Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

De Snuifas

  
Ze bestaan. De lullo’s. En wij hebben de eer tegenover en naast zes verse exemplaren te zitten. In de trein van Delft naar Heemstede.

‘Moet ik Ditmar even bellen?’

‘Eds en Ronald zouden direct erheen gaan.’ Opmerkelijk. Ronald. Dat is nu typisch zo’n zeventiger-jaren naam die ouders gaven aan hun zoon als ze het echt niet meer wisten. Geen lullo-naam. Ditmar en Eds passen aardig in het plaatje. Maar Ronald…nee.

                         *

Deze heel jonge lullo’s dragen een pak, een gekreukte witte bloes, een van hen draagt nog de oranje das van de vereniging. Vijf van hen deden de das af. Slordig opgevouwen in hun hand stappen ze ermee de coupe in. Alleen tegenover en naast ons is nog plek. En daar ploffen ze neer.

                        *

‘Kut’, ‘Superkut’, ‘chickie’ en ‘nice’ vliegen ons om de oren. Ze hebben het over ‘zo’n goser’, een foto op de iPhone is ‘bueno’. De andere jongens die ze gaan ontmoeten heten Juul, Siep en Sicco. 

                         *

De jongen die het meeste weg heeft van een VVD-er-in spe, een frappante look-a-like van minister van der Steur, vertelt dat hij morgen de bachelor-party heeft van zijn stiefvader. Een onbegrijpelijk gebeuren voor mij. Bachelor-party van zijn stiefvader? Daar snap ik niets van. Of is het zijn toekomstige stiefvader? De man die gaat trouwen met zijn moeder? We komen het niet te weten. De anderen luisteren lief naar hem.

                         *

‘We gaan bowlen en daarna uit eten’, meldt de jonge Ard met een onvervalste Haarlem-r. Dat bowlen klinkt toch weer lekker gewoon. En ze gaan vanavond naar Haarlem, want ze hebben het over uitgaan bij Stalker of de Koning. Dat laatste tentje heeft ons, ouders van twee post-pubers, destijds een fiets, portemonnee met inhoud en peperdure jas gekost. ‘Ook mijn ID-kaart ben ik kwijhijt…’ vernamen wij van een snikkend kind om 3.00 uur ‘s ochtends, waarna wij haar ophaalden in de stikdonkere stad. De fiets en portemonnee waren gestolen, in de peperdure jas zat een brandgat van een sigaret. De wit-wolkige voering pulpte er daarna voortdurend uit. Daar hielp geen naald en draad tegen. Exit dure jas. 

                           *

We kunnen genieten van de heren de hele treinreis van Delft tot en met Heemstede. Daar gaan ze eruit. ‘Dat appte Ditmar net, lullo! We moeten eruit in Heemstede!’ ‘Heemstede-Aerdenhout zal je bedoelen ‘, verbetert de hockey-captain. Grappig is dat ze spreken over de rector magnificus met de klemtoon op fi in plaats van op ni. Dat is niet juist, heren! Lullo’s! Maar ik hou mijn mond en tik lekker door op mijn iPhone. Zo nu en dan laat ik wat lezen aan mijn dochter. Zij heeft een paar mooie aanvullingen op het lullo-jargon.

                         *

Een van de jongemannen heeft in zijn gele Jumbo boodschappentas wat biertjes meegesjouwd. ‘Matties’ heten deze, oftewel ‘amigos’. ‘Geef mij nog zo’n mattie, pik!’ Nu hebben ze het opeens over goede kappers, dat zijn kappers ‘waarbij je niet hoeft te lullen.’ Dat schijnt belangrijk te zijn. ‘Mijn kapper lult zelf heel veel en verwacht niets terug.’ Dat is ook goed. 

                         *

Ik geniet. Mijn dochter kijkt alleen maar zo nu en dan op van haar iPhone. Deze jongens lijken in zekere zin op haar jongere broer: veel bravoure, een dikke Haarlemse ‘r’, bier drinken en tussendoor wat studeren. Dat schijnen ze namelijk wel eens te doen. Zeer terloops. Soms. Stiekem ‘s avonds in bed waarschijnlijk. Of het weekend voor de tentamens twee keer 24 uur doorblokken. 

                         *

Het thema is verschoven naar de hockey. Ook dat nog. ‘Ik ben captain’, verkondigt de lullo in het hoekje. ‘Superkut’, meent de rest. Als een lullo in Haarlem afscheid neemt ‘ik ga er hier uit’, krijgt hij vijf high fives en mompelen ze allen vriendelijk ‘later(z) ‘. 

                         *

De ‘matties’ zijn op. Mijn theorie over 24 uur doorblokken blijkt te kloppen want de kleinste en knapste lullo doet een master. Hoe doen die gasten dat? Hij had het wel even ‘ziek druk, onmenselijk gewoon, man!’, maar na de onmenselijk zware dagen gaat hij ‘chillen’ met zijn ‘chickie’ in Parijs. Het ‘chickie’ doet een minor in Parijs. De kleine heeft nog een leuk Fransgetint weetje. Als je in Amerika scheldt zeg je: ‘excuse my French!’ De kleine, ik zie hem over tien jaar senior zijn in een groot bedrijf. Twee van de vier hockeyende kindertjes zijn geboren, zijn chickie zal met haar Franse minor niet verder komen dan haar SUV, tennis op vrijdagochtend en zo nu en dan opdraven bij een receptie.

                         *

Over tien, twintig jaar is het leven een beetje over deze gasten heengegaan. Ook hen blijft waarschijnlijk niets bespaard. Ziekte, dood, scheiding, ontslag. Sommigen zullen te hard werken, een burnt-out krijgen wellicht. 

                         *

De bravoure gaat er af. Ze krijgen een buikje. De hockey-captain hobbelt waarschijnlijk nog een beetje mee in het veteranenteam. En stiekem vind ik dat jammer. Ze zijn aandoenlijk, deze jonge lullo’s, de hele toekomst voor zich, met hun ‘chickie’ in Parijs, een stageplek op de ‘Snuifas’, feesten en stappen, hockey en een beetje studeren. 

                          *

‘Een stage op de Snuifas.’ Grinnikend loop ik de trein uit. Eds, Ronald en Ditmar wachten hen beneden op. Een van hen houdt een bos bloemen vast. Ze stappen in twee aftandse autootjes en scheuren er vandoor. Het leven in.

                          *

Ciao amigos!

                         ***