Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Een lieve stad


Bij ons in huis staan opeens twee zwarte laarsjes. Halfhoog zijn ze, maat 35, hooguit 36. Ze staan fier rechtop. De laarsjes zijn van onze dochter.

‘Ik werk tot en met vandaag’, zei mijn dochter zaterdagochtend, ‘Dan kan ik volgende week nog even rustig aan doen.’

‘Ja, prima’, zei ik.

‘Kan je al mijn gespaarde geld voor China binnenkort aan mij overmaken?’, vroeg ze

‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik.

‘Mooi’, zei ze en ze ging naar beneden. 

                         *

Ik vind zodirect in de badkamer een paar lange, blonde haren, dacht ik slaperig. Ik droomde die nacht over haar. Dat ze haar vliegtuig in Guilin, een stad in Zuid-China, miste ‘Daar moet ik al om 5.00 uur ‘ s ochtends zijn als ik terugkom uit Yangshuo, hoe ga ik dat regelen?’, zei ze onlangs, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ik weet het ook niet. Wel weet ik dat ik wakker lag van de gedachte dat zij daar liep, ‘s ochtends vroeg in die Zuid-Chinese stad met zoveel inwoners, Chinese karakters, Chinese klanken, niemand die Engels spreekt. Ik moet uiteindelijk weer ingeslapen zijn ondanks de harde wind die onze slaapkamerdeur deed piepen en de gordijnen liet opwaaien, zachtjes als de ruisende rokken van een pirouettes-draaiende dame. 

                    *

Onze dochter vertrekt over een week naar China. Ze gaat daar een half jaar studeren maar eerst nog even reizen. In haar eentje. Met treinen, vliegtuigen en taxi’s. Naar miljoenen-steden, grillige gebergten, meren, rivieren en pandaberen. 

‘Ik ben daar toch een paar weken te vroeg, ik heb tijd zat om te reizen’, zegt ze. Samen zoeken we hostels, boeken we vliegtuigen, sturen we kopieën op van haar paspoort naar Chinese dames die in steenkolen-Engels mailtjes sturen met verzoeken om meer informatie. ‘Klopt dat wel?’, vraag ik mijn dochter. ‘Ja, ik krijg van mijn verhuurder ook dat soort vage mails’, zegt ze. En we sturen de paspoortgegevens maar door aan Chinese dames die Sue of Nikki heten.

                        *

‘Zullen we nog een keer naar de Dubuffet-tentoonstelling in het Stedelijk Museum gaan?’, vraagt mijn man.

‘Ja’, zeg ik, ‘Dinsdag ben ik vrij.’ 

                      *

‘Ons huis is per 1 augustus onderverhuurd, dus ik kom nog een weekje naar huis’, meldde onze dochter een tijdje geleden. Dus kwam ze thuis. Met acht dozen, zeven volle tassen, een koffer en een reistas. 

‘Ik ga mee naar de tentoonstelling van Dubuffet’, zegt ze. 

‘We kunnen met de auto, die zetten we dan in de Apollolaan’, stel ik voor. ‘Dat doe ik ook altijd als ik Barry bezoek. Dat gaat prima. Ruim plek, het is vlakbij het Museumplein en parkeren daar kost € 3,- per uur.’ 

‘O prima’, zegt mijn man, ‘Dan lopen we daar vandaan naar het Stedelijk.’ 

                          *

Op de Apollolaan zijn veel lege plekken. Ik parkeer de auto, ik activeer de handige parkeer-app en we lopen richting het Museumplein. Op de Apollolaan staan in de middenberm sculpturen, het is een beeldenroute, Art Zuid. En we zien Rudi Fuchs. Langzaam steekt hij over bij het zebrapad. Een zwarte bloes draagt hij en een zwarte, hoog opgetrokken broek die om zijn bolle buik spant. Wilde, grijze krullen. Een oude man. ‘Daar loopt de oud-directeur van het Stedelijk Museum’, zeg ik tegen mijn dochter.

‘He, wat?’, zegt zij en ze kijkt een man na op een opoefiets.

‘Nee, de man die nu oversteekt’, wijs ik haar op de gebogen, oude heer.

‘O’, zegt ze.

                        *

De tentoonstelling van Dubuffet is klein maar prachtig. In de tuin van het Rijksmuseum staan ook nog een paar sculpturen van Dubuffet. We wisten niet dat er een tuin was bij het Rijksmuseum. Maar die is er: met een fontein vol spelende kinderen, een vijver met lelies, perkjes gevuld met kleurrijke bloemen en stukjes gras met beelden van Dubuffet. Langzaam lopen we terug door Amsterdam- Zuid, via de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat. Langs het Hilton. 

                      *

‘De auto staat daar’, zeg ik en ik wijs naar een omhoogstaande, ijzeren knoop in de middenberm. Een sculptuur. Maar de auto staat er niet. 

‘Hier stond hij’, zeg ik en ik wijs naar de lege plek. Achter de lege plek staat een auto die wordt opgeladen. Een geel snoer kringelt van de auto naar een laadpaal. 

‘Ik weet het zeker’, herhaal ik, ‘Hier stond ie.’ Verbouwereerd staren we alledrie naar de lege plek. 

‘Gestolen?’, vraagt mijn dochter. 

‘Ja, ik denk gestolen’, zeg ik. Een piepklein autootje draait om ons heen. Het raampje gaat open.

‘You parked here?’, vraagt een donkere man, zijn elleboog ligt op de onderrand van het raampje. 

‘Yes’, stamel ik.

‘He was moved a while ago’, zegt de man. ‘This place is for electric cars’, vertelt de man en hij wijst op de lege plek en de auto die achter ons staat met de gele draad. ‘I didn’t know this was also a place for electric cars.’ zeg ik. Woede maakt zich van mij meester.

                        *

‘Wat doen we nu?’, vraagt mijn man.

‘We bellen parkeer-beheer’, zeg ik. De Amerikaan zet zijn mini-autootje op de stoep voor zijn huis. 

‘I live here, if you need anything, I’m in the house.’ 

‘Thank you’, zeggen we. Verslagen nemen we plaats op een bankje in de tussenberm van de Apollolaan. Met uitzicht op de ijzeren knoop.

                          *

Een dame van de gemeente Amsterdam die ik aan de telefoon krijg vertelt me dat onze auto is weggesleept en op de Daniël Goedkoopstraat 9 staat.

‘Goedkoopstraat?’, herhaal ik, ‘Is dat in Zuid?’

‘Ja, ergens in Suid’, zegt de vrouw. ‘U moet dat maar efe opsoeke op uw telefoon. De kosten bedragen trouwens €373.’ 

‘€373?’, herhaal ik.

‘Ja, €373, dat sijn de kosten voor het wegslepen. Dese moet u direct betalen.’ 

‘Maar ik heb het niet gezien, die plek, dat deze voor een elektrische auto was. Er waren zat parkeerplekken op de Apollolaan. Ik had best ergens anders kunnen staan. En ik heb de parkeer-app aangezet.’ 

‘Tja, toch mag u daar niet staan’, zegt de vrouw. Het gesprek is afgelopen. ‘Fijne dag’, wenst ze ons toe.

                         *

We nemen de tram, de metro en lopen over een desolaat bedrijventerrein waar parkeerbeheer huist. Een flinke dame achter een beveiligde balie beaamt dat het wegslepen van onze auto ‘belachelijk’ is. Maar dat in heel Amsterdam alle verkeerd geparkeerde auto’s worden weggesleept. 

‘Dat is het beleid mevrouw.’ Ik pin €373,-. 

‘Amsterdam is toch een iets minder lieve stad dan meneer van der Laan laatst op televisie vertelde’, zeg ik. 

                         *

Thuis staan de zwarte, halfhoge laarsjes midden in de kamer. Over een paar dagen gaat onze dochter weg. Naar China. Voor haar rechtenstudie. ‘Mam, ik zoek de jurisprudentie op.’ Ze tikt driftig op haar computer. 

‘Morgen schrijf ik een brief en daarna kan jij die in jouw woorden overschrijven. Daar kan je dan mee in bezwaar gaan.’ Ik kijk naar de laarsjes en die ene lange blonde haar op de rand van het tafelblad. Ik pak de haar op en laat deze langzaam op de vloer vallen.

                          *

Ik zal haar missen.

                          ***

Wie sjoen

  
Blaosmeziek op eine sjone zóndigmorge

Blaosmeziek bleust mich ómver

Mit toeters en bellen ‘n sjoon verhaol vertelle

Zondigmorge blaosmeziek blaos mich riek’ *
                         *

Lang geleden woonde er een meisje in Zuid-Limburg. Een meisje, nee, dat was het niet meer, het was een jonge vrouw met donkere haren die op haar smalle schouders vielen. Vol verwachting was ze hierheen gekomen. Meer dan drie uur reizen in de trein die als een geel slangetje het land door kronkelde. 

                         *

Langs weiden met zwart-witte koeien, rivieren van gladde glinsteringen. Door steden met grote en kleine huizen, kerktorens: hoge, spitse en vierkante, robuuste. Langs dorpjes, weggescholen achter bomenrijen en hagen, of juist open en bloot, met tingelende spoorbomen over de weg, daarachter fietsers die geduldig wachtten, auto’s die stilstonden.

                        *

Ze keek naar buiten terwijl ze wegreed uit de jaren ervoor: rusteloze jaren. Jaren van wachten op, ja op wat eigenlijk? Ze rustte met haar kin op de holte van haar hand. De elleboog op het formica-tafeltje. 

                       *

Ze zag haar ogen weerspiegeld in de vieze ruiten van de trein. Ze keek naar zichzelf alsof ze een vreemde was. Een meisje, op de splitsing van jong naar oud. Op weg naar iets dat in de verte lonkte. Ze kon het ruiken, het rook naar gras – versgemaaid – naar frisse wind en heldere lucht. Naar heuvels en dalen, een beekje dat zich erdoorheen kronkelt, vissen die vrolijk naar lucht happen in het zoete water. 

                         *

De reis was een lange zucht naar vrijheid, naar ruimte en leven. Weg van beklemming, schuld en schaamte. Haar gedachten liepen op zaken vooruit, richtten zich naar voren en kwamen los naarmate ze dieper het zuiden in zakte.

                         *

Niet dat het gemakkelijk was of werd. O nee, zeker niet. Veel zwarigheden zouden overwonnen moeten worden, ze zou zich eenzaam voelen, alleen zou ze zijn met zichzelf. 

                         *

Ze liep met haar tas de trein uit, het station in. Ongure types staarden haar aan, tenminste dat dacht ze. Haar tas klemde ze dicht tegen zich aan. Haar zou niets overkomen. Je zag het aan het doelbewuste kijken, de stevige stappen. De stad verwelkomde haar en pakte haar op, de toekomst in. 

                          *

Ze werd wakker en hoorde in de verte, achter in de wijk, muziek. Dat hoorde bij het zuidelijke puntje van dit land. Hier hielden ze van fanfare, blaasmuziek. Een kleine optocht liep door de straten van Welten, Heerlen, Limburg. Ze liep naar het raam en wist niet of ze het droomde of dat het echt was. Een processie kwam langs, kleine misdienaartjes, de pastoor voorop. Daarachter de fanfare, de blazers.

                        *

Blaosmuziek op eine sjone zóndigmorge

Blaosmuziek bleust mich nao hoes

Mit toeters en belle ‘n pracht verhaol vertelle

Zóndigmorge blaosmuziek blaos mich riek’ *

                       *

En ze leefde nog lang en gelukkig. 

                      ***
*Ge Reinders, zanger, musicus, schrijver (1953, Helden, Limburg)

Ma

  
Vertel mij, o muze,

van een avond vol van sterren in zwart, de bank kraakt ‘wat een mooie loungebank, gelukkig geen rieten’. Nee, maar deze valt langzaam uit elkaar, het kreunt alsof een olifant op een zwak krukje plaatsneemt. Gewoon te zwaar, zoals vroeger, toen je te dik was, niet mooi genoeg, nooit goed genoeg. 

                         *

Alsof je je moeder hoort over andermans kinderen: ‘de Houtmannetjes die zo lief voor hun moeder zijn. ‘S. schaamt zich helemaal niet voor haar moeder, ze loopt gewoon met haar moeder over de markt, terwijl ze zelf zo’n knappe meid is.’ En dan niet erbij vertellen dat die moeder van S. -ik ken haar niet- er niet uitziet, een burgertrut is. Zeker niet zoals zijzelf. De Goede Moeder. Met wie ik niet over de markt loop.

                         *

Ik druk mijn kind tegen mij aan. Ik zit in de zachte, oranje stoel en ik denk ‘is dit van mij?’ Dit lichaampje, deze oogjes, dat zoekende mondje, die grijpende vingertjes. Pijn schiet er door heen en generaties verdriet om nu, vroeger. Het kind absorbeert de pijn, ze neemt de hartslag aan als in de buik, kloppend hart in de navelstreng, steeds sneller als een zwoegend hertje dat dartelt in het duin.

                         *

Dat liefde pijn doet lijdt geen twijfel, cliché dwarrelt het door het hoofd, al die gedachten waartoe leiden ze? 

                         *

En dan bekijk ik You tube-filmpjes, gewoon op zaterdagmiddag, my guilty pleasure. Britain’s got talent en daar gaat Het Gevoel, krijgt een uitweg in taal, het Queen’s English ‘I’m from South-Wales’, zegt het meisje van elf dat Whitney Houston ‘adores.’ De vijftienjarige puber die zingt ‘You’re always a woman to me.’ Zijn zwarte kuif, de stem zo breekbaar als het vogeltje waarmee de kat speelt. 

                         *

En dan: ik wil naar Engeland, die taal, door dalen en over holle wegen slingeren als de Engelse dierenarts in zo’n oude auto op weg naar de boer en het beter maken van vee. Of gaat het om beter maken van mijzelf, mijn betere ik, door het groen, de rust en de stilte te doorgronden die hier altijd zo wreed wordt verstoord door schuurmachines, elektrische heggenscharen zagen, slijpen, tollen, boren alsof ze hun eigen oorverdovende stilte willen doorbreken. 

                        *

Kindergekrijs verderop, het regelmatige terugkerende gebonk in je hoofd ‘dat deden de mijne nooit’ en ‘wij namen ze mee naar binnen als ze huilden of dreinsden’, want dat is het: gedreins. En wat dacht je van telefoongesprekken in de tuinen, grenzend aan elkaar als groene postzegels aan een velletje? ‘Ja, ik ben vandaag thuis, ja, gewoon thuis, ik versta je niet goed, waar ben jij dan?’ Harder en harder tot horensdolheid. Schamper spreken wij over de ‘volksbuurt’, dit weggestopte dorp in het groen.

                         *

Of ben ik niet tolerant genoeg? Dat was ik vroeger wel, toch? Veel vond ik goed. ‘Ze kan zich zo goed aanpassen aan verschillende situaties’, ik hoor het mijn moeder zeggen tegen wie weet ik niet meer. ‘Een evenwichtig en stabiel kind.’ Ja, zodat je zelf was ontslagen van iedere schuld, integendeel het heel goed gedaan had. Dit lieve kind, dat Holly Hobbie meisje zoals ik eens betiteld werd door een schoolvriendin. ‘Jij had altijd van die Holly Hobbie spulletjes.’ Bedoelde ze: ‘Je was zo zoetig?’ Ja, wat wil je? Ik moest wel dat meisje zijn dat ik niet was. Wie dan wel?

                         *

Ma

Ma, ek skryf vir jou ‘n gedig

sonder fênsie leesekens

sonder woorde wat rym

sonder bywoorde

net sommer

‘n kaalvoet gedig –

want jy maak my groot
in jou krom klein handjies

jy beitel my met jou swart oë

en spits woorde

jy draai jou leiklipkop

jy lag en breek my tente op

maar jy offer my elke aand

vir jou Here God.

jou moesie-oor is my enigste telefoon

jou huis my enigste bybel

jou naam my breekwater teen die lewe

ek is so jammer ma

dat ek nie is

wat ek graag vir jou wil wees nie.

Antjie Krog
                       ***

Taxidriver

 Een vakantieweek opent werelden en verschaft perspectieven. Ook al ligt de bestemming maar op drie uur vliegen van huis. 
                            *

Neem om te beginnen de taxi-chauffeur die ons om 3.45 uur ophaalde. Het voelde zo om 3.45 uur als het holst van de nacht. Maar het was ochtend. Je zag het aan de lichte schemering, je hoorde het aan een aarzelend vogelfluitje.

                          *

De katten keken mij bij het dichttrekken van de deur verwijtend aan. Of verdrietig? De blauwe ogen met de door mij geïnterpreteerde emotie gaven geen goed gevoel. Ik suste mijn geweten met de gedachte dat zij twee dagen later een uitstekende verzorging en veel, heel veel liefde zouden krijgen. De liefde van onze dochter die door roeien en ruiten gaat waar het ‘de katjes’, zoals zij ze betitelt, betreft. Even maar moesten ze het doen met onze buurman, die zich er wel overheen zou moeten zetten de dieren te voederen die zijn kat zodanig terroriseren dat deze niet meer via de achtertuin bij hem naar binnen komt. Bang om door de onzen besprongen te worden. Hoe lief ‘de katjes’ zijn voor ons, des te vreselijker zijn ze voor de buurtpoezen. Terroristen pur sang. 

                           *

De taxi-chauffeur arriveerde precies op de afgesproken tijd, hij was zelfs twee minuten te vroeg. Wij stonden in de startblokken en snelden, gek genoeg toch altijd weer een beetje gespannen voor zo’n reis met een vliegtuig, de deur uit. Net op tijd om te zien dat de chauffeur een plasje deed in onze Beukenvaart. Naar ons toelopend trok hij snel de rits van zijn gulp omhoog. 

                         *

‘Lekker vroeg hè?’, grijnsde hij een beetje verlegen. Het was een boom van een vent: grote handen, enorm lang, een zware kop met zwarte krullen. Ondanks het schemerochtendlicht was zijn imposante postuur goed waarneembaar.

                          *

Eenmaal in de taxi, we zakten direct weg in zachte leren stoelen, merkte mijn man op: ‘wat een apparatuur, het lijkt wel een cockpit.’ Hij zat voor, ik achter. De chauffeur grijnsde weer maar zei niets. Comfortabel reden we de Beukenlaan uit. 

                         *

Achterin, maar in principe door de hele cockpit heen, klonk keiharde house-muziek. Mijn slaperige schemerhoofd bonkte. 

‘Zo blijf ik een beetje wakker, het is ook zo vroeg nog’, merkte de chauffeur op. Wij zaten inmiddels al minuten zwijgend vervoerd te worden. Er viel niet zo veel meer te zeggen. De muziek overstemde mijn gedachten. Ik deed nog wel een halfslachtige poging bij te dragen aan een moeizame conversatie door op te merken dat mijn zoon ook wel eens deze muziek draait. Ik vertelde er niet bij dat hij deze niet zo keihard zet in de auto waarin zijn ouders zitten.

                            *

Mijn man viste uit dat onze chauffeur in Hoofddorp woonde ‘bij mijn vader.’ ‘Mijn vader is portier’, vertelde de reus. Ik spitste mijn oren en leunde naar voren.

‘O ja, waar?’, vroeg mijn man.

‘Onder andere bij het Patronaat’, was het antwoord. 

‘Hij is 44 jaar en beresterk, mijn vader’, voegde hij er trots aan toe. 

‘Hoe oud ben jij dan?’, er klonk verbazing in de stem van mijn man. Zelf had ik de chauffeur ingeschat op tenminste een jaar of dertig, vijfendertig.

’22. Ik sport net als mijn vader veel in de sportschool. Dat is ook wel nodig, ik woog vorig jaar zo’n 130 kilo. Ik ben 30 kilo afgevallen.’

‘Zo, dat is behoorlijk veel’, zei mijn man.

‘Er moet nog zeker zo’n 20 kilo af. Maar dat gaat wel lukken. Ik sport drie, vier keer in de week in de sportschool. En dan voetbal ik ook nog. Ik ben verdediger bij ‘De Brug’ in Haarlem.’

                          *

De house dreunde mijn hoofd binnen en ik dacht aan mijn dochter, 21 jaar. Een jaar jonger en vergeleken met dit oermens een doorzichtig feetje. Ook dacht ik aan mijn bijna 18-jarige, voetballende zoon. Hij zou in een keer onderuitgeschuffeld worden door deze oerkracht als hij alleen maar naar het doel van ‘De Brug’ keek.

                         *

‘Ik rijd nu vaak ‘s avonds en ‘s nachts, maar over een paar jaar ga ik rustiger aan doen’, vertelt de 22-jarige. ‘Eerst even lekker veel verdienen en dan genieten.’

                          *

De jonge chauffeur, overduidelijk van Turkse afkomst, had zijn draai wel gevonden. Huisje in Hoofddorp, taxi-rijder, liefhebber van house ‘soms ga ik naar een festival maar ik vind dat meestal te duur’ en voetballer bij ‘De Brug’.

                           *

Voor avonturen hoef je helemaal niet op vakantie. Dit ritje duurde 15 minuten. Van Bennebroek naar Schiphol. En was al een belevenis op zich. De verwijtende kattenogen was ik glad vergeten. We pakten onze tassen en wandelden Schiphol in waar zich op dit vroege uur al honderden passagiers bevonden. 

‘Goede reis’, riep de reus ons na en wij zwaaiden. ‘Dank je wel!’ En daar gingen we. Wij, wereldreizigers.

                        ***
 

De reis naar oud

2015/01/img_5402-0.png
Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop om te voldoen aan omgekeerde bloei en leeg genoeg te loop om vol te loop met wat vanuit hierbuite binnevloei’

Elisabeth Eybers

dinsdag 21 januari 2015
De verjaardag nadert.
‘Heb je nu al gereserveerd?’ vraagt mijn vader ongeduldig.
‘Pa, het is dinsdag, we gaan pas volgende week woensdag uit eten!’
‘Ja, maar je broer moet weten hoe laat we eten.’
Nou, dat kunnen we toch afspreken! Half zeven?’

En dat vind hij goed. Woensdag 28 januari 2015. Half zeven. Hij zal het doorgeven aan mijn broer. ‘s Middags bel ik het restaurant om te reserveren. Ik verontschuldig me voor de tijdigheid van de reservering. Waarom? Geen idee. Wel weet ik dat de ogen van mijn vader dwingen. Ook al ben ik geen kind meer. Ik reserveer een week plus een dag van te voren het restaurant. Braaf.

zaterdag 24 januari 2015
Zaterdagmiddag zit ik in de trein. Eén van de schaarse treinen die vandaag rijden. ‘In verband met de eerdere weersomstandigheden is er beperkt treinverkeer’, meldt een vrouwenstem om de vijf minuten over het Heemsteedse perron. Het ijzelde ‘s ochtends. Wat jammer was in verband met ons eerder geplande uitstapje naar Amsterdam. En dan komt toch een trein aanrijden. Compact en dus vol. Ik schuif op een stoel-alleen, vlak achter het klapdeurtje. Tegenover een vrouw van een jaar of zeventig. Zij neemt bijna twee stoelen in beslag. Een bruine handtas, die zij krampachtig vasthoudt, staat naast haar op de bank. Evenals een stoffen tas met opdruk. Mijn man schuift op de stoel naast de vrouw maar er is nauwelijks plaats.

‘U kunt uw tas ook naast u op de grond zetten’, merkt hij geërgerd op.
‘Dat kan niet’, antwoordt ze vinnig, ‘er zitten breekbare spullen in.’ Wat ik uit de tas zie piepen is een notitieblok, in zo’n nepleren kaft. En een boek, A-4-formaat. Ik ben benieuwd wat er breekbaar is in de tas. Het bruine handtasje, blijkbaar zonder breekbaar spul, legt ze zuchtend op het tafeltje voor ons. Mijn man en de dame. Ze zitten gezellig dicht tegen elkaar aan.

Met haar ogen achter een montuurloze bril wijst zij hem op de lege plek schuin tegenover hem.
‘U kunt ook..’
‘Ja, ik kan ook daar gaan zitten, maar ik kan mijn vrouw niet alleen laten’, zegt hij. Zij lacht zurig. Tijdens de reis naar Amsterdam dommelt ze weg. Naast de tas met het breekbare materiaal.

Zondag 25 januari 2015
Zondag bezoek ik mijn vader. Hij telt de dagen af tot woensdag 28 januari. De dag van De Reservering. Zijn Verjaardag. Het Etentje. Zijn wangen glimmen. Zijn huid, lichtbruin in de winter, is één tintje bruiner dan die van mij. Hij ziet er goed uit.

‘Je ziet er goed uit’, zeg ik.
Maar daar reageert mijn vader niet op. Ik vertel hem van ons uitje naar Amsterdam, het werk, we nemen de actualiteit door. Het wekelijkse ritueel.

‘Ik haal je woensdag om 18.00 uur op’, zeg ik bij het weggaan.
‘Dank je wel, dat je er was. Ik vind het altijd erg gezellig.’ Ook dat behoort inmiddels tot het ritueel. Evenals mijn onbeholpen, vaak non-reactie.

Als ik terugrijd naar huis denk ik aan een gesprek een tijd geleden.
‘Ik kan heel goed alleen zijn. Ik vind het zelfs prettig om alleen te zijn’, aldus mijn vader.
Ik denk aan mijn moeder die mijn vader cynisch ‘de eeuwige vrijgezel’ noemde. Zij voelde wel dat haar aanwezigheid voor hem nauwelijks toegevoegde waarde opleverde. Het is wonderbaarlijk dat hij mij het afgelopen jaar is gaan bedanken voor mijn bezoekjes.

En zo verloopt de reis naar oud. Onvoorspelbaar. In een compacte trein. Met je tas krampachtig in de hand. Vertrek hooguit één keer in het uur. Zoals de dienstregeling in wintertijd. Dankbaar.

Oud? Ja. Eenzaam? Nee.

Eilandvrouw

IMG_5035.JPG
Dit eiland sprong ooit op uit de zee. Zwarte stenen, diepe lava-groeven en glooiende bollingen herinneren aan de warme eruptie, ooit, jaren en jaren terug. Vrouwelijke vormen, plooien, hele en halve rondingen vormen dit grillige landschap. De najaarszon beschijnt de lage bergen, die oplichten als lichtbruine borsten, zich koesterend in de warmte.

Ik rijd met mijn kind door dit landschap. Twee vrouwen, een oudere en een jonge. Ruim 31 jaar tussen mij en haar. 21 Jaar geleden rondde zij mijn buik, als één van de zwellingen op dit eiland. Zij maakte mij tot moeder. En nu rijd ik, met haar naast mij, in een gele Fiat 500.

We rijden de ‘extra route 3’ uit het boekje van de ANWB. Het boekje stamt uit 2006. Te krenterig om precies hetzelfde boekje, -maar dan één van een recentere datum,- te kopen, doen we het met deze. Het door het boekje aanbevolen restaurantje dat we gisteren zochten in het haventje van Puerto del Carmen bestaat niet meer. Dat is de prijs die we betalen voor mijn oer-Hollandse gierigheid.

Acht jaar geleden was ik ook hier. Met mijn twee kinderen. En dat boekje. Een week in de zomer, nadat hun vader en ik beide kinderkamers puberklaar hadden gemaakt. Twee weken klussen in de Hollandse zomerhitte. Ik had nog een week vrij en boekte een last-minute naar dit Canarische eiland.

We hebben gelachen met ons drieën en we genoten van de zon, een kamelenrit en een avontuurlijk busrit door het betoverende Timanfaya-park. Een zwart, grillig maanlandschap, met diepe kloven waar we rakelings langs reden tijdens onze ‘Panorama-bustour.’ Doodsangsten stond ik uit en ik staarde de hele rit naar de chauffeur, die zuchtend en zwetend aan het grote stuur draaide bij iedere haarscherpe bocht. Rustiger was ons bezoek aan het vernuftig ontworpen ‘lava-huis’ van César Manrique: de kunstenaar die zijn karakteristieke stempel zette op dit eiland.

Met mijn oudste kind reis ik terug in de tijd. 1994, 2006, 2014. Het leven vliedt voorbij. Twee vrouwen in een zacht, rond landschap. Eén voor wie het leven half geleefd is. Eén voor wie het leven start.

We eten tapas in een vaag, donker barretje in Haria. Ze hebben goede WiFi en fijne croquettas. We drinken samen een hele kan sangria op. De vruchtjes zitten onderin. We peuteren ze na het drinken uit ons glas. We sturen elkaar fotootjes en we appen met de mannen.

Daarna kijken we vanaf Mirador del Rio uit over oude zoutvelden, die zich onder ons ontvouwen als de gekleurde vakjes van een make-up doosje. Dit mooie zinnetje staat in het ANWB-boekje uit 2006. En het is zo. Achter de zachtbruine en warmgele vlakjes schittert de zee. De branding draait schuimig om de rotsen heen. In de verte zien we een klein eilandje. Graciosa.

‘Mam, dit is een mooie plek, ik maak hier van jou een foto!’ Ik zit op een muur van hard, zwart lavasteen. Zij maakt een foto. De jaren glijden aan mij voorbij.

We stappen in de gele Fiat en kijken in ons oude ANWB-boekje waar we heengaan. We rijden de zachte plooien en warme rondingen in.

Twee vrouwen in de novemberzon. Eén wat oudere. Eén jonge.
Rond, zacht, warm.
Eilandvrouw.