De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***

Schoenenkast


 Wat een vader doet

(…)

Elke keer als jij verdwaalt,
elke keer dat je valt,
verdwaalt/valt een vader
tienduizend keer harder,
totdat het overal in hem schroeit

Totdat jij 

groot,

groter,

allergrootst,

voorgoed

boven zijn hoofd groeit

Benny Lindelauf

Uit: Er zit een feest in mij, Querido’s poëziespektakel 5, 2012


Op een mooie winteravond fietste ik naar de stad. Muts op, warme jas, handschoenen aan. Bergjes bladeren versierden de zijkanten van het pad, de straatlantaarns deden de blaadjes oplichten als een hoop bijeengewaaide sterren. Er stond geen zuchtje wind.
                       *

En langs het huis van mijn vader, bij de rotonde tegenover de kerk fietste ik. Mijn hoofd draaide naar links en ik zag een zwart gat. Het raam. Aan weerszijden hingen witte gordijnen, door mij half gesloten alsof mijn vader er nog was. Zijn grijze haren door het raam, blauw opflikkerend door de televisie die zo vaak aanstond. ‘We doen de gordijnen gezellig half dicht, pa, dan heb je een beetje privacy’ en zo langsfietsend – de geraniums liggen in gesloten vuilniszakken, de orchideeën branden in het vuur – kriebelde mijn neus. 

                        *

Ik hoefde de dag erop niet langs, geen haring, geen appeltje, geen Senseo koffie met ‘Ik laat het lekker nog een keer doorlopen anders is hij te sterk.’ Ik hoefde niet te vertellen over mijn werk, de fusie ‘Is dat nou nog niet klaar?’, mijn dochter, mijn zoon. Niets meer over eten bij oude vrienden, een uitje, de veteranen. Over en sluiten.

                         *

En daar, op dat pad bij de rotonde langs de kerk kriebelde het. Na weken van rondrennen en regelen bevroor zout op mijn wang. 

                         *

Daarbij gooide ik een leven weg: een leven van werken, vakanties, brieven, oorkondes, agenda’s, plaquettes. Ik zocht foto’s uit, Amerika, véél Amerika, Korea, Mexico, Taiwan. Foto’s van mensen die ik niet ken, bloemententoonstellingen. Mijn vader maakte foto’s van interieurs, kamers waarin hij sliep, een vakantiehuisje op Long Island, mijn vader onder een solar shower, een zak heet water opgewarmd door de zon, daar in het huisje op Long Island met zijn broer – die ook dood is.

                         *

We ontvingen een kaart van mijn Amerikaanse tante: in hoekige letters vertelt ze over mijn vader en zijn broer. Dat ze kattenkwaad uithaalden met zijn tweeën, ‘despite they were already old men’.

                          *

Ik vind een plaquette en nog één met in het Koreaans een opschrift. Eronder staat in het Engels een dankwoord voor Mr. A.S. Jonquiere voor zijn werk in Korea. 

                            *

Ik zie een foto van zijn vriendin Liz die zo gek was op mijn vader: achterop de foto van hen tweeën staat geschreven in vrouwenletters: ‘Toen ik zo blij was dat ik je kende.’ 

                           *

Ik gooi zijn leven in een vuilniszak. 

                       *

Kleine boekjes en envelopjes met foto’s: Italië, Rusland, Frankrijk, Cyprus, de Cariben, mijn God waar was mijn vader niet? China, Spanje, ik scan feestelijke optochten, marktjes, straten en gebouwen. 

                            *

Ik gooi een leven weg.

                        *

Mijn broer en ik verkopen en schenken meubels aan kringloopwinkels: boekenkasten, een bankje, zijn luie stoel, het televisie-tafeltje. Oude fototoestellen, lenzen, gereedschap, tien dozen vol. Er komt een man voor mijn vaders seniorenbed: ‘Het bed is voor mijn vrouw. Ze heeft te horen gekregen dat ze kanker heeft. Het bed komt in de kamer te staan.’ De potige man loopt om het bed heen, tilt het matras op. ‘Ik denk niet dat mijn vrouw blij wordt van het bed.’ En ik denk ook niet dat ze er blij van wordt. Ik wens de man sterkte toe met zijn vrouw en ik zie hem weglopen, de gang door. Een grote, geslagen man.

                        *

Een andere man neemt het schoenenkastje mee. ‘Misschien bel ik nog voor de tafel en stoelen. Ik wacht op een nieuw huis. Volgende week weet ik meer.’ En ik loop mee naar beneden met de plankjes van het schoenenkastje – ik zie de schoenen van mijn vader erop staan, en ik leg de planken in een Renault Kangoo vol rotzooi. ‘Tot ziens!’

                            *

De vloer die ik samen met mijn vader kocht – ‘Vind je dit een mooie kleur?’ ‘Ja, prachtig pa, daar past alles op!’, moet eruit. Ik trek aan een hoekje en het marmoleum laat los. 

                          *

Als ik wegga sluit ik de gordijnen. Die moeten ook weg. Maar nu sluiten ze het zwarte gat af, een paar dagen nog.

                           *

Ik gooi een leven weg. Nog even en we zijn klaar. 

                            *

Het laatste dat ik in mijn doos stop – de doos die ik meeneem, is een witte envelop. Er staat op geschreven: ‘Ansichten van alle bezienswaardigheden in Parijs van de fietstocht met drie vrienden, 1949.’ Ik stop de envelop in mijn doos, sluit deze, vouw de kartonnen flappen dicht, eerst de korte zijde, dan de lange, kort, lang. Dicht.

                         ***

Vader en zoon


Dit keer kom ik aanfietsen van de andere kant en ik kijk omhoog naar mijn vaders balkon. Ik zie de bloembakken die hij in etappes vulde – ‘ik kan niet meer zo lang bukken’ – en de plantjes die als kleurige gevangenen achter de tralies van het balkonhek staan. Twee bloeiende orchideeën staan voor het raam. 

                          *

Ik rijd langs mijn vaders keukenraam. Als ik naar boven kijk zie ik zijn bewegende hoofd in de zilverkleurige omlijsting. Een levend schilderij, ‘Grijze man achter glas’. Nu smeert hij zijn boterham en zet hij koffie. Hij weet dat ik kom. 

                          *

De twee wekelijkse haringen stinken in mijn tas. Een van de twee gaat zo op de boterham die hij zorgvuldig besmeert met margarine of halvarine. In ieder geval is het boter uit een kuipje. ‘Zalf’, zoals wij thuis dit soort boter noemden.

                           *

En ja, als ik binnenkom is de boterham besmeerd met zalf, staat de koffie koud te worden op het aanrecht en kleuren de geschilde appelpartjes langzaam bruin.

                             *

‘Hier zijn de haringen!’ en ik haal het smalle pakje met vis uit mijn tas. 

‘Dank je’, zegt mijn vader.

‘Goed je weer te zien’, zegt hij, ‘Dat is alweer lang geleden.’

‘Een week, pa’, antwoord ik, ‘Een week geleden was ik hier.’

Maar hij hoort het niet. Geconcentreerd snijdt hij de haring en het brood in gelijke blokjes. De uitjes verdeelt hij over de vis, het zuur wordt plakje voor plakje op het bord gevleid.

                              *

Ik draag alles naar binnen. Mijn vader volgt, moeizaam lopend, dit keer met zijn stok. Als we zitten vraagt hij hoe het was in Parijs. Daar was ik een paar dagen. 

‘Het was erg leuk’, vertel ik, ‘We hebben heel veel gezien.’

Gretig eet mijn vader zijn brood met haring. 

‘Wat voor een foto stuurde je eigenlijk?’, vraagt hij. Ik mailde een foto van mij en mijn dochter uit Parijs. Allebei staan we op het dakterras van warenhuis Lafayette. Met op de achtergrond de Opera en de Eiffeltoren.

                           *

Ik vertel mijn vader dat het een foto is vanaf het dak van Lafayette. Ik laat hem de foto op mijn telefoon zien.
‘Als je voorzichtig veegt over het scherm kan je alle foto’s zien’, zeg ik.

Hij veegt zo hard over het scherm dat het beeld verandert en er opeens honderd miniatuur-foto’s te zien zijn.

‘Wat gebeurt er nu?’, vraagt mijn vader.

‘Je drukt te hard op het schermpje’, zeg ik en ik haal de foto weer tevoorschijn die hij aan het bekijken was.

Een voor een bekijkt hij de foto’s.

‘Het zijn er 140 pa, scroll maar lekker door!’ Maar dat doet hij niet. Hij bekijkt de foto’s zorgvuldig.

                             *

We praten over Parijs, reizen, verre landen. 

‘Ik spaar voor een reis naar Zuid-Afrika’. 

‘Daar ben ik niet geweest’, zegt mijn vader, die bijna overal geweest is, spijtig. We springen over naar een ander onderwerp. 

‘Ik heb gisteren drie uur in de keuken gestaan’, vertelt mijn vader. ‘Ik heb paella gemaakt, er liggen nu zes doosjes paella in de vriezer.’ 

‘Lekker hoor!’, antwoord ik. 
Verder is er niks gebeurd. 

                             *

En ik vertel over het prachtige museum in het Bois de Boulogne. Tijdens het vertellen wordt zijn linkeroog kleiner. Hij wrijft erin. Ik vertel over de onverwachte Rembrandts in het Louvre. En weer zie ik zijn oog klein worden. Wordt hij moe? Onder zijn bruine huid schemert een witte waas.

                              *

Als ik wegga staat hij heel langzaam op uit zijn stoel. Hij blijft even staan om zijn stijve ledematen te laten wennen aan de verticale stand. 

                              *

Ik open de voordeur terwijl mijn vader naar de keuken loopt.

‘Moet ik deze brieven nog posten?’

‘O ja, graag! Ik ben trouwens bezig om alles op papier te zetten voor als ik er niet meer ben.’

Mijn hand rust op de deurkruk.

‘Heb je plannen, pa?’, vraag ik. 

Hij lacht een dof lachje en strompelt de keuken in.

‘Je weet nooit’, zegt hij, ‘Fijn dat je er was. Ik vind het altijd leuk om je te zien.’

                              *

Ik fiets terug naar huis. De lucht is grijs, het is warm, benauwd. Ik zie de vermoeide ogen van mijn vader, zijn moeizame tred. Ik kijk omhoog naar de gevangen plantjes en de orchideeën, als tropische wachters voor het raam.
Halverwege fietst aan de overkant van de weg een man mij tegemoet. De man zwaait en lacht. Even staat de tijd stil. De man is mijn zoon. Ik zwaai terug. 

                        ***

Pardon 

Het is warm op het Place des Vosges. Het plein van fijngemalen kiezels licht op als een vanille-ijsje in de zon. Zachte lijnen van licht schijnen door de platanen en trekken brede strepen op het grind. 

                            *

Deze Hemelvaartsdag brengt ook in Frankrijk mooi weer met zich mee. Stelletjes, groepen jongeren en ouders met kinderen bivakkeren op het grasveld midden op het plein. In de vijver spelen kinderen met hoog opgetrokken broekspijpen, de randen van jurkjes worden nat.

                             *

Wij zitten op een bankje in de schaduw van de bomen. Voor ons loopt een tweejarig jongetje. Een compact lijfje, zijn rode haar steekt af tegen zijn witte gezicht. Hij schopt het grind voor zich uit dat opstuift voor zijn voeten. Hij pakt een handje van het spul en gooit het in de lucht. Het fijne stof komt tegen ons aan. Mijn dochter trekt haar benen op en zegt: ‘Gatver’. 

                            *

Achter het jongetje lopen zijn vader en zusje. De vader heeft van dat brosse haar, roodblond. Zachte ogen kijken door een rond brilletje. Hij grijpt in.

‘Dis pardon’, zegt hij tegen het kind, terwijl hij ons verontschuldigend aankijkt. Het kind kijkt op. ‘Dis pardon’, herhaalt de man, dwingender nu. Het kind kijkt naar de grond en naar zijn hand waar zojuist dat mooie, stoffige gruis uit viel. 

‘Non’, zegt het jongetje ferm.

Wij moeten lachen. Maar we kijken het jongetje aan, de vader netjes bijstaand in de opvoeding.

                           *

Het kind kijkt op naar zijn vader. Zijn zusje kijkt vol spanning toe. Een smal lachje op haar gezicht. Zou haar broertje luisteren? 

De zoon ziet dat het zijn vader ernst is. Hij komt er niet mee weg. We kijken elkaar aan, de stilte wordt groter en groter.

                             *

‘Pardon’, horen wij heel zacht maar hoorbaar in het vacuüm tussen ons en het jongetje. Het kind kijkt naar de grond en heel even, onder zijn oogharen door, naar ons.

‘Tres bien’, zegt de vader opgelucht en wij lachen hen hartelijk toe. Het zusje lacht ook. Ze huppelt verder. Even later zien we het jongetje, geholpen door zijn vader, lopen op de ijzeren boogjes die het gras afscheiden van het grind. Zijn witte beentjes geven licht in de middagzon. 

                             *

Als we teruglopen naar het hotel constateert mijn kind met enige verbazing: ‘Franse kinderen worden nog gewoon opgevoed. In Nederland zegt nooit iemand tegen zijn kind dat het sorry moet zeggen. Ik heb zo vaak zand over mij heen gegooid gekregen op het strand. Nooit zei iemand er wat van.’

                          *

We lopen langs een speelpleintje. Kinderen spelen onder het oog van hun ouders op de verouderde klimrekken. 

‘Je hoort ze ook niet gillen en schreeuwen’, zegt mijn dochter. ‘Ze spelen gewoon.’

                            *

Franse kinderen spelen. Ze hebben plezier. Ze blijven tijdens het eten zitten op hun stoelen in het restaurant bij de botanische tuin. Ze tekenen op een placemat en kijken om zich heen. Ze eten hun eten op alsof het lekker is. Hun ouders converseren en eten zelf ook. Ze hebben aandacht voor hun kinderen – ze voeren hen hapjes en spreken tegen ze – maar ze hebben ook oog voor elkaar. 

                           *

Het is wonderlijk maar fijn. Waar we thuis kinder-restaurants vermijden vinden we het hier geen probleem dat er kinderen zijn. Ze gillen niet, schreeuwen niet, ze rennen niet rond, maar ze tekenen en eten en zitten. En dit geldt voor alle Franse kinderen: zwart, lichtbruin, donkerbruin en wit. We zagen zelfs twee flirtende baby’s, – een witte prinses Charlotte en een half-Afrikaanse schoonheid – op een zonnig terras in Quartier Latin.

                            *

Place des Vosges. Jardin des Plantes. Overal lieve kinderen. Sommigen bieden na enig aarzelen zelfs excuses aan voor wat omhooggegooid gruis.

                             *

Ik denk aan een programma waar ik laatst in zapte, over opvoeden in Nederland. Een echtpaar vertelt over hun puberzoon die verveeld op de achtergrond hangt, zijn benen half op de grond, zijn lijf op de bank.

‘Wat voor een straf geven jullie dan, als hij de regels overtreedt?’, is de vraag van de interviewer.

De ouders kijken elkaar aan. Je ziet dat ze het niet weten. Hun prinsje ligt op de achtergrond te chillen. 

‘Tja,’ zegt de vader. ‘Laatst heb ik zijn auto verkocht. Hij kan nu dus niet meer rijden en moet alles op de scooter doen.’

De moeder kijkt verlegen naar haar man, dan naar de camera. 

‘Maar meestal straffen we niet. Liever niet’, zegt ze.

                             *

Gauw deed ik de televisie uit. 

Het geheim van opvoeden werd daar ontsluierd, op het Place des Vosges. Omhooggegooid gruis, ‘Dis pardon’ en daarna over ijzeren boogjes lopen met jouw hand in de stevige hand van je vader. C’est ca. 

                           ***

Van de jongens die naar Parijs fietsten 

Het is dinsdag. Vaderdag. Morgen is het woensdag. Koningsdag. Ik ren tussen twee hagelbuien door naar de auto. Bij de visboer is het, in tegenstelling tot andere dinsdagen, druk. Een piepklein meisje – bruine, steile haren met een klein schuifspeldje – lacht naar mij. Op haar dunne beentjes wankelt ze naar me toe. Nog zo’n stralende lach. Ik lach terug.

                             *

Met de visjes in mijn hand stap ik weer in de auto. De hagelstenen zijn overgegaan in grote regendruppels waarvan er een achter mijn brillenglas belandt. Scheel kijkend door de druppel rijd ik naar Heemstede. Het is noodweer. Bij mijn vaders flat is een plek vrij naast de deur, een smalle plek maar het lukt mijn piepende auto – alle waarschuwingssystemen werken prima – tussen een sneue Kia en dito Hyundai in te zetten. Ik wurm me met de visjes uit de auto en ren de hal van de flat in. Ik vergat de sleutel van mijn vaders flat en ik glip het gebouw binnen terwijl een aardige dame naar buiten gaat. 

                            *

Boven, bij mijn vaders deur bel ik aan. ‘Anne, hallo!?’, hoor ik. 

‘Ik sta hier, pa!’, roep ik tegen de deur. ‘Ik ben al boven!’ Even staat mijn hart stil. Wat, als hij gevallen is en op de grond ligt, hulpeloos? Ik heb geen sleutel. Achter de deur klinkt geschuif en de deur gaat open. Mijn vader doet open. 

‘Ik hoor niet of je beneden staat of boven’, zegt hij met een verontschuldigend lachje. Hij was dus mijn naam aan het roepen in de intercom. 

‘Ik kon met iemand meeglippen’, zeg ik, ‘Dus ik stond al hier.’ Hij loopt, nee, schuift langzaam, wijdbeens en zonder stok naar de keuken. Ik leg de haringen op het aanrecht. De boterham ligt klaar. Uit de woonkamer klinkt het geluid van de televisie. Ik hoor de tune van het journaal, het is twaalf uur.

                          *

‘Ik heb al thee gezet’, zegt mijn vader terwijl hij minutieus de haring schoonmaakt en netjes op zijn geroosterde boterham legt. 

‘Ik schenk het zelf wel even in’, zeg ik. Ik pak het glas dat ook klaarstaat, haal het zakje uit de inmiddels zwart-getrokken thee en schenk in. Ik hoop dat het water gekookt heeft. Ooit zag ik mijn vader thee zetten met heet water uit de kraan. ‘Dat kan net zo goed’, beweerde hij, ‘Je proeft niet het verschil.’ Gruwelijk. 

                             *

Met mijn thee en het bordje met de boterham loop ik de kamer in. Ja, het journaal staat aan. Ik ga zitten, mijn vader komt langzaam aanlopen. Hij laat zich in zijn stoel zakken voor het raam en zegt dat het een heerlijke stoel is.

‘Je kan zo lekker je benen uitstrekken’, zegt hij en hij doet het voor. Zijn benen tilt hij een beetje op van de vloer. ‘Ja, het lijkt mij een heerlijke stoel’, zeg ik. 

                            *

We kijken naar het journaal. We zien de boot waarop morgen de koning met zijn gezin wordt vervoerd. 

‘Ze zullen het wel koud krijgen morgen’, zeg ik, ‘Op zo’n open boot.’

‘Ze kleden zich erop’, weet mijn vader. De weerman legt uit dat het pokkenweer wordt morgen. Net als vandaag. Langs de grote ramen van mijn vader waait een regengordijn van rechts naar links. Een fietser fietst moeizaam tegen de regen en wind in, hij heeft een zwarte poncho aan. De bomen met jong groen hellen over als riet in het open veld. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik.

‘Wat zeg je?’, vraagt mijn vader. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik wat harder. ‘Ja, zeg dat wel, het klimaat is in de war.’ Mijn vader schudt zijn hoofd. ‘Het is bijna mei en het is…’ Hij schuift naar voren in zijn stoel. Op de salontafel staat een apparaatje waarop hij de temperatuur afleest. ‘7 graden maar’, verzucht hij. 

                             *

Voor de tweede keer verschijnt op t.v. het item van de boot met de oranje kussens voor de koninklijke familie.

‘He, dat hebben we toch al gezien?’, vraagt mijn vader en hij zet de t.v. uit. 

                             *

‘Ik ga nog een paar dagen met Julia naar Parijs’, vertel ik. ‘Volgende week.’

‘O, leuk, wanneer ga je precies?”

‘5 mei’, zeg ik,’ Ik schrijf het wel even op.’ En in de lege agenda schrijf ik op de donderdag ‘Annelie en Julia naar Parijs.’ Op de zondag schrijf ik ‘Annelie en Julia terug.’

Opeens lichten mijn vaders ogen op. ‘Na de oorlog fietste ik met twee vrienden naar Parijs. Je weet wel was ook mee, eeeh, hij is net overleden…’ Ik kom ook zo gauw niet op de naam van de man die ik als klein kind wel eens zag. Een vrolijke man met een groot gebit. ‘Ted Forster’, zegt mijn vader. Ted overleed een week of drie geleden. Mijn vader ontving een rouwkaart. Op de voorkant stond een plaatje van de zee met een wegzeilend schip. Mijn vader zou naar de crematie gaan. Toen ik de volgende dag kwam zei hij: ‘Ik ben er niet naar toe gegaan. Ik ken er niemand.’ 

                              *

‘Wij fietsten via Nijmegen en Maastricht naar Parijs. Wij dachten dat doen we wel even, maar het was heuvelachtig in België!’… Mijn vader wijst met zijn hand de heuvels en dalen van de Ardennen aan. 

‘Als we naar beneden fietsten ging het hard! We hadden allemaal een petje op en door de harde wind woei mijn petje af. Zo in de hand van Ted die achter mij fietste!’ Mijn vader lacht bij dit beeld dat hij alleen ziet. ‘Hoe kan dat, he, dat je zo’n petje vangt!? Maar het gebeurde echt. 

We sliepen onderweg op het land bij een boer in een tentje dat te klein was. Onze voeten staken zo uit de tent.’ Weer gaan zijn benen naar voren. ‘ ‘s Ochtends werden we wakker doordat de koeien aan onze voeten likten.’ Mijn vader lacht weer.

‘Was dat vlak na de oorlog?’, vraag ik.

‘Ja, vlak na de oorlog. In Parijs logeerden we bij een neef van Ted.’ 

                            *

Als ik wegga zegt mijn vader: ‘ Goh, ik heb weer zo’n haartje voor mijn oog, ik kijk er gewoon scheel van.’

‘Ik knip het wel even bij’, zeg ik. Mijn vader bukt en pakt een schaar uit de la. Ik kijk naar zijn grijze, warrige wenkbrauwen. Ik knip heel voorzichtig een paar haartjes weg.

‘Zo kan je weer goed kijken’, zeg ik.

‘Dank je wel’, zegt hij, ‘En bedankt dat je er was.’ 

‘Tot zondag!’, zeg ik,’ en als er wat is dan hoor ik het, he?!’ 

                            *

Ik ga weg en ik laat de man die ooit naar Parijs fietste alleen. 

                           ***

Poortje

  
Het was groot nieuws. Van een geheel andere orde dan het nieuws van de afgelopen dagen. Het straatje van Vermeer is gevonden. In Delft in de De Vlamingstraat 40-42. Mijn gedachten gaan uit naar de familie die er nu woont. Op nummer 42, want dat huis staat bijna in zijn geheel op het schilderij. 

                            *

In Trouw staat dat Gijs Withagen woont in het huisje van Vermeer. Eigenlijk het huisje waar ooit de tante van Vermeer woonde. Gijs vindt het geen probleem dat het huis hordes toeristen gaat trekken. Vooral Japanners zijn dol op Vermeer en zullen in grote getale langs zijn huis trekken. En omdat Japanners altijd zichzelf fotograferen met op de achtergrond de plek die zij bezoeken, zal het een Japans selfie-huisje worden. Ik vraag me af wat Vermeer daarvan zou hebben gevonden.

                           *

Gijs van nummer 42 vindt het geen probleem: ‘Een beetje levendigheid in de straat is juist gezellig.’ Ik moet er niet aan denken. Ik vind het al vervelend dat een keer per jaar de avondvierdaagse langs ons huis trekt. Joelende kinderen, hun wangen bol van snoep, die hier en daar aan een struikje trekken en belletje lellen. Hun ouders die zogenaamd niets zien en al netwerkend en babbelend door ons stille straatje lopen. Vreselijk. 

                            *

Ik kijk naar de foto van het huisje van Vermeer. De poort naast het huis doet mij denken aan de geheimzinnige poort van vroeger bij ons huis. Een eindje verderop van nummer 22 – wij woonden in een twintiger-jaren huis in een Haarlems stadspark – was een poort. Deze was afgesloten. Maar je kon erachter komen. Dan moest je er ongezien overheen klimmen. Ik pijnig mijn hersenen: hoe ben ik daar ooit gekomen in die geheimzinnige achterom? Zo’n durfal was ik niet en klimmen over zo’n hoge poort? Maar ik ben er geweest. In de nauwe gang. Vol met rottende bladeren en vol spanning. Als ik eraan denk voel ik weer de druk op mijn blaas. Een beetje krom loop ik door het vieze gangetje. Als ik krom loop plas ik niet in mijn broek. 

                              *

Het eerste huis achter een krakkemikkige schutting is van de twee ‘zusters’: zuster van Hemert en zuster Timmermans. Twee oude dametjes, lief en rimpelig als de appeltjes die zieltogen op het gras in onze tuin. Daarnaast liggen het huis en de tuin van mijn tante. Ik vind mijn tante eng. Zij is streng en cynisch. Ik mag hier vast niet lopen. Ik zie haar ijsblauwe ogen vanonder haar nepblonde pony waarvan altijd een paar haartjes eigenwijs rechtop staan. Naast het huis van mijn tante ligt het huis van onze buren. De familie D. die vier zonen heeft. De jongste zoon heet Mark, hij is van mijn leeftijd. Mijn tante noemt Mark ‘Rukkie’. Ik snap het niet. Maar zij legt het uit. ‘Die jongens roepen altijd ‘Marruk! Hoor je het? Marruk in plaats van Mark.’ Mijn tante spreekt geaffecteerd. Zij denkt dat zij heel wat is. En ik begrijp dat zij haar en onze buren veracht. Marruk. Rukkie.

                              *

Het huis van Vermeers tante is symmetrisch: net als dat van ons: hoge ramen, twee beneden, twee daarboven en boven de deur het kleinere raam van de badkamer.

                             *

Ik droom weg bij het schilderij: het schrobgootje waaruit de deskundigen opmaakten dat het huisje van Vermeer aan een gracht lag. Ik stel mij voor dat via het gootje het vieze schrobwater uit huis de gracht in liep. 

                             *

Het huis van Gijs aan de De Vlamingstraat 42 lijkt qua vorm – robuust en rechthoekig – op het huis van Vermeers tante Ariaentgen. Maar het is zichtbaar van een latere datum. Ons huis leek sprekend op dat van mijn tante Jenny.

                             *

Later, in de auto mijmer ik voort over straatjes, huizen, grachten, schrobgootjes en spannende poortjes met rottende bladeren. Het is weer eens wat anders dan de gedachten aan de man die met een Kalasjnikov nog even terugkeert om twee vrouwen onder een Parijs terrastafeltje af te maken. Het wapen weigert. De vrouwen rennen weg, ze grissen in een reflex hun handtassen mee. Ze rennen hun eigen poortje in. Een poortje van angst. En ik hoop dat ze eruit klimmen. Ooit. Net als ik. Toen. En dat ze ooit weer, zomaar op een ochtend in november, in alle rust en met plezier kijken naar een schilderij met daarop een straatje, een huis, een schrobgootje en een poort. Met in de poort de hulp van tante Ariaentgen die een stuk wasgoed schrobt met zo’n ouderwetse plank. Het vuile waswater laat zij zo dadelijk weglopen in het gootje. Het schrobgootje.

                            ***

Wim is weg

  
Zaterdagochtend dacht ik aan Wim Boevink. Wim, vaste columnist bij dagblad Trouw, is weg. Naar Griekenland meen ik, zijn grote liefde. Nu is Griekenland ook een van mijn grote liefdes: het land met haar beschaving, mythes, droge heuvels, de azuren zee. 

                            *

Zoveel prachtige plekken met zoveel herinneringen: een peuter die wandelt op zijn sandalen met tinkelende gespjes op oeroude overblijfselen, omringd door knalrode klaprozen. Een schoolkind met strakgedraaide vlechtjes, zegenende handen van een Grieks-orthodoxe kloosterling zweven boven haar hoofd. De kippen in de hof die tokken of hun leven ervan afhangen. De kapel behorende bij het klooster, stil en sereen. Verhalen van Icarus, Hera, Zeus, Leda en de zwaan die je voelt overal, rondom je. Land vol verhalen, orakels, zon en licht.

                            *

Ik mis Wim. Zijn verhalen, zo mooi van taal. Ik mis ze. Zijn vervanger heet Maaike en ook haar verhalen lees ik. Maar deze ontberen dat wat Wim’s verhalen zo prachtig maakt. Ik kan mijn vinger er niet opleggen. Is het de taal? Is het de inhoud? Is het de combinatie van beiden? Ja, ik denk dat laatste.

                            *

Ik kijk naar buiten. De wind waait de vacht van onze poes alle kanten op. Haar witte haren staan rechtop. Er bloeien nog drie rozen aan de stakerige takken van de rozenstruik. Op de voorpagina van onze krant staat geen beeldvullende foto. Een paar woorden maar: ‘Veel doden bij aanslagen in Parijs.’ Vannacht is in alle haast deze kop op de voorpagina geplaatst. Er waren nog geen foto’s, het nieuws was vers, het moest erop. Op de voorpagina.

                            *

Zaterdagochtend om half negen zit ik op de bank voor de t.v. ‘Er is iets vreselijks in Parijs gebeurd’, zegt mijn man. Ik zie hem de t.v. aanklikken, ik zie zijn pyjamabroek, het witte koord dat loshangt, zijn jasje dat hij over zijn slaapshirt aantrok. De katten, weer binnen en aangenaam verrast door onze vroege zit op de bank, kruipen er gezellig bij.

                          *

En net zoals jaren geleden, toen vliegtuigen zich boorden in twee enorme gebouwen, kijken wij stilletjes en met ongeloof naar beelden van verlaten straten, mensen op een voetbalveld die vragend, nee verschrikt, om zich heen kijken, een meisje gehuld in goudfolie, met angst in haar wijd opengesperde ogen. Zij luisterde in het donker naar muziek, om haar heen vielen vrienden en muziekliefhebbers neer. Eagles of death metal. Daar luisterden ze naar.

                           *

Een tijdje later sla ik de krant open. Wim is nog steeds weg. Laat Wim terugkeren. Cultuur, taal, bespiegelingen, gedachten. Beelden van oeroude overblijfselen van beschaving op een zonnige heuvel onder een blauwe lucht. Een kind tussen knalrode klaprozen. Zegenende handen. Wij zetten deze op de voorpagina. Wim is weg maar hij komt terug. 

                        *

Beschaving zal overwinnen. 

                       ***