Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Tussentijd


Lieve critici, ik vrees

dat ik geen doel of doelgerichte

lijn in de loop der jaren lees

van mijn duizenden gedichten.

                     *

Ik blijf een ventje dat maar schrijft

en nauwelijks wil weten

of zijn bekladdering beklijft

of gretig wordt vergeten.

(…)

Leo Vroman (1915-2014)
Uit: ‘Daar’, 2011.

Het is tussentijd, de tijd tussen de kerstdagen en het nieuwe jaar. De tijd waarin men vraagt: ‘Ben je vrij?’ of wenkbrauwen ophalend: ‘Werk jij tussen Kerst en Oud en Nieuw?’ 
                      *

Soms werk ik in de tussentijd, soms niet. De weken voor en na Kerst waren vroeger enerverend en omgeven door onmin, zwijgen en ziek zijn. De ruzie om de grootte van de kerstboom was het startsein voor de feestdagen. Mijn moeder wilde in ons hoge herenhuis een grote boom, mijn vader, – die het ding moest halen en later opruimde, wilde een kleinere. Wij kinderen werden altijd ziek zodat we eindigden met een mini-kerstboom op de slaapkamer van onze ouders. Hoe de kleine, versierde boom daar kwam herinner ik mij niet meer. Het zal mijn moeders idee geweest zijn die mijn vader zuchtend uitvoerde. Ik was verdwenen in snot en slijm en stak mijn hoofd onder de polyester lakens en oranje sprei van mijn ouders bed. De grote boom stond treurig en majestueus in de statige woonkamer. 

                        *

Hier is het stil. Vredig kan je het noemen. Geen onmin, snot noch slijm. Het is tussentijd. Tijd om na te denken. Twee en een half jaar geleden begon ik met dit blog, gewoon leuk, uitproberen of het wat was, of ik het nog kon, schrijven. En het ging. Vele verhaaltjes later ging mijn vader dood. Hij was een dankbaar onderwerp van de verhalen dit jaar. Of hij het wist? Nee, ik denk het niet. 

                        *

Mijn kinderen zijn groot. Soms schreef ik over hen. Ze vonden het goed. Mijn man stuurde ik de blogjes toe en hij reageerde: ‘mooi’, ‘goed’, 🙂 Trouwe lezers heb ik en dat is fijn. Opdoemende duimpjes ‘s ochtends, van Helene, Annemarie, Loes, Carina, Danielle, Michael…Ook collega’s schoten mij aan. ‘Mooi geschreven!’ en dan was de dag goed. Dank jullie wel. 

                        *

Nu ga ik op zoek naar het Grote Verhaal. Structuur, opbouw, vallen, opstaan. Maar ik ga het proberen. De tijd voor de blogjes wend ik aan voor het Grotere, Onzegbare en Moeilijke. Een boek? Wie weet. Ik ga het proberen. En misschien schrijf ik tussendoor nog een klein verhaal. Om te oefenen, voor een duimpje, een oplichtend rood bolletje.

                         *

Tussentijd is het en zal het zijn. 

                       ***

Zaza


‘Lig je lekker Zaza?’, riep hij.

Zaza lag in een lucifersdoosje met watten. ‘Prima!’, riep hij met z’n hele kleine kakkerlakkenstem.

Uit Pluk van de Petteflet, A.M.G. Schmidt (1911-1995)



In het vakantiehuis zijn kakkerlakken. ‘s Avonds komen ze tevoorschijn. Ik zie er opeens een lopen op de stenen vloer van de slaapkamer. Bij het stukslaan van het gruwelijke insect door mijn dappere man sla ik mijn beide handen om mijn oren. In gedachten hoor ik het kraken van het zwarte schildje. In verband met de eitjes die het vrouwtje met zich meedraagt mag je ze niet doodslaan. Maar wat moeten we? Het is 23.13 uur, de eigenaar van het huis slaapt, wij moeten slapen en met een kakkerlak naast het bed lukt dat niet. 

                        *

‘Daar zit er nog een’, zegt mijn man en met zijn slipper slaat hij ook die dood. 

                         *

We slapen in het bed-met-klamboe, de ventilator staat aan, ze kunnen niet tegen tocht, kakkerlakken. Dat lazen we op internet, om 23.32 uur. Vandaar de ventilator, gericht op de plek waar de beestjes vandaan kwamen. Morgen bellen we de eigenaar van het huis. Ik ben benieuwd wat hij doet, het is vast een hardnekkig probleem. En vannacht kunnen we niet plassen. Misschien morgenochtend weer, als het licht achter het gordijn schijnt, de haan kraait, de honden blaffen.

                         *

‘s Ochtends om 8.35 uur belt mijn man Laurent, de eigenaar van het huis. ‘Hello Laurent, with Raymond from number six’, hoor ik en ik lach. Ons huisje, dat gewoon in een woonwijk staat van het ietwat vervallen plaatsje El Roque, heeft als huisnummer zes. En omdat er al diverse mankementen waren – een weigerachtige oven, t.v. en vaatwasser-, belden we al vaker met Laurent. Hij zal zijn buik wel vol hebben van ‘number six.’

                        *

Laurent zegt toe dat hij om 12.00 uur komt, maar hij staat om 9.00 uur al voor de deur. Gewapend met spuitbussen en een paar tubes met een spits tuutje komt hij binnen op de voet gevolgd door zijn maatje die al een keer eerder het zwembad reinigde. Laurent is het evenbeeld van Kevin uit de Netflix-serie ‘Bloodline’: een surfboy op leeftijd met een wilde, blonde haardos, zonnebril met gekleurde glazen, bermuda, losjes hangend shirt en teenslippers. Het zwembad-maatje lijkt op Derk Sauer, de Russisch-Nederlandse media-ondernemer. Ik grinnik om de bizarre combinatie.

                           *

Kevin en Derk lopen speurend in en om het huis; zij spuiten gif in kieren en gaten: ‘zee will zurely dai wieth diez’, aldus de Franse Laurent die Engels spreekt. Een omgekeerde versie van ‘Allo, allo’. 

‘And if zee don’t, you call me ageen’, zegt Laurent. 

                         *

Verder is het hier rustig, de zon schijnt, de wind waait en op het strandje dat we laatst ontdekten staan ligstoelen die maar € 3,- kosten. 

‘In Europe you don’t find a place like this with chairs for € 3,-‘, aldus de lieve strandjongen van wie we de dag daarop mogen komen betalen vanwege een tekort aan cash geld. ‘You bring the money to me tomorrow’, zegt hij en hij lacht zijn stralende lach. Ook dat vind je nergens meer op de Europese stranden. Vertrouwen en vriendelijkheid.

                           *

‘s Avonds stijgt de spanning in ons huis. Kakkerlakken houden van warmte en avond. Het is warm in huis -‘Niet de deuren openzetten dan lopen ze zo naar binnen!’, aldus een panisch kind,- en donker is het ook. Buiten pikkedonker, binnen mag maar een lichtje aan want ‘Muggen komen op licht af, geen licht aandoen!’. Tastend in het duister zoeken we onze bedden op. Ik val al bijna in slaap als ik paniek hoor. ‘Pap-pap-pap!’ en dat steeds harder en dwingender. Pap zoekt zijn weg door de klamboe die provisorisch bijeengehouden wordt met een wasknijper. Ik hoor gegil, een deur die dichtslaat.

                         *

Ik slaap voorzover dat lukt in een bed met een krappe klamboe in een slaapkamer met dichte ramen en deuren. De volgende dag hoor ik het verhaal van de dichtslaande deur: ‘We deden de deur even open – heel even maar – het was zo warm…er kwamen gelijk twee kakkerlakken op onze slaapkamer af. We sloegen gauw de deur dicht, maar de hele nacht hoorde ik geritsel van zo’ n beest.’ Mijn dochter kijkt mij aan. Haar blauwe ogen staan op afgrijzen. ‘En mam, vanochtend keken we en er zat er een tussen de deur klem. Dat hoorden we natuurlijk vannacht.’

‘Ach, wat zielig’, zeg ik.

‘Zielig!, antwoordt mijn kind, haar ogen sproeien vuur. 

‘Mam, niks zielig, ze zijn zo smerig die beesten.’ En direct daarop:

‘Pap, pap, je moet even kijken hoor, misschien zijn er nu eitjes achtergebleven in de deuropening en die moeten ook weg.’ Pap sjokt naar de slaapkamer, naar de onzichtbare eitjes van de niet-zielige, dode kakkerlak.

                           *

En ik denk aan Zaza, de kakkerlak. Dat waren nog eens tijden. Geen associaties met griezelige insecten waar onzichtbare eitjes uit vallen, geen bij-gedachten aan een voetballer met een maffe tatoeage op de buik die penalty’s neemt als een vogel die zijn pootjes een voor een hoog optilt alsof hij op eieren loopt.

                             *

Wat at hij ook alweer het liefst, Zaza?

                           ***

Lat patat


Vanochtend zat er opeens een zwarte vlek voor mijn oog. Ik fietste, de warmte streek langs mijn gezicht, de lucht was vol van zomer en pluisjes die als plukjes watten voor ons uitstuifden. 

                             *

‘Zullen we een stukje gaan fietsen?’, vroeg mijn man zaterdagochtend. Het was 8.35 uur. Na een diepe, droomloze nacht moest ik even nadenken. Een stukje fietsen. ‘Goed’, zei ik en langzaam stond ik op. 

                             *

We fietsten het dorp uit, langs de kaasboer die vrolijk als altijd iets deed met kratten voor zijn winkel. Buiten het dorp begon de polder. We fietsten achter elkaar. Links en rechts heiige damp boven het groen met koeien, verderop stonden twee stoffige paarden. De ene tilde zijn nek op; slordige manen hingen als het ongekamde haar van een tienermeisje langs zijn hals.

                              *

Ik dacht aan de tijd die voor ons ligt: op zaterdagochtend om 8.55 uur de polder in fietsen. Thuis lag onze zoon nog in bed. Hij kwam thuis toen het licht vanochtend door onze gordijnstreep scheen. Nu sliep hij.

                           *

En toen kwam de tijd van weleer voorbij, daar, in de stille polder: de tijd van warme handjes en mollige lijfjes. ‘s Ochtends samen de Daltons kijken. Huiverend om 8.30 uur langs de lijn van een kaal voetbalveld, de straffe wind door je jas en je voeten veranderend in ijs in de laarzen die nog geen Uggs heetten. 

                             *

Elf smalle jongetjes in groene shirts en zwarte broeken, – te groot en slobberend om witte spillebenen met hier en daar een blauwe plek, een schaaf, een vieze pleister, – die achter een bal aanrennen. Na de wedstrijd nemen ze allemaal een penalty, dat is traditie. Elf jongetjes op een rij. 

                           *

De ballen gaan hoog over, naast of hebben geen kracht genoeg en komen net voor de doellijn tot stilstand. Een enkele gaat erin, dan is er een trots jongetje. Gejuich en geklap is zijn deel. 

                           *

‘Lat patat’, roepen opeens alle groene jongetjes. ‘Lat patat!’ Stijn is aan de beurt en Stijn kan de bal op de lat schieten. De tegenstanders kijken verbaasd toe als de jongetjes juichen, elkaar op de schouders slaan en omrollen van blijdschap. De lat is geraakt en de coach trakteert op patat. Op zaterdagochtend om elf uur.

                           *

We bereikten samen het fort dat stoer en onbeweeglijk achter de geniedijk lag. ‘Ik heb mijn leesbril niet mee’, zei mijn man. Ik nam mijn geslepen zonnebril in de hand – want ik lees zonder bril – en ik las dat het fort onderdeel uit maakt van de verdedigingslinie rond Amsterdam. En toen zag ik het vliegje achter op het glas van mijn bril. Dat was de zwarte vlek.

                            *

Verder fietsten wij tot we weer aankwamen bij ons dorp.

‘Ik haal nog wat fruit en groente’, zei ik. 

‘Ik haal een goede fles wijn’, zei mijn man. De wijn was voor vrienden waarmee we ‘s avonds gingen eten. Broodjes voor het ontbijt hadden we al, we waren langs de bakker gefietst. 

                             *

Om twee uur kwam onze zoon naar beneden. Zijn haar zat in de war. Een lang lijf. Maar ik zag het mollige lijfje van toen. 

‘Heb je niet wat lekkers?’, vroeg hij.

‘Bak jij eens flensjes voor mij!’ Ik wees op de broodjes. Even later zat hij naast mij. 

                            *

‘Ik ga in juli nog een week naar Berlijn’, zei hij. ‘Met Jorick, Sam en Jelger. We huren een huisje in een dorp bij Berlijn. We kunnen naar de stad maar we zitten lekker rustig erbuiten. Ik wil niet een week in de drukte. Zo kunnen we ook eens chillen.’

‘Gaan jullie met de auto?’, vroeg ik.

‘Ja’ en hij keek mij aan.

‘Met mijn auto?’, raadde ik.

‘Ja, als dat mag’, zei hij.

                           *

Het mag. En langzaam rolt de bal het doel in. Gejuich is mijn deel: een klein vonkje in een groenbruin oog. 
Lat patat.

                          ***

Guilty pleasures

  
Het zou gaan regenen vandaag maar het blijft grijs en droog. Het gekke is dat het mij teleurstelt. Graag had ik de hele dag binnen gezeten zonder het gevoel te hebben dat ik naar buiten moet ‘nu het nog droog is.’ Nee, ik wil in pyjama de krant lezen, een broodje eten, de katten aaien en The Voice Kids kijken, het programma dat ik opgenomen heb, zonder een man die vraagt: ‘moet jij je burgerkleren niet aantrekken?’ en een kind dat niets vraagt, maar zo nu en dan naar beneden komt om eten te pakken en daarbij zijn wenkbrauwen lichtjes optrekt.

                          *

En ja, dat is wat. Bekennen dat je als volwassen vrouw met een respectabele baan en boeken in de kast kijkt naar een dergelijk programma. Ik twijfelde lang. Zou ik het bekennen? Het ergste is nog dat ik mijn eigen kinderen niet kan betrekken bij deze guilty pleasure. Een is de deur uit, studeert, sport, heeft een vriend en een oppasbaan. Haar krijg ik niet meer iedere week op de bank met kaneelthee, een kruik en twee reclameblokken verder een toastje met kaas van de plaatselijke delicatessen-zaak.

                         *

Het andere kind is vastgeplakt aan zijn bed waarop hij multi-taskt met behulp van verschillende apparatuur-met-beeldscherm. Boeken die hij misschien in zou moeten kijken – wil hij alle tentamens halen volgende week – verdwalen in de chaos van een overvol bureau. Een sleutel, muntstukken, een glas met wat water, een bakje waarin ooit zoutjes zaten, een pen, potlood zonder punt en een halve gum. Nee, ook hij kan niet betrokken worden bij zijn moeders geheime genoegens. Dus kijk ik geheel en al op eigen conto.

                             *

Wat is het toch dat mij trekt in zingende kinderen, artiesten die wel of niet omdraaien, zenuwachtige ouders en opgewonden presentatoren? Wat zie ik toch hierin? Waarom moet ik dit programma kijken en trekt het mij aan als een ijzervijlsel-slurpende magneet?

                             *

Misschien is het de vertedering die de kinderen opwekken: de meesten zijn verlegen en beleefd. Ze zeggen ‘dank u wel’, lachen hun mooie lachjes. En sommigen zingen de onverwachte sterren van de hemel. Dan maakt Marco Borsato een gebaartje met zijn hand, het gebaar dat ooit Gerald Vanenburg maakte bij de goal van van Basten in 1988. Nederland-Rusland 2-0. 

                              *

Nog erger dan bovenstaand plezier is het bekijken van You tube filmpjes met dezelfde strekking als hierboven: filmpjes van volwassenen en kinderen die de jury verrassen met een prachtige zangstem, een ontroerend verhaal plus optreden, zang- en danstalenten ineen. Britain’s got talent, de Amerikaanse Voice, de Duitse Voice Kids, you name it, ik heb het gezien. De twee pubers die onwaarschijnlijk mooi ‘All of me’ zingen van John Legend, tweestemmig, de jury tot tranen toe roerend. Het meisje Laura, 11 jaar, met brilletje en vreselijke moeder in de coulissen die moeiteloos ‘I Will always love you’ zingt, een geluksbeertje hangt uit de zak van haar vest.

                             *

Het Nederlandse meisje Amira dat met een glaszuivere stem opera zingt. Isaac Waddington, Britse puber, die ontroerender dan Billy Joel ‘She’s always a woman’ zingt en daarbij piano speelt. Ik ken ze, allemaal. 

                            *

De schaamte voorbij: ja, ik vind dat leuk. En ik heb nog meer geheime genoegens naast alle respectabele bezigheden als lezen, schrijven en reizen. Mateloos zoeken naar vakantiebestemmingen is er zo-een. Alles weten van de Tweede Wereldoorlog met als specialiteit de Jodenvervolging. Maar het ergste zijn toch wel die You tube filmpjes. 

                           *

En nu ga ik mijn boek uitlezen, ‘Ik zag een man’ van Owen Sheers. Zeer verantwoord, een pleasure but…not guilty.

                         ***

 

                          

Halfvol

  

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato

de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht

ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo

ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht

                           *

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen

lig zacht te zingen antwoord op het licht

lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen

te zingen van het licht dat om en op mij ligt

                           *

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder

te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil

ik weet alleen het licht van wonder boven wonder

ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Hans Andreus (1926-1977)

De kortste dag van het jaar is daar. 21 december. De tijd van in het donker wakker worden, naar het werk rijden over zwarte wegen en weer terugkeren in de straat met onzichtbare, kale beukentakken was al eerder begonnen. Het sloop er gewoon in, de donkerte. En nu dreigt het vitamine D-tekort. De vitamine die het lichaam zelf aanmaakt door zonlicht. ‘Ik las onlangs dat vrouwen boven de 50 extra vitamine D nodig hebben’, beweerde mijn man laatst. 
                            *

Mijn man is vaak en graag met potjes vitaminen in de weer. Vroeger bezorgde hij de kinderen doorzichtige capsules naast hun bord die ze vol afgrijzen wegklokten met veel water of stilletjes lieten liggen onder de rand van hun bord. Dan lag na afloop van het ontbijt een doorzichtige capsule doorzichtig te zijn op tafel. Het gekke was dat de pil ondanks de doorzichtigheid niet de kleur van de tafel overnam. Hij lag daar als een wittig, kneedbaar raketje op tafel. De poes tikte er wel eens tegenaan. Dan rolde het raketje om zijn as op de grond waar het uiteindelijk – stoffig en plakkerig – werd opgezogen door onze hulp.

                             *

Nu zijn de kinderen groot. Zij dragen zorg voor hun eigen gezondheid. Onze bijdrage daarin beperkt zich tot het betalen van torenhoge ziektekosten-premies en het voldoen van onbegrijpelijke rekeningen en/of eigen bijdragen na apotheek- en/of tandartsbezoek. Die wij zuchtend en steunend overmaken, ons afvragend of wij deze nu wel of niet vergoed krijgen. Nooit overschrijden wij ons eigen risico met als gevolg dat we constant het gevoel hebben alles zelf te betalen. Wat nou, verzekerd?

                         *

Laatst nam onze dochter per ongeluk na het leren van een tentamen een stapel uitgepakte post – tussen haar aantekeningen terecht gekomen -mee van onze tafel. De jaarlijkse brief van onze ziektekostenverzekeraar zat ertussen. Bij het terugbezorgen ervan merkte ze op: ‘Wat betaal jij eigenlijk veel voor de ziektekosten! Dat wist ik helemaal niet.’ 

                         *

Ach, nee, ja, het is veel maar onvermijdelijk. Somber antwoord ik: ‘Zo’n verzekering is eigenlijk alleen echt handig als je in het ziekenhuis belandt en zware operaties of behandelingen moet ondergaan.’ En dan heb je er vrede mee, met de premie, de rekeningen, het eigen risico. Want laten we daar alsjeblieft niet terecht komen, in het ziekenhuis. En je bergt het stapeltje overzichten op in de map waarop staat ‘Ziektekosten’.

                           *

Tegenwoordig drukt mijn potjes-minnende man mij na het avondeten twee pilletjes in de hand. Kleine, witte, ronde. ‘Vitamine D’, zegt hij. En ik slik ze door met wat water uit de beker in zijn andere hand. Daarna kijken wij naar Breaking Bad. Naar ook een zorgzame man met een voorkeur voor verdergaande chemie dan een pilletje vitamine D. 

                           *

Het liefst maak ik vitamine D zelf aan. In de zon. Een prettige bijkomstigheid is dat je in de zon kan lezen en schrijven en je ogen dicht kan doen. Je kan dromen, eten, praten en zwijgen in de zon. Liggen, lopen en zelfs hardlopen is mogelijk, beschenen door de zon die het gezicht, het lijf en brein verwarmt als het straalkacheltje vroeger in onze koude badkamer. 

                             *

In de zon bruint de huid, het bloed stroomt sneller en tussendoor maakt je lichaam zelf de stofjes uit de witte pilletjes aan. Het is een wonder. Nu kunnen wij niet voortdurend op vakantie, naar de zon, wat jammer is maar onvermijdelijk.

                           *

Dus slik ik braaf mijn pilletjes, word ik wakker in het donker, ga ik in het donker naar het werk en kom ik in het donker thuis.

                           *

Het is wachten op 22 december: ‘dan gaan we weer de goede kant op’, zei gisteren mijn nog-niet-echte-maar-lieve schoonzoon. En zo is het. Het glas is altijd halfvol. Nog één dagje maar.

                        ***