn kind.

‘Vraag papa of hij het trapgat op wil meten’, adviseerde ik haar. En dat deed ze.

‘Het past!’, zei ze. En we keerden terug. We stuitten direct op de jonge vrijwilliger.

‘We willen het kopen’, zei ik en ik wees op het bureau.

‘Een moment alstublieft’, zei hij, ‘De dag-coördinator regelt de verkoop.’

*

Na het invullen van wat papierwerk en een afspraak voor de bezorging liep de doorrookte stem met ons mee naar de kassa.

‘Reken jij €22,50 af met deze klant?’, riep ze tegen een oudere dame bij de kassa.

‘Mam, ze vergist zich met de bezorgkosten’, zei mijn kind, toen we naar buiten liepen. ‘Nu betalen we maar €10,- bezorgkosten in plaats van €15,-.

Heel gelukkig reden wij naar huis.

Wetend hoe te leven.

***

Droomloos

‘Vannacht slapen we in een tent in de woonkamer

we hebben touw, brood en lakens

niemand zal ons vinden’

Hanneke van Eijken (1981-)

Laatst hadden we een cursus. Daarin werd geadviseerd onze dromen te onthouden.

‘Je kan je daarin bekwamen’, vertelde de cursusleider.

*

Meestal vergeet ik mijn dromen. Toch ging ik oefenen. De eerste droom die ik onthield was bizar en niet voor publicatie geschikt. In de tweede droom kwam mijn moeder voorbij.

‘Dat is de reden dat ik dromen graag vergeet,’ dacht ik toen ik beklemd wakker werd. In de droom schoot ik te kort, wilde ik weg, had ik graag een grote mond willen geven. In de droom-praktijk deed ik dat niet, bleef ik, ging ik door, luisterde ik. Zoals het was, vroeger.

*

De krant die ik lees heeft een wekelijkse rubriek over dromen. Meestal sla ik die over. Dromen van anderen zijn niet interessant. Ze zijn alleen leuk als je de mensen én de mensen die in de dromen voorkomen kent. Dat levert nog wel eens hilariteit op.

*

Nog leuker echter is de realiteit.

Gisteravond kwam onze zoon naar beneden met de laptop in zijn hand. Hij schoof naast mij op de bank.

‘Kijk eens’, zei hij, ‘De betaling van die tickets is niet gelukt.’

We boekten ‘s middags twee tickets naar Bolivia. Daar reist hij in de zomer met zijn vriendin naar toe.

‘Tja, dan moet je even bellen’, antwoordde ik een beetje kribbig. Ik was moe en uit een serie getrokken waar we net zo lekker inzaten.

‘Hier heb je mijn pasje’, zei ik en ik gaf hem mijn credit-card.

*

Stilletjes liep hij naar de eettafel en ging bellen.

‘Zet maar weer aan’, zei ik tegen mijn man en we verzonken in het verhaal van een familie die met elkaar zit opgescheept op een Zweeds eiland vanwege de voorwaarden die hun moeder aan de erfenis verbindt. De gezinsleden schieten te kort, willen weg en zouden graag een grote mond willen geven. Maar dat kan niet, vanwege die erfenis.

*

Door de dichte schuifdeuren heen hoorde ik de stem van onze zoon.

‘Yes, I booked this flight today, but something went wrong.’

‘Ik ga toch even kijken’, zei ik en we stopten met de Zweedse familie-perikelen.

*

Ik zat naast mijn zoon. Vaag hoorde ik de stem van de call-center-medewerkster via het microfoontje van zijn telefoon, dicht tegen zijn oor gedrukt. Zijn knokkels waren wit, op zijn wangen stonden blosjes.

*

Hij staarde naar mijn pasje.

‘The name is Jonquiere’, zei hij, ‘JONQUIERE’, herhaalde hij en hij begon met spellen. ‘J, O, N…’

‘Can you please use words?’, hoorde ik de medewerkster van het call-center vragen. En daar ging onze zoon.

‘J from Justin, O from Okay, N from Nico…’

‘Q from Queen?’, hoorde ik het meisje vragen.

‘Yes’, zei hij en hij ging verder,

‘U from…eh, Uterus’

*

En daar gingen we. Ik probeerde het tegen te houden maar er was geen houden aan. Hikkend en proestend zat ik naast hem en worstelend met een onbedwingbare lachkramp maakte hij de naam letter voor letter af.

‘Can you please repeat it?’, vroeg het meisje. Toen ben ik maar weggelopen.

‘Wat betekent uterus eigenlijk?’, vroeg mijn zoon.

‘Baarmoeder’, hikte ik.

*

Even later keken zijn vader en ik de serie af.

De nacht bleef droomloos.

***

Happy Christmas

Het is tijd voor de kerstboodschappen. Dit jaar knipten we ze op in drieën.

Mijn man fietste op zijn vrije dag naar de stad om alvast twee kilo patat-aardappelen te halen bij de ecologische supermarkt.

‘Neem je gelijk twee van die lekkere broden mee?’, vroeg ik. En dat deed hij. Ook kocht hij alvast foelie, piment en gist. Dat laatste zat in kleine zakjes met een Frans opschrift. Hij stuurde een foto of het goed was. En het was goed.

*

De dag erop zou hij voor werktijd met onze zoon naar de supermarkt gaan, een dorp verderop.

‘Ik doe het eigenlijk liever zelf, maar een keer in het jaar kan hij wel wat doen’, zei mijn man.

‘Ik ga om half negen morgen weg’, waarschuwde hij ‘s avonds onze zoon. Er kwam geen geluid uit de slaapkamer.

‘Hij zal het wel gehoord hebben, toch?’, vroeg mijn man en ik knikte.

*

Maar omdat ik vrij was ondernam ik de tweede tocht, naar de gewone supermarkt.

‘Het is toch te gek dat jij dat moet doen’, zei ik.

‘Ik ben vrij en ik maak hem zo wel wakker.’ Ik bleef lekker lang liggen. Half negen was ook mij te vroeg. En ik twijfelde. Ook ik deed liever zelf de boodschappen. Maar omdat een kind een keer per jaar wel wat mocht doen, opende ik zachtjes de deur van zijn slaapkamer en zei ik, anticiperend op een levensgroot ochtendhumeur dat onder de kier van de slaapkamerdeur als dunne, witte rook omhoog kringelde, kort en bondig dat ik boodschappen ging doen. Met hem.

*

Even later hoorde ik gestommel. Eenmaal beneden werden twee zwijgzame boterhammen geroosterd, pindakaas werd erop gesmeerd. Ik pakte de tassen, de portemonnee, de sleutels en vroeg: ‘Kom je?’

‘Waar gaan we heen?’

‘Naar Heemstede.’

‘Waarom?’

‘Dat vind ik een prettige Albert Heijn.’

*

In de auto keek hij in het spiegeltje van de zonneklep. Zijn haar viel half over zijn ogen. ‘Shit’, zei onze zoon.

‘Wat is er mis?’

‘Ik zie er niet uit. Ik hoop niet dat ik iemand tegenkom.’

We kwamen niemand tegen.

*

‘J. kan veel eten’, zei hij. J. is een van onze Kerstgasten.

‘O, dan neem ik nog een extra zak afbakbroodjes mee’, zei ik.

Hij stopte een literfles vers sap in de kar.

‘Dat is gezond’, zei hij.

*

En zo vulde ons karretje zich. Op de terugweg naar huis was het stil. Ik dacht aan de derde tocht naar nog een dorp verderop waar ik de bestellingen moest ophalen bij de slager, de groenteboer en de poelier. Zouden alle boodschappen passen in de ijskast en vriezer? Ook moest ik nog even voor het werk inloggen, een collega terugbellen en was ik vergeten mijn afwezigheid-assistent in te stellen.

*

Naast mij keek onze zoon weer in het spiegeltje van de zonneklep. Zijn hoofd hield hij schuin naar voren.

‘Ik ga zo nog even naar de kapper’, zei hij, ‘Ik zie er niet uit.’

Ik keek opzij, zag de zware lok, half over zijn wang, mijn haar, donker en dik.

‘Joh, je ziet er prima uit! Leuk juist, dat wat langere haar.’

*

Thuis pakten we alles uit. En het paste.

***