Broos


Langzaam wordt de arm weer van mij. Vier weken lang behoorde mijn arm toe aan de brace. Een ingewikkelde mitella van klittenband die ik kreeg van de verpleegkundige in het kelderziekenhuis van het bergdorp Les Deux Alpes. Ze vouwde de constructie – want dat was het – uit met achteloze gebaren van jarenlange ervaring. Ik keek benauwd toe. Zou ik kunnen onthouden hoe dat ding nu precies in elkaar zat? Ik nam me voor de brace voorlopig niet af te doen. Dan liep ik het minste risico te verdwalen in dat woud van klittenband.

                          *

De brace was vier weken lang mijn toegang tot de onveilige buitenwereld. Alle ogen trokken naar de blauwe constructie en men begreep dat daaronder iets niet klopte. Onwillekeurig hield men afstand en dat was fijn. De gekwetste schouder was intussen aan het werk: bloeduitstortingen die fijne draadjes trokken van bloedvaten, cellen die zich vermenigvuldigden, botdeeltjes die zich langzamerhand aan elkaar vasthechtten als de twee delen van het gebroken beeldje dat jarenlang – zorgvuldig door mijn vader gelijmd – op het dressoir stond van mijn ouders. Als je er vlakbij stond en goed keek zag je het: dat dunne breuklijntje, je pakte het kameeltje – want dat was het – niet meer op, zometeen viel het in twee stukken uiteen.

                          *

Het werden vier weken met zeeën van tijd voor, ja voor wat eigenlijk? Lezen bleek – nu er zoveel lege uren waren – minder aantrekkelijk dan lezen in krappe uurtjes tussen werken, eten, sporten en slapen door. Je kan ook niet de hele dag t.v. kijken, het ultieme symbool van nietsnutten en luiaards. 

                         *

Ik maakte iedere dag een ommetje en zag alle uithoeken van mijn slaperige dorp. Alleen mensen met honden maken ommetjes ontdekte ik. Ik zigzagde van de bibliotheek naar het weiland met schapen, van het bos met de grootste speeltuin van Nederland naar het stille landgoed van de inrichting voor verstandelijk gehandicapten. Ik zag niemand.

                      *

Vandaag maakte ik mijn eerste ommetje zonder brace. 

‘Zou je dat wel doen?’, vroeg mijn man, ‘Niemand ziet dat je wat aan je schouder hebt.’

Maar ik deed het. Het voelde bloot maar vrij. Als een gewoon mens liep ik door de stille straten, het verlaten stukje bos. Toen ik langs de tennisbaan liep riep een jongetje wat naar mij. Ik stond stil. ‘Mevrouw, kunt u mijn bal over het hek gooien?’, vroeg hij. Ik keek naar de bal. Het was een fluorescerende gele tennisbal. Hij lag in het gras. Ik keek naar het hek. Dat was minstens vijf meter hoog.

‘Ik heb mijn schouder gebroken, ik zou de bal wel willen teruggooien maar dat lukt mij niet’, zei ik. Het jongetje keek naar mij. Ik zag dat hij gewoon een mevrouw zag met twee armen. Ik liep door. Een beetje verslagen. 

                       *

Thuis lag de brace werkeloos op mijn bed als een stuk huid zonder lijf. ‘Yezz, but zis is zie best peenkiller’, aldus de Franse arts met walrus-snor toen ik vroeg of ik pijnstillers van hem kreeg. Hij wees naar de brace die snel en deskundig om mijn lijf werd aangebracht. Het was zo. Ik bewaar hem nog maar even, de brace.

                     ***

Superglue


Overdag gaat het. Na nieuwe ochtendrituelen – de arm oprapen en zachtjes neervlijen in de brace die vroeger mitella heette/het klittenband dat bij het losmaken zo zoetjes kraakt aandrukken/met de benen een afzet creëren op het matras/mezelf opdrukken met de linkerarm die protesteert tegen zoveel meer moeten doen dan anders – zit ik op de rand van het bed. 
                   *

Daar zit ik. Een beetje duizelig van een nacht zoeken naar de juiste houding, de arm recht of gebogen houden, niet draaien en de kriebelhoest bedwingen. Ieder hoestje veroorzaakt een kettingreactie van onwillekeurig bewegen/pijn/bijkomen van de pijn/weer rustig de arm neerleggen in de juiste houding/proberen te slapen.

                       *

Overdag gaat het. Ik denk aan de schouderkop met breuk die eruit ziet als een gebarsten biljartbal. Onzichtbare, zich vermenigvuldigende botcellen die zich als superglue nestelen in de barst. Ik drink een extra glas melk. 

                      *

Tijd krijgt een andere dimensie. Uren trekken in stilte voorbij. Voor anderen vliegt de tijd: boodschappen doen/werken/helpen met douchen en aankleden/thee zetten/koken/ wassen/vouwen/strijken/stofzuigen. Bezigheden die zich opstapelen als blokken in een wiebelige toren.                      

‘Doe je rustig aan?’, vraag ik. 

                        *

Overdag gaat het. Maar de nacht. Met de hoest. Het neervlijen van de arm. En de vraag of ook ik zo’n blokken-toren zou kunnen bouwen.

                         ***

Een prachtige dag

  

Mistroostig staar ik naar het schermpje van mijn telefoon. Geen mails, geen nieuws dat ik nog niet ken, geen twitterberichtjes en geen nieuw verslag op Facebook. Ik buig me maar over het interview in dagblad Trouw met regisseur Theu Boermans die naar de toneelschool ging zonder ooit een toneelstuk gezien te hebben.

                         *

Theu groeide op in een gezin met vijf kinderen. ‘De enige plek waar je even alleen kon zijn was de w.c.’ Ik denk aan de uitspraak van mijn zo-op-zijn-privacy-gestelde kind, ooit op stap met een paar vrienden naar Spanje, die precies hetzelfde zei: ‘soms ging ik maar naar de w.c. om even alleen te zijn.’ 

                        *

Een vriendin van mij groeide op in net zo’n gezin als dat van Theu: ik keek daar altijd met grote ogen naar: een drukke hond die nooit ‘in de mand’ wilde, speelgoed, tijdschriften en boeken, geluid, altijd iemand om je heen. Als prinsesje met mijn eigen kamer in het stille Haarlemse herenhuis kon ik het mij niet voorstellen dat iemand sliep in een driepersoons-stapelbed, omringd door twee grote zussen, bijna tegen een kast aan met kleren erin, zo veel kleren. 

                        *

Het was gezellig in dat huis: alles kon, iedereen mocht meekomen en mee-eten. Maar rustig op bed liggen lezen – dat wat ik het liefste deed – was daar niet mogelijk. Dat zagen mijn kinderogen snel. Nee, liever wat minder vol en druk. Voor even was het leuk, niet voor altijd.

                         *

Theu Boermans regisseerde het toneelstuk Anne Frank. Zeven mensen die op elkaar gepropt in een ruimte het met elkaar moeten zien te redden. Wij bezochten het toneelstuk ‘Anne Frank’ in theater Amsterdam. Een verrassend theater op een verrassende plek, aan de rand van Amsterdam. Op een kade, naast een havengebied met op de achtergrond zeecontainers, hijskranen. Een robuust, bakstenen gebouw met garderobes, toiletten en een hippe bar. Tafels en stoelen naast de glazen pui met uitzicht op water en grijze luchten. 

                       *

Het theater zelf is zoals een theater moet zijn: zacht, rood en wegzakken in een kussenachtige stoel. Vóór ons een enorm, gebogen decor: het Merwedeplein, met de woning van de familie Frank op de eerste verdieping. De kunstig opengewerkte façade toont ons het leven van een vader en moeder met hun twee dochters. De beroemdste dochter is druk en springerig, de ander rustig en bedachtzaam. Ze krijgen de ruimte, deze twee meisjes. Ruimte om zichzelf te zijn binnen het liefdevolle kader van verstandige ouders. 

                         *

Als het decor verschuift naar de krapte van Het Achterhuis slaat de benauwdheid toe. Kleine kamertjes, een overloop met bed, ouders die slapen in de woonkamer. Een vreemd gezin komt erbij. Nog meer indikken en opschuiven. En als tandarts Dussel erbij komt is Anne haar plek, haar kamertje met bed en bureautje, kwijt. En dat is wat mij treft: de wanhoop van dit kind, het meisje dat zo graag denkt en schrijft in afzondering. Opgescheept met een volwassen man die ook graag in jouw kamertje is. Erger nog dan de ruzies in dat huis, het gesus en de voortdurende dreiging is de volstrekte afwezigheid van privacy: even alleen zijn, peinzen, denken en dromen in stilte. 

                         *

We weten waar het verhaal eindigt en toch, met tranen in de ogen horen en lezen we: moeder Edith Frank, overleden in 1944 in Auschwitz, Margot en Anne Frank, aan tyfus bezweken in Bergen-Belsen, Peter van Daan, onbekend waar hij gestorven is, waarschijnlijk tijdens een van de vele dodenmarsen. Vader en moeder van Daan dood. Tandarts Dussel dood. We zien vader Otto Frank moederziel alleen terugkeren in Amsterdam, onder de met heldere stem uitgesproken zin van Anne: ‘Ondanks alles geloof ik in de innerlijke goedheid van de mens.’

                         *

De wijsheid van een veertienjarige, opgesloten in een Amsterdams achterhuis, schrijvend in verloren uurtjes aan een klein bureautje. Ik ben benieuwd hoe geldig deze zin nog is in deze verwarrende tijd. Denkend, peinzend en schrijvend in mijn ruime kamer, alleen, met de stilte van een prachtige ochtend om mij heen.
                      ***

Parel

  
Het is een koude ochtend. De vlaag ochtendlucht die met de katten mee van buiten naar binnen waait kruipt onder de dunne pyjamabroek. De bomen in onze straat worden beschenen door een witstralende zon. De zondagochtendstilte staat in stevig contrast met de hectiek van de stad die ik gisteren bezocht. Utrecht.

                       *

Nooit kwam ik eerder in deze stad, ja ooit voor een cursus en een overleg, snel lopend door het station met het onpersoonlijke winkeldoolhof dat nu wordt verbouwd naar een winkelcentrum met een ‘menselijke maat’ gericht op ‘een betere aansluiting met de binnenstad.’

                         *

Vanwege allerlei obstakels – tussen Haarlem en Amsterdam rijden dit weekend geen treinen – ga ik met de auto naar Utrecht. De wegen zijn stil op zaterdagochtend rond half elf. Vijf brede banen waarop automobilisten angstvallig niet harder rijden dan 100 kilometer per uur, bang voor de bon die bij hogere snelheden ongetwijfeld na een week of wat op de mat valt. We kruipen als egeltjes in de herfst over de weg. 

                         *

In mijn geavanceerde auto klinkt plots de rode alarmbel waar ik nooit aan zal wennen. Niet wetend hoe ik deze uitzet accepteer ik gelaten dat ik nu en dan een stoot adrenaline krijg bij te hard op een paaltje afrijden (terwijl ik deze heus wel zie), als ik te weinig afstand houd tot mijn voorganger (terwijl ik expres een beetje jaag) en naar nu blijkt ook als ik denk aan een mooie eerste zin voor een verhaal. Ik zit te lang stil en wreed verstoort de auto mijn gemijmer. Ook dat kan dus niet in deze auto. Mijmeren op de weg waarop 100 kilometer per uur de maximale snelheid is. Wat een armoe. 

                         *

De Tom Tom wijst mij intussen stoïcijns als altijd de weg naar de parkeerplek waar ik niet voor hoef te betalen. In een beetje treurige, volkomen vlakke, woonwijk met onbegrijpelijke straatnamen als Helling en Rotsoord parkeer ik de auto. Ik kijk om mij heen hoe de straat heet waarin ik parkeer en ik noteer voor de zekerheid de naam: Tolsteegplantsoen. 

                           *

Op deze zaterdag wordt het zonnig, de slaperige woonwijk krijgt zowaar een vrolijke aanblik bij al dat zonnegeschijn op platte daken, tegen de halfopen luxaflexen aan, de zon laat zelfs de meest onooglijk-oude auto glanzen. Een jonge man sjouwt wat vuilniszakken naar buiten. ‘Zo buurman, ga je op vakantie?’, roept een jolige stem achter mij. Ik vraag me af wat de associatie is van een vuilniszak met vakantie. De jonge man antwoordt maar ik hoor niet wat.

                           *

De binnenstad naderend – nauwe straten met winkeltjes – overvalt mij opeens de drukte. Klingelende fietsers, wandelaars, koffiedrinkende mensen, jonge ouders met kinderen voor- en achterop de fiets, kinderwagens, de kleine straatjes zijn vol met geluid, het echoot alle kanten op. 

                          *

Ik zie een winkel met 50 soorten pepernoten. Grote, kleine en middelgrote pepernoten in dikbuikige stolpflessen. Alleen maar pepernoten in het schilderachtige zaakje. Iets verderop schijnt de toren van de kerk met een gouden glans boven de huizen. Naast de diepe grachtwanden kleuren bomenrijen geel, rooiig en bruin. De zon doet de kleuren oplichten en dan dat spitse kerktorentje. Mooi.

                          *

Ik voel opeens een handje in de mijne. Ik kijk opzij. Een klein meisje met een roze petticoat-rokje kijkt mij verwachtingsvol aan. Ze huppelt een beetje. ‘Ik denk dat je je vergist’, glimlach ik. Ze schrikt niet eens zo heel erg, laat mijn hand los, huppelt naar haar moeder. Blonde krullen wapperend op haar rug. 

                        *

‘s Avonds gaan wij na een diner voor vier – door onze vrienden in hun auto naar het Tolsteegplantsoen gereden – op zoek naar onze auto. Het plantsoen bestaat uit vier hoeken. Pas op de derde hoek staat de auto. Even dachten wij dat hij gestolen was. Maar nee, ons knipperende met alarm uitgeruste rode monster staat er nog. Op hoek drie.

                           *

En over de stille snelweg rijden wij terug. Zonder gemijmer, alle voorgangers netjes op gepaste afstand houdend, alle paaltjes omzichtig benaderend zijn wij weer thuis. Zonder toeters en bellen.

                         *

En nu is het zondag. Een koude stilte valt over mij heen. De Scandinavische bijlage van de krant vult moeiteloos de ochtend. Een gestolde druppel thee hangt aan de rand van het glas, dof glinsterend als een verse parel uit een zojuist geopende oester.

Zondag rustdag.

                       ***

Ma

  
Vertel mij, o muze,

van een avond vol van sterren in zwart, de bank kraakt ‘wat een mooie loungebank, gelukkig geen rieten’. Nee, maar deze valt langzaam uit elkaar, het kreunt alsof een olifant op een zwak krukje plaatsneemt. Gewoon te zwaar, zoals vroeger, toen je te dik was, niet mooi genoeg, nooit goed genoeg. 

                         *

Alsof je je moeder hoort over andermans kinderen: ‘de Houtmannetjes die zo lief voor hun moeder zijn. ‘S. schaamt zich helemaal niet voor haar moeder, ze loopt gewoon met haar moeder over de markt, terwijl ze zelf zo’n knappe meid is.’ En dan niet erbij vertellen dat die moeder van S. -ik ken haar niet- er niet uitziet, een burgertrut is. Zeker niet zoals zijzelf. De Goede Moeder. Met wie ik niet over de markt loop.

                         *

Ik druk mijn kind tegen mij aan. Ik zit in de zachte, oranje stoel en ik denk ‘is dit van mij?’ Dit lichaampje, deze oogjes, dat zoekende mondje, die grijpende vingertjes. Pijn schiet er door heen en generaties verdriet om nu, vroeger. Het kind absorbeert de pijn, ze neemt de hartslag aan als in de buik, kloppend hart in de navelstreng, steeds sneller als een zwoegend hertje dat dartelt in het duin.

                         *

Dat liefde pijn doet lijdt geen twijfel, cliché dwarrelt het door het hoofd, al die gedachten waartoe leiden ze? 

                         *

En dan bekijk ik You tube-filmpjes, gewoon op zaterdagmiddag, my guilty pleasure. Britain’s got talent en daar gaat Het Gevoel, krijgt een uitweg in taal, het Queen’s English ‘I’m from South-Wales’, zegt het meisje van elf dat Whitney Houston ‘adores.’ De vijftienjarige puber die zingt ‘You’re always a woman to me.’ Zijn zwarte kuif, de stem zo breekbaar als het vogeltje waarmee de kat speelt. 

                         *

En dan: ik wil naar Engeland, die taal, door dalen en over holle wegen slingeren als de Engelse dierenarts in zo’n oude auto op weg naar de boer en het beter maken van vee. Of gaat het om beter maken van mijzelf, mijn betere ik, door het groen, de rust en de stilte te doorgronden die hier altijd zo wreed wordt verstoord door schuurmachines, elektrische heggenscharen zagen, slijpen, tollen, boren alsof ze hun eigen oorverdovende stilte willen doorbreken. 

                        *

Kindergekrijs verderop, het regelmatige terugkerende gebonk in je hoofd ‘dat deden de mijne nooit’ en ‘wij namen ze mee naar binnen als ze huilden of dreinsden’, want dat is het: gedreins. En wat dacht je van telefoongesprekken in de tuinen, grenzend aan elkaar als groene postzegels aan een velletje? ‘Ja, ik ben vandaag thuis, ja, gewoon thuis, ik versta je niet goed, waar ben jij dan?’ Harder en harder tot horensdolheid. Schamper spreken wij over de ‘volksbuurt’, dit weggestopte dorp in het groen.

                         *

Of ben ik niet tolerant genoeg? Dat was ik vroeger wel, toch? Veel vond ik goed. ‘Ze kan zich zo goed aanpassen aan verschillende situaties’, ik hoor het mijn moeder zeggen tegen wie weet ik niet meer. ‘Een evenwichtig en stabiel kind.’ Ja, zodat je zelf was ontslagen van iedere schuld, integendeel het heel goed gedaan had. Dit lieve kind, dat Holly Hobbie meisje zoals ik eens betiteld werd door een schoolvriendin. ‘Jij had altijd van die Holly Hobbie spulletjes.’ Bedoelde ze: ‘Je was zo zoetig?’ Ja, wat wil je? Ik moest wel dat meisje zijn dat ik niet was. Wie dan wel?

                         *

Ma

Ma, ek skryf vir jou ‘n gedig

sonder fênsie leesekens

sonder woorde wat rym

sonder bywoorde

net sommer

‘n kaalvoet gedig –

want jy maak my groot
in jou krom klein handjies

jy beitel my met jou swart oë

en spits woorde

jy draai jou leiklipkop

jy lag en breek my tente op

maar jy offer my elke aand

vir jou Here God.

jou moesie-oor is my enigste telefoon

jou huis my enigste bybel

jou naam my breekwater teen die lewe

ek is so jammer ma

dat ek nie is

wat ek graag vir jou wil wees nie.

Antjie Krog
                       ***

Larghissimo

 De haan van de buurman kraait op de gekste momenten. Natuurlijk laat hij ‘s ochtends vroeg van zich horen, als het licht zacht door de spleten van de luiken kiert. Maar ook om 11.00 uur en 14.30 uur kraait het dier luidkeels. Hier, op het Franse platteland.

                         *

Bij het ontbijt in de zon horen we de wielewaal, een lieflijk fluiten in de bomenrij naast onze tuin, achter de met dikke klimop-begroeide muur. Hij laat zich niet zien. Een kleine speurtocht mag niet baten. De zangvogel begeleidt als een onzichtbare muzikant onze Franse weken.

                          *

De wijnboer met velden vol ranken naast ons huis is bezig de rijen te inspecteren. Hier en daar rukt hij wat groen onderaan weg. Naast hem staat een smalle tractor waarmee hij tussen de kaarsrechte rijen door rijdt. Van de week deed hij dat rond 6.30 uur. Hij reed als het ware onze slaapkamer binnen. Het aanzwellende en afnemende geluid van de tractor kreeg die ochtend op den duur iets vertrouwds. Als het gelijkmatige gehobbel van een trein, het gekibbel in de auto van je ouders over de vakantieroute, een ruzie-ritme waarop je achterin zo heerlijk wegdommelde.

                         *

Ik fiets nog eenmaal naar het dorp. Langs mij rijden enkele auto’s, harder dan de toegestane 50, even houden ze in bij het passeren van mij, de eenzame fietster. Om daarna weer aan te zetten, scheurend naar het kleine dorp. 

                         *

Ik rijd naar het dorp, enkel en alleen om het restaurant te reserveren voor vanavond. Onze laatste Franse avond. We aten hier eerder, bij Cote Bastide, gewoon gelegen in een woonwijk tussen huizen. Achterin de tuin staat een houten veranda met fraai gedekte tafels. Een wit kleed, daaroverheen een donkerblauw. Het is altijd druk bij Cote Bastide en telefonisch reserveren lukt niet. Een Franse dame tettert telkens in mijn oor een onbegrijpelijk verhaal. Ik fiets er daarom maar even heen. 

                         *

De tijd hier is een raar ding. Waar de tijd thuis ferm doortikt met vele werkwoorden: opstaan, douchen, ontbijten, fietsen, werken, eten en slapen roetsjen we op het Franse platteland langzaam maar zeker in een soezig en tijdmorsend ritme met hier en daar wat werkwoorden, maar andere. Soezen, zitten, de kranten en boeken lezen, schrijven en eventueel fietsen, zwemmen of hardlopen. We doen ook boodschappen, ja, zeker doen we die, maar licht en luchtig. Zonder snelheid, het tempo gaat de eerste dagen van presto over via andante naar lento. 

                          *

Twee weken per jaar schakelt het leven terug naar de laagste versnelling, zo passend bij de warmte van de zuidelijke zomer. 35, 40 graden, daar past alleen larghissimo -zeer langzaam – bij. 

                          *

Ik zet mijn fiets op slot naast het restaurant en reserveer in mijn mooiste Frans een tafeltje bij Cote Bastide. 

‘Votre nom?’ vraagt de vriendelijke eigenaar die met mij meeloopt naar binnen, daar waar het reserveringsboek ligt. Dat weet ik nog van de vorige keer.

‘Jonquiere’, zeg ik met veel genoegen. Zonder nadere uitleg, opkijken of ‘dat is een mooie naam!’ wordt ‘Jonquiere’ genoteerd in het boek.

‘Et votre numero?’

Cijfer voor cijfer, nadenkend bij de een en in het hoofd vooruitvertalend naar de volgende, spreek ik de juiste cijfers uit.

                         *

De restaurant-eigenaar loopt met mij mee de tuin in. Hij was toen ik aankwam de tafels aan het dekken voor vanavond. Hij kijkt mij vriendelijk aan en vertelt een heel verhaal. Met moeite achterhaal ik de clou. En dat komt door de herkenning van een woord in de riedel: ‘orage’. Gisteravond onweerde het in de Dordogne. Na een bloedhete dag, 41 graden op het hoogtepunt, verschenen dreigende wolken en barstte een onweer los zoals dat alleen hier kan. Hard, flitsend, dreigend. Hevige regenval. 

                        *

De vriendelijke heer van Cote Bastide denkt dat het misschien vanavond weer gaat onweren. Dus of we buiten of binnen zitten bepaalt hij aan het begin van de avond. Verwachtingsvol kijkt hij mij aan. Hij verwacht een antwoord, een zin waaruit blijkt dat ik het begrijp. Maar ik kom er niet op. Schaapachtig mompel ik: ‘ce’st oké, pas de probleme’ en ik haast mij naar mijn fiets. 

                          *

Langzaam rijd ik terug in de tijd van langzaam aan. Vanmiddag zetten we aan tot adagio. Bij het inpakken van de tassen. Het passen en meten van tassen in de auto. Het plaatsen van de fietsendrager op de auto. De fietsen daar weer op.

                         *

Morgenochtend rijden wij het grindpad af – moderato – het hek door, langs de gekortwiekte wijnranken, de heuvels van de Dordogne uit. Om vivace te eindigen. In Nederland.

                           *

Het is 19.06 uur. De zon is warm. Daar kukelt weer buurman’s haan. Zouden we de wielewaal nog horen? Morgen?

                          ***

Wait

IMG_5203.PNG
Eerst komt het wachten, het verheugen,
leunend tegen lage muurtjes,

dan komt het voorgevoel van
hoe-nu-verder

daarna het hoe-nu-verder
zelf.

Judith Herzberg

Op deze decemberzaterdag schijnt een aarzelend, wit zonnetje. Maar het is een zon. En hij schijnt. Een beetje katterig na Sinterklaasavond met veel lange gedichten en fijne cadeaus, stap ik uit bed. Mijn wekelijkse sport-uur. iedere zaterdagochtend hetzelfde ritueel:

‘Ben je er klaar voor?’ (zegt vilein mijn ochtend-man).
‘Als ik nou nee zeg?’ (zeg ik, slaperig, warrige haren, lezend in boek).
‘ Dan ga ik alleen!’ (zegt de frisse ochtend-man).

En daar ga ik. Sportkleren aan. Warm fleece-joggingpak erover. Sportschoenen. Liggen beneden. Boodschappenlijstje mee (voor na het sporten). Brillen mee, telefoon mee (waarom eigenlijk? Geen bereik daar) en portemonnee (voor de boodschappen).
Samen fietsen we door het stille dorp. Het witte zonnetje doet zijn best.
‘Het is minder koud dan gisteren.’
‘Ja, dat lijkt wel zo.’
En zo fietsen we, met weinig maar vertrouwde woorden, over het mooie, bosrijke terrein van het psychiatrisch centrum in ons dorp. Daarachter is de sportzaal.

Een mens heeft rituelen. Mijn sport-rondje is er zo één: cardio (hardlopen met bewegende armen), rondje fitness-apparaten (60 x), roeien (5 minuten), rondje fitness-apparaten (30 x) en tot slot een kwartier fietsen. Niemand staat je in de weg want we zijn alleen. En wij kennen elkaars rondje. Na mijn cardio-kwartier gaat hij. En verder doen we alles anders.

Tijdens de cardio kan je t.v. kijken. En dat is leuk, zo op zaterdagochtend. VPRO Boeken, Kunstuur of een muziekprogramma waarvan ik de naam niet ken. Vanochtend cardio ik de muziek in. Betoverende pianomuziek. Een dromerige, blonde man speelt prachtig piano op een glimmend-zwarte Steinway vleugel.

De camera houdt van de vleugel. Hij zwenkt er over heen, zoomt in op de de slanke vingers van de blonde heer (‘echte pianovingers’, zou mijn moeder zeggen), daarna blijft de camera haken bij een glimmend deel van de vleugel waarin de weg wordt weerspiegeld. Langsrijdende auto’ s, een fietser; een voetganger loopt een trap op die uitkomt op straat.

De betoverende muziek houdt op en de man schuift aan bij de interviewer. Dat is een aardige man met een scherp gezicht, halflang zwart haar. Hij lijkt op een redelijk bekende Nederlander, wie ook weer? Cornald Maas, maar hij is het niet. Deze man is rustiger. Lief. En geïnteresseerd in klassieke muziek. De c.d. van de blonde man ligt op tafel. De titel luidt ‘Wait’. De blonde man legt uit. Dat wachten soms goed doet. Het doet hem in ieder geval goed.

De interviewer vraagt door:
‘geldt dat ook voor je persoonlijke leven? Kan je daar voorbeelden van noemen?’
Hé, dat zijn eigenlijk twee vragen. Eens kijken wat hij daarop antwoordt.
De blonde man, die de prozaïsche naam Jeroen blijkt te dragen, denkt even na. Mooie, blauwe ogen heeft hij, verder oogt hij normaal. Niks geen hoogstaande klassieke pianist. Of excentrieke Disney-freak. Een gewone man in een gewone bloes. Met pianovingers, dat wel.

‘Er zijn veel zaken in het persoonlijk leven waarvoor wachten,- de ruimte en rust nemen,- helpt: relaties, vriendschappen en ook bij het nemen van moeilijke besluiten helpt de tijd. Dat is mijn ervaring’, zegt hij er bescheiden bij. De interviewer haakt in op de bescheidenheid die ook hij hoort en ziet.
‘Je wordt nederig genoemd in de pers’, zegt hij, ‘wat vind je daarvan?’
‘Ach, nederig, zo zie ik mezelf niet’, is het eenvoudige antwoord.

Mijn kwartier cardio zit erop.

Wachten. Ruimte en rust. Ja, dat helpt. Soms is het wachten op betere tijden. Wachten op de zomerzon. Wachten tot je vader zo oud wordt, dat de moeizame relatie van weleer een goede wordt. Een moeilijk besluit nemen dat uiteindelijk, na wat wachten, niet genomen hoeft te worden.

Ruimte en rust, een waarheid. Rust voor het schrijven van een verhaal. Nadenken. Dat vergt ruimte. Rust. Tijd. Tijd nemen voor de interpretatie van een pianostuk zodat de muziek klinkt als een ijl droomfeest.

De pianist heet Jeroen van Vliet. Zijn c.d. ‘Wait’. Deze nederige man won de Boy Edgarprijs 2014, lees ik later. En de leuke presentator die lijkt op Cornald Maas? Melchior Huurdeman. Van het wonderschone programma Vrije Geluiden. Zaterdagochtend, 9.00 uur. NPO 1.

90 x de arm-duw-oefening met één gewicht erbij. Ik heb nu al spierpijn.