Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

Advertisements

Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Zen 


In de krant lees ik de uitspraak: ‘De wereld zou er beter uitzien als de mensen eens wat vaker de handen in de mouwen zouden houden.’ Ik lees verder. Met in mijn achterhoofd de uitspraak. Ik blader terug. Floor Rieder, jeugdboeken-illustrator, haalt de uitspraak aan. Midas Dekkers sprak hem uit. 

                                 *

Zowel Floor als Midas zijn liefhebbers van poezen. Ik kijk naar rechts. Onder het raam van de schuifpui ligt onze kat Moos. Het is zoals Floor zegt: ‘Een kat (…) heeft geen ambities. Die wil zijn brokjes en af en toe even knuffelen (…) Daar kunnen wij wat van leren.’ Moos voldoet volledig aan deze kwalificatie. Kijk nou, hoe hij ligt: volkomen zen. 

                           *

Ik kijk naar mijzelf: in mijn fleece joggingpak aan de tafel met drie kranten. Deze moet ik doorlezen voordat mijn man terugkeert van bootcamp, mijn zoon naar beneden komt. Ik moet een blog schrijven – minimaal een per week moet toch mogelijk zijn – en vanmiddag bezoek ik mijn vader. 

                             *

Daarna ruim ik mijn vaders flat op. Hij kan niet meer naar huis. Ik gooide gisteren de aangebroken ketjap-fles weg, de olijfolie, de bloemkoolsaus in het pakje, het pak basterdsuiker met de wasknijper. Zijn ijskast staat al maanden open met vaatdoeken op iedere plank zodat de deur niet dichtvalt. Dan gaat de ijskast stinken. Net zoals het doucheputje dat al maanden een rioollucht door het huis verspreidt. Over de stoelleuning van de stoel achter zijn computer in het kantoortje hangt zijn laatste niet-gestreken overhemd met korte mouw. 

                           *

Mijn dochter die haar opa’s kleding uitzoekt vindt een doos met foto’s. ‘Wie zijn dit?’, vraagt ze. 

‘Dat zijn mijn opa en oma – ze gingen naar mijn oom in Amerika met de boot – daar zitten mijn moeder en vader, en kijk, dat ben ik.’ Een klein meisje met sluik, bruin haar kijkt verlegen naar de fotograaf. ‘Zie je dat jurkje? Dat borduurde mijn moeder’, zeg ik. Maar zij vindt al weer een andere foto. Mijn jeugdige vader op ski’s. En ik denk aan de keer dat hij zijn ski bijna verloor toen wij samen in het liftje zaten. De paniek en dat ik schreeuwde naar de man bij de lift: ‘stop, langsam!’ Zodat mijn vader op een schoen en een ski het heuveltje af kon strompelen. 

                          *

Op mijn telefoon verschijnt een bericht van mijn broer: ‘Hi Anne, zal ik als vaste dagen ma, do en za doen? Kunnen we de woensdag als ‘n soort wisseldag houden als jij de di, vr en zondag wilt. Ik hoor het wel. Gr.’ Het gaat over de verdeling van het bezoek aan onze vader. Iedere dag bezoeken we hem, het wordt ons teveel. 

                         *

Ik wil namelijk een appeltaart bakken met de appels die aan onze boom hangen, zelf frites maken, mosselen eten met die lekkere saus van ui, peper, paprika en tomatenstukjes. En ook wil ik het boek uitlezen op mijn tafeltje naast het bed, dat dikke boek van Safran Foer over hemzelf: ‘Hier ben ik.’ 

                          *

En nu is het zondag. Buiten zingen vogels. De zon werpt een gloed over de tuin in herfststand. Er bloeien nog wat planten: de geraniums, de fuchsia’s en er zitten nog wat witte bloemetjes in de plant waarvan ik de naam niet weet. De druif hangt er verschrompeld bij. 

                          *

Intussen krijg ik het mijn hoofd niet uit: de baby uit Idlib in de armen van de reddingswerker. ‘Zij is pas een maand oud.’ Uit zijn ogen stromen tranen. De baby is overdekt met stof. Liefdevol wordt het van haar voorhoofd weggestreken. Ze draagt een geel pakje, de baby.

                         *

Vanochtend bekeek ik mijn agenda. Er is volgende week weer veel te doen.

                         *

Mijn oog valt naar rechts. Moos slaapt. 

                          *

Ik steek mijn handen in de mouwen.

                        ***

Im Westen nichts Neues

(…) De nabijheid van de verzengende zon maakt de geurige was zacht, de bindingen van de veren. De was was gesmolten: hij slaat naakte armen, en de roeiriemen missend vangt hij geen enkele wind en zijn mond, die de naam ‘vader’ roept, wordt verzwolgen door het blauwe water, dat zijn naam aan hem heeft ontleend (…)

Uit: Metamorphosen VIII, Daedalus en Icarus door Publius Ovidius Naso (43 v Chr. – 17 na Chr.)

Ik word onder vuur genomen door vallende eikels. Ze spatten op het pad als ketsende kogels in de straten van Aleppo. De bomen huilen blaadjes. De dwarrelende bladeren doen mij denken aan de man in pak die draaiend om zijn as naar beneden valt in zijn vlucht, weg van het vuur en de rook van het ontplofte vliegtuig in de Twin Towers. Ik wilde dat ik het niet gezien had. Een mens dat valt als het blad van een boom.

                        *

Mijn zoon zit naast mij. Gebiologeerd kijken wij naar de vallende man. Mijn zoon, vier jaar op 9 september 2001, kleurde zijn tekening aan tafel. Nu zit hij naast mij en ziet hij de vallende man. En ik weet dat hij al veel zag: schieten, tranen, dood, Aleppo, Afghanistan, Parijs, het is onvermijdelijk, de dood in dit leven. En nu die man, in pak, draaiend om zijn as langs de glazen spiegelwand als een duizelingwekkende ijdeltuit.

                       *

Als Icarus stort hij omlaag, zojuist zijn papieren geordend, een mail verstuurd, een grap gemaakt. De man in pak, een paar tellen lang valt hij, steekt de Styx over, kijkt niet achterom naar zijn geordende papieren, zijn onbeantwoorde mail, de lach van zijn verbrande collega.

                       *

Dat en het beeld van de twee rennende vaders met hun baby’s in de straten van Aleppo, hun voeten stoffig van het puin waar zij op lopen, de angst in hun ogen – hun wereld staat in brand. Tranen van Daedalus.

                       *

Zaterdagavond was er niks op het journaal. Met niks bedoelen we geen aanslag, geen brand, geen ellende, rotzooi, rotjochies, Poelenburg-vloggers. Nee, het ging over…tja, waar ging het over? Een waarschuwing van de AIVD dat ze toegang tot versleutelde berichten moeten krijgen (wordt lastig), een Volkswagen-eigenaar die schadevergoeding wil vanwege sjoemel-software (gaat lukken) en de evaluatie van de nekklem bij Mitch Henriquez (politie zat fout). Tot slot een couveuse-baby die in plaats van pijnlijke plakkertjes een zacht stoffen bandje om krijgt (in 2018). 

                         *

Na de vallende man was het fijn, zaterdag, dat niets-nieuws. Maar het is wachten op dat andere, dat allesverslindende, opslurpende bericht, een neerstortend vliegtuig, een auto met gasflessen die wel ontploft, iets, iets waar je hart van stilstaat. Eventjes. En dan ga je weer door. Werken, eten, slapen.

                         *

En fietsen over gevallen blad onder een spervuur van eikels.

                        ***

Plotseling, liefde 

  
Bij de oudste nog in leven zijnde Haarlemse boekhandel vraag ik of ze de nieuwe roman hebben van Aharon Appelfeld. De jongeman die nonchalant achter de computer op een soort barkruk hangt draait zich om.

‘De nieuwe roman van Appelfeld?’, vraagt hij.

‘Ja, de titel is ‘Plotseling, liefde’, zeg ik. Wat een wonderschone titel is.

                          *

Ik verheug me op dit boek. Appelfeld is een van de schrijvers die je ontdekt, ooit, als een parel in de diepte van een zee aan boeken. Schoonheid van schrijven komt je tegemoet bij het omslaan van iedere bladzijde van het boek ‘Het verhaal van een leven.’ Appelfeld, die als klein, Joods jongetje uit een Oekraïens kamp ontsnapt en rondzwerft over akkers en velden, de grijpgrage nazi’s en onbetrouwbare Oekraïense boeren – met ogen die op verraad staan – ontwijkend.

                           *

De zwerftocht van dit jongetje in een wereld van ellende en verschrikking staat in schrille tegenstelling tot zijn kinderjaren voor het als Jood beschouwd worden. Voor de vervolging. De poëtische beschrijving van Transsylvanie waar Appelfeld opgroeide in een cocon van geluk is prachtig. Het leven toen, daar, is zo beeldend beschreven dat je zelf in dat sprookjesachtige landschap ronddwaalt: je ziet Aharon huppelen als jongetje van vijf, zes jaar, omringd door de liefde van zijn ouders en grootouders.

                           *

De jongen op de barkruk kijkt mij aan en zegt: ‘nee, dat boek verkoop ik niet.’

Verbouwereerd kijk ik hem aan. ‘Het zijn prachtige boeken, het laatste is toch net uitgebracht?’ En ik kijk om me heen naar al die boektitels, boekomslagen en kasten vol boeken in deze kwaliteitsboekhandel.

‘Ja, ik heb er laatst een recensie over gelezen’, antwoordt de barkruk, ‘maar de boeken van Appelfeld verkopen niet. Wij hebben ze niet in huis. Ik kan het boek wel voor u bestellen.’

‘Nee, dat hoeft niet’, zeg ik. 

                         *

Ik fiets naar huis. Het is prachtig weer. In de krant lees ik dat een proces gaande is in Duitsland. De 94-jarige Reinhold Hanning wordt verdacht van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Hanning was bewaker in Auschwitz. Hanning zwijgt. Eerder verklaarde hij in een deel van Auschwitz te hebben gewerkt waar geen mensen werden vergast. Echter, de aanklagers gaan ervan uit dat alle bewakers betrokken waren bij het vergassen van de Hongaarse Joden die in 1944 in grote getale in Auschwitz zijn vermoord. Ook Hanning zou daarbij zijn geweest. Maar Hanning zwijgt. 

                       *

Getuige Leon Schwarzbaum houdt op het journaal een foto omhoog met daarop in sepia-kleuren hijzelf, zijn oom en zijn ouders. Een heel jonge, serieus kijkende twintiger, twee oudere, vriendelijke heren en een knappe vrouw met een kersenmond en net zo’n serieuze blik als haar zoon. Leon overleefde als enige van zijn familie Auschwitz. Twintig jaar was hij toen hij in Auschwitz belandde. Hij is getuige in Hannings proces. Leon, een oude man die op zijn vader is gaan lijken, vraagt zich af: ‘zou hij mijn ouders hebben gezien, daar op het perron?’ 

                        *

Maar Hanning zwijgt. En tijdens het fietsen in de kou met de winterzon op mijn gezicht vraag ik mij af hoe het gaat met Aharon Appelfeld. Dat kleine jongetje wiens leven zo mooi begon en al gauw veranderde in een onbegrijpelijke nachtmerrie. Welke Hanning heeft Aharons vader gezien, daar in dat Oekraïense kamp? Zijn moeder was niet in dat kamp. Zij was al eerder door de nazi’s vermoord.

                          *

Hanning zwijgt. En daarom moeten wij blijven lezen. Het nieuwe boek van Aharon Appelfeld, ‘Plotseling, liefde’. Ik bestel het maar gewoon bij Bol. com. En ik hoop dat het boek wel goed verkocht wordt. Dat de jongen op de barkruk bij boekhandel de Vries ongelijk heeft. Want zolang Hanning zwijgt lezen wij, over alles wat niet meer gebeuren mag en toch gebeurt. In Zuidoost-Turkije. In Aleppo. In Zuid-Soedan en Nigeria. Kleine jongens en meisjes wier leven zo beloftevol begon en nu een gruwelijke nachtmerrie is geworden ontsnappen niet aan nazi’s maar aan withete brandbommen, zij kijken niet in de ogen van hebzuchtige verraders maar ontwijken gerichte kogels van scherpschutters of religieuze fanatici.

                           *

En Hanning? Reinhold Hanning, 94 jaar oud, kijkt naar de grond en zwijgt.

‘Plotseling liefde’, heet het nieuwe boek van Appelfeld. Plotseling, liefde.
                       ***

De winkelier van Damascus

  
Droombeeld

Vanmorgen toen ik nog niet wakker was

maar al niet meer sliep sloop onzichtbaar

op gehoefde sokken het onheil binnen

in mijn bed, vlijde zich tegen mij aan

en fluisterde om mij niet te wekken mijn naam.


Terwijl ik mijn ogen niet opende zag ik

dat hij naar mij keek met ook zijn ogen dicht

het kussen streelde dat hij voor mijn lippen aanzag

en dat hem zoende zoals ik zou hebben gekust.

Wij omhelsden in de veronderstelling van elkaar.

Hagar Peters

                         *

In de hal staat een man, klein, pezig. Soepeltjes beweegt hij zich langs en door de – op gekruiste poten – geschraagde planken. IJverig en geconcentreerd legt hij hemd bij hemd, broek op broek. Stapeltjes T-shirts, wit, groen, zwart, hij vouwt zorgvuldig de shirtjes op: de mouwtjes naar binnen, zijn vingers strijken als vanzelf de zachte stof glad. 

                         *

De zijkanten vouwt hij naar binnen, twee kaarsrechte streepjes. Kleine shirts een keer overdwars dubbelvouwen, wat grotere twee keer. Liefdevol stapelt hij de kleding op. Wit bij wit, klein bij klein, groot op groot, van links naar rechts liggen de shirts overzichtelijk op de ruwe planken van klein naar groot. Zijn ogen trekken langs de shirtjes als die van een generaal langs zijn troepen. 

                         *

Hij kijkt door de half geopende deur naar de ruimte erachter. Het voortdurende geroezemoes klinkt vertrouwd. De meesten hebben gedoucht, zijn geschoren, ze hebben vannacht geslapen. 

                         *

Sommigen sliepen, ondanks dat ze moe waren, moeilijk in. Draaiend op het veldbed dat kraakte en bewoog bij iedere beweging, kwam de slaap niet. Maar zelf sliep hij ondanks de vreemde ruimte, het gekraak, zuchten en snurken en hier en daar kindergehuil, in.

                         *

De kleinste kinderen slapen. Ze doen een middagdutje. Baby’s slapen ‘s middags, ze slapen veel. Zijn baby’s sliepen ook ‘s middags. Daar, in zijn huis in Damascus. Boven het bedje draaide de witte ventilator zijn rondjes. De warme lucht streelde de babyhuid, het regelmatige gezoem liet het kind inslapen. Als hij voor het slapen gaan nog even buiten stond, rook hij de geur van zijn tuin, hij zag de sterren fel oplichten tegen de zwarte hemel. 

                         *

Hij denkt aan de aankomst, de avond ervoor. Met een bus kwamen ze hierheen. Hij tuurde door de ramen van de bus naar buiten maar hij keek in een donker gat. Het gat waar hij al jaren in keek. De lange busrit eindigde bij een grote hal. Het plotselinge licht van de hal deed hem knipperen met de ogen. 

                        *

Mensen drongen zich murw van vermoeidheid, hun kleding vies plakkend tegen hun lichaam aan, de bus uit naar buiten. De nachtlucht in dit land was koel. Oktoberkoelte. Zijn leren tas tegen zich aangedrukt, zijn plastic tas in de andere hand liep hij met de stroom mee. Aardige mensen lachten naar hem.

                         *

Een vrouw met een groen hes over haar kleding wees hem de weg. Ze gaf hem een papier. Nog steeds knipperend met zijn ogen liep hij de hal in. Het harde licht bescheen meedogenloos de grote ruimte. Rijen bedjes, vier aan vier met tussenruimten. Op een van de bedjes ging hij zitten. Zijn leren tas naast hem, de plastic tas schoof hij onder het bed. Hij pakte het papier, het was een beetje gekreukt. Hij las. 

                        *

Welcome to Voorhout!

 We will do our best to make your stay as comfortable as possible while you recover from your long and tiring journey.

House Rules:

– RESPECT other people around you

– All food is Halal

– Food must not be eaten in the dormitory

– Tap water is safe to drink

– NO SMOKING in the building

– NO DRUGS or ALCOHOL

– You must stay in the building between 10.00 PM and 07.00 AM

– You may leave the building between 07.00 AM and 10.00 PM

– When you leave the building you must check out and when you enter the building you must check in!

– Always wear your given wristband

– For any questions, please ask a member of the Red Cross Team.

                         *

Hij begreep dat hij ergens was. 

                         *

En nu staat hij hier. Tijdens het vouwen ordent hij naast de kleding zijn gedachten. Vrouw, kinderen, huis, winkel, reis, hier. Hij had een huis in Damascus, een vrouw, twee grote jongens en een meisje. Een huis met geurende tuin. Zijn winkel. Even knijpt hij zijn ogen dicht. Hij ziet achter zijn oogleden de kleurige kleding. Hangend op hangers, liggend op lange tafels. Een toonbank, de kassa. Door de ruiten ziet hij de straat. Er lopen mensen. Jong, oud, snelle en langzame. Hij maakt een praatje met de buurman, helpt zijn klanten, zet achterin het keukentje koffie. 

                         *

Als hij zijn ogen opent, ze waren maar even dicht, ziet hij de kleding hier, hangend op hangers, liggend op de schragen.

                         *

Hij loopt naar de deur, zet deze open. ‘You may come in.’ Zijn klanten komen binnen. Ze lijken op zijn zoons. Hij wijst hen op de shirts, de juiste maat. Broeken pakt hij op van de stapel. Dit is zijn winkel. Hij had een winkel in Damascus. Een vrouw, twee zonen, een dochter. Hij had een tuin. Hij had een huis. Een huis in Damascus.

                         ***
Nawoord

In de gemeenten Teylingen en Lisse ontvangen we dezer dagen een groep van 150 vluchtelingen 12 dagen op. In het persbericht van beide gemeenten staat het volgende:

‘Met de crisisopvang willen de gemeenten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. ‘We zijn er om onze medemensen te helpen. Het is onze menselijke plicht om voor mensen te zorgen die dat tijdelijk niet zelf kunnen’, aldus burgemeester Carla Breuer van Teylingen. ‘We zijn gevraagd deze mensen op te vangen en dat willen we ook graag. We zetten ons er voor in dat dit op een goede manier verloopt’, stelt burgemeester Lies Spruit van Lisse.’

Het vervulde mij de afgelopen dagen met trots om met een geweldig team bevolkingszorg een bijdrage te mogen leveren aan de opvang van deze mensen. We doen dit voor de hele groep vluchtelingen, maar in het bijzonder voor de kleine, grote winkelier uit Damascus. 

Annelie 

De dochter

 
Zondag zou ik op de fiets stappen om mijn vader te bezoeken. Maar helaas, het miezert en ik pak de auto. Als ik, iets eerder dan telefonisch aangekondigd, de gang inloop, zie ik de deur van de berging naast de flat, openstaan. In de berging staat mijn vader gebogen over een doos met de kartonnen flappen van het deksel opengeklapt. Hij rommelt erin, duidelijk op zoek naar iets. ‘Hallo, wat zoek je pa?’

                          *
Hij kijkt op, puft en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Hij graait in een doos met in elkaar gedraaide kabels, een ondefinieerbaar ijzeren geval: ‘he, hier kan ik mijn vlag aan ophangen!’ en andere rommel. Hij tilt met veel moeite een doos op en zet deze op een flinke stapel andere dozen. Ik verberg mijn opkomende kribbigheid. ‘Wat zoek je?’, herhaal ik.
                            *
‘Een föhn’, is het antwoord, ‘de laden van mijn vriezer zijn weer vastgevroren.’ Dat euvel ken ik. Eerder gebruikte hij daarvoor de föhn van mijn dochter, maar die föhn verhuisde met haar mee naar Amsterdam. Dus zoekt hij nu zijn eigen föhn. In een van de ruim twintig dozen rotzooi, ruim twee jaar geleden door mijn broer en mij ingepakt en verhuisd.
                            *
‘Voor minder dan € 20,- kan je een nieuwe kopen bij de Blokker, dat bespaart je een hoop ellende.’
Maar nee, geen cent geeft mijn vader uit aan een voorwerp dat ‘zeker in een van dozen zit.’ 
                            *
Het is hard, maar ik laat hem alleen in de berging. Hij wil toch niet dat ik hem help en ik erger me aan de capriolen die hij uithaalt voor een föhn. Intussen erger ik me aan mijn ergernis. Wat is dat toch? Wat maakt het mij uit dat mijn oude vader zijn rommel bekijkt? Diep in mijn hart weet ik het. Ik vind het vreselijk dat hij al die rotzooi bewaart, niets weggooit. Ik begrijp niet zijn verzamel-en bewaarwoede van in mijn ogen onnozele spullen als een verroeste vlaggenstokhouder, een föhn uit het Stenen Tijdperk, kabelkluwens die je nooit gebruikt.
                         *
Daarbij wist en weet hij altijd alles beter en heeft hij vast voor een zacht prijsje deze waardeloze koel-vriescombinatie gekocht. Ook dat vind ik ergerniswekkend: altijd voor het dubbeltje op de eerste rang willen zitten, maar uitkomen op goedkoop is duurkoop. 
                         *
Als hij terugkomt en mij in zijn stoel zet: ‘ga lekker daar zitten, die stoel van mij zit heerlijk’, is de ergernis weggezakt en maakt deze plaats voor schaamte. Wat maakt het uit? Deze oude heer, laat hem gaan met zijn dozen, zijn rommel, zijn ‘ik timmer hier even een plankje onder en dan kan ik mijn vlag weer ophangen.’ Ga je gang, veel reuring is er niet meer in dit oude leven.
                         *
En ik blijf extra lang. Om een oorlogsverhaal te horen dat ik nog niet ken. Om te luisteren naar het verslag van zijn bezoek aan een oude vriend waarmee hij binnenkort ‘een ritje wil maken.’ En ik zeg niets maar ik hoop dat dat ritje niet doorgaat. Een 93- en 85-jarige, rondtoerend in een 15 jaar oude auto. 
‘Het heeft geen zin om die nu nog in te ruilen.’
‘Nee pa, dat heeft geen zin.’ 
                          *
En ik neem me voor me niet meer te ergeren, me niet meer te hoeven schamen voor mijn ongeduld en irritatie. De perfecte dochter te zijn. Ja ja, ‘keep on dreaming, my girl…Keep on dreaming…’ 
                        ***