Zwart als roet

Het is zaterdag en ik hoef alleen maar bij de groenteboer vier citroenen, vijf bananen (niet al te rijpe), een stuk of zes mandarijnen en tien eieren te halen. Dat een groenteboer eieren verkoopt is gek. Maar hij heeft ze en ze zijn lekker. ‘Direct van de boer’ staat op het kaartje naast de eieren en ik geloof het.

*

Als ik de winkel binnen kom zie ik een klant en twee Pietjes. En ik denk ‘O ja’, want de groenteboer doet ieder jaar aan Pietjes. Zijn hulpjes worden in de weekenden voor het Sinterklaasfeest geschminkt en aangekleed als Zwarte Pietjes. De groenteboer zelf is niet verkleed en dat is jammer want hij zou een goede, bedachtzame Sint zijn.

*

Het is altijd weer een kleine hik-up, geholpen worden door Pietjes terwijl je zo volwassen – zeg maar oud – bent, het vroeg in de ochtend is en je alleen maar komt voor vier citroenen, vijf bananen, een stuk of zes mandarijnen en tien eieren. Ik zie dat alle klanten dezelfde hik-up hebben in de vorm van een terughoudende glimlach.

*

‘Kan ik u helpen?’, vraagt Pietje 1. En ik begin. ‘Doe maar een trosje honingtomaatjes’, zeg ik. Ze staan niet op mijn lijstje maar ze glimmen zo rood en passen zo mooi bij de kaasfondue. Pietje 1 houdt het trosje omhoog, ik knik en de tomaatjes glijden in een plastic zakje.

*

De deurbel klingelt en een oudere heer stapt de winkel in. Ook hij kijkt even verschrikt maar glimlacht al gauw.

‘Zo, Pietjes’, zegt hij, ‘Wat zijn jullie zwart.’

Mijn Pietje, die naast de kisten vol perssinaasappelen staat, antwoordt ferm:

‘Ja, zo zien wij eruit en ik ben boos op Sinterklaas dat hij allemaal gekleurde Pietjes in dienst neemt. Sint gaat zelf in de zak mee terug naar Spanje als hij zo doorgaat.’

*

Ik staar naar de avocado’s. Zouden ze rijp zijn? Dat zie je nou nooit aan die harde, bruinzwarte schil. En dan zeg ik:

‘Ik vind het juist leuk, al die gekleurde Pieten, wat maakt het uit, de kinderen vinden alle Pietjes prachtig.’

*

Het wordt stil. Pietje 2 helpt de andere klant met een kilo geschilde aardappels. Mijn hulp-Piet staat nog steeds naast de sinaasappelen. Appeltjes van oranje. Een paar blonde piekjes steken onder haar baret uit. Het oude heertje staat naast mij.

‘Doe mij nog maar vier citroenen’, zeg ik.

*

Als ik wegga, de deur van de winkel zachtjes achter mij dichttrek, het tasje dat ik zo braaf van huis meenam met de citroenen, bananen, mandarijnen, eieren en de honingtomaatjes in mijn fietstas stop en naar huis fiets is de wereld niet veranderd. De straat ligt er druilerig bij. In de viswinkel die als een aquarium in een donkere kamer oplicht wachten klanten rustig op hun beurt.

*

Even flitsen de roe, de zak en het glimmend-zwarte gezicht van Piet van vroeger voorbij. De zwaai van een witte handschoen met die golf van keiharde pepernoten. Mijn hand voor mijn betraande gezicht. Een bang meisje in een geruite overgooier en een rood maillootje.

*

Misschien word ik volgende week wel in die lege aardappelenzak gestopt en meegenomen. Door die goede, beste Sint.

***

Advertisements

Spijt 


‘Je weet het niet, je weet het niet.’ Ik loop achter de oude man aan. Waar is Riet? Meestal doet zij de deur open. Een dame van 85 met een bob-kapsel en zware bril. Klein van stuk. Kwikzilverig. ‘Jouw papa, he? Die mag ik zo graag!’ 

                        *

Nu loop ik achter haar man aan het huis binnen. Een oude-mensen-huis met kleden op de vloer, een vaasje op de tafel en foto’s in de vensterbank. Zware meubels met daartussen potten met planten. Het grote raam biedt uitzicht op het bos. ‘Ik noem het mijn voortuin’, zei hij ooit trots tegen mij. 

                         *

Hij schuifelt naar de zacht-leren bank in de erker en gaat zitten. Ik neem ook plaats op het puntje. 

‘Je weet het niet’, zegt hij nogmaals. En hij drukt mij een lichtgele kaart in mijn hand. Ik zie een bob-kapsel, een zware bril. 

‘Is ze overleden?’, vraag ik tegen beter weten in. En ik denk aan mijn man die een paar weken geleden zei ‘Moet je niet eens langsgaan?’ En mijn antwoord ‘Na onze vakantie ga ik.’

                          *

En nu is Rietje dood. De vriendin van mijn vader die hem altijd uitnodigde voor haar Indische rijsttafel. De wijn die haar man Daan voor mijn vader – die nooit dronk – tevoorschijn haalde uit de wijnkelder. ‘Ik neem altijd wel een glaasje’, vertelde mijn vader die niet durfde te weigeren. ‘Hij heeft er veel verstand van’, voegde hij er altijd bewonderend aan toe.

                       *

Tien maanden geleden schuifelden Rietje en Daan samen over het middenpad van de gedenkruimte naar de kist van mijn vader. Zij, die moeilijk liep – ‘Ik heb een klapvoet, lastig hoor!’ – hield Daan, die bijna niets zag door een voortschrijdende oogziekte – stevig vast. Een gekrompen echtpaar op weg naar weer een verdwenen vriend.

                          *

Ik zit naast Daan die vertelt over de operatie van Rietje en alles wat daarna misging. Haar optimisme ‘Laten we een paar weken naar de zon gaan’, afgewisseld door sombere buien: ‘Ik ga de pijp uit.’ 

                         *

‘Ik heb je nog gebeld maar ik kreeg heel iemand anders aan de lijn’, beweert de bijna blinde. Hij laat mij mijn telefoonnummer zien in het oude klappertje. Het klappertje heeft een stoffen omslag.

‘Dat is mijn nummer’, zeg ik. 

                          *

Maar Daan vertelt verder. Hij praat over Rietje, over zijn interessante werk-leven, over Trump, Indie, wijn. Hij praat en hij praat. Ik denk aan Rietje, ik probeer zijn verhalen te volgen en op de juiste momenten in te hummen. In mijn ooghoek zie ik de lichtgele kaart als een wazige vlek op tafel liggen. Daans verhaal wordt eenmaal onderbroken door zijn zoon die op deze dag het huis schoonmaakt. ‘Ze zorgen goed voor mij’, zegt Daan. 

                         *

Als de zoon na een tijd weer verschijnt stap ik op. Daan legt zijn hand op mijn schouder. Zijn ogen zijn vochtige streepjes. ‘Ze was erg op je gesteld’, zegt hij.

                         *

Buiten schijnt de zon. Daans voortuin – het bos achter de vijver – is nog uitbundig groen. Kroos ligt op het water. Ik fiets langs de vijver waar Rietje vorig jaar met de auto in terecht kwam ‘Geen idee hoe dat nu ging. Ik ben zo geschrokken!’ 

                             *

Ik wist het niet, ik wist het niet.

                            ***

Scheur


Het huis van mijn vader is leeg. In de gang hangt een lucht van niet-doorgespoelde douche. Een geur van verrotte aarde die in je neus blijft hangen als de gore uitlaat-lucht in je auto van een oud barrel dat vóór je rijdt. Ik sprenkel wat schoonmaakmiddel op de tegels en ik zet de douche aan. De rotte geur vermengt zich met de frisheid van limoenen. 

                           *

In de woning strekt een zee van zandkleurig marmoleum zich als een gladde woestijn voor mij uit en ik wandel over de vlakte naar de ramen in de woonkamer. Ze zijn vies. Zwart fijnstof hecht zich aan het glas. Lichtjes van auto’s en vrachtwagens bibberen door de schemer van de namiddag en bewegen zich over de rotonde als slangetjes Dinkey-Toys, de kleine autootjes waar mijn broertje vroeger altijd mee speelde. Hij had er zelfs een lichtblauw koffertje van plastic voor, met zo’n gespje. Daar zaten de autootjes netjes geordend in. De randen van het koffertje krulden een beetje om van het vele gebruik, het open en dichtdoen. 

                           *

In de keuken staan nog wat schoonmaakspullen: een stofzuiger, een stoffer en blik met kleine puntjes aarde aan de uiteinden van de stoffer, geranium-aarde van het balkon. Een paar vieze doeken hangen slap over de rand van een oranje afwasteiltje. 

                           *

Het is koud. Het wachten is op de man die de laatste inspectie van de flat uitvoert. Daarna komen de ‘potentiële huurders’, zoals de dame van de vastgoed- en verhuur-maatschappij ze noemt. ‘Zij willen misschien de vloer overnemen, de gordijnen, de rol-gordijntjes en de luxaflex’, aldus de dame. Ik staar naar de gordijnen die in zachte plooien voor het raam naar beneden vallen. Geheel tegen zijn gewoonte in kocht mijn vader – zonder eerst alle consumentengidsen uit te pluizen – alles voor de nieuwe flat bij een gerenommeerde woning-inrichting-zaak. Ik nam hem daar mee naar toe. ‘Je mag nu wel eens iets goeds voor jezelf kopen’, had ik hem gezegd. En: ‘Deze zaak verleent goede service. Als er wat is kan je ze altijd bellen en komen ze direct.’ Met mijn kreupele vader – hij brak een paar maanden voor de koop van de vloer zijn eerste heup – hobbelde ik de gerenommeerde zaak binnen. Een verkoper schoot op ons af. 

                          *

Na veel wikken en wegen koos mijn vader een zandkleurige vloer, roomwitte gordijnen, twee rolgordijntjes-op-maat en een luxaflex voor de slaapkamer. Het was een rib uit zijn lijf. Hij streelde met zijn vinger over de staal van de vloer: ‘Heb ik nu de goede kleur gekozen?’, aarzelde hij. En ik bevestigde dat het de goede kleur was. ‘En fijn zo’n gladde vloer, pa, dan kan je niet meer vallen. Gemakkelijk schoon te maken ook.’ Hij zuchtte en zwichtte. 

                         *

Ik zit voorzichtig in de koude vensterbank, bang dat deze op het laatste moment nog zal doorbuigen. Ik wacht en het wordt donkerder buiten. Het is koud. Ik ril.

Misschien is het toch beter de verwarming aan te zetten, dat voelt behaaglijker en wellicht leidt dat tot een goede stemming onder de potentiële huurders. Ik draai de verwarming open in de kamer en het naastgelegen kamertje. 

Bijna direct voel ik warmte de kamers binnen stromen en ik denk eraan hoe mijn vader hier zat, al die zondagen, kijkend naar Buitenhof en dat ik tegen de verwarming aan ging staan, de palmen van mijn handen eraan warmend waarop mijn vader binnenkwam met koffie, een appel in partjes en een geroosterde boterham. 

‘Wat is het hier toch heerlijk warm!’, merkte ik dan op. Waarop mijn vader zei dat het kwam doordat ‘s ochtends de zon in de flat scheen en dat hij daardoor bijna altijd pas ‘s middags de verwarming hoefde aan te zetten.

                       *

De bel gaat. Ik loop naar de telefoon in de gang, druk op het spreek-knopje, daarna op het open-de-deur-knopje. Vaag hoor ik door de hoorn beneden in de hal de zoemer van de deur. Ik wacht in het halletje van de flat en ik ruik nog maar een klein zweempje aarde-geur. De inspectie kan beginnen.

                        *

Een energieke dertiger met een beugel – ‘Ik ben Benno’ – loopt de flat door, betast de muren, kijkt naar de woestijn die ik zo netjes heb gezogen. 

‘De spullen in de keuken nemen we nog mee’, zeg ik, die een beetje verloren achter hem aanloop. Benno knikt, schrijft iets op papier dat op een houten plankje bevestigd is. Hij wrijft met zijn hand over de keukenkastjes. Een grote scheur loopt over het fineer van het bovenkastje van links-beneden naar rechts-boven. ‘Was dit al?’, vraagt Benno. ‘Geen idee’, antwoord ik, ‘Maar mijn vader kon er niet eens bij en heeft zeker niet deze scheur veroorzaakt.’ Benno knikt en schrijft weer iets op. Mijn oog valt op de plint van de keuken. Tussen de deur en het oventje lag het hoofd van mijn vader. Bij zijn tweede val was hij daar tegenaan gekomen. En nu zie ik heel vaag drie donkerrode streepjes op de beige muur-tegels. Ik post mezelf tegen de plint in de hoek. 

‘Bent u het rooster tegengekomen van de magnetron?’, vraagt Benno, ‘Zo’n rooster op pootjes?’ ‘Nee’, zeg ik. En ik denk aan al die vuilniszakken en dozen vol met keuken-rotzooi. Benno schrijft.

                         *

‘Het ziet er verder netjes uit’, zegt Benno genadig. En toen ging de bel. Het zijn de potentiële huurders. Twee jonge mensen uit Zwolle. 

‘Mijn vriendin heeft een baan gekregen hier, in het ziekenhuis’, verklaart de jongen. Hij heeft een open gezicht met grote, groene ogen. Het meisje draagt een legging in warme laarsjes. Ze lacht verlegen. ‘Mogen we wat foto’s maken?’, vraagt de jongen. En dat mag. 

‘Mogen we er nog even over nadenken?’, vraagt de jongen. Benno kijkt bedenkelijk. Dat kan eigenlijk niet. 

‘En mevrouw wil ook graag weten of jullie de vloer overnemen anders moet deze er nog uit’, zegt Benno streng. 

‘Als we het huren willen we de vloer graag overnemen’, zegt de jongen. ‘Maar we hebben nog twee andere bezichtigingen.’ Benno aarzelt. ‘Oké’, zegt hij narrig. ‘Dan krijgen jullie de tijd tot maandag vijf uur.’ 

Hij krabbelt wat op een blaadje en geeft het aan de jongen. ‘Voor die tijd moeten we het weten. Anders redt mevrouw het niet de vloer er op tijd uit te halen.’

                        *

Benno beent weg. Ik laat de potentiële huurders de bergingen zien, boven en beneden. ‘Is het strand dichtbij?’, vraagt het meisje.

‘O ja, dat is twintig minuutjes fietsen’, antwoord ik. 

                        *

Maandag om vijf uur krijg ik een belletje. Ze huren het. We worden het eens over de vloer, de roomwitte gordijnen, de rolgordijnen en de luxaflex. Ik ontvang een berichtje op mijn telefoon: ‘Kunnen we elkaar vinden in € 80,-?’ Ik tik terug: ‘Ja, is goed’. En hiermee verkoop ik mijn vaders rib en eindigt het avontuur door de woestijn met de zon die ‘s ochtends zo lekker scheen, de behaaglijke middagwarmte en het lichte bewegen van de roomwitte gordijnen door de onzichtbare, zich omhoogwerkende stroom van warme lucht langs het koele glas.
                       ***

Dagdag


Dag haring met uitjes en zuur

Om mee te nemen 

Dag orchidee voor het raam

In de zon

Dag Apple en Sonos en oude pick up

Dag dia’s, oude foto’s, stukke lamp

In de hal, dag

Rollator met tassen eraan en een 

Krant in de mand

Nooit gebruikt was niet nodig

Dag home-trainer met de

Stugge pedalen

‘Ik fiets elke dag’

Ja ja

Dag geranium op het balkon

Met je rode kopje tussen de spijlen door

Dag gemakkelijke stoel, televisie en

Vensterbank met rode potten erop

Dag paella in de pan

Voor wel drie dagen

‘Bedankt voor je komst’

‘Ja ja

Ik vond het gezellig pa’ 

Dag zitten in de zon

Op het balkon

‘Heerlijk die zon’

Dag ‘Wil je wat drinken?’

Dag Buitenhof, dag proefabonnement 

Op de krant

Dag rolstoel, benauwdheid en 

Kamergenoten

Dag koude hand in de mijne

Dag dag

Rust zacht.

De wandeling

Zo nu en dan doen wij wat leuks. Zelf kom ik niet verder dan een goede film of lekker uit eten. Mijn man is origineler. Hij regelde een half jaar geleden een Ciske de Rat-wandeling. En nu is het zover. De wandeling start bij het Centraal Station in Amsterdam en staat onder leiding van gids Daan.
                     *

Als wij om 10.00 uur aan komen lopen staat het groepje wandelaars al klaar op de afgesproken plek voor het station. Twee oudere dames en een echtpaar met hun zoon van een jaar of 11. Daan start monter met de tocht. Wij lopen en lopen en we zien dat Amsterdam wordt belaagd door toeristen met rolkoffers.  

                        *

Ratelend als mijn vroegere rolschaatsen met loden wieltjes stuiteren de koffertjes over de keien: roze, grijze, zwarte, grote en kleine rolkoffers. Een andere plaag zijn de wietwolken die opstijgen uit shops op iedere hoek van de straat. Zoet- weeïge vlagen dringen mijn neusgaten in. Groepjes rondzwervende mannen maken het beeld van onze hoofdstad compleet: getatoeëerde Engelsen, ze lachen, slaan elkaar op de schouders en drinken om 10.30 uur ‘s ochtends potjes bier. ‘s Avonds zal daar nog meer bier, gelal en hoeren-begluren bij komen kijken, denk ik, gok ik zo. Holy moly.

                           *

Intussen volgen wij Daan. Hij wijst ons op Het Kolkje, waar de film uit 1955 begint met Ciske, zittend op de ijzeren reling voor het water. We staan even stil bij de ‘Strijk-en-waschinrichting’ van de lieve tante Jans en het huis in de jaren-vijftig-film van de vreselijke moeder die Ciske vermoordde. En in de Czaar Peter-buurt staat de school van Ciske uit de jaren-tachtig-film. 

                         *

Op de Magere Brug zingt gids Daan een lied uit de film met Danny de Munck. Of uit de musical. Ik staar – met mijn handen diep in de zakken van mijn jas – over het water richting de Stopera. Ik voel me lichtelijk gegeneerd terwijl Daan uit volle borst zingt: ‘Amsterdam, is poep op de stoep, haat in de straat…‘ Een aantal toeristen kijkt verbaasd-geamuseerd naar ons, groepje van zeven, dat de Ciske de Rat-wandeling doet. In mijn jaszak trilt opeens mijn telefoon. ‘Straks even kijken’, denk ik. Na het lied.

                          *

Als het lied gezongen is lopen we verder. De stad ligt intussen in de zon zo mooi te zijn dat het pijn doet aan mijn ogen. Holy moly. 
Ik haal de telefoon uit mijn jaszak en ik lees een bericht dat gaat over Trix, de stokoude vriendin van mijn vader met de onlangs geopereerde knie. Zij kwam twee weken geleden bij mijn vader langs met Indische ontbijtkoek: ‘Heerlijke koek! Neem vooral!’, zei mijn vader twee weken lang tegen mij. De koek – liefdevol door Trix in kleine plakjes gesneden – raakte maar niet op. 

                         *

De 92-jarige Trix werd vorige week opgenomen in een Gelders ziekenhuis met onbegrijpelijke maagklachten. Ik schreef een kaart, nam deze mee naar mijn vader en ik vroeg of hij ook een zinnetje wilde schrijven. ‘Het gaat niet goed met Trix’, vertelde ik. ‘Ze vindt het fantastisch als we haar een kaart sturen.’ Mijn vader tekende letter voor letter een paar beverige woordjes. Toen hij klaar was vroeg ik: ‘Zet je je naam er niet onder?’ 

‘O ja’, zei mijn vader. Hij keek mij aan. 

‘Ad’, zei ik, ‘A…D.’ En mijn vader tekende A…D. Nu stond er, bibberig en nauwelijks leesbaar: ‘Liefs, Ad.’

                         *

We lopen achter Daan aan, richting Artis. En ik lees op mijn telefoon:
Dag Annelie, ik wil je laten weten dat Trix rustig in het stadium van palliatieve sedatie is beland, dus geen contact  meer. Maar vooral dat jullie kaart op tijd kwam, dat ze er zo blij mee was en zeg je vader dat ze van oor tot oor glimlachte bij zijn boodschap. Ze wilde geen verdere behandeling meer. We hebben sterk de indruk dat ze na hun ontmoeting de rust had hiervoor te kiezen.’

                         *

Ooit paste vrijgezelle Trix belangeloos op onze kinderen. Ooit was zij haar grote liefde tegengekomen. Dat gebeurde zo’n twintig jaar geleden en haar grote liefde was mijn vader. Hij wilde wel wat vriendschap. Mondjesmaat gaf hij toe aan Trix’ vragen en uitnodigingen voor uitstapjes. Liefde, nee, dat voelde hij niet voor haar. En nu is alles over en uit. De koek is op. 

                         *

En ik loop en loop over de prachtige grachten, ik zie de pakhuizen, ik ruik Artis en ik denk aan Trix, mijn vader, aan oude mensen en al die dingen die voorbij gaan. 

                          *

Voor het huis in de Czaar Peterstraat waar Ciske woonde in de jaren tachtig-film zingt Daan een laatste lied:

Misschien dat ik ooit het geluk nog vind

Maar hoe, dat is een groot probleem

Had ik maar iemand om van te houden

Twee zachte armen om me heen

Die mij altijd beschermen zouden

Ik voel me zo verdomd alleen

                        *

Vaarwel Trix. Vaarwel.

                      ***

Tonio

Na een slopende opruimdag in het huis van mijn vader zet ik wat foto’s van het dressoir dat mijn ouders ooit kochten – het was een rib uit hun lijf eind jaren ’50 – op Marktplaats. Het bruine, houten dressoir met de glanzende greepjes die zo mooi een rechthoekje vormen als de kastjes en laatjes gesloten zijn. Het dressoir is nog ouder dan ik. 
                         *

Ik zie de foto van mij, jarige Job, trots en blij met mijn buik vooruit en een papieren kroon op het hoofd. ‘Drie jaar!’ staat op de rand van de kroon. Ik draag hetzelfde bloesje als de pop achter mij, Tonio. Mijn moeder kleedde Tonio aan zoals ze mij aankleedde: een rood-wit geblokte bloes met paarlemoeren knoopjes, een kobaltblauwe tuinbroek van ribbeltjes stof. Alle kleertjes gemaakt door de vaardige handen van mijn moeder. Slanke, handige handen. Ik was Tonio, Tonio was mij. 

                         *

Ik sta op de foto voor het donkerbruine dressoir. Achter mij staan mijn cadeautjes: Tonio, een bromtol en…Ik graaf in mijn geheugen: wat stond er nog meer? Maar het enige dat ik zie is mijn gelukkige gezichtje, glimmend van blijdschap. Drie jaar! 

                         *

Het beetje speuren naar een bedrag voor het oude dressoir leverde niets op dus ik doe maar wat. Ik plaats drie foto’s bij de advertentie: ‘Mooi en gaaf dressoir van Pastoe’ en ik wacht af. Binnen een minuut gaat mijn telefoon:

‘Ik zie dat u een dressoir van Pastoe te koop heeft. Ik wil dat graag kopen, u krijgt de vraagprijs van mij.’ Ik wimpel de man – die stevig aandringt – af. Bieden moeten ze. Zo werkt dat toch op Marktplaats? 

‘Ik wacht nog even af’, zeg ik, ‘De advertentie staat er nog geen minuut op.’ De man geeft niet op maar ik heb er genoeg van en ik noteer zijn nummer. ‘U belt mij wel terug?!’, dringt de man aan, ‘Ik wil het dressoir graag van u kopen.’ Ik beloof terug te bellen. 

                         *

Zodra het gesprek is afgelopen belt de volgende en de volgende. Ik word sufgebeld over het dressoir en ik ruik onraad. Heb ik het verkeerd ingeschat? Vraag ik te weinig? Ik speur tussen de telefoontjes door op internet naar dressoirs van Pastoe. Het dressoir is ontworpen door Cees Braakman en behoort tot de Japanse serie. Het zegt mij niets. En weer gaat de telefoon.

‘Waarom zet je dan ook je telefoonnummer op Marktplaats?’ informeert mijn echtgenoot narrig. 

‘Dat doe ik altijd’, antwoord ik. 

‘Heel onverstandig’, mompelt de narrige en hij duikt weg in de voorkamer om muziek te luisteren, dan hoort hij mijn telefoon niet meer. 

                          *

Na een uur haal ik de advertentie weg. Ik word gek van het gebel. En ik ben er inmiddels achter dat het dressoir met de zwart-glanzende greepjes een collector’s item is en tenminste drie keer zoveel waard is als mijn vraagprijs.

                        *

Met in mijn achterhoofd Tonio en de verjaardagskroon bel ik mijn dochter. ‘Jij hebt zeker geen plaats he, voor het dressoir van opa?’ En ik vertel over het dressoir van Pastoe (Japanse serie), de waarde en het gebel. 

‘Mam, nee, dat krijgen we niet hier naar boven,’ zegt ze. ‘En’, vervolgt ze spijtig, ‘Het is ook echt te groot voor deze ruimte.’ En dat is zo. De zolderetage is mooi en licht maar het dressoir is 2.20 meter breed. Nee, dat gaat niet. Ik zucht en kijk naar ons eigen dressoir. Ooit kochten wij dat bij De Kasstoor in Amsterdam, een rib uit ons nog jonge lijf. Maar ik ben gehecht aan dit dressoir. Het dressoir waar de cadeautjes van onze kinderen op stonden, het dressoir waarop het buffet van ons kerstdiner werd uitgestald, waar de glazen, salades en lekkere hapjes op staan bij feesten en partijen. Ons dressoir.

                           *

En ik bel met Visavu dat retro design meubelen verkoopt. ‘Ik heb zeker belangstelling voor het dressoir!’ zegt Judith van Visavu enthousiast en ze biedt een mooi bedrag. Ik weet dat ze meer zal krijgen voor het dressoir nadat ze het alleen maar even wat oppoetst met een beetje teak-olie. Maar het kan me niet schelen.

                           *

Ik verkoop het bruine dressoir met de zwartglanzende greepjes die zo mooi een rechthoekje vormen als de kastjes en laatjes gesloten zijn en hiermee verkoop ik mijn jeugd, mijn van blijdschap glimmende gezichtje, Tonio, de kleertjes die mijn moeder maakte met haar slanke, blanke vingers. Vaarwel Tonio, vaarwel driejarige, vaarwel vroeger. En bijna laat ik een traantje. Bijna. 

                        ***

Voltooid leven


Ik spreek niet met mijn vader over het voltooide leven waar de kranten vol mee staan en het journaal mee opende. De ideeën van de liberalen over het verruimen van de euthanasie-wet bepaalden deze week het nieuws. Stoppen met leven zodra het voltooid is.
                          *

Ik zag op het journaal een dame van 91 jaar met haar hondje. Zij vertelde dat zij klaar was met haar leven. ‘Ik vind het niks meer.’ Haar kinderen zijn het er niet mee eens dat hun moeder het leven als voltooid beschouwt. ‘Maar zij gaan weer door met hun leven nadat ze hier geweest zijn’, zei de dame, ‘Zij werken, verzorgen de kinderen…’ Ik keek naar het hondje. Hij vleide zijn kop liefdevol tegen het linkerbeen van zijn vrouwtje aan. 

                       *

En opeens weet ik het niet meer. Ik weet wel dat de dame met haar voltooide leven en verongelijkte toon mij tegenstaat. Wat nou voltooid als je zelfstandig door je huis kan lopen, in de serre kan zitten, koffie kan zetten, de krant kan lezen, je kinderen van je houden en je hond zich liefdevol tegen je aan vleit?

                        *

Wanneer is het leven voltooid? 

                        *

Ik loop de gang in van het verzorgingshuis en ik tref mijn vader niet aan in zijn kamer. De plastic tas met gewassen kleding zet ik op zijn bed dat keurig opgemaakt is. De NCRV-gids op het tafeltje ligt open bij een kruiswoordraadsel. Beverige letters in hokjes.

                          *

Als ik de gang inloop kom ik Judith tegen, de jonge regelaar en verzorgster van de revalidatie-afdeling. ‘Je vader zit daar!’, zegt ze vrolijk en ze wijst naar het middenstuk waar de ovale tafel staat en de kast met grote-letter boeken. 

                          *

Mijn vader zit aan de ovale tafel in zijn rolstoel. Naast hem zoemt een zuurstofapparaat. In zijn neus zitten twee plastic klemmetjes. 

Het is koffietijd. Een doos met allerhande koekjes staat uitnodigend open op tafel. ‘He, hallo!’, zeg ik en ik buig me voorover om hem een kus te geven. Hij roept hard ‘Au!’, lacht en kijkt om zich heen. ‘Wat ben je koud!’, roept hij. Ik beaam dat het koud is maar zeg direct dat het wel lekker weer is: ‘Het zonnetje schijnt’, meld ik terwijl ik ondertussen mijn jas uittrek. 

                         *

Ik zit nog niet op mijn stoel of de dame naast mij vraagt of ik koffie wil. ‘Lekker!’, antwoord ik. Tegenover mij zit een man die mij vriendelijk toeknikt. Ik zag hem al eens mijn vader gedag zeggen, beneden in het restaurant. Hij sloeg mijn vader daarbij zachtjes op zijn schouder. 

                           *

Ik kijk mijn vader aan. ‘Je ziet er goed uit!’, zeg ik. Na twee weken van hollende achteruitgang heeft mijn vader weer wat kleur in zijn gezicht, de holle en afwezige blik is uit zijn ogen verdwenen. Zijn huid is glad en strak. Zijn ogen staan helder. 

                            *

‘Wil je melk en suiker?’ Ik concentreer me weer even op mijn koffie. Mijn vader reikt mij de suiker aan, de dame rechts van mij de melk. ‘Ik zal mij even voorstellen’, zeg ik, ik sta op en ik geef de beide tafelgenoten van mijn vader een hand. 

                             *

De conversatie stokt. Ik vraag aan de tafelgenoten of ze hier allang wonen. Ze wonen hier allang. De schouderkloppende man zegt zacht: ‘Ik ben pas zeventig. Ik ben hier gebleven nadat mijn vrouw was overleden.’ De dame naast mij zegt lachend dat ze nog heel erg jong is en blijft want ‘Ik heet mevrouw de Jong!’ Zij lacht hard, wij lachen mee. De twee bejaarden-oude-stijl wonen in een twee-kamer appartement tegenover de revalidatie-kamers. ‘Het is een heel ruime kamer en we hebben een keukentje’, vertelt de vrouw. De man tegenover mij knikt instemmend. Als ik vraag of ze zelf koken zeggen beiden dat ze altijd beneden in het restaurant eten. ‘Lekker makkelijk.’

                           *

Ik kijk naar mijn vader. Tot drie maanden geleden kookte hij iedere dag zelf. Vol trots tilde hij wekelijks de deksels van de pannetjes op en liet mij zijn  zelfgemaakte paella zien. ‘Daar doe ik drie dagen mee!’ En ik bewonderde de paella, gruwend van de gedachte aan drie-dagen-oude garnalen.

                            *

Toen hij gevallen was op die zomerse maandagmiddag waren de voorbereidingen voor het avond-eten in volle gang. ‘Nemen jullie het eten mee naar huis?’ vroeg mijn vader, liggend op de grond met zijn been in een rare kronkel en zijn hoofd licht voorover geknakt tegen de keukenplint aan. De ijskastdeur stond half open. ‘Ik viel toen ik er iets uit pakte’, verklaarde hij met een van pijn vertrokken gezicht. 

Nu geniet hij van het eten in het verzorgingshuis. ‘Het is hier allemaal even lekker!’ Klokslag twaalf en vijf uur rolt hij naar de maaltijden toe. Bezoek of geen bezoek. 

                           *

‘Morgen komt Trix’, zeg ik tegen mijn vader. Trix is een stokoude kennis van mijn vader die net aan haar knie geopereerd is. Zij woont in Gelderland. ‘Zij regelde met kennissen vervoer naar jou toe. Ze komt om twee uur.’ De inmiddels 92-jarige Trix hengelt al meer dan vijftien jaar achter mijn vader aan. Maar hij geeft geen sjoege. Nu komt ze helemaal uit het oosten des lands op bezoek. ‘Ik wil hem zo graag nog eens zien!’, zei ze tegen mij door de telefoon. ‘Vind je het leuk dat Trix komt?’, vraag ik vilein. 

‘Nee’, zegt mijn vader.

                                *

Na de koffie rol ik mijn vader naar zijn kamer. ‘We moeten nog je levensverhaal opschrijven pa’, zeg ik. De clientbegeleider vroeg mij vorige week om het levensverhaal van mijn vader. ‘Dat leest de verzorging, ze hebben dan wat aanknopingspunten bij de verzorging van de cliënten, vooral als het geheugen wat minder wordt.’ Ik vind het een sympathiek idee. Ik stel de vragen die op het stencil van de clientbegeleider staan en schrijf terwijl mijn vader vertelt. Als het tijd is om te gaan zijn we beland bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. ‘En toen vond je je ouders in Indie, toch?’ is mijn laatste vraag.

                              *

Mijn vader knikt instemmend. ‘Volgende keer gaan we verder’, beloof ik en ik trek mijn jas aan.

‘Tot zondag!’, zeg ik en ik kus hem op zijn wang. 

                            *

Ik zwaai naar de 94-jarige. De grijze zuurstof-machine zoemt maar door als een bijenkast vol nijvere bijtjes. Zuurstof vloeit als nectar zijn neus in via het plastic slangetje. ‘Dahag!’, roep ik nog een keer. Hij zwaait. Zijn kruiswoordraadsel ligt open voor hem op tafel.

                            *

Wanneer is het leven voltooid? 

Ik moet het hem toch eens vragen.

                          ***