Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Advertisements

Little fish

              


Our mission                                       

To be a source of inspiration for guests, through the beauty of our surroundings, the quality of our service, and the sustainability of our business practices *

De lantarens aan de oever van de rivier de Yulong floepen aan. Ook verlichten lampion-achtige lampen het restaurant. Het ruizen van watervalletjes in de rivier begeleiden de tropische avond en vormen samen met het lieflijke geluid van krekels een mierzoet orkestje. Een roze-omrande wolk hangt intussen roerloos tussen twee bergtoppen in. Even later schijnt een maantje als een helwit banaantje in de pikzwarte lucht. 

                        *

Een Chinese serveerster plaatst naast onze tafel aan de rivier een schoteltje met wierook. Dat verdrijft de insecten die onzichtbaar maar ongetwijfeld in groten getale azen op onze onbedekte armen en benen. 

Ze zijn vriendelijk, de jonge meisjes die hier werken. En ze spreken allemaal Engels.

                         *

In de kamer lees ik in de informatie- map waar de vriendelijkheid van de jonge Chinese meisjes vandaan komt. Dit hotel, ooit gestart door een Amerikaanse ontwerper met een paar bedden, een balie en een telefoon groeide uit tot een eco-resort met bamboe-meubels, zonne-panelen, gezonde voeding en inzet van lokale jongeren als hotelmedewerkers die moeten bijdragen aan deze ‘model tourism facility’.

                        *

In het informatieboekje van het hotel – met een bamboe-omslag – staan de visie, missie en kernwaarden van de ‘Mountain retreat family’. De visie luidt: ‘To be consistently recognized as a model tourism facility in China by offering superior value and an authentic experience to guests. Our work results in the prosperity of Yangshuo by creating opportunities for local people, and a deeper appreciation for their culture and history for all who visit us.’ 

                        *

Het lukt ze goed, betekenis geven aan de visie. De locatie, het geweldige plekje aan de rivier waarop bamboe-vlotten met Chinese toeristen onder gekleurde parasolletjes langzaam voorbijdrijven, draagt zeker hieraan bij. Maar de meiden doen ook heel erg hun best. 

                        *

Bij de receptie vraagt een Franse dame of ze haar glas mag meenemen naar de kamer. Het gezicht van het jonge meisje achter de balie – ongetwijfeld pas ingelijfd bij de ‘family’ – staat op ‘nee’. Haar supervisor grijpt snel in: 

‘Yes, of course!’, roept ze vrolijk. Het nieuwe meisje kijkt beteuterd. Nog niet helemaal gewend aan de ‘vision’ en ‘core values’ van de Mountain retreat family. De supervisor heet ‘Little fish’ lees ik in het bamboe-boekje. Geweldig.                

                        *

Dat het ook anders kan bewijst ons volgende hotel dat in de regio met de grootste rijstvelden ter wereld ligt, Ping’an. Alle gezichten hier staan op nors. Niemand spreekt Engels, we gokken hoe laat het onverschillig- neergesmeten ontbijtbuffet begint. Ze zouden wat kunnen opsteken van Little Fish. En ik denk aan de slogan achterop de zwarte t-shirts van de Mountain-retreat-meiden: ‘Be inspired’. 

                         ***

*http://www.yangshuomountainretreat.com/mb/community/our-family.htm

Lotus


‘Vreemd om opeens hier te staan’, zegt mijn man. We wachten op de taxi. Voor ons speelt zich het tafereel af van alle luchthavens. Taxi’s, busjes, koffers, mensen. De warmte drukt op ons als een elektrische deken die de hele nacht op de hoogste stand heeft aangestaan. 
                              *
We zijn in Peking. Beijing. We ontmoeten hier onze dochter die de trein vanuit Shanghai neemt. ‘Ik ben er rond 13.00 uur’, appt ze. We spreken af bij ons hotel dat midden in een volkswijk van Beijing ligt. Hutong zeggen ze hier. De taxi brengt ons er naar toe.
                             *
De auto rijdt langzaam door de nauwe straatjes van de hutong. Een tafereel uit Kuifje en de Blauwe Lotus ontrolt zich voor onze ogen. Chinezen op fietsen, Chinezen met betjah’s en elektrische scooters, we zien springende honden en spelende kinderen. De chauffeur klapt zijn buitenspiegels dicht. Achter de taxi waaiert het tafereel weer uit als zand dat zich door de smalle hals van de zandloper wringt. Chinezen op fietsen, Chinezen met betjah’s en elektrische scooters, we zien springende honden en spelende kinderen.
                          *
Het Shadow Art Hotel bevindt zich midden in het nauwe steegje. Een modern gebouw, architectonisch perfect passend bij de lage bebouwing van de wijk. In de lobby staat een poppentheater waarin platte, fijnbewerkte figuurtjes achter een verlicht scherm met behulp van onzichtbare handen schaduwverhalen vertellen. Het wordt ons direct trots verteld: ‘Every saturday-evening shadow-art-performance. You must see!’ Jaja, knikken wij, verlangend naar een koele kamer, een bed na de lange vlucht en maar drie uurtjes slaap.
                         *
‘Ik loop haar zo tegemoet’, zeg ik tegen mijn man op het bed. ‘Maar van welke kant komt zij?’ Mijn man zegt dat ik ook hier kan wachten. Ik loop naar beneden.

Ik leg mijn hand tegen de zware voordeur van het hotel. De deur is bewerkt met houtsnijwerk. Het reliëf voelt zacht aan. Ik duw, maar de deur wijkt niet. ‘Push the button to open the door’ staat op een bordje en ik push. ‘Hallo!’, hoor ik achter de deur. ‘Hallo!’ En daar staat ze. Haar hand hangt in de lucht. ‘He, daar ben je al’, zeg ik.
                         *
Vier dagen trekken we door Beijing. Een jongen in onze straatje poetst zijn tanden, hij zit gehurkt boven het rooster in de weg en spoelt de tandpasta weg met water uit de lichtblauwe beker in zijn hand. Achter hem zie ik een gang volgepropt met meubels, dekens, pannen. Vochtige donkerte achter grijze muren. Bij het langslopen ruik ik een zurig vlaagje opgedroogde urine.
                            *
Met onze Nederlandse gids Inge fietsen we de volgende dag door de stad. Oud vermengt zich met nieuw. Een glimmend gebouw van Rem Koolhaas valt bijna op de vervallen straatjes met elektriciteitsdraden die als vrolijke straatversiering tussen de huizen hangen. ‘Deze wijk wordt binnenkort afgebroken’, wijst Inge. Een peuter met een van achteren opengewerkt broekje dat luiers bespaart klautert over de drempel van een huisje. Zijn dunne billetjes steken uit als twee kaneelkleurige halve maantjes.
                            *
In het complex van het keizerlijke zomerpaleis even buiten de stad schittert het water van het – door mensenhanden gegraven – meer in het vroege zonlicht. Chinese ouderen schuifelen achter elkaar aan door de overdekte en rijk beschilderde buitengang die een keizer voor zijn moeder liet bouwen. ‘For an excellent view on the lake’, aldus onze Chinese gids Bruce, wiens Engels wij nauwelijks verstaan. Het maakt de excursie vermoeiend. Bruce praat graag en veel.
                             *
Lotus-blad ligt verstild op het water. Sommige bladeren vergelen, de zaden van de uitgebloeide bloemen verspreidden zich al over het park, het paleis, het water.

‘Lotus’, zeg ik tegen mijn dochter die naast mij loopt, ‘Dat zou een mooie naam zijn voor een meisje.’
‘Wel een hoog Vlinder-gehalte’, zegt mijn kind en ik val van mijn Chinees-poëtische wolk af. ‘Ja’, beaam ik spijtig. Maar ik proef toch nog even de naam. Lotus.
                      ***

Gehaktballetje


Een heer met een krulsnor en een vrouw met Reebok-wandelschoenen zitten schuin tegenover mij in de koele wachtruimte van Schiphol. Ik draag dezelfde schoenen als de vrouw. Reebok, zwarte wandelschoenen en zo te zien ook maat 38. De schoenen lijken op gympen, daarom kocht ik ze. Ze zagen er niet al te erg uit. 

                         *

De Reebok-vrouw maakt oogcontact met de heer tegenover haar. Een pluizige kring lichtgrijs haar zweeft als een halo rond zijn voorhoofd en slapen en eindigt van achteren gek genoeg in een paardenstaartje. Een zwart elastiekje houdt het staartje op zijn plaats.
                      *

‘U reist ook met SAWADEE?’, vraagt de vrouw met mijn schoenen aan de man. 

‘Ja’, zegt het paardenstaartje. 

Aan zijn rugtas, die naast mij in een stoel staat, hangt een kaartje waarop staat: SAWADEE. 

‘Je haalt ze er gelijk uit’, glundert de vrouw. Haar man naast haar knikt. Zijn grijze snor beweegt lichtjes mee, de puntjes zijn mooi gekruld. Ik zie zijn dikke duim en wijsvinger ‘s ochtends de snor zorgvuldig krullen. Mijn vingers bewegen met deze gedachte mee; duim tegen wijsvinger, een beetje vet ertussen en draaien maar.

                       *

De Reebok-dame pakt haar telefoon.

‘O God’, zegt mijn man, ‘Ze zal toch niet gelijk een WhatsApp-groep aanmaken?’ Maar dat doet ze. Resoluut tikken haar vingers op de telefoon. Naast haar komt een dame zitten met grijs, kortgeknipt haar. Zij is ook op reis met SAWADEE. Deze dame draagt echte wandelschoenen: hoge beige, met rood-witte veters door koperen lusjes, strak aangetrokken. Haar man zit schuin tegenover haar. Schutterig staat hij op en schudt zijn mede-SAWADEEERS de hand. ‘Leo’, zegt hij.

                        *

‘Hij lijkt op opaatje’, fluister ik in mijn man’s oor, ‘je weet wel, opaatje met de filmcamera.’ Ooit maakten wij een groepsreis door Israël. In de groep zat opaatje. Hij droeg een camera van ontzagwekkend formaat op zijn schouder. Alles en iedereen filmde hij. 

                        *

Onze medereizigers, waarvan velen een Christelijke achtergrond hadden, wisten alles van de bijbel en het bijbelse landschap waar wij doorheen reisden. Een Duitse leraar in onze groep sprak Jezus’ Bergrede uit. We hoorden de woorden en staarden naar de rode heuvels rondom ons. 

                       *

Tijdens de reis bezochten we ook Yad Vashem, het Israëlische Holocaustmuseum. Met betraande ogen verlieten we de herdenkingsruimte waarin we de namen van vermoorde kinderen hoorden. Benjamin Blitz, Jetje Israëls, Aaron Stern. Met op de muren om ons heen foto’s van de kinderen, levensgroot geprojecteerd.

‘Dat viel een beetje tegen, he?’, hoorden we iemand zeggen terwijl wij als hulpeloze drenkelingen, overmand door verdriet, tegen een warm rotsblok hingen.

                        *

Vandaag reizen wij naar China. Met een heleboel Chinezen en een paar Nederlandse baby-boomers die vanaf nu verenigd zijn in de SAWADEE-app-groep.

‘De reisleiding is nog niet bekend’, hoor ik de Reebok-mevrouw spijtig zeggen. Ze had de groep graag compleet gemaakt. Haar steile, bruin-geverfde bob-kapsel valt naar voren als zij licht vooroverbuigt en op haar schermpje tuurt als een ekster naar een zojuist door een  ander leeggeroofd sieradendoosje. 

                   *

Even later zitten we in het vliegtuig. We hebben de stoelen 35 A en B. Ik zit aan het raam. Als we een eindje op weg zijn zie ik opeens een lichtje links van mij in de donkere nacht. Een ander vliegtuig? Nee, het is het lichtje op de vleugel van ons vliegtuig. Ik kijk de donkerte in en ik volg het lichtje. Een lantaarntje in de nacht. Heel even denk ik aan de MH17 en het laatste appje dat we vlak voor vertrek van onze zoon ontvingen: ‘Sms-en of appen jullie mij als je er bent?’

                            *

De Chinese buurman van mijn man op stoel 35 C peutert in zijn neus. Zijn purkje dropt hij naast zich in het gangpad, vlak voordat de opgewekte stewardessen met de maaltijdkar verschijnen. 

‘Doet u mij maar de hutspot met gehaktballetjes’, zeg ik. 

                         ***

KL 897


Een vliegje in de herfst, 

vliegt tussen de takken van een berk- 

geur van bladeren, 

natte aarde- 

en tussen die takken is niets 

en tussen die en die, 

het vliegje denkt misschien: 

de spin is een verzinsel, het eerste web 

moet nog worden uitgevonden! 

Het wordt donker, 

de maan komt op, 

oud bos, 

slingerende paden, nauwelijks lanen, 

de moed om te verdwalen 

bijna gemist. 

Toon Tellegen 

Vannacht droomde ik over mijn moeder. Wij aten in een chic restaurant naast het station. Nooit at ik met mijn moeder in een chic restaurant naast het station. Mijn zoon kwam ook in de droom voor, hij was nog klein. Mijn moeder is dood, verloren uit hart en oog. Mijn zoon is groot.
                         *

Ik kijk naar boven. Er is veel hemel. Nazomerwarmte valt neer als een warme doek over een kil aanrecht. 

                         *

Spinnen die leep wachten in hun draden op schokkerig-bewegende vliegjes en muggen. Een draad spant zich vlak boven mijn hoofd alsof het mij de weg wil versperren en mij zal doorklieven als stiekem gespannen ijzerdraad op een stille landweg.

                          *

Over een paar dagen vliegen wij weg van dit alles. Ik weet niet goed wat ik moet verwachten, wat gek is want ik heb het reisplan goed bestudeerd. Beijing, Chengdu, Guilin, Yangshuo, Ping’an, Shanghai. Het doet mij denken aan de rijtjes die wij vroeger uit het hoofd leerden en waarvan we maar moesten raden wat het betekende. Mit, nach, nebst, samt – het was iets met een derde naamval.

                       *

De reis is iets met onze dochter. Zij is daar nu, in het abstracte China waar zij haar eigen lijn trekt. Wij trekken parallel aan haar lijn een paar streepjes en vertrekken daarna weer. 

                      *

Warme lucht met opgezogen vuil en stof zal daar op ons neerslaan. Volgens ons kind zijn er slangen en wilde honden in de bergen. De bergen hebben rare vormen en zijn bebost. Als harige pukkels steken ze uit in het dromerige landschap. Over spinnen hoorde ik haar niet. 

                       *

Nieuwe dromen vormen zich in ons onnavolgbare brein. Dromen over levende dochters en grote zonen, – uit het oog, in het hart.

                    ***

Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Een lieve stad


Bij ons in huis staan opeens twee zwarte laarsjes. Halfhoog zijn ze, maat 35, hooguit 36. Ze staan fier rechtop. De laarsjes zijn van onze dochter.

‘Ik werk tot en met vandaag’, zei mijn dochter zaterdagochtend, ‘Dan kan ik volgende week nog even rustig aan doen.’

‘Ja, prima’, zei ik.

‘Kan je al mijn gespaarde geld voor China binnenkort aan mij overmaken?’, vroeg ze

‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik.

‘Mooi’, zei ze en ze ging naar beneden. 

                         *

Ik vind zodirect in de badkamer een paar lange, blonde haren, dacht ik slaperig. Ik droomde die nacht over haar. Dat ze haar vliegtuig in Guilin, een stad in Zuid-China, miste ‘Daar moet ik al om 5.00 uur ‘ s ochtends zijn als ik terugkom uit Yangshuo, hoe ga ik dat regelen?’, zei ze onlangs, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ik weet het ook niet. Wel weet ik dat ik wakker lag van de gedachte dat zij daar liep, ‘s ochtends vroeg in die Zuid-Chinese stad met zoveel inwoners, Chinese karakters, Chinese klanken, niemand die Engels spreekt. Ik moet uiteindelijk weer ingeslapen zijn ondanks de harde wind die onze slaapkamerdeur deed piepen en de gordijnen liet opwaaien, zachtjes als de ruisende rokken van een pirouettes-draaiende dame. 

                    *

Onze dochter vertrekt over een week naar China. Ze gaat daar een half jaar studeren maar eerst nog even reizen. In haar eentje. Met treinen, vliegtuigen en taxi’s. Naar miljoenen-steden, grillige gebergten, meren, rivieren en pandaberen. 

‘Ik ben daar toch een paar weken te vroeg, ik heb tijd zat om te reizen’, zegt ze. Samen zoeken we hostels, boeken we vliegtuigen, sturen we kopieën op van haar paspoort naar Chinese dames die in steenkolen-Engels mailtjes sturen met verzoeken om meer informatie. ‘Klopt dat wel?’, vraag ik mijn dochter. ‘Ja, ik krijg van mijn verhuurder ook dat soort vage mails’, zegt ze. En we sturen de paspoortgegevens maar door aan Chinese dames die Sue of Nikki heten.

                        *

‘Zullen we nog een keer naar de Dubuffet-tentoonstelling in het Stedelijk Museum gaan?’, vraagt mijn man.

‘Ja’, zeg ik, ‘Dinsdag ben ik vrij.’ 

                      *

‘Ons huis is per 1 augustus onderverhuurd, dus ik kom nog een weekje naar huis’, meldde onze dochter een tijdje geleden. Dus kwam ze thuis. Met acht dozen, zeven volle tassen, een koffer en een reistas. 

‘Ik ga mee naar de tentoonstelling van Dubuffet’, zegt ze. 

‘We kunnen met de auto, die zetten we dan in de Apollolaan’, stel ik voor. ‘Dat doe ik ook altijd als ik Barry bezoek. Dat gaat prima. Ruim plek, het is vlakbij het Museumplein en parkeren daar kost € 3,- per uur.’ 

‘O prima’, zegt mijn man, ‘Dan lopen we daar vandaan naar het Stedelijk.’ 

                          *

Op de Apollolaan zijn veel lege plekken. Ik parkeer de auto, ik activeer de handige parkeer-app en we lopen richting het Museumplein. Op de Apollolaan staan in de middenberm sculpturen, het is een beeldenroute, Art Zuid. En we zien Rudi Fuchs. Langzaam steekt hij over bij het zebrapad. Een zwarte bloes draagt hij en een zwarte, hoog opgetrokken broek die om zijn bolle buik spant. Wilde, grijze krullen. Een oude man. ‘Daar loopt de oud-directeur van het Stedelijk Museum’, zeg ik tegen mijn dochter.

‘He, wat?’, zegt zij en ze kijkt een man na op een opoefiets.

‘Nee, de man die nu oversteekt’, wijs ik haar op de gebogen, oude heer.

‘O’, zegt ze.

                        *

De tentoonstelling van Dubuffet is klein maar prachtig. In de tuin van het Rijksmuseum staan ook nog een paar sculpturen van Dubuffet. We wisten niet dat er een tuin was bij het Rijksmuseum. Maar die is er: met een fontein vol spelende kinderen, een vijver met lelies, perkjes gevuld met kleurrijke bloemen en stukjes gras met beelden van Dubuffet. Langzaam lopen we terug door Amsterdam- Zuid, via de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat. Langs het Hilton. 

                      *

‘De auto staat daar’, zeg ik en ik wijs naar een omhoogstaande, ijzeren knoop in de middenberm. Een sculptuur. Maar de auto staat er niet. 

‘Hier stond hij’, zeg ik en ik wijs naar de lege plek. Achter de lege plek staat een auto die wordt opgeladen. Een geel snoer kringelt van de auto naar een laadpaal. 

‘Ik weet het zeker’, herhaal ik, ‘Hier stond ie.’ Verbouwereerd staren we alledrie naar de lege plek. 

‘Gestolen?’, vraagt mijn dochter. 

‘Ja, ik denk gestolen’, zeg ik. Een piepklein autootje draait om ons heen. Het raampje gaat open.

‘You parked here?’, vraagt een donkere man, zijn elleboog ligt op de onderrand van het raampje. 

‘Yes’, stamel ik.

‘He was moved a while ago’, zegt de man. ‘This place is for electric cars’, vertelt de man en hij wijst op de lege plek en de auto die achter ons staat met de gele draad. ‘I didn’t know this was also a place for electric cars.’ zeg ik. Woede maakt zich van mij meester.

                        *

‘Wat doen we nu?’, vraagt mijn man.

‘We bellen parkeer-beheer’, zeg ik. De Amerikaan zet zijn mini-autootje op de stoep voor zijn huis. 

‘I live here, if you need anything, I’m in the house.’ 

‘Thank you’, zeggen we. Verslagen nemen we plaats op een bankje in de tussenberm van de Apollolaan. Met uitzicht op de ijzeren knoop.

                          *

Een dame van de gemeente Amsterdam die ik aan de telefoon krijg vertelt me dat onze auto is weggesleept en op de Daniël Goedkoopstraat 9 staat.

‘Goedkoopstraat?’, herhaal ik, ‘Is dat in Zuid?’

‘Ja, ergens in Suid’, zegt de vrouw. ‘U moet dat maar efe opsoeke op uw telefoon. De kosten bedragen trouwens €373.’ 

‘€373?’, herhaal ik.

‘Ja, €373, dat sijn de kosten voor het wegslepen. Dese moet u direct betalen.’ 

‘Maar ik heb het niet gezien, die plek, dat deze voor een elektrische auto was. Er waren zat parkeerplekken op de Apollolaan. Ik had best ergens anders kunnen staan. En ik heb de parkeer-app aangezet.’ 

‘Tja, toch mag u daar niet staan’, zegt de vrouw. Het gesprek is afgelopen. ‘Fijne dag’, wenst ze ons toe.

                         *

We nemen de tram, de metro en lopen over een desolaat bedrijventerrein waar parkeerbeheer huist. Een flinke dame achter een beveiligde balie beaamt dat het wegslepen van onze auto ‘belachelijk’ is. Maar dat in heel Amsterdam alle verkeerd geparkeerde auto’s worden weggesleept. 

‘Dat is het beleid mevrouw.’ Ik pin €373,-. 

‘Amsterdam is toch een iets minder lieve stad dan meneer van der Laan laatst op televisie vertelde’, zeg ik. 

                         *

Thuis staan de zwarte, halfhoge laarsjes midden in de kamer. Over een paar dagen gaat onze dochter weg. Naar China. Voor haar rechtenstudie. ‘Mam, ik zoek de jurisprudentie op.’ Ze tikt driftig op haar computer. 

‘Morgen schrijf ik een brief en daarna kan jij die in jouw woorden overschrijven. Daar kan je dan mee in bezwaar gaan.’ Ik kijk naar de laarsjes en die ene lange blonde haar op de rand van het tafelblad. Ik pak de haar op en laat deze langzaam op de vloer vallen.

                          *

Ik zal haar missen.

                          ***