Wan Li


Als we de poort van ons hotel uitlopen staat rechts van ons een beige busje. Het is half acht ‘s ochtends. We zijn vroeg want vandaag bezoeken wij de panda-beren in het complex met de veelbelovende naam, Giant Panda Breeding Research Base. Panda’s zijn alleen ‘s ochtends actief. Dan krijgen zij eten en bewegen zij een beetje. Verder slapen zij de hele dag. 
                     *

Mijn man loopt naar de chauffeur en vraagt hem of dit het busje is dat ons vanuit Chengdu-stad naar de panda’s brengt. Een fragiel meisje duwt haar iPhone voor mijn man’s neus en zegt wat. Maar hij luistert niet en blijft zich wenden tot de chauffeur.

                       *

‘Raym’, zeg ik, ‘Volgens mij is zij onze gids.’ Maar het helpt niet. Hij blijft gebaren tegen de man die naast de auto geleund staat. Het gezicht van de man is bruin. Van dat verweerde bruin met rimpels. Duidelijk geen moderne Chinees die het gezicht zoveel mogelijk uit de zon houdt met sjaals, mondkapjes en parasols. Vooral jonge, Chinese vrouwen zijn graag zo wit mogelijk.

                        *

Het meisje houdt aan en duwt haar telefoon nu goed onder de neus van mijn man. Eindelijk kijkt hij. Zij laat onze naam op het schermpje zien. 

‘I am your guide today’, zegt zij vriendelijk. Haar tengere gestalte blaas je zo om. Ze draagt een grote bril en haar lange haar valt over haar smalle schouders. ‘My name is Wan Li’, zegt ze even later in de auto. ‘Wan’ betekent elegant. Li ‘Is just a name my father gave me’, lacht ze. Elegant is ze. Lichtvoetig hupt ze de auto uit en leidt ons naar het mooi aangelegde park waarin de panda’s huizen. 

                          *

Wan Li is trots op het park en de panda’s. Alle dieren die wij als brave toeristen uitgebreid fotograferen fotografeert zij ook. Zij hangt net als wij zo ver mogelijk over het hek om de alsmaar bamboe-etende panda’s goed te zien. Tijdens het lopen legt zij van alles uit over het fokken van panda’s, het verschil tussen dit park en andere parken (‘This one is the most professional’) en helemaal blij wordt ze zodra ze hoort dat wij uit Nederland komen. ‘You got just two panda’s from us!’, en enthousiast vertelt ze dat ze beide panda’s goed kent. Vooral het mannetje. ‘I’ll show him your picture’, grapt mijn man en Wan Li lacht en lacht. 

                      *

Op de terugweg vertelt ze over het strakke schoolsysteem en de druk die op alle kinderen ligt om te slagen voor DE TEST. DE TEST bepaalt alles. Als je de beste bent en dat ben je met ‘A level one score’, aldus Wan Li kan je naar de beste universiteit en betaal je het minste geld. Er zijn kinderen die meerdere jaren achter elkaar proberen de hoogste score te behalen al kost ze dat telkens nog een jaar extra op high-school. Wan Li vertelt dat haar moeder en leraren vonden dat zij level one moest kunnen halen. Maar het werd level two en Wan Li vond het best. ‘I don’t like to study’, lacht ze, ‘I like to work.’

                      *

Bij het afscheid krijgen we een omhelzing van Wan Li en ze geeft ons haar kaartje: ‘You can call me anytime!’, zegt ze. Ik bekijk het visite-kaartje. Er staat een panda-beertje op. 

                       ***

Advertisements

De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***

Schoenenkast


 Wat een vader doet

(…)

Elke keer als jij verdwaalt,
elke keer dat je valt,
verdwaalt/valt een vader
tienduizend keer harder,
totdat het overal in hem schroeit

Totdat jij 

groot,

groter,

allergrootst,

voorgoed

boven zijn hoofd groeit

Benny Lindelauf

Uit: Er zit een feest in mij, Querido’s poëziespektakel 5, 2012


Op een mooie winteravond fietste ik naar de stad. Muts op, warme jas, handschoenen aan. Bergjes bladeren versierden de zijkanten van het pad, de straatlantaarns deden de blaadjes oplichten als een hoop bijeengewaaide sterren. Er stond geen zuchtje wind.
                       *

En langs het huis van mijn vader, bij de rotonde tegenover de kerk fietste ik. Mijn hoofd draaide naar links en ik zag een zwart gat. Het raam. Aan weerszijden hingen witte gordijnen, door mij half gesloten alsof mijn vader er nog was. Zijn grijze haren door het raam, blauw opflikkerend door de televisie die zo vaak aanstond. ‘We doen de gordijnen gezellig half dicht, pa, dan heb je een beetje privacy’ en zo langsfietsend – de geraniums liggen in gesloten vuilniszakken, de orchideeën branden in het vuur – kriebelde mijn neus. 

                        *

Ik hoefde de dag erop niet langs, geen haring, geen appeltje, geen Senseo koffie met ‘Ik laat het lekker nog een keer doorlopen anders is hij te sterk.’ Ik hoefde niet te vertellen over mijn werk, de fusie ‘Is dat nou nog niet klaar?’, mijn dochter, mijn zoon. Niets meer over eten bij oude vrienden, een uitje, de veteranen. Over en sluiten.

                         *

En daar, op dat pad bij de rotonde langs de kerk kriebelde het. Na weken van rondrennen en regelen bevroor zout op mijn wang. 

                         *

Daarbij gooide ik een leven weg: een leven van werken, vakanties, brieven, oorkondes, agenda’s, plaquettes. Ik zocht foto’s uit, Amerika, véél Amerika, Korea, Mexico, Taiwan. Foto’s van mensen die ik niet ken, bloemententoonstellingen. Mijn vader maakte foto’s van interieurs, kamers waarin hij sliep, een vakantiehuisje op Long Island, mijn vader onder een solar shower, een zak heet water opgewarmd door de zon, daar in het huisje op Long Island met zijn broer – die ook dood is.

                         *

We ontvingen een kaart van mijn Amerikaanse tante: in hoekige letters vertelt ze over mijn vader en zijn broer. Dat ze kattenkwaad uithaalden met zijn tweeën, ‘despite they were already old men’.

                          *

Ik vind een plaquette en nog één met in het Koreaans een opschrift. Eronder staat in het Engels een dankwoord voor Mr. A.S. Jonquiere voor zijn werk in Korea. 

                            *

Ik zie een foto van zijn vriendin Liz die zo gek was op mijn vader: achterop de foto van hen tweeën staat geschreven in vrouwenletters: ‘Toen ik zo blij was dat ik je kende.’ 

                           *

Ik gooi zijn leven in een vuilniszak. 

                       *

Kleine boekjes en envelopjes met foto’s: Italië, Rusland, Frankrijk, Cyprus, de Cariben, mijn God waar was mijn vader niet? China, Spanje, ik scan feestelijke optochten, marktjes, straten en gebouwen. 

                            *

Ik gooi een leven weg.

                        *

Mijn broer en ik verkopen en schenken meubels aan kringloopwinkels: boekenkasten, een bankje, zijn luie stoel, het televisie-tafeltje. Oude fototoestellen, lenzen, gereedschap, tien dozen vol. Er komt een man voor mijn vaders seniorenbed: ‘Het bed is voor mijn vrouw. Ze heeft te horen gekregen dat ze kanker heeft. Het bed komt in de kamer te staan.’ De potige man loopt om het bed heen, tilt het matras op. ‘Ik denk niet dat mijn vrouw blij wordt van het bed.’ En ik denk ook niet dat ze er blij van wordt. Ik wens de man sterkte toe met zijn vrouw en ik zie hem weglopen, de gang door. Een grote, geslagen man.

                        *

Een andere man neemt het schoenenkastje mee. ‘Misschien bel ik nog voor de tafel en stoelen. Ik wacht op een nieuw huis. Volgende week weet ik meer.’ En ik loop mee naar beneden met de plankjes van het schoenenkastje – ik zie de schoenen van mijn vader erop staan, en ik leg de planken in een Renault Kangoo vol rotzooi. ‘Tot ziens!’

                            *

De vloer die ik samen met mijn vader kocht – ‘Vind je dit een mooie kleur?’ ‘Ja, prachtig pa, daar past alles op!’, moet eruit. Ik trek aan een hoekje en het marmoleum laat los. 

                          *

Als ik wegga sluit ik de gordijnen. Die moeten ook weg. Maar nu sluiten ze het zwarte gat af, een paar dagen nog.

                           *

Ik gooi een leven weg. Nog even en we zijn klaar. 

                            *

Het laatste dat ik in mijn doos stop – de doos die ik meeneem, is een witte envelop. Er staat op geschreven: ‘Ansichten van alle bezienswaardigheden in Parijs van de fietstocht met drie vrienden, 1949.’ Ik stop de envelop in mijn doos, sluit deze, vouw de kartonnen flappen dicht, eerst de korte zijde, dan de lange, kort, lang. Dicht.

                         ***

Guilty pleasures

  
Het zou gaan regenen vandaag maar het blijft grijs en droog. Het gekke is dat het mij teleurstelt. Graag had ik de hele dag binnen gezeten zonder het gevoel te hebben dat ik naar buiten moet ‘nu het nog droog is.’ Nee, ik wil in pyjama de krant lezen, een broodje eten, de katten aaien en The Voice Kids kijken, het programma dat ik opgenomen heb, zonder een man die vraagt: ‘moet jij je burgerkleren niet aantrekken?’ en een kind dat niets vraagt, maar zo nu en dan naar beneden komt om eten te pakken en daarbij zijn wenkbrauwen lichtjes optrekt.

                          *

En ja, dat is wat. Bekennen dat je als volwassen vrouw met een respectabele baan en boeken in de kast kijkt naar een dergelijk programma. Ik twijfelde lang. Zou ik het bekennen? Het ergste is nog dat ik mijn eigen kinderen niet kan betrekken bij deze guilty pleasure. Een is de deur uit, studeert, sport, heeft een vriend en een oppasbaan. Haar krijg ik niet meer iedere week op de bank met kaneelthee, een kruik en twee reclameblokken verder een toastje met kaas van de plaatselijke delicatessen-zaak.

                         *

Het andere kind is vastgeplakt aan zijn bed waarop hij multi-taskt met behulp van verschillende apparatuur-met-beeldscherm. Boeken die hij misschien in zou moeten kijken – wil hij alle tentamens halen volgende week – verdwalen in de chaos van een overvol bureau. Een sleutel, muntstukken, een glas met wat water, een bakje waarin ooit zoutjes zaten, een pen, potlood zonder punt en een halve gum. Nee, ook hij kan niet betrokken worden bij zijn moeders geheime genoegens. Dus kijk ik geheel en al op eigen conto.

                             *

Wat is het toch dat mij trekt in zingende kinderen, artiesten die wel of niet omdraaien, zenuwachtige ouders en opgewonden presentatoren? Wat zie ik toch hierin? Waarom moet ik dit programma kijken en trekt het mij aan als een ijzervijlsel-slurpende magneet?

                             *

Misschien is het de vertedering die de kinderen opwekken: de meesten zijn verlegen en beleefd. Ze zeggen ‘dank u wel’, lachen hun mooie lachjes. En sommigen zingen de onverwachte sterren van de hemel. Dan maakt Marco Borsato een gebaartje met zijn hand, het gebaar dat ooit Gerald Vanenburg maakte bij de goal van van Basten in 1988. Nederland-Rusland 2-0. 

                              *

Nog erger dan bovenstaand plezier is het bekijken van You tube filmpjes met dezelfde strekking als hierboven: filmpjes van volwassenen en kinderen die de jury verrassen met een prachtige zangstem, een ontroerend verhaal plus optreden, zang- en danstalenten ineen. Britain’s got talent, de Amerikaanse Voice, de Duitse Voice Kids, you name it, ik heb het gezien. De twee pubers die onwaarschijnlijk mooi ‘All of me’ zingen van John Legend, tweestemmig, de jury tot tranen toe roerend. Het meisje Laura, 11 jaar, met brilletje en vreselijke moeder in de coulissen die moeiteloos ‘I Will always love you’ zingt, een geluksbeertje hangt uit de zak van haar vest.

                             *

Het Nederlandse meisje Amira dat met een glaszuivere stem opera zingt. Isaac Waddington, Britse puber, die ontroerender dan Billy Joel ‘She’s always a woman’ zingt en daarbij piano speelt. Ik ken ze, allemaal. 

                            *

De schaamte voorbij: ja, ik vind dat leuk. En ik heb nog meer geheime genoegens naast alle respectabele bezigheden als lezen, schrijven en reizen. Mateloos zoeken naar vakantiebestemmingen is er zo-een. Alles weten van de Tweede Wereldoorlog met als specialiteit de Jodenvervolging. Maar het ergste zijn toch wel die You tube filmpjes. 

                           *

En nu ga ik mijn boek uitlezen, ‘Ik zag een man’ van Owen Sheers. Zeer verantwoord, een pleasure but…not guilty.

                         ***

 

                          

De notenkraker

 Als we bij mijn vader binnenkomen roep ik luid en duidelijk: ‘hoi!” Dat moet hem behoeden voor schrik alhoewel hij beweert ‘nooit ergens van te schrikken’ en hij ervan op de hoogte is dat ik kom want ik bel altijd van tevoren.

Een gesmoord: ‘hoi, ik zit op de w.c.!’ krijgen we terug. En wij lopen door naar de huiskamer.

                         *

‘Wat is het hier lekker warm’, zegt mijn man die dit keer meegekomen is. Hij draagt een bos bloemen die hij gisteren kocht. ‘Geef die maar aan je vader’, zei hij. En dat is lief. Ook krijgt mijn vader een zak walnoten. Deze stonden laatst op het boodschappenlijstje. Mijn man nam ongepelde walnoten mee en wij hebben geen notenkraker. Dus geef ik de walnoten aan mijn vader. Sinds jaar en dag staat er een notenkraker pontificaal op zijn eettafel in zo’n rond houten bakje. Voor zover ik weet kraakt hij nooit noten. Nu kan hij de kraker eindelijk eens gebruiken.

                         *

Als mijn vader uit de w.c. komt loopt hij ons tegemoet. Hij begroet mijn man alsof hij hem jaren niet gezien heeft, zo vriendelijk begroette hij hem niet eerder. ‘Leuk om je weer te zien!’, roept hij min of meer stralend. Mijn man ondergaat lachend-verbaasd de vriendelijke bejegening van zijn altijd zo stugge schoonvader.

‘Wat willen jullie drinken?’, vraagt mijn vader.

‘Voor mij wat water en Raym wil wel een kopje koffie’ antwoord ik. En ik loop naar de keuken om een handje te helpen. Zijn boterham en geroosterde krentenbroodje liggen klaar, evenals de geschilde appel. Ook staat op het aanrecht een kopje koffie koud te worden. Mijn vader vult de Senseo bij, nieuw water erin, even denk hij na over de plek van de pads, o ja, in de kast, en hij pakt er een uit.

                         *

‘Zal ik alvast de boterham naar binnen brengen en je koffie?’, vraag ik.

Mijn vader is zo druk bezig met de koffie voor mijn man dat hij mij niet hoort. Ik breng de twee bordjes en zijn lauwe koffie naar binnen. 

                          *

Op het hoge zitbankje neemt mijn man een sushi-test door in de Consumentengids. Mijn vader ontvangt zo lang als ik mij herinneren kan de Consumentengids. Ik buig over mijn man heen en samen lezen wij dat alle sushi onhygiënisch wordt klaargemaakt. In Hillegom krijgt het nieuwe Sushi-restaurant een 5,4. Het op een na hoogste cijfer van alle sushi-restaurants.

                          *

Daar komt mijn vader aan met de koffie voor mijn man. Hij vertelt dat hij net keek naar het programma Buitenhof.

‘Dat ging over de vluchtelingen’, vertelt hij. En dan ontspint zich een discussie die in vele huiskamers wordt gevoerd: wel vluchtelingen opvangen, maar het zijn veel mensen, hoe moet ons land zich voorbereiden op zo’n instroom, wat betekent dat voor de samenleving, voor Europa nu en over twintig jaar? Opvang in de regio, alle oorlogen daar en elders, we raken niet uitgepraat. Een oplossing hebben we niet, alleen gedeelde zorgen.

                          *

We spreken kort over de kinderen, daarna over Berlijn. Daar gaan mijn man en ik binnenkort heen. Mijn zeer bereisde vader was er nooit en ik merk dat hij dat heel jammer vindt. Het liefst zou hij in de auto springen en ook naar Berlijn gaan. Maar dat gaat niet meer. Hij loopt belabberd, is echt te oud voor een reis, laat staan een stedenreis.

                          *

Na een bezoek van ruim een uur stappen we op.

‘Je moet nog even wat voor me doen!’, zegt mijn vader. ‘De Tom Tom moet worden ingesteld want ik ga vrijdag naar Humphrey en Moon.’ Humphrey en Moon zijn mijn vaders stokoude, in Amerika wonende, neef en diens vrouw. Zij zien elkaar een maal per jaar. Dan rijdt mijn vader naar het huis van hun dochter in Voorburg waar zij verblijven. Onderweg pikt hij nog zijn stokoude nicht Ottie op in Zoetermeer. 

                         *

Vorig jaar – ‘ik ken de weg op mijn duimpje!’ – verdwaalde hij en kwam hij terecht in de krochten van Den-Haag. Hij moest opeens heel nodig plassen ‘door die verrekte plaspillen’ en strompelde een buurthuis in. ‘Een prachtige gelegenheid, allemaal zalen waarin cursussen gegeven worden!’, volgens mijn vader. Hij nam nog een folder mee van het Haagse buurthuis. 

                             *

Ik type het adres in van nicht Ottie en neef Humphrey. Ik laat hem zien dat beide adressen nu te vinden zijn met een vingerdruk op het icoon ‘Vorige bestemming.’

‘Maar ik wil ook mijn adres in de Tom Tom zetten. En dat lukt mij steeds niet.’

‘Je eigen adres?’ Dat staat hier’, wijs ik, ‘onder Thuis’. 

Mijn vader kijkt naar de Tom Tom of hij water ziet branden. Ik laat hem nogmaals het icoon zien van het huisje. Hij drukt erop en ja, daar verschijnt zijn adres.

‘Kijk, zie je, hier staat de pijl, op de Scholtenlaan.’

‘Maar dat heb ik niet ingesteld.’

‘Nee, dat deed ik al eerder, weet je nog, toen je hem kocht hebben we dat adres erin gezet als huisadres.’

Maar dat weet hij niet meer.

                           *

En nu ga ik een andere discussie aan.

‘Ik vind het geweldig dat je nog rijdt pa, maar naar Voorburg en Zoetermeer…, dat is een eind rijden. De vorige keer vond je dat ook al best lastig.’

Maar daar vergis ik mij in. En ‘ik rijd prima!’ volgt direct daarop.

Ik loop op eieren: ‘Ja, je rijdt prima, hier in de omgeving maar op de snelweg richting Den-Haag is het druk en iedereen rijdt hard…’

Ook mijn man doet een duit in het zakje: ‘Bent u niet lid van zo’n taxidienst?’, vraagt hij.

Ik ga er gretig op in: ‘ja, Valys, daar ben je toch lid van pa?’

Ja, daar is mijn vader lid van maar nooit maakt hij daar gebruik van omdat hij ‘nog prima zelf kan rijden.’

                            *

Het einde van het eigenwijze liedje is dat ik aanbied hem vrijdag te rijden.

‘Dat is wel een aanlokkelijk aanbod’, weifelt mijn vader. 

‘Ik zit niet rustig als ik weet dat jij zo’n eind gaat rijden, pa, dan breng ik je liever zelf.’ Ik denk aan de vijftig minuten heen, het gesjouw met een oude nicht ‘zij loopt nog moeilijker dan ik en volgens mij is ze dement’ en daarna met de twee oudjes naar Voorburg. Wachten daar, de nicht naar huis brengen en weer vijftig minuten terug. Dat kost mij een dag. Ik zucht.

‘We hebben het er nog wel over’, zeg ik. 

                             *

Tijdens het fietsen naar huis bedenken we dat hij niet zelf moet rijden, ik niet moet rijden, maar hij met de Valys mee moet. 

‘Als er wat gebeurt vrijdag met hem in die auto voel jij je schuldig’, zegt mijn man. En zo is het. 

                            *

Wordt vervolgd.
                          ***

Reis door mijn kamer

  
‘Ik zou in een vliegtuig kunnen stappen en naar Sjanghai vliegen, ik zou scheep kunnen gaan en naar Port Churchill in de Hudsonbaai varen, ik zou in een auto kunnen stappen en naar Parijs rijden. Geld heb ik immers genoeg? Ik zou mijn hele leven kunnen reizen en altijd in hotels slapen en in restaurants eten. Ik zou duizenden mij nu nog onbekende mensen de hand kunnen schudden en zeggen: ‘Goedemiddag, hier ben ik, Maarten Biesheuvel’, of: ‘Bonjour, me voilà, Maarten Biesheuvel.’ 

                         *

Dit schrijft Maarten Biesheuvel. Over reizen. Over schrijven. Ja, meer over schrijven. Men hoeft niet te reizen om te schrijven. Sterker nog, het reizen leidt af van het schrijven. Schrijven doet men met het hoofd en met de hand. 

                        *

Met het hoofd vol kaarten, de route naar Zuid-Frankrijk, het instellen van de navigatie en de handen zwetend aan het stuur wordt er niet geschreven. Dan wordt er gereisd. Ruzie gemaakt. ‘We hadden de eerste afslag moeten hebben. Ik zei het nog!’ 

‘Maar de navigatie geeft iets anders aan. Naar wie moet ik nu luisteren?’

                             *

Het naderen van de Franse tolpoortjes maakt alle reizigers in de auto bloednerveus. Weken tevoren werd een tolbadge bij de ANWB gekocht, een klein, muisgrijs rechthoekje dat op de voorruit moet worden geplakt met dubbelzijdig tape. Thuis te activeren met behulp van de handleiding op een Franse website. De badge, gekoppeld aan de credit-card, belooft de tolpoortjes met een oranje ‘t’ moeiteloos te nemen.

                          *

Zodra we het eerste poortje in Frankrijk naderen slaat de onzekerheid toe. Zou het apparaatje werken? Voorzichtig en zeer langzaam rijdend naderen we de slagboom, een blik op de achteruitkijkspiegel werpend. Een Franse auto achter ons, daarachter een vrachtwagen. Bij de ticketautomaat doe je toch maar het raampje omlaag. En kijk, er komt een kaartje uit de automaat. Tegelijkertijd gaat de slagboom open en klinkt er een piepje in de auto. Alleen jij hoort dat piepje. Je medereizigers horen niets.

                             *

‘Waarom pakte je niet dat ticket?’ vragen zij. 

‘Omdat de slagboom omhoog ging voordat ik het kaartje pakte. Wij hebben toch die tolbadge?’ De hele weg rijd je stilzwijgend door. “Nu heb ik geen ticket. Wat gebeurt er bij het tweede tolpoortje?”, maalt het door je hoofd. “Zouden wij in de problemen komen? Zit aan het einde van deze tolweg een mens in de hokjes aan wie je kan uitleggen dat je een tolbadge hebt en geen ticket omdat het piepje klonk dat niemand hoorde behalve jijzelf, de slagboom omhoogklapte en dat je toen besloot door te rijden. Hoe zeg je dat in het Frans? J’avais achete un …..” 

                           *

En je vraagt aan je medereizigers of zij willen opzoeken hoe dat heet in het Frans. Zo’n tolbadge. Het staat niet in de meegebrachte informatie.

‘Houd de folder maar even bij de hand, dan kan ik het zo daarmee uitleggen’, zeg je. 

                           *

Tolpoortje twee komt naderbij. De dame van de navigatie in de auto waarschuwt vriendelijk: ‘U nadert een tolhuisje.’ Hoe lief zegt ze dat! Tolhuisje. Het doet denken aan een huisje met een mens erin dat glimlacht en de slagboom voor je omhoogduwt. ‘Bonne journee!’ wenst de dame van het tolhuisje je toe en ze zwaait.

                              *

Maar er zit geen dame bij het tolhuisje. Er zit niemand. Het zijn koude apparaten waar je je credit-card in moet stoppen of contact geld in moet gooien. We houden alles bij de hand. Maar we hebben geen ticket. De handen aan het stuur zijn kletsnat. Je veegt je rechterhand af aan je jurkje. Daarop verschijnt een vochtige plek. Het is een nieuwe jurk. Oranje. Gemaakt van een eigenaardig, koel stofje. Ideaal om in te reizen bij warm weer. Het kan niet goed tegen vocht. Je blijft de plek waar de hand neerkwam zien.

                          *

Als de auto dicht, heel dicht, bij de slagboom is – we rijden 20 kilometer per uur tussen twee betonnen muren in – zwiept de slagboom open. We horen nu allen het piepje. Hij doet het! De tolbadge doet het! Blij en opgelucht rijden wij verder. Wij nemen een slok water.

                             *

Terug naar Biesheuvel.

‘Sic omnis res habet suam historiam! Nu ik mijn pijp weer opsteek zie ik dat doosje lucifers British Matches waar ik het al over gehad heb en schiet me nog een uitspraak van Jerzy Lec te binnen: ‘Bedenk dat in hetzelfde vuur dat Prometheus aan de goden ontstal, Giordano Bruno werd verbrand.’ Ik weet niet wat voor man die Bruno was, maar ik vermoed dat hij een lotgenoot van Jan Hus was. Dat is het eind van ‘Reis door mijn kamer’, drie bij vier meter.’

                             *

Volgend jaar, neem ik mij voor, reis ik ook door mijn kamer. Zo veel rustiger. En ook heel avontuurlijk. Je hoofd is leeg, je handen tikken op het toetsenbord. Ze zijn hooguit wat zweterig van de Nederlandse warmte. Niks geen zweet van nervositeit, kaarten noch routes in het hoofd, geen navigatie, geen tolhuisje, geen piep, maar een reis door mijn kamer met boeken waarover ik al eerder schreef, het bed waarin ons tweede kind achttien jaar geleden werd geboren, de wandvullende boekenkast die de timmerman speciaal voor ons timmerde. De nachtkastjes, of beter gezegd, tafeltjes, ooit gekocht bij Ikea. Zilverkleurig. Ze kostten niks. De stoel waarover mijn kleding hangt is nieuw. Het oude stoeltje ging mee op kamers met ons eerste kind. 

                         *

In de kledingkast rechts hangt mijn kleding. Mijn trouw-outfit, een vergeeld ensemble van Agnes B. Hoe trots was ik erop! Een prachtig, kort rokje met een klassiek hesje. Gebroken wit, glimmende stof. 

                            *

Onder de twee rijen kleding, boven elkaar hangend aan kleerhangers, staan mijn schoenen. Of liever gezegd, ze liggen door en over elkaar heen. Warme, lelijke laarzen staan achterin. Uggs.  

                            *

Vooraan liggen de sandalen en slippers want het is zomer. Als ik de goede schoenen wil pakken moet ik altijd bukken. Want het is een rommeltje daar onder in die kast. Te veel schoenen in te weinig kast. 

                           *

Het kan prima. Reizen door je kamer. 

                           *

Zaterdag 18 juli rijden wij terug. Van Zuid naar Noord. Maar we weten: de tolpoortjes doen het. Ze gaan gewoon open. Je hoort een piep. De slagboom zwiept open. Er is niks spannends aan. Reizen.
                         ***

Happy days

     

    Erbarme dich,
    Mein Gott,
    Um meiner Zähren willen
    Schaue hier,
    Herz und Auge weint vor dir
    Bitterlich.

                            *

    Het is Goede Vrijdag. Op Twitter lees ik: ‘@KoningWeb: Volgens mij vond Jezus het een uitgesproken kutvrijdag.’ Ik glimlach.

                             *

    Het is stil in huis. Slaperig riep ik vanochtend naar mijn man: ‘regelt Max vandaag zijn herkansing?’ Ik hoorde daarop twee bromstemmen in de badkamer. Daarna moet ik weer in slaap gevallen zijn. 
                             *
    Heel flauwtjes schijnt de zon achter het wolkendek. Als ik naar de lucht kijk knijp ik mijn ogen dicht. Hij schijnt. Of zij schijnt. Ik lees de prachtige column van Wim Boevink in Trouw. Over landschappen vanuit de trein, Hollandse landschappen in het Gemeentemuseum Den-Haag, bewustwording en de terugreis. Nu kijkt Wim wel uit het raam. En hij ziet de wolken van Weissenbruch. 
                             *
    Ik ben op pagina vier van Trouw. Achter de Trouw liggen de resten van mijn ontbijt: eierschil, een leeg eierdopje, zout, een leeg en halfvol glas thee. Kruimels. Ook een landschap, stilleven van een mooie ochtend. 
                             *
    Op de achtergrond hoor ik Bach: fluit, zang, strijkers, en de wonderschone teksten over leven en lijden.
                              *
    En ik denk aan gisteren. Hoe ik met een paar collega’s nadacht over de toekomst van onze organisatie. Ik zie jonge gezichten, verwachtingsvol. Oudere, wat meer getekend en berustend. We kennen elkaars namen en op welke afdeling we werken. We komen elkaar tegen, in de gang, beneden bij de receptie, soms zijn we in overleg met elkaar. Maar wie zijn wij? Ik vraag, een beetje beschroomd, naar hun droom. Ook een soort van toekomst, maar dan die van jezelf. 
                             *
    Voor het vertellen van je droom is vertrouwen nodig. Ik kijk rond en zie de gezichten. Ik begin. En ik vertel over mijn schrijven en de stille droom die daarbij hoort. Daarna horen wij in tien minuten de dromen van ons aan. 
                             *
    Zij die ziek zijn willen beter worden, vijftig jaar worden. Zij die alleenstaande ouder zijn willen trouwen, gelukkig zijn en blijven. De bezige wil iets minder bezig zijn en eigenlijk, diep in haar hart, net zo zingen als de sopraan die ik nu hoor. De jonge, sprankelenden gaan op reis, kopen een snelle auto. Ik kijk weer het rondje langs. De toon is gezet en we spreken over ‘koers’, het ‘wat’ en ‘hoe’. We hebben het over ‘communicatie’, ‘praatplaat’, ‘infographics’ en ‘interactie’. 
                             *
    Na afloop vraag ik of de bijeenkomst voldoet aan hun verwachtingen. ‘Ja, maar Annelie, voldoen wij ook aan die van jou?’
                             *
    Ja. En als ik aan jullie denk bewonder ik jullie. Jullie openheid, onbevangenheid, slimheid, loyaliteit, betrokkenheid. Jullie bereidheid je kennis en ervaring, ideeën en wensen met elkaar te delen. Voor deze organisatie. Voor de toekomst van deze organisatie. En dat alles op respectvolle en positieve wijze. Dank daarvoor. 
                             *
    Ik sluit af. Allen blijven zitten en praten met elkaar. Ik zie een foto van een aanbiddelijk meisje dat een handje legt op haar zieke moeder.
                              *
    Erbarme dich.

                                ***