Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

Advertisements

Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Een warme dag


Er liggen plassen naast het zwembad van ons Griekse huisje. Niet van het plonzen in het zwembad want daarvoor is het water te koud. Op de warmste dag in Nederland regent het op Lefkas. Uit een van de plotseling opdoemende dikke wolken storten dikke druppels op het golfplaten dak van ons huisje. Het heeft iets gezelligs.

                        *

Zodra de plassen opdrogen en in de hete zon slinken alsof onzichtbaar keukenpapier het vocht rap opzuigt springt ons Duitse buurmeisje in het ijskoude water van hun zwembad. Haar dappere vader springt ook en samen maken ze plezier. Ik hoor de plons waarmee ze lachend in het water valt nadat haar vader haar hoog optilt en teruggooit.

                       *

Ook wij gooiden ooit kinderlijfjes hoog de lucht in die dan lachend terugplonsten in het water. Natte haren, warrig voor hun gezicht. De hand, waarmee ze de haarslierten naar achteren duwden en vroegen: ‘Nog een keer!?’ 

                       *

Die glibberige lijfjes droogden wij later af en koud vel vleide zich tegen het jouwe aan. Huid op huid. Koud op warm. Die lijfjes zijn lijven geworden, kippenvel krijgen we niet meer.

                       *

Het bijna-volwassen lijf belt ons met de vraag hoelang de lasagne in de oven moet en op welke stand. Ook wil hij weten waar de teken-tangetjes liggen ‘Want Moos heeft een teek. Ja, die heb ik niet ontdekt hoor, dat ontdekte S.’ S. is zijn vriendin die onze poezen liefdevol aait. 

                       *

Gisteravond lagen wij in ons Griekse bed toen de telefoon ging. 

‘Met mij, stoor ik?’

‘Nee hoor, we lagen net in bed’

(…)

Het blijft even stil en ik voel dat onze zoon op zijn horloge kijkt. Het is hier 22.30 uur. In Nederland is het een uur vroeger. Hij slikt van alles in en vraagt: ‘Zeg, welke fles rode wijn mag ik openmaken? J. en S. zijn hier en we willen wat drinken maar ik weet niet welke fles ik mag openmaken.’ J. en S. zijn vrienden die gezellig bij hem langskomen als wij er niet zijn.

‘O joh, dat maakt niet uit. Pak er maar een.’

Achter mij hoor ik zijn vader slaperig mompelen ‘Op het aanrecht staat een goede.’

‘Er staat nog een lekkere op het aanrecht’, herhaal ik. 

‘Oké, hoe is het verder?’ Ik zie zijn ogen gericht op de fles die hij open gaat maken. ‘Het gaat goed hoor, het is hier heerlijk!’ Mijn enthousiasme smoort in het (…) van onze zoon. Ik voel dat hij kijkt naar de fles rode wijn op het aanrecht. In zijn ooghoek zitten zijn vrienden.

‘Nou, prettige avond he?!’, zeg ik. ‘We zien elkaar zaterdag weer.’ 

‘Ja’, zegt hij. ‘Tot zaterdag!’ 

                    *

We worden nog maar een keer door hem gebeld. Over het zonnescherm dat niet meer omhooggaat. 

‘Ik bel wel even met de zaak van het scherm’, zeg ik, ‘Kan gebeuren joh. Het zal de motor wel zijn, dat gaat een keer stuk.’

‘Is goed, mam’, zegt hij mak, bezorgd om de reactie van zijn vader die niet houdt van kapotte zonneschermen. Ik bel met de leverancier.

‘Ik houd het kort want ik bel vanuit Griekenland.’ En ik leg uit wat er aan de hand is.

‘Geeft u maar het nummer van uw zoon, dan bel ik hem’, zegt de vriendelijke zonneschermenman. Ik app onze zoon dat hij gebeld wordt. Vier minuten later belt ons kind.

‘Mam, het was gewoon de stekker’, zegt hij beschaamd. ‘Ik had gefrituurd en dat wilde ik buiten doen. Toen heb ik de stekker van het scherm eruit gehaald en dat was ik vergeten.’ 

Ik lach. ‘Mooi dat dat het was! Tot gauw!’ 

                       *

Als ik neerleg denk ik aan de twee zachte lijfjes van toen. De lachende gezichten, het plezier, en de vele plonzen in het water. Naast ons hoor ik het buurmeisje. Ze lacht en springt weer in het zwembad. 

                        *

In de krant zie ik foto’s. Meisjes, ouders, vriendinnen. Een buurvrouw die de kinderen zou ophalen. Saffie Rose, Georgina en Olivia springen niet meer. Niet in koud water, niet in warm. Geen gelach, geen plons na het teruggooien van het kind in het zwembad, geen handdoek, geen opwarmend kindervel op ouderhuid.

                      *

De plassen naast het zwembad zijn weg. De zon schijnt. Het belooft weer een warme dag te worden.

                    ***

Gaatje


Laat ons stappen over de lijken van ons prinsiepen

 En verder gaan in de wijde, diepe

 Gaard der dagen;

 Laat ons nooit achterwaarts kijken:

 De blanke lijken

 Van voorbije dagen beklagen.

 Paul van Ostaijen (1896-1928)

Wat valt er te zeggen over het weer? Zaterdag begon de winter met hagelstenen die als witte knikkers de straten van de stad instuiterden. Net toen ik mijn paraplu -zo’n ingevouwen kleine die ik als een elegante dame met uitwaaierende rok plaatste in de te grote paraplustandaard – tikten de hagels tegen de glazen pui van de kledingwinkel die ik één herfst geleden in de ban gedaan had na de aankoop van een peperdure trui waarin zomaar een gaatje was gevallen.

                       *

‘U heeft geen riem gedragen?’, informeerde de vrouw van de winkel achterdochtig toen ik haar destijds belde over dat gaatje.

‘Nee en al zou ik een riem gedragen hebben dan nog zit het gaatje in de trui hoger dan de riem. Het is een fout in het breisel’, opperde ik.

‘Nee, dat kan niet’, antwoordde de vrouw ferm. ‘Dat is nog nooit voorgekomen, een fout in het breisel.’ En ik dacht: ‘Nooit, nooit, zeg nooit nooit.’ Mijn ergernis nam toe. ‘Vandaag kan ik langskomen met de trui, vandaag heb ik tijd.’ Maar de dame in de winkel had dat niet. ‘Stuurt u maar een foto, dan kijk ik ernaar en krijgt u volgende week een reactie.’

                          *

Ik staarde naar de trui met het gaatje. Een perfect gaatje, langgerekt, iets groter dan een knoopsgat, boven navelhoogte. Het truitje was zacht als de vacht van onze poes, een weelde voor de vingertoppen. Ik maakte drie foto’s. Van de trui. Van de trui met gaatje en van het gaatje zelf. Ik stuurde de foto’s toe aan de drukke dame, ging aan het werk en dacht er niet meer aan.

                         *

Totdat ik werd gebeld. Het was een onbekend nummer en nieuwsgierig nam ik op. Ik liep de kantoorruimte uit naar de gang. 

‘U spreekt met – onbekende naam – van – winkel met glazen pui-. Ik bel vanwege uw foto van de trui.’ De winkel van de trui! Ik ging zitten in het zachte, gele zitje op de gang vlakbij mijn werkplek. ‘Het kon wel even’, dacht ik, ‘Er was nieuws over de trui!’

‘Ik kan op de foto’s die u stuurde niet goed zien wat er met de trui gebeurd is. Ik moet eigenlijk de trui zien. Kunt u zelf langskomen ?’ vroeg de man van de winkel. 

 ‘Ik ben aan het werk, het afgelopen weekend wilde ik langskomen maar toen moest ik juist foto’s sturen.’ 

‘Tja, het is lastig te zien. En eigenlijk hebben we dat nog nooit meegemaakt. Zo’n gaatje in deze trui. Draagt u misschien een jas met rits?’

                         *
Ik werd kwaad. Niet langskomen, wel langskomen, riem, jas met rits…ik kreeg er genoeg van. ‘Nee, ik draag geen jas met rits’, antwoordde ik. ‘Ik koop regelmatig kleding bij jullie. Dit was een dure trui. Ik was er erg blij mee. Nog nooit ben ik ontevreden geweest over jullie kleding. Maar het kan toch niet dat er na twee maanden zomaar een gaatje in een trui valt waarvan ik de schuld krijg? Het breisel is op deze plek waarschijnlijk zwak.’

‘Ik geef u niet de schuld’, antwoordde de man. ‘Maar wat verwacht u van ons?’

‘Ik verwacht een nieuwe trui of tenminste mijn geld terug’, antwoordde ik. Maar dat bleek lastig. Hij moest het truitje zien en zomaar een nieuwe of geld terug daar begonnen ze niet aan. ‘U moet weten, wij krijgen de trui ook niet vergoed door de leverancier’, beargumenteerde de man. Ik kreeg er genoeg van. ‘U belt mij tijdens het werk. Ik heb hier nu geen tijd voor. Ik hoor wel via de mail wat de oplossing is.’ En ik wilde het gesprek beëindigen. Maar dat ging de man te ver. ‘Nu bent u boos. Wat kan ik doen om uw boosheid weg te nemen?’ 

                          *

‘Niks’, dacht ik, ‘Niks wil ik van jullie.’ Maar ik gaf een ander antwoord: ‘De toezegging dat ik de trui vergoed krijg. Ik vind het onbegrijpelijk dat u zich zo opstelt. Ik heb dit nog niet eerder meegemaakt.’

                         *

De man zuchtte: ‘Als u hier komt met de trui kan ik u een tegoedbon geven.’ En zo geschiedde. Een bon bij de gratie Gods. De bon gaf ik direct door aan mijn kind. Nooit zou ik daar meer wat kopen. 

                         *

En nu stond ik in de zaak van de trui met het gat. Hagel sloeg tegen de ramen, een witte winterlaag vormde zich op de klinkers voor de winkel.

                         *

‘Bent u naar iets op zoek?’, vroeg het meisje in de winkel. En ja, dat was ik. Bij het afrekenen moest ik mijn klantgegevens opgeven. Even dacht ik ‘Ik sta vast genoteerd als Lastige Klant Van De Trui Met Het Gaatje.’ Maar dat was niet zo. Of het meisje kon goed stoïcijns kijken. ‘Veel plezier met uw aankoop!’, zei ze hartelijk. ‘Dank je wel’, zei ik en ik wipte de deur uit met mijn paraplu die vrolijk uitwaaierde als het rokje van een meisje in de wind.

                         *

Wat valt er te zeggen over het weer vandaag? Het waait en regent. De poezen liggen illegaal op bed. Omdat ze nat zijn liggen ze op een snel-neergelegd handdoekje. Ze spinnen. Ik moet eruit. Het is koud. Mijn handen boven het dekbed zijn lam en kil van lezen en schrijven. Wat zal ik vandaag aandoen? Spijtig denk ik aan mijn trui met het onbegrijpelijke gaatje én mijn onvermogen te volharden in die belangrijke boycot van nog maar één herfst geleden. 

                          ***

De val


Het regent en regent op de op-een-na langste dag van het jaar. Een voortdurend neerkomen van nat en koud als een gordijn van stippellijntjes water. Ik rijd door plassen die met een woetsjj-geluid mijn auto naar rechts trekken. Ik draai flink bij om niet in de ringvaart te belanden.

                             *

Water en water om mij heen. Het tikken van de regen op het dak als het neerkomen van tranen op blik begeleidt de muziek in de auto.
En dan hoor ik een klein geluid. Een ander geluid, een licht getinkel. 

                         *

Zonder de vaart in te rijden kijk ik met een scheel oog naar het scherm op mijn telefoon. Het is de armband van mijn vader waarop gedrukt is, vier seconden lang. Op een parkeerplek naast het water bel ik de pratende armband. Mijn vader zegt: ‘Ik ben gevallen. Ik lig in de keuken.’

Het hart klopt in mijn keel, de regen komt gestaag neer: dikke druppels maken kringen in het water van de vaart.

‘Ik kom eraan, ik rijd nu terug’ en ik draai om. 

                           *

Het is dit keer geen geval van ophijsen en tegen elkaar zeggen hoeveel geluk mijn vader weer eens had. Dit keer is het menens. 
Natte ambulancebroeders tillen hem op. Zijn ogen zijn dicht. ‘Hiermee raakt hij een uur weg’, meldt de broeder, ‘Het schuiven en tillen zou te pijnlijk zijn. Dit is een heel zware verdoving.’ Het groen-gele jasje doet pijn aan mijn ogen. En ondanks de verdoving hoor ik hem – de brancard moet rechtop staan vanwege de lift – tranen vallen neer. 

                           *

Bij het weggaan uit de flat vergeet ik alles wat ertoe doet. De alarm-armband prop ik in mijn tas. Deze vind ik later. De armband was op zicht. Morgen stuur ik hem terug. Voorlopig hebben we hem niet meer nodig.
Als we ‘s avonds laat het ziekenhuis verlaten – zijn kamer kijkt uit op een volle parkeerplaats – kijken mijn oma’s ogen mij aan.

‘Bedankt dat je er was.’

                          *

Zwevend over waterplassen rijden we naar huis. In de flat is het bloed weg, het kussen dat achter zijn hoofd lag ligt naakt op bed. Het sloop neem ik mee. Misschien gaat het er nog uit, de vlek. 

                           ***

Weemoed

  
Gezelligheid

Kom doe als Weemoedt: dans in ‘t rond

de kamer door met kat en hond.

Vraag ook de hamster eens een keer,

spring met de goudvis op en neer.

Strooi eens wat licht in kier en scheuren

en laat de bladluis niet vertreuren.

Maak toch plezier en zing een lied:

het leven is zo eenzaam niet

als je eens denkt aan hen die varen

of bung’len aan een straatlantaren. 

Levi Weemoedt 

Uit: Geen bloemen. 1978. 

Het zijn weemoedige dagen. Donker jaagt regen tegen ruiten aan. De eerste feestdag voorbij, langzaam voort naar de volgende. Het vacuüm tussen de Goedheiligman en het kindeke wordt strakgetrokken door korte dagen, vroeg invallende donkerte en een beverig waxine-lichtje in een potje van glas.
                          *

Snel leven we op in het korte licht. Ja, de zon schrikt ons wakker. Het grijs daalt snel weer neer. En wij jachten ons naar binnen, naar warmte en decemberknusheid. 

                            *

Ons huis voelt inmiddels aan als een jas die plotseling te groot geworden is. Verbaasd trekken we de jas uit, bekijken het achterpand, voorpand, de mouwen. We trekken hem weer aan, het is koud en het regent. De jas slobbert om ons heen.

                          *

Vorige week zondag brachten wij onze jongste naar Amsterdam.

‘Vanaf 7 december mag ik een maand in Nathan’s kamer’, vertelde hij een paar weken geleden terloops aan tafel.

‘O ja, waar gaat hij heen dan?’

‘Kweenie, ik geloof naar Londen. Daarna komt hij even terug en dan vertrekt hij naar Miami.’

Nathan. Ik moet even nadenken want ik zie de vrienden van onze zoon niet vaak. Maar ik weet wie het is. Een blonde jongen, niet groot. Ooit ging Max met hem en drie anderen op reis in een bus naar Spanje. Daar was Nathan bij. Ik weet het weer.

                             *

‘Brian vroeg of ik bij hem kom wonen voor een maand’, gaat ons kind verder. Brian woont samen met Nathan op kamers. In de Albert Cuypstraat. Daar huren de jongens voor een astronomisch bedrag ieder een kamer. Ze delen een huiskamer, douche, toilet en keuken.

‘Ze wonen midden op de Albert Cuypmarkt. Ieder dag wordt de markt opgebouwd en afgebouwd. Als je ‘s ochtends de deur uitgaat kennen ze je. Dan zeggen ze ‘Goedemorgen meneer! Naar school vandaag?’ 

                           *

De ogen van onze zoon lichten op. En ik zie het voor me. De mannen van de Albert Cuyp en onze achttienjarige student. Twee werelden die elkaar ontmoeten en gemoedelijk groeten. Ons kind met rugzak en laptop, de marktkoopman met kraam en waar. 

‘Van wanneer tot wanneer ben je daar precies?’, vragen wij. Maar dat weet hij niet. ‘Vanaf 7 december en dan komt Nathan geloof ik de 18e terug. Alles moet hij wassen en inpakken, daarna gaat hij weer weg.’

                            *

Oké. Nou, we zien wel. Natuurlijk is het goed. Natuurlijk zien wij graag zijn ogen, bruin en licht getrokken – het moet dat 32e deel Indisch bloed zijn – oplichten als een plots aangestoken kaarsje. Op zondag zes december besluit ons kind: ‘ik ga er vanavond al heen. Nathan is weg.’ Hij zou eerst maandag gaan, maar nu wordt het zondag. Goed, natuurlijk kan dat. ‘Ik breng je wel naar het station’, zegt zijn vader. Ik zie zijn tas, een grote reistas bomvol kleren en boeken. ‘Zal ik je brengen?’, vraag ik, ‘geen probleem hoor.’ En dat vindt hij prettig. We brengen hem weg en zetten dan gelijk maar onze dochter af bij haar kamer op de Zuidas. 

                           *

In twintig minuten schieten we van groene rust naar de gekleurde hectiek van een wereldstad. Afslag VU, door naar Zuid, de Pijp. En na wat omzwervingen belanden we op de Albert Cuypstraat nummer 114. ‘Kijk, mam, je kan de auto voor de deur zetten!’, klinkt het opgetogen achter mij. ‘Loop even mee’, zeg ik tegen mijn man en ik blijf zitten achter het stuur. De motor laat ik draaien. Zal hij vragen of we mee naar binnen gaan? Hij belt aan, spreekt in het vierkante luidsprekertje. Hij lacht. Draait zich om en pakt zijn reistas. Zijn rugzak verschikt hij bij het oppakken van de zware tas. Hij kijkt achterom. Ik zie zijn mond bewegen ‘Dag, mam.’ Ik zeg terug:’ Dag.’ En ik zwaai achter de voorruit. Zijn hand gaat omhoog. En hij beklimt de trap met in zijn rechterhand de reistas, op zijn rug de rugzak met lap-top. 

                             *

Stilletjes rijden we terug. ‘O, daar is Duikelman’, zeg ik. De winkel met allerhande keukenartikelen. Om ons heen is licht en leven. En ik snap het. Als je achttien bent wil je hier zijn, in het licht, in het leven. Langs de marktkoopman lopen, twee vingers omhoog steken, de tram in, met de metro 50 richting Gein, naar school. 

                           *

En nu zijn we thuis in het huis dat als een te grote jas om onze schouders hangt. Het is wel een lekkere jas, warm en vertrouwd. Je kan spreken over een lievelingsjas. Alleen maar een beetje te ruim. Beiden lopen we elke dag langs de kamer waarvan al een hele week de deur dicht is. We slapen diep en rustig. Geen nachtelijk sleuteldraaien, geen w.c. die wordt doorgetrokken, geen glas water dat gedronken wordt, geen zacht ‘hoi’ in de deuropening. 

                          *

Het zijn weemoedige dagen. Grijs en grauw, de katten staan snel weer voor de deur. Te koud, te guur. Binnen is het warm. Ik koop zo maar eens een boom met lichtjes, veel lichtjes. Het zijn weemoedige dagen. Donker jaagt regen tegen ruiten aan. In onze vensterbank bibbert een waxine-lichtje in een potje van glas.

                           *

Op pagina vier van Trouw kijken twee bruine ogen met dik-zwarte wimpers mij aan. Om het verdrietige mondje staat het vel strak en rood van de kou. Op de geribbelde rand van de muts van zijn vader plakken zachte sneeuwvlokjes. De kop vertelt: ‘Duizenden kinderen verrekken in de kou.’ 

                           *

Nog donkerder jaagt regen tegen ruiten aan. Er kan niet meer gesproken worden van weemoed. En ik trek de gordijnen dicht.    

                        ***

Taart

  
Het is dinsdag 15 september. Donker groen buigt naar rechts, loden luchten jagen boven zwaaiende takken. Op de Gooise weg/s112 valt al dwarrelend een zeskantig blad op het asfalt. Met een aandoenlijk bruin steeltje. Ik rijd er overheen.

                        *

Op deze dag met klinkende regenbuien, donderwolken en katten die voor geen goud naar hun geliefde buiten gaan, komt het niet van schrijven. Tot hier. De file op de Gooise weg ordent gedachten. Het ondergedompeld zijn in de herfst in deze behaaglijke cocon, de warme auto, haalt de woorden tevoorschijn waar ik overdag tevergeefs naar zocht.

                          *

Op vrijdag 18 september maken buien plaats voor blauw met witwatten wolken. Op tafel liggen kranten, kruimels en de iPad. Een half vol glas thee, de pot erachter. Opeens overvalt me de zin in taart. Appeltaart.

                         *

‘Zal ik een appeltaart bakken?’, roep ik richting de voorkamer. Daar ligt de verse student met laptop op schoot, oordopjes in. We praten hier in huis alsof we met slechthorenden samenwonen. HARD en DUIDELIJK anders krijg je GEEN REACTIE.

                         *

‘Huh, eeh, ja, wat voor een taart?’ vragen de oordopjes.

‘EEN APPELTAART!’, is het antwoord.

‘O ja, lekker!’

                          *

En ik bak een taart. Met twee oude rimpelappels en vier gladde groene. Dat van die rimpelappels vertel ik de hardhorende niet. Gisteren vroeg hij zijn vader om een appel: ‘zonder ook maar iets erop, pap, geen deuk of bruin plekje, anders lust ik het niet.’ Vanaf zijn tweede jaar begon de verregaande kieskeurigheid en kokhalzen-bij-iets-‘vies’. De kieskeurigheid houdt al zestien jaar stand.

                         *

Als ik de laatste hand leg aan de taart beweegt er iets in mijn ooghoek: de student is in beweging gekomen.

‘Ik ga zo nog even naar Romee.’

‘O, net nu ik de taart afheb…’ Hij knikt verlegen en ik zeg hem direct dat ik het niet erg vind alleen te zijn, ook niet met taart. ‘Geen probleem!’, roep ik vrolijk.

                         *

‘Mag ik de wagen?’ 

‘De wagen?’

‘Nou ja, de auto, bedoel ik.’

‘Ja, natuurlijk.’

                         *

En daar gaat hij. Opgedoft in de wagen naar Romee. 

                         *

Een uur later is de taart klaar. Ik snijd een warm puntje af. Lekker.

                       ***