Nu Even Niet

Wieringerwaard,

Klei en gras en wind

Het weiland van sloot tot sloot in kaart

Ook voor wie hier woont

‘t Wordt nooit gewoon

De Wieringerwaard

Wolken, wit en wijds

Bij molen De Hoop

Antiek te koop

En voor de rivier

Staart Potters stier

Naar Wieringerwaard

Rob de Nijs

(tekst Jan Rot, muziek Jacques Revaux)

Kaarsrechte wegen staan haaks op elkaar en het land is verdeeld in precieze rechthoeken alsof Iemand ooit met veel plezier de geodriehoek hanteerde. Alle hoeken op 90 graden. Recht. En. Duidelijk.

Ik rijd door de polder op zoek naar rust en ruimte. Een droom van vrijstaand wonen met uitzicht op veranderende wolkenluchten, sappig groen met een zwart-witte waas van koeien, wol-wattige schapen en mekkerende lammetjes.

Thuis bleven drie familieleden verstomd achter.

‘Weet je hoe lang je erover doet om daar te komen met het openbaar vervoer?’, vroeg mijn dochter.

‘Als jullie dat willen moet je het doen’, zei mijn zoon. ‘Zelf zou ik graag later hier wonen’, vulde hij aan. En hij keek om zich heen in zijn huis, ons huis nu.

Mijn man zei niets. Hij heeft ook de droom van rust en ruimte. Alleen gaat dit te snel. En ik? Ik moet van mijn onrust af, mijn verliefdheid op dit huis, dat uitzicht, die werkkamer.

Ik draai na de kruising van twee kaarsrechte wegen een oprit op. Het grind knarst zacht onder de wielen van mijn auto. Door de voorruit zie ik achter het huis een vrouw staan. Twee nieuwsgierige meisjesgezichten steken hun hoofd om het hoekje van de woning. De vrouw heeft een hond aan een lijn. Als ik uitstap loopt ze me tegemoet. ‘Ik wacht op de makelaar’, zegt ze.

‘Ja, ik ook, zeg ik, ‘Jaag ik jullie nu het huis uit?’

‘Ik blijf liever niet bij een bezichtiging’, antwoordt de vrouw.

‘Nee, dat snap ik,’ zeg ik en ik vraag: ‘Wonen jullie hier allang?’

‘Wij komen uit Amsterdam. Wij wilden de kinderen rustig laten opgroeien, zonder wachtlijsten voor scholen en zwemlessen.’

‘Tja, dat snap ik’, zeg ik weer.

Ik heb nog 100 vragen aan haar maar het lijkt me niet gepast deze te stellen. We staan bij elkaar als twee onwennige pubers op hun eerste schooldag.

‘Ik zag dat hier een servicepunt is van de bibliotheek’, merk ik op, ‘En er is een Spar’.

De vrouw kijkt mij aan. ‘Er is ook een mooi zwembad’, zegt ze.

‘Blijven jullie hier wel in de buurt wonen als het huis verkocht is?’ vraag ik nieuwsgierig.

‘Ja’, zegt de vrouw en ze kijkt op haar horloge, ‘We zouden niet meer kunnen wennen aan een stad als Amsterdam. Kijk, daar is de makelaar.’ Een bebrilde dertiger hupt uit de auto die hij naast het huis parkeert. ‘Hier is de sleutel’, zegt de vrouw en ze zegt mij gedag. Zijzelf, de hond en kinderen stappen in de auto en ze rijdt weg.

‘Zo, laten we eerst hier maar even gaan zitten’, zegt de makelaar.

We zitten op twee gemakkelijke stoelen achter de woning. Ik kijk uit over groen land, in de verte glinsteren rode tulpen. De zon schijnt. Beukenheggetjes verdelen de brede tuin in, ja, weer rechthoeken.

‘Het is een mooie dag’, zegt de makelaar. ‘Kom, laten we kijken. Het huis is met veel liefde opgeknapt.’ En we lopen door het huis van de vrouw met de hond.

Het stadje vlakbij, de kust met het dorp dat zo lijkt op het Zeeuwse dorp waar we ooit vakantie vierden, de ruimte en rust, geen wachtlijsten en een ‘actief verenigingsleven’, dit alles spookt op de terugweg door mijn hoofd.

Ik kijk voortdurend op het klokje hoe lang het rijden is. Lang.

‘Wij werken beiden in de buurt waar wij wonen’, vertelde ik de makelaar. ‘En het is een eind rijden.’

‘Hier is ook werk’, zei hij en ‘Waar krijg je deze ruimte?’

Thuis won de realiteit het van de droom. En ik probeer maar niet meer te denken aan die poes op de gekleurde poef in de werkkamer, het glinsterende veld met rode tulpen en het gras dat daar toch echt groener is.

Advertisements