Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Advertisements

Hommage

‘Enseigner, c’est ma vie’

Omdat ik ziek was las ik drie kranten op één dag. Eén krant las ik – onhandig in bed – op papier. De zachte, bijna vloeibare krantenflappen eindigden in ongelijke stukken met een scheve vouw in het midden. De andere kranten las ik, onderbroken door koortsdromen die afnamen en opkwamen als eb en vloed, op de iPad.

*

In de tweede krant viel mijn oog op een overlijdensadvertentie. Ik zag een bekende naam. Ik las door maar swipete terug. Boven de advertentie stond in schuine letters: ‘Enseigner, c’est ma vie’. Mijn grieperige hersens herinnerden zich dat woord – ‘enseigner’ – betekende dat niet ‘lesgeven’? Ik zocht het op. ‘Lesgeven’ was het. En toen wist ik het. Mevrouw de Buck was dood, mijn lerares Frans op de middelbare school.

*

Aan de advertentie kon ik zien dat deze met liefde was opgesteld. Ik las haar voornaam – die had ik nooit geweten – en haar bijnaam. Alsof zij een mens was, gewoon met familie, een huis, een leven. Voor mij was zij mijn juf. Mentor van klas 1 c, dat heette destijds klassenleraar. Ik herinner mijn teleurstelling dat wij haar kregen als klassenlerares. De andere leraren zagen er spannender uit. Jonger. Hipper. Baardjes, lang haar. Wijde jurken. Mevrouw de Buck droeg een rechte jurk tot boven de knie met een riempje om de taille. Zij had een smal, driehoekig gezicht. Ietsje vooruitstekende tanden, een kittige pas. 23 onzekere twaalfjarigen liepen in de zomer van 1974 achter haar aan naar lokaal 13.

*

Door de hoge ramen van lokaal 13 viel zonlicht als engelenglijbanen naar binnen. Wij stonden op de drempel van dat nieuwe leven zoals alleen twaalfjarigen dat kunnen. Onbevangen en leergierig. Mevrouw de Buck legde ons uit hoe wij onze agenda moesten gebruiken.

*

Ik had een Rijam-agenda met een onwillige kaft. We schreven het rooster in onze agenda’s op de pagina waarboven stond ‘Rooster’. Tijdens het schrijven drukte ik mijn rechterarm op de kaft om deze plat op tafel te krijgen. Met mijn linker-wijsvinger en duim hield ik de linkerkaft in bedwang. Geheimzinnige lokaalnummers, namen van leraren, het adres van de gymzaal in de stad, de uren gym in de zomer op een sportveld buiten de stad vulden de lijntjes op de witte, licht-gebogen pagina’s.

*

Daarna kregen wij een stencil met een plattegrond van de school. We vouwden het stencil netjes op, in een vierkantje, en schoven het in de agenda. ‘Goed bewaren’, adviseerde mevrouw de Buck ‘Hiermee kan je je weg vinden in de school.’

*

Mevrouw de Buck gaf Frans, in lokaal 13. Wij leerden heel veel woordjes. Op een dag klapte mevrouw de Buck het bord open met de Franse werkwoord-vervoeging. Thuis huilde ik. Ik snapte er niets van.

Een paar jaar later sprak ik voor mijn examen met mevrouw de Buck over ‘Les miserables’ en de schrijver Victor Hugo. Ik mocht er van alles over vertellen. Mevrouw de Bucks ogen glommen van plezier. Ik kreeg een 9.

*

‘Mevrouw de Buck, Ingrid, Itid, ook voor ons was u zorgzaam. Toen zag ik alleen dat riempje om uw ietwat uitdijende taille. Nu denk ik aan onze ontmoeting in de plaatselijke kroeg waar ik u tegenkwam met mijn eerste, echte vriendje. Het was nog geheim. U zat daar met mevrouw B., de juf Duits. In de kroeg…! Weet u nog wat u zei?

‘Ik wist dat jullie samen iets hadden, ik heb het gelezen in de Franse brief van Mark aan jou!’ Schalks keek u mijn geheime vriendje aan.

‘Mark vroeg in de brief die hij aan jou richtte ”Comment ca va avec Annelie?” En toen wist ik het!’ U en mevrouw B. lachten. Wij schoven bedeesd aan een ander tafeltje.

*

En nu bent u dood. ‘Na een liefdevolle verzorging in de Houttuinen.’ Ik had wel eens bij u langs kunnen gaan. Dan had ik het u gewoon kunnen zeggen.

*

Dank u wel mevrouw de Buck. Voor het mooie gesprek over Victor Hugo, de 9, uw milde lach in die kroeg.

En ik ken nog zoveel Franse woorden. Ook de werkwoorden kan ik vervoegen. Zonder tranen.

*

”Enseigner, c’etait votre vie”.

C’est vrai.’

***

Spijt 


‘Je weet het niet, je weet het niet.’ Ik loop achter de oude man aan. Waar is Riet? Meestal doet zij de deur open. Een dame van 85 met een bob-kapsel en zware bril. Klein van stuk. Kwikzilverig. ‘Jouw papa, he? Die mag ik zo graag!’ 

                        *

Nu loop ik achter haar man aan het huis binnen. Een oude-mensen-huis met kleden op de vloer, een vaasje op de tafel en foto’s in de vensterbank. Zware meubels met daartussen potten met planten. Het grote raam biedt uitzicht op het bos. ‘Ik noem het mijn voortuin’, zei hij ooit trots tegen mij. 

                         *

Hij schuifelt naar de zacht-leren bank in de erker en gaat zitten. Ik neem ook plaats op het puntje. 

‘Je weet het niet’, zegt hij nogmaals. En hij drukt mij een lichtgele kaart in mijn hand. Ik zie een bob-kapsel, een zware bril. 

‘Is ze overleden?’, vraag ik tegen beter weten in. En ik denk aan mijn man die een paar weken geleden zei ‘Moet je niet eens langsgaan?’ En mijn antwoord ‘Na onze vakantie ga ik.’

                          *

En nu is Rietje dood. De vriendin van mijn vader die hem altijd uitnodigde voor haar Indische rijsttafel. De wijn die haar man Daan voor mijn vader – die nooit dronk – tevoorschijn haalde uit de wijnkelder. ‘Ik neem altijd wel een glaasje’, vertelde mijn vader die niet durfde te weigeren. ‘Hij heeft er veel verstand van’, voegde hij er altijd bewonderend aan toe.

                       *

Tien maanden geleden schuifelden Rietje en Daan samen over het middenpad van de gedenkruimte naar de kist van mijn vader. Zij, die moeilijk liep – ‘Ik heb een klapvoet, lastig hoor!’ – hield Daan, die bijna niets zag door een voortschrijdende oogziekte – stevig vast. Een gekrompen echtpaar op weg naar weer een verdwenen vriend.

                          *

Ik zit naast Daan die vertelt over de operatie van Rietje en alles wat daarna misging. Haar optimisme ‘Laten we een paar weken naar de zon gaan’, afgewisseld door sombere buien: ‘Ik ga de pijp uit.’ 

                         *

‘Ik heb je nog gebeld maar ik kreeg heel iemand anders aan de lijn’, beweert de bijna blinde. Hij laat mij mijn telefoonnummer zien in het oude klappertje. Het klappertje heeft een stoffen omslag.

‘Dat is mijn nummer’, zeg ik. 

                          *

Maar Daan vertelt verder. Hij praat over Rietje, over zijn interessante werk-leven, over Trump, Indie, wijn. Hij praat en hij praat. Ik denk aan Rietje, ik probeer zijn verhalen te volgen en op de juiste momenten in te hummen. In mijn ooghoek zie ik de lichtgele kaart als een wazige vlek op tafel liggen. Daans verhaal wordt eenmaal onderbroken door zijn zoon die op deze dag het huis schoonmaakt. ‘Ze zorgen goed voor mij’, zegt Daan. 

                         *

Als de zoon na een tijd weer verschijnt stap ik op. Daan legt zijn hand op mijn schouder. Zijn ogen zijn vochtige streepjes. ‘Ze was erg op je gesteld’, zegt hij.

                         *

Buiten schijnt de zon. Daans voortuin – het bos achter de vijver – is nog uitbundig groen. Kroos ligt op het water. Ik fiets langs de vijver waar Rietje vorig jaar met de auto in terecht kwam ‘Geen idee hoe dat nu ging. Ik ben zo geschrokken!’ 

                             *

Ik wist het niet, ik wist het niet.

                            ***

Van de jongens die naar Parijs fietsten 

Het is dinsdag. Vaderdag. Morgen is het woensdag. Koningsdag. Ik ren tussen twee hagelbuien door naar de auto. Bij de visboer is het, in tegenstelling tot andere dinsdagen, druk. Een piepklein meisje – bruine, steile haren met een klein schuifspeldje – lacht naar mij. Op haar dunne beentjes wankelt ze naar me toe. Nog zo’n stralende lach. Ik lach terug.

                             *

Met de visjes in mijn hand stap ik weer in de auto. De hagelstenen zijn overgegaan in grote regendruppels waarvan er een achter mijn brillenglas belandt. Scheel kijkend door de druppel rijd ik naar Heemstede. Het is noodweer. Bij mijn vaders flat is een plek vrij naast de deur, een smalle plek maar het lukt mijn piepende auto – alle waarschuwingssystemen werken prima – tussen een sneue Kia en dito Hyundai in te zetten. Ik wurm me met de visjes uit de auto en ren de hal van de flat in. Ik vergat de sleutel van mijn vaders flat en ik glip het gebouw binnen terwijl een aardige dame naar buiten gaat. 

                            *

Boven, bij mijn vaders deur bel ik aan. ‘Anne, hallo!?’, hoor ik. 

‘Ik sta hier, pa!’, roep ik tegen de deur. ‘Ik ben al boven!’ Even staat mijn hart stil. Wat, als hij gevallen is en op de grond ligt, hulpeloos? Ik heb geen sleutel. Achter de deur klinkt geschuif en de deur gaat open. Mijn vader doet open. 

‘Ik hoor niet of je beneden staat of boven’, zegt hij met een verontschuldigend lachje. Hij was dus mijn naam aan het roepen in de intercom. 

‘Ik kon met iemand meeglippen’, zeg ik, ‘Dus ik stond al hier.’ Hij loopt, nee, schuift langzaam, wijdbeens en zonder stok naar de keuken. Ik leg de haringen op het aanrecht. De boterham ligt klaar. Uit de woonkamer klinkt het geluid van de televisie. Ik hoor de tune van het journaal, het is twaalf uur.

                          *

‘Ik heb al thee gezet’, zegt mijn vader terwijl hij minutieus de haring schoonmaakt en netjes op zijn geroosterde boterham legt. 

‘Ik schenk het zelf wel even in’, zeg ik. Ik pak het glas dat ook klaarstaat, haal het zakje uit de inmiddels zwart-getrokken thee en schenk in. Ik hoop dat het water gekookt heeft. Ooit zag ik mijn vader thee zetten met heet water uit de kraan. ‘Dat kan net zo goed’, beweerde hij, ‘Je proeft niet het verschil.’ Gruwelijk. 

                             *

Met mijn thee en het bordje met de boterham loop ik de kamer in. Ja, het journaal staat aan. Ik ga zitten, mijn vader komt langzaam aanlopen. Hij laat zich in zijn stoel zakken voor het raam en zegt dat het een heerlijke stoel is.

‘Je kan zo lekker je benen uitstrekken’, zegt hij en hij doet het voor. Zijn benen tilt hij een beetje op van de vloer. ‘Ja, het lijkt mij een heerlijke stoel’, zeg ik. 

                            *

We kijken naar het journaal. We zien de boot waarop morgen de koning met zijn gezin wordt vervoerd. 

‘Ze zullen het wel koud krijgen morgen’, zeg ik, ‘Op zo’n open boot.’

‘Ze kleden zich erop’, weet mijn vader. De weerman legt uit dat het pokkenweer wordt morgen. Net als vandaag. Langs de grote ramen van mijn vader waait een regengordijn van rechts naar links. Een fietser fietst moeizaam tegen de regen en wind in, hij heeft een zwarte poncho aan. De bomen met jong groen hellen over als riet in het open veld. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik.

‘Wat zeg je?’, vraagt mijn vader. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik wat harder. ‘Ja, zeg dat wel, het klimaat is in de war.’ Mijn vader schudt zijn hoofd. ‘Het is bijna mei en het is…’ Hij schuift naar voren in zijn stoel. Op de salontafel staat een apparaatje waarop hij de temperatuur afleest. ‘7 graden maar’, verzucht hij. 

                             *

Voor de tweede keer verschijnt op t.v. het item van de boot met de oranje kussens voor de koninklijke familie.

‘He, dat hebben we toch al gezien?’, vraagt mijn vader en hij zet de t.v. uit. 

                             *

‘Ik ga nog een paar dagen met Julia naar Parijs’, vertel ik. ‘Volgende week.’

‘O, leuk, wanneer ga je precies?”

‘5 mei’, zeg ik,’ Ik schrijf het wel even op.’ En in de lege agenda schrijf ik op de donderdag ‘Annelie en Julia naar Parijs.’ Op de zondag schrijf ik ‘Annelie en Julia terug.’

Opeens lichten mijn vaders ogen op. ‘Na de oorlog fietste ik met twee vrienden naar Parijs. Je weet wel was ook mee, eeeh, hij is net overleden…’ Ik kom ook zo gauw niet op de naam van de man die ik als klein kind wel eens zag. Een vrolijke man met een groot gebit. ‘Ted Forster’, zegt mijn vader. Ted overleed een week of drie geleden. Mijn vader ontving een rouwkaart. Op de voorkant stond een plaatje van de zee met een wegzeilend schip. Mijn vader zou naar de crematie gaan. Toen ik de volgende dag kwam zei hij: ‘Ik ben er niet naar toe gegaan. Ik ken er niemand.’ 

                              *

‘Wij fietsten via Nijmegen en Maastricht naar Parijs. Wij dachten dat doen we wel even, maar het was heuvelachtig in België!’… Mijn vader wijst met zijn hand de heuvels en dalen van de Ardennen aan. 

‘Als we naar beneden fietsten ging het hard! We hadden allemaal een petje op en door de harde wind woei mijn petje af. Zo in de hand van Ted die achter mij fietste!’ Mijn vader lacht bij dit beeld dat hij alleen ziet. ‘Hoe kan dat, he, dat je zo’n petje vangt!? Maar het gebeurde echt. 

We sliepen onderweg op het land bij een boer in een tentje dat te klein was. Onze voeten staken zo uit de tent.’ Weer gaan zijn benen naar voren. ‘ ‘s Ochtends werden we wakker doordat de koeien aan onze voeten likten.’ Mijn vader lacht weer.

‘Was dat vlak na de oorlog?’, vraag ik.

‘Ja, vlak na de oorlog. In Parijs logeerden we bij een neef van Ted.’ 

                            *

Als ik wegga zegt mijn vader: ‘ Goh, ik heb weer zo’n haartje voor mijn oog, ik kijk er gewoon scheel van.’

‘Ik knip het wel even bij’, zeg ik. Mijn vader bukt en pakt een schaar uit de la. Ik kijk naar zijn grijze, warrige wenkbrauwen. Ik knip heel voorzichtig een paar haartjes weg.

‘Zo kan je weer goed kijken’, zeg ik.

‘Dank je wel’, zegt hij, ‘En bedankt dat je er was.’ 

‘Tot zondag!’, zeg ik,’ en als er wat is dan hoor ik het, he?!’ 

                            *

Ik ga weg en ik laat de man die ooit naar Parijs fietste alleen. 

                           ***

Dingen die voorbij gaan

 

Mijn vader strijkt. Hij staat met zijn oude maar functionerende lijf, gebogen, de was te strijken. Ik zie dat hij zelfs zijn ondergoed strijkt. Als ik de kamer binnenkom maakt hij een vermoeid gebaar. ‘Ik red het niet, dat bedovertrek…’

                          *

‘O, wacht, dat doe ik wel.’ Ik pak de grote lap. Hij schuifelt naar me toe en wil mij helpen. Maar ik heb de lap al in tweeën, drieën gevouwen. Mijn vader loopt naar de keuken. Hij zet koffie. Ik hoor dat hij het reservoir  van de Senseo vult. Het water uit de kraan klatert in de plastic bak. 
                            *
‘Ik ruim zo de plank en de strijkbout op, pa. Waar laat ik je gestreken was?’
‘Leg maar op bed’, is het antwoord. En ik leg netjes de strijk op zijn bed. Onderbroek op onderbroek, hemd op hemd, de pyjama, het dekbedovertrek. Een week uit het leven van een oude man.
                           *
Met dit keer een geschilde peer, ‘deze is heerlijk sappig, je moet echt even proeven!’ en een kopje koffie zitten we in ons hoekje bij het raam. Ik op de bank. Mijn vader zit in zijn luie stoel.
                          *
‘Hoe bevalt de nieuwe hulp?’
Na mijn telefoontje naar de thuiszorg is de hulp die zich aan de regels hield vervangen door een andere die zich niet zo strikt aan de regels houdt. Zij maakt wel de keuken schoon, sopt zo nu en dan een kastje uit, bekijkt de ijskast.
                         *
‘Kijk, wat ze maandag voor mij meebracht!’, zegt mijn vader enthousiast. Hij staat langzaam op uit de stoel en loopt naar de balkondeur. ‘Zij bracht zomaar een zak aarde mee. Zij zei:’ kijk, de potaarde was in de aanbieding en deze aarde is voor jou!’ 
                          *
Ik heb het met hem maar niet meer over de regels van Cassandra, die hij uit zijn hoofd kende. Over niets extra doen, niet de keuken schoonmaken, niet dit en niet dat. En nu is er weer iemand die het woordje ‘wel’ in haar woordenboek heeft staan. Hoe wonderlijk.
                          *
‘Ze brengt ook haar eigen schoonmaakmiddelen mee’, vertelt mijn vader.
‘Dan vraag ik, zijn de mijne niet goed genoeg?’ En zij zegt: ‘Nee, die van mij zijn beter.’ Hij lacht. Ik merk dat hij haar graag mag.
‘Je drinkt ook een kopje koffie met haar?, vraag ik.
‘Ja en dan eet zij gelijk haar brood op. Ik heb al gezegd: ‘ik maak wel een broodje voor je klaar’. Maar dat wil ze niet. Zij eet gewoon haar eigen brood.’
                         *
Dat zit wel goed. Ik verbaas me over de ommezwaai van de thuiszorg, van regels zijn regels naar aarde en eigen schoonmaakmiddelen, maar ik vind het best. Moet ik nu bellen om Mieke van de thuiszorg te bedanken? Of laat ik het maar zo? Ik besluit het maar even zo te laten. Zolang het goed gaat, gaat het goed.
                         *
Mijn vader vertelt trots dat hij de videorecorder gemaakt heeft. Ook dat is wonderlijk. Mijn broer sloot de recorder voor hem aan. ‘Want dat kan ik niet meer. Ik kom niet achter het kastje met de snoeren. Dat is gewoon te laag.’ Ik vraag welke videobanden hij bekeken heeft, maar ik krijg daar geen antwoord op. 
                         *
Wel vertelt hij dat mijn broer bijna iedere dag belt. En ik weet zeker dat mijn broer dat doet om niet weer de situatie mee te maken dat hij zijn vader, hulpeloos alleen in de slaapkamer met een gebroken heup, na dagen aantreft.
                          *
Ik bespreek kort met mijn vader de periode van de val en hoe mooi het is dat mijn broer kwam, na dagen vruchteloos bellen. Ja, dat vindt mijn vader ook. ‘Wat een situatie was dat’, verzucht hij. Ja, zeg dat wel, denk ik. Nog een dag daar liggen en het was zijn dood geworden. De eigenwijze zonder alarmhangertje.
                         *
En daarom kom ik dinsdag en zondag. Komt mijn kind vrijdag. Heb ik douchehulp gevraagd voor de maandag, woensdag en vrijdag. Komt er een hulp, dit keer op de maandag. Alleen donderdag en zaterdag zijn kwetsbare dagen. Ik hoop dat op die dagen mijn broer belt. En dat hij komt als er niet wordt opgenomen. 
                         *
En dit alles omdat mijn vader geen alarmhanger om heeft. Maar ook omdat het goed is het zo te doen. We hebben contact. Hij ziet zijn kleindochter regelmatig. Hij kan zijn verhaal kwijt aan de douchehulpen en de huishoudelijke hulp. Hij blijft bezig. Leeft in zijn eigen omgeving waarin hij alles kan doen waar hij nog toe in staat is.
                          *
‘Mooie bloemen heb je weer’, zeg ik.
‘Op de markt gekocht. Ik zet mijn auto daar op de hoek. Ik haalde woensdag ook lekkere nootjes. En de groenteboer had weer van die kleine komkommers.’
                          *
Hij redt zich. Die vader van mij. Met alle onzichtbaar en zichtbaar geregelde zorg om hem heen, redt hij zich. En dat is mooi. Heel mooi.
                         *
Als ik wegga, vraagt hij mij of ik een foto wil maken van zijn Amaryllis. Ja, natuurlijk wil ik dat. Hier is hij, de Amaryllis van mijn vader. Met liefde opgekweekt staat deze fier in de vensterbank als een exotisch symbool van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan…

                     *** 

Rock around the clock 

 

Zomaar uit het niets zit mijn vader opeens met een multomap op schoot. Driftig bladert hij de map door. Op zoek naar iets.

‘Wat zoek je?, vraag ik terwijl ik een slokje neem van mijn koffie. Ook pik ik een stukje geschilde appel van het schoteltje.
                         *
‘Ja, ik zoek wat. He, verdorie, waar is het nu?’ En opnieuw wordt de map doorzocht.
‘Ja, hier is het!’ Hij geeft mij een boekje, A4-formaat. Een auberginekleurig boekje. Ik blader erdoorheen. In het boekje kan je je wensen opschrijven over je uitvaart. Ik bekijk wat beter het voorblad: ‘Uitvaartcodicil Yarden’. In rechte witte letters, een mooi contrast met dat aubergine. 
                          *
‘Je bent toch niet wat van plan, pa?’ Ik probeer halfslachtig het beetje ongemak te verbergen.
Hij lacht flauwtjes en zegt: ‘jij moet hier even naar kijken. Ik wil een aantal dingen veranderen.’
                         *
Ik start op pagina 1. ‘Lichte, eikenhouten kist’ is aangekruist. Met een bibberig kruisje. Zo’n oude-mensen-handschrift-kruisje. Bij ‘begrafenis in stilte’ zijn zowel ‘ja’ als ‘nee’ aangekruist. Daarna is boven de vakjes een ‘ja’ geschreven. Eronder zie ik aan alle aangekruiste zinnetjes dat hij wel familie en vrienden erbij wil hebben.
                         *
‘Wat bedoel je met begrafenis in stilte?’, vraag ik. ‘Wil je er niemand bij hebben? Hieronder zie ik dat je dat juist wel wil.’
‘Ja, ik wil wel vrienden en familie erbij.’ 
‘Wat bedoelen ze dan met in stilte?’, vraag ik zo maar in het algemeen. We snappen het niet. Met potlood zet ik een vraagteken erbij. 
                          *
Ik kom aan bij de muziek. Vier lege lijntjes. 
‘Hé, je hebt niets opgeschreven bij muziek. Weet je niet wat je wil?’
Stiekem had ik daar al eens over nagedacht. Net als over de muziek bij mijn eigen begrafenis. Zoals iedereen.
                            *
‘Ik weet wel iets voor jou: een liedje van Wieteke van Dort en Willem Nijholt. Over Indie. Het geluid van een Tokeh komt erin voor. Dat vind je vast mooi.’ Er schiet me opeens nog wat te binnen: ‘en vroeger luisterden jullie toch ook naar James Last?’
                         *
Nu wordt mijn vader actief. Hij staat op en loopt naar het kastje met oude c.d.’s. Hij pakt een c.d. van James Last en geeft deze aan mij. Als ik de titels van de nummers lees denk ik terug aan de zondagen die soms wel leuk waren. De zondagen waarop mijn ouders James Last draaiden op de oude bandrecorder of pick-up. De zondagen waarop mijn moeder haar Caballero-sigaret-zonder-filter rookte en mijn vader haar soms speels aanraakte. Waarop zij lachte en hem half afweerde.
                          *
‘Je hebt ons ook wel eens verteld dat jullie vroeger dansten. Weet je nog? Op dat oude nummer. Hoe heet dat ook alweer? Is het van Chuck Berry?’
                          *
Inmiddels ligt er nog een c.d. op mijn schoot van Engelbert Humperdinck.
Ik pieker en peins over de tijden waarin mijn jonge ouders nog gelukkig waren. ‘Jullie dansten daarop, het is een soort rock & roll..’ Ik neurie wat voor me uit en opeens heb ik het. ‘Rock around the clock! Dat is het! Even opzoeken van wie dat was. Ja, ik heb het: Bill Haley!’
Met potlood schrijf ik onder Wieteke van Dort ‘Rock around the clock’ op.
                         *
‘Daar dansten we de jive op. Is dat niet wat vrolijk?’, aarzelt mijn vader.
‘Nee, juist leuk, een beetje vrolijke muziek tussendoor. Het was toch een gelukkige tijd?’ 
                          *
Mijn vader raakt op dreef. ‘Er is nog een nummer dat ik mooi vind.’ Hij neuriet zachtjes voor zich uit. ‘Island in the sun…’ Ik neem het over. Bedoel je dit? En ik zing: ‘Island in the sun, lalalala..’ 
‘Nee, die bedoel ik niet’, zegt mijn vader, ‘ik bedoel een andere.’ Ik kijk op mijn iPhone en toets ‘Island in the sun’ in. ‘Bedoel je deze van Harry Belafonte?’
‘Ja, die bedoel ik!, straalt hij.
‘Waarom zou je die graag willen horen?, vraag ik naar de bekende weg.
‘Als je op een eiland bent geboren, dan herinner je je alles nog, de zee, het strand..’ 
Op het derde lijntje schrijf ik: ‘Island in the sun. Harry Belafonte.’
                          *
Inmiddels ligt er een stapeltje c.d.’s op de bank. ‘Er kan nog één liedje bij pa!’, lach ik. ‘Je kan zo alles beluisteren, dan maak je daarna een keuze.’ 
‘Mijn c.d.-apparaat doet het niet’, en hij wijst op de installatie die werkeloos op de kast staat. ‘Nou, dan zoek je ze toch op via Spotify?’, opper ik. Maar daar reageert hij lauwtjes op. Dat vindt hij misschien toch te ingewikkeld.
Op het vierde lijntje schrijf ik ‘James Last’. Sweet memories.
                          *
We gaan verder in het boek. Hij wil gecremeerd worden in Westerveld. Bij ‘uitstrooien’ heeft hij aangekruist ‘Nationaal verstrooiterrein Hoge Veluwe.’ Ja, dat past wel bij hem. Hij houdt van paarse heide, zandverstuivingen, hier en daar een bosschage en in de verte wilde zwijnen.
                          *
‘Pa, het belangrijkste is nu dat je de namen en adressen verzamelt van vrienden en familie. Dat wordt anders een geweldige zoektocht voor ons.’ We hebben het daar al eerder over gehad. Hij komt er maar niet toe.
‘Ja, die liggen in een doos, ik heb ze zo gevonden, hoor.’
‘Leg ze anders in dit boekje, dat is ook goed.’
                           *
We zijn klaar met het boekje van Yarden. En ik moet weg. 
‘Volgende week zondag maken we een ritje met onze nieuwe auto, oké?We kunnen dan wat drinken ergens of we kunnen bij Julia op bezoek.’
‘Ja, dat vind ik erg leuk.’
‘Nou, dat doen we. Ik zie je dinsdag weer. Als je wat nodig hebt, dan hoor ik het wel, he?’
‘Ja, is goed.’ Mijn vader loopt mee naar de deur. ‘Dahag!’ roep ik en ik zwaai. Hij staat in het halletje. We waren plots samen even terug in de tijd. De tijd van jong en geluk en lach en dans. Ik ben er een beetje beduusd van.
                          *
‘Put your glad rags on and join me hon’,
We’ll have some fun when the clock strikes one.
We’re gonna rock around the clock tonight,
We’re gonna rock, rock, rock, ’till broad daylight,
We’re gonna rock, gonna rock around the clock tonight.’
                        ***

 

De reparatie 

Hij kan het niet laten. Op tafel staat een onttakelde videorecorder. Zo’n apparaat waar je vroeger een videoband in deed, als een dubbeldikke boterham in een groot uitgevallen broodrooster.

                          *

Wij hebben heel wat video’s gekeken: vooral herinner ik mij de geweldige kindervideo’s van de VPRO met Achterwerk in de kast (jongen met paling!), Lekker Dansen met Maxim, Buurman & Buurman. Ook keken we naar de avonturen van Sap de Aardwortel, Kloontje en Jean d’Orange. Onze dochter was op vierjarige leeftijd verliefd op de zachtaardige aardwortel Sap. En last, but certainly not least, draaiden we de videobanden van de Daltons, over een chaotisch gezin met vier opgroeiende jongens, grijs. Ik meen dat we alle banden nog hebben weggegeven (aan schoonzus, buurvrouw? met jonge kinderen) en (toen nog) een videorecorder.
                         *
Bij mijn vader op tafel staat een opengebroken videorecorder. Het is 2015.
                         *
‘Waarom ben je bezig met die videorecorder?’, vraag ik.
Mijn vader, die wel aanvoelt dat ik het bespottelijk vind, moeite doen voor zo’n oubollig apparaat, antwoordt: ‘ik wil alleen nog wat oude banden kijken, daarna gooi ik ze weg, net als de recorder.’
                           *
Jaja, mijn vader en weggooien. No way. Niks gooit hij weg. 
                           *
‘Wat voor een banden zijn dat dan?’
Maar daar krijg ik geen antwoord op.
‘Ik heb die recorder ooit laten repareren in Haarlem-Noord’, vertelt hij. 
                           *
Dat is meer dan twee jaar geleden. Dat was voordat hij zijn heup brak en drie dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer lag. Gelukkig vond mijn broer, die zich ongerust maakte over het niet-opnemen van de telefoon, hem op tijd. Uitgedroogd maar ongebroken. ‘Ik heb zo mooi gedroomd…’, was het eerste dat hij mij vertelde in het ziekenhuis. 
                           *
‘Die man was zo’n eigenaardig type’, gaat hij door, ‘ik had gevraagd of hij de recorder kon repareren. Hij zei: ‘ik zal wel zien.’ Rare man. Nooit gaf hij een duidelijk antwoord. Maar ja, ik bel na een tijd op. Ik vraag: ‘is mijn recorder gemaakt?’ ‘Ja, die is allang klaar.’ Snap je dat nou? Waarom belt hij mij niet? Enfin, ik er naar toe. Ik vraag :’en heb je hem kunnen maken?’ En weer krijg ik geen duidelijk antwoord. Het kostte € 15,-.’ En ik vraag verbaasd: ‘dat betaalde je gewoon?’
‘Ja, hij had hem natuurlijk wel opengemaakt en alles’, mompelt mijn vader.
                           *
Ik ken hem zo goed: nooit zal mijn vader durven te zeggen dat hij niet betaalt, zelfs niet als iemand zo’n onduidelijke dienst levert. Ook laat hij zich graag bedotten. Voorbeelden genoeg: van een nooit gebruikte schapenwollen winterdeken, hem aangesmeerd op een vreselijk bejaardenreisje-met-bus tot en met een onlangs aangeschafte BMI-meter die na een zeer omslachtige invoermethode een verkeerde BMI aangeeft.
                           *
‘Ik kon niet mijn leeftijd invullen’, verontschuldigt mijn vader nog dat onding. Ik vind binnen 35 seconden op mijn iPhone een betrouwbare BMI-berekenaar van De Hartstichting. Deze wijst aan dat mijn vader ‘licht overgewicht heeft, dat hij meer moet bewegen (sic!) en minder moet eten (net steekt hij verlekkerd het laatste dik besmeerde stukje van het kadetje pindakaas in zijn mond.)
                           *
Beteuterd zegt hij: ‘o, dan moet ik nog wat afvallen.’ Ik kijk naar hem, denk aan de broosheid van 93-jarigen, en troost hem met het laten zien van een kleuren-lijn: ‘kijk, je zit heel dicht bij een gezond BMI.’
                           *
Mijn vader, de eeuwige klusser, gaat zeker verder met de videorecorder. Om de laatste banden te bekijken. Wat zal erop staan? 
                           *
Als ik wegga vraag ik hem: ‘bevalt de andere hulp een beetje?’ Mijn vader begint te stralen en steekt de loftrompet over de nieuwe thuishulp, die wel de ijskast schoonmaakt en het aanrecht. Ik slik mijn woorden in: ‘mooi, dan heb je tijd om zo’n heerlijk klusje te doen als het repareren van die recorder!’ 
                           *
Ik denk aan alle dozen in de berging met gereedschap: zagen, beitels in alle maten, schroevendraaiers, een geavanceerde boormachine en een workmate, die hij tot zijn verdriet in zijn kleine flat niet kwijt kan. Laat hem, de drieënnegentig-jarige hobby-klusser met licht overgewicht. Laat hem.
                          ***