Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Advertisements

De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***