Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Advertisements

Memory lane

  
Het schemert nog geen eens en ik zit aan tafel. Het is 6.33 uur. Naast mij verandert het donkere gat achter de glazen schuifpui langzaam in wat lichters, de bomen steken de lucht in als grillige gedaanten tegen een grijslila wand. Het is vroeg. Stil. De ijskast zoemt. 

                         *

Weken vol werken vloeien in elkaar over als zand door de vingers glipt de tijd. Zomer gaat over in herfst. Bij het weggaan ‘s ochtends knisperen bladeren onder de schoen. Frisse lucht dwingt tot jas, vest, laars. Ik zag het opeens, gisteren, rijdend langs een bomenrij: dunne stammen met daarop een helgele bol van bladeren. 

                         *

‘Mam, ik kom morgen naar huis. Dan blijf ik vier dagen om te leren. En ik kan dan weer eens bij opa langs.’ Het bericht van een kind zoeft van de week voorbij, net als zijzelf. Een wervelwind van fris en jong, kleding rondstrooiend, papieren liggen her en der verspreid over de tafel. Een etui in de vorm van een haai staart mij aan. “Hoe vind je die? Leuk he?’ Verwachtingsvol kijken 21-jarige ogen mij aan. De ogen staan nog net zo als 21 jaar geleden. Toen leken ze nog groter. Wijd opengesperde, heldere spiegels. Het kind keek dwars door ons heen. “Je moet niet zo staren’, dat hoort ze nog steeds. Kijken en denken. 

                         *

‘Om 11.00 uur komt Adua. Zullen we ergens anders heen gaan om te werken?’ Dat vind het kind fijn. Adua de hulp. Het is onrustig werken met iemand die telkens ‘sorry’ roept bij het binnenlopen, de prullenbak leegt, zuigt. Ik verhuis van kamer naar kamer. Nu moeten wij beiden verhuizen met lap-top, Ipad, Iphone, boeken en papieren. Beter is het weg te gaan. 

                         *

We rijden naar Bloemendaal. Het dorp van mijn kindertijd. Door een kleurrijk decor van pre-herfst rijden wij langs brede lanen. De kinderboerderij, de hockeyvelden. De huizen, zo anders, zo groot. Kinderen spelen op straat. Het zijn kinderen in goede doen. Zij spelen in mooie kleren, hebben het nieuwste speelgoed. Een jongen zoeft voorbij op wat later een zelfrijdend wieltje blijkt te zijn. Hooghartig kijkt hij neer op de andere kinderen, op ons, voorbijgangers.

                         *

Ik staar naar buiten. De tuin naast mij krijgt kleur. De uitgebloeide druif met trosjes druiven als kleine knikkers kleurt van zwart naar lichtgroen. De boom van de buren, donkergroen. Rood is de geranium die nog bloeit. Het opkomende licht weerkaatst in de dakkapel van onze overburen, ver weg. Waar blijft de krant? Een kop thee heb ik op, de ander staat lauw op mij te wachten. 

                         *

In het koffietentje staat een grote ronde tafel. Daar zitten wij met lap-top, tas en iPhone. Moeders met kinderen, vaders met kinderen, een man alleen. Maar wij werken.

‘Wat wilt u drinken?’ Een blonde vrouw met grijs schort en een notitieblokje in de hand staat naast ons. Wij willen cappuccino en cafe latte. Later willen wij een broodje. En nog wat later eindigen wij buiten in de middagzon met thee en citroentaart. Maar dan is het werk gedaan. We hebben het verdiend.

                          *

Terug rijden wij, langs de kinderboerderij, het pannenkoekenhuisje, Thijsse’s hof, mijn oude, lagere school. ‘Dat ligt er mooi, mam’, zegt mijn kind. En ja, dat ligt er mooi. Het gebouw waar mijn schoolleven begon, afzakkende, witte kousen, een zelfgemaakt smock-jurkje, donkerbruine pijpenkrullen. Verlegen aan de hand van mijn moeder, zwaaiend met een plat schooltasje van rood leer. Een gesp als sluiting. 

                         *

‘Kijk, daar woonde de concierge’. Ik wijs naar het huisje dat vastgeplakt aan de school als het huisje van Hans en Grietje staat. In het bos. ‘De concierge reed ook het schoolbusje.’

‘Het schoolbusje? Hadden jullie een schoolbusje?’ Ja, in dat Volkswagenbusje reden wij naar school en werden wij thuisgebracht. Vechten wie er bij de schuifdeur mocht zitten. Deze mocht je open en dicht schuiven bij ieder kind dat in-en uitstapte. Of je zat achterin, zalig heen-en-weer schuivend bij iedere bocht.

                         *

‘Ach ja, we leefden een beetje boven onze stand. Mijn moeder wilde perse deze school voor ons, we kwamen iedere dag van Haarlem hierheen.’ Mijn moeder. Het beste was niet goed genoeg. Deze school in dit dorp moest het zijn. Het dorp waar zij ook zelf les had gegeven, een groene omgeving, rustig, op stand. En niet haar kinderen op de stadsschool om de hoek ‘waar ze in elkaars haren hangen alsof het klimtouwen zijn’, zoals ze altijd beweerde. 

                         *

‘Kijk, hier woonde Ellen!’, wijs ik mijn kind. Het huis ligt verscholen achter hoog groen. ‘Je ziet niks’, zegt mijn kind. En ik denk aan al de keren dat ik bij mijn beste vriendin tussen-de-middag at. We liepen de school uit, de laan in en we waren er. Bij het huis met het rieten dak. Een hond, vijf kinderen, drukte en gezelligheid. ‘Wil je een gebakken ei?’ En ja, dat wilde ik. Op King Corn brood want dat hadden ze daar. Na het middageten liepen we samen terug naar school. Langs het bos, de laan uit, het schoolplein op. 

                         *

We rijden verder langs kapitale villa’s omgeven door groen, bos en duin. ‘Mooi is het hier’, zegt het kind naast me.

                         *

Ja, het is mooi. Het was mooi. Onvergankelijke schoonheid. 
                        ***

Opdat wij niet vergeten

  
Vrijdag stierf iemand die ik niet ken. Wel weet ik dat ze net zo oud is geworden als ik nu ben. 52 jaar. 

Ik denk, nee, weet zeker dat ze graag nog wat jaren doorgeleefd zou hebben. 

Vier jaar geleden stierf Rob. Hij was bijna 52 jaar. En ook hij zou zo graag nog jaren hebben doorgeleefd. Op deze stralende zaterdag in augustus is hij jarig. In mijn gedachten zie ik Rob voor me, met de pollepel in zijn hand, staande op de grens tussen keuken en kamer: ‘dit is een heerlijk gerecht!’ roepend. Genieter van zijn gezin, zijn familie, zijn schrijven, zijn tekenen en schilderen.

                         *

Ooit ging ik met mijn zoon naar het strand. Wij bezochten de strandtent waar ze volgens mijn kind de lekkerste kroketten op brood serveerden. Zout. Daar aangekomen zagen we Rob, ook bij Zout, aan een tafeltje met zijn zoon. Zijn ogen in het zo magere gezicht straalden. Zijn gezicht stond op gezelligheid.

‘Kom zitten, kom zitten’, noodde hij en ze schoven op. Vader en zoon.

                          *

De neven hadden genoeg aan elkaar. Ik keek naar Rob, zijn ogen ver weg.

‘Hoe gaat het?’, was mijn obligate vraag.

‘Niet goed. Ik voel me steeds minder vaak goed. Maar ik zit hier zo heerlijk en ik probeer nog een keer de oesters.’

Hij en ik keken om ons heen. Ja, heerlijk zat je daar, bij Zout. De zon brandde niet te fel, er stond een zacht windje, de vlag met in zwierige letters ‘Zout’ wapperde rustig heen en weer. De zee, glinsterend als blauwgrijs glas, kwam ons tegemoet en trok zich terug. Als altijd. 

                          *

Rob de lekkerbek nam oesters. Bier of wijn hoefde hij niet: ‘Dat smaakt me niet meer’, zei hij droevig. En ik dacht aan zijn eigen bierbrouwen met als hoogtepunt de zelfontworpen etiketten op de fles. Want vormgeven kon hij. 

Ik weet niet meer wat ik at. Misschien waren het wel de kroketten op brood. Zeker niet de oesters. De snotterige zoutsubstantie deed en doet mij niets.

‘Hier, je moet toch eens proeven!’ Hij kon het niet laten. Iedereen moest genieten van zijn genot. De gulle gever. Maar ik zei: ‘Nee joh, eet ze lekker zelf op!’ 

                          *

We keken beiden naar onze jongens: de neven, even oud, een blonde en donkere puber. Dertien jaar oud en gezworen kameraden. En ik dacht aan zijn broer, mijn man. Ook de broers gezworen kameraden: iedere zondag samen een Bokje of Vedett proeven, luisteren naar muziek, ouwehoeren over van alles. Gebroeders forever.

                          *

De oesters gingen op. Maar het genieten was niet meer het genot van vroeger. Dit te verteren, dat het nooit meer worden zou als weleer, dat de oesters nooit meer zo zouden smaken als vroeger, de Vedett nooit meer zou worden opgedronken, dit alles was nog moeilijker dan het werkelijk-lastige verteren van de oesters in zijn zieke buik.

                          *

Zijn zoon en hij stapten na het eten op. Ze gingen nog wat wandelen op het strand. ‘Nu het nog kan’, zeiden zijn ogen. En daar gingen ze. Vader en zoon, langzaam lopend over het zachte zand dat als een warm en meegaand vloerkleed zich om hun voeten sloot. 

                          *

Tussen het donkergele en grijsblauwe vlak, precies op de strook met het harde zand, zagen we ze gaan, vader en zoon. 

‘Rob voelt zich niet meer zo goed he mam?’, vroeg mijn zoon. 

‘Nee’, zei ik. En wij beiden waren stil. Heel stil. 

                         *

En ik denk aan zes weken geleden. Jouw zoon en mijn zoon naast elkaar op een hoge kruk in de bloedhete school. Beiden behaalden hun einddiploma. De mentor bewaarde de twee neven voor het laatst, tegelijk ontvingen ze hun praatje, diploma en een jaarboek met foto’s. Daar staan ze in: twee prachtige jongemannen, een donker, de ander blond. Ze schreven een tekst bij hun foto.          

‘In vier jaar veel gelachen met iedereen. Gebroeders van Heusden samen de middelbare school overleefd.’

                         *

Nomina eorum qui decesserint, ne obliviscamur 

                        ***

Leda en de zwaan

 Kijkend naar beneden, vanuit het restaurant gelegen op het puntje van een rots in het Griekse dorpje Psili Ammos, ligt daar de zee. Glad en turquoise strekt deze zich uit tot waar je kijken kan. Oneindig. 
                         *

Boven de vers gegrilde vis, vergezeld van twee partjes citroen en gestoomde groenten denk ik aan de Griekse lessen van meneer van Katwijk. De serieuze leraar die ons, leerlingen van het stadsgymnasium, zoveel jaren geleden Grieks leerde. Prepareren en repeteren, dat waren de sleutelwoorden. Twee keer twee en later drie keer twee uur ploeterden wij op het vertalen van een paar regels. 

                         *

Thuis bereidde je de lessen voor: met je aantekeningen, het woordenboek en wat spaarzame aanwijzingen op uitgedeelde stencils puzzelde je je door de woorden heen. Totdat je een zin had. En nog een. Zo’n vijftien, twintig, hooguit dertig zinnen per keer. Langzaam maar gestaag lazen wij de Odyssee, de gedichten van Sappho, een stukje nieuw testament (hè, is dat ook in het Grieks geschreven? Dat wisten wij niet!) en veel, heel veel andere teksten.

                         *

Ik kan het mij bijna niet meer voorstellen. Hoe brachten docenten en vooral leerlingen dit minutieuze gepuzzel week na week op? Wij waren veertien jaar. Pubers van onze tijd. Ook toen was er afleiding: sport, uitgaan, radio, televisie en ja, ik word thuis uitgelachen (‘mam, je was een nerd’): stiekem lezen met je leesboek verstopt onder je studieboeken. En toch vertaalden wij. En leerden wij Grieks van meneer van Katwijk.

                         *

Ooit liet meneer van Katwijk dia’s zien van zijn reis naar Griekenland. Daar moesten wij om lachen: de statige meneer van Katwijk in korte broek en met zo’n gek hoedje op, staand bij de Akropolis. Als een echte leraar met zijn vinger wijzend naar de bezienswaardige tempel, de zuil, het orakel. Wij proestten zachtjes om deze inkijkjes in het leven van de statige man, altijd netjes en formeel gekleed. Streng, rechtlijnig, kijkend over zijn bril met zwart montuur naar jou, nietige leerling.

                         *

Later, veel later, liep ik zelf in Griekenland. Ik wees mijn kinderen op de bezienswaardigheden, een tempel, een zuil, een orakel. Ons blonde meisje, sprieterig in haar zomerjurk, doodstil luisterend naar het vallende muntje in het midden van het theater van Epidauros: de akoestiek in dit eeuwenoude theater was zo goed dat je op de bovenste rij een muntje op het podium kon horen vallen. De vervoering op haar gezicht en haar stemmetje: ‘mam, ja, ik hoorde het! Echt!’

                         *

Onze zoon, vier jaar oud, liep op de overblijfselen van een Grieks tempelcomplex, gelegen op een glooiende heuvel, uitkijkend over het dal. Tussen de hoge grassen en felrode klaprozen liep de kleine jongen op de enorme, rechthoekige stenen. Korte, blauwe broek, een beige t-shirt, zijn sandaaltjes klepperden over de stenen. En daar voelde ik het. Ik zag het. De nietigheid van het bestaan. Het voortzetten van het leven. De eindigheid ervan. En dat wat blijft. Stenen. Herinnering. Tekst.

                          *

In de vierde klas las meneer van Katwijk een gedicht voor. Het gedicht ging over Leda en de zwaan. Leda, die zeer mooi was, werd begeerd door Zeus. Omdat zij haar man trouw wilde zijn of misschien het gewoon niet durfde ging zij niet in op Zeus’ avances. Maar Zeus, niet voor een kleintje vervaard, veranderde zichzelf in een zwaan en overweldigde Leda. Dat gedicht las meneer van Katwijk ons voor. Aan ons, pubers van zestien jaar. Het was stil in de klas. Wij keken elkaar aan. Maar wij lachten niet. Er stond iets te gebeuren, iets dat wij niet helemaal begrepen maar wel belangrijk was. Dus was het stil. Doodstil. De zon scheen door de hoge ramen van het klaslokaal. En hij droeg het gedicht voor, van Yeats.

Leda and the swan

A sudden blow: the great wings beating still

Above the staggering girl, her thighs caressed

By the dark webs, her nape caught in his bill,

He holds her helpless breast upon his breast.

How can those terrified fingers push

The feathered glory from her loosening thighs?

And how can body, laid in that white rush,

But feel the strange heart beating where it lies?

A shudder in the loins engenders there

The broken wall, the burning roof and tower

And Agamemnon dead.                               

Being so caught up, 

So mastered by the brute blood of the air

Did she put on his knowledge with his power

Before the indifferent beak could let her drop?

Meneer van Katwijk brak. De tranen stroomden over zijn wangen en hij liep, geheel overweldigd door emoties, de klas uit. Wij bleven stil zitten. Keken elkaar aan.
                         *

En nu, 37 jaar later denk ik zittend boven mijn visje, starend naar de Egeïsche zee terug aan meneer van Katwijk. Aan Leda en de zwaan, klapwiekend boven de zee, zo blauw. Ik denk aan vergankelijkheid, schoonheid van tekst en beeld, de kleine mens. De eeuwige waarden van mythen en geschiedenis.
                         *

Tien jaar geleden kwam ik meneer van Katwijk tegen op een reünie. Ik wilde hem vertellen dat ik het begreep. Dat mijn kinderen over de resten liepen van de klassieke oudheid. Over mijn wijzende vinger en zijn dia’s. Hij liep over het zonovergoten schoolplein aan de arm van zijn vrouw. 
                         *

Meneer van Katwijk herkende mij niet. Hij herkende niemand. Hij was dement geworden, gevangen in een verwarrend labyrinth van gedachten en vage, niet aan elkaar te knopen, herinneringen.

                         *

Maar, meneer van Katwijk, op dit zonovergoten Griekse eiland vertelt de leerling, die 37 jaar geleden van u Grieks leerde, dat uw lessen, uw inzet, uw emotie voor haar van grote waarde zijn geweest. Er zullen vast meer leerlingen zijn zoals zij. Maar van haar weet u het nu zeker. ευχαριστώ. 

                       ***

NIX!

IMG_4890.JPG
De komende tien, waarschijnlijk twintig jaar worden de pensioenen bevroren. Dat is het nieuws van 16 oktober, waar wij, leden van de generatie NIX, mee verblijd worden.
Na de mooie jaren ’60 en ’70, waarin wij NIX-ers braaf naar school gingen op onze tweekleurige Kickers, studeerden we in de jaren tachtig netjes af.

Tegen alle verwachtingen en adviezen in bezocht ik zelf na het gymnasium de PA, dat stond voor Pedagogische Academie. In een prachtig, beetje vervallen, gebouw aan de Leidsevaart in Haarlem vroeg de toenmalige directeur Frank de V.,- lange man, woeste, donkere baard,- waarom ik naar de PA wilde. Ik, loshangend lang haar en goed luisterend naar mijn moeder (‘kinderen zijn en blijven er altijd. Meid, dan heb je in elk geval een baan en in de vakanties lekker vrij’) sprak de obligate zin: ‘het lijkt me leuk om met kinderen te werken’ zonder blikken of blozen uit.

Frank de V. slaakte nog net geen zucht en drie jaar lang heb ik alleen maar lachend door de school gelopen: genietend van de leuke mensen, de nutteloze lessen, het eeuwige geouwehoer, vals blokfluiten en flirten met de bij ons ingekwartierde HEAO-ers. Elke dag krijste de vreselijke vrouw van de conciërge in de pauze: ‘de soep is op!’ Waarop wij moesten lachen, al onze troep op de grond voor haar en haar sjagrijnige man achterlatend.

Het was een verrukkelijke tijd van plezier, niets doen en soms wat leren van de enige twee goede leraren, Ruud die Nederlands gaf en Theo die ons inspireerde met zijn Pedagogiek-lessen. De rest van de leraren had geen orde, was te democratisch om ons wat te leren, voerde hilarische proeven uit met een ei op een fles of kraamde Marxistische onzin uit.

In het laatste jaar leerden we, tot afgrijzen van mijn ouders, een uitkering aan te vragen. Een sjofele ambtenaar van de Sociale Dienst kwam ons dat haarfijn uitleggen. Het waren namelijk de jaren ’80: nauwelijks banen te vinden, de lonen werden bevroren, aanvangssalarissen verlaagd. Op aandringen van thuis solliciteerde ik op een advertentie in het vakbondsblaadje, en ik werd, tot mijn en ieders verbazing, aangenomen op een Freinetschool in Heerlen. Beetje ver weg, maar met mijn meisjeskamer verhuisde ik van Zandvoort naar Hoensbroek, waar ik van de plaatselijke drogist de houten aanbouw huurde.

Stervenskoud was het ‘s winters in de aanbouw naast de etalage met luiers en shampoos, maar ik was zo moe van al die losgeslagen Heerlense kleuters dat ik toch vroeg naar bed ging. Het was een rare tijd. Beetje eenzaam. De vriendelijke Limburgers bleven vriendelijk, maar na twee jaar besloot ik terug te keren naar de Randstad. Inmiddels was ik, de laatst gearriveerde leerkracht op de leuke Freinetschool, als boventallige één dag per week op een andere, veel minder leuke, Heerlense school te werk gesteld. Daar werd ik het hulpje van een overwerkte leraar.

Ik schreef op dat koude kamertje meer dan 50 sollicitatiebrieven en voerde veel sollicitatie-gesprekken. De Christelijke school in Bloemendaal vond me niet Christelijk genoeg (ze hadden gelijk, ik ben het ook niet), de openbare school in Huizen zocht een man, in Zoetermeer hadden ze 89 sollicitanten, en één keer waren er 120 sollicitanten op dezelfde baan afgekomen. Ik zag vele treurige oorden en dito scholen met als onbetwist hoogtepunt Purmerend. Bijna gaf ik de moed op, maar vlak voor de zomervakantie van 1988 kreeg ik de baan van leerkracht van groep 5/6 in Halfweg.

Na een dubbelgesprek in het monumentale gemeentehuisje naast de suikerfabriek met vijf ondervragers, waaronder de burgemeester die leek weggelopen te zijn uit ‘Swiebertje’, en een proefles waarbij achter in de klas acht toehoorders zaten (waaronder de burgemeester), mocht ik daar beginnen.

Het was een schattige klas met de liefste kinderen waaraan ik ooit lesgaf, maar de collega’s waren vastgeroester dan de slechtste schroef in de muur van onze oude zolderetage in Haarlem. De fossiele groep hield zich vast aan eeuwenoude methodes en de directeur draaide ieder dag plakkerige stencils met zelfbedachte lesjes over zandgronden, het leven van de huismus en andere, volstrekt overbodige, onzin uit met een overjarige, smerige stencilmachine. Ik moest van hem ook stencils draaien en zijn lessen geven. Wat een ellende.

Omdat iedereen om drie uur de deur uitrende (vergaderen is onzin), met uitzondering van de stencilende directeur, deed ik dat na verloop van tijd ook. En, vanwege deze zeeën van tijd, bedacht ik mij dat ik eindelijk, met mijn bevroren salaris, wel kon gaan studeren. En nu iets wat ik zelf graag wilde. Het werd Politicologie.

Met allemaal werkeloze medestudenten bezocht ik ‘s avonds de VU, waar ik kennis maakte met de wereld van de wetenschap. Gemotiveerd maakten wij alle opdrachten, lazen alle ons aanbevolen literatuur en we luisterden naar bevlogen en minder bevlogen docenten. Vaak werd mij gevraagd: ‘wat kan je met deze studie doen?’ Maar daar trok ik mij niets van aan. Dat hoorde ik al jaren. ‘Wat heb je nou aan Latijn en Grieks?’ ‘Waarom ga je naar de PA?’ En nu ‘wat kan je met Politicologie?’ NIX kan je ermee, bedoelde men eigenlijk. Maar wat ben ik blij dat ik lekker mijn eigen weg koos. Kennis is macht. En leren is leuk.

Mijn kinderen hebben misschien gelijk. Hun moeder was een nerd. Maar wel één van de generatie NIX. Altijd je best doen, altijd solliciteren, altijd één van de zovelen zijn, altijd een bevroren salaris, en nu een bevroren pensioen. Het waren en zijn barre tijden, maar we leven vast nog lang en gelukkig, ondanks al dat ijskoude geld.

Niks geen generatie NIX!
Generatie vechtersbazen en doorzetters!
Leve de generatie ’61-’80!
Goede bouwjaren. Koppige wijnen.

Wesley, Anthony en de rest

IMG_4887-0.JPG
Op het schoolplein liggen, strak tegen de rand van het schoolgebouw, bloemen. Losse, bossen, in plastic gewikkelde, of gewoon een blote bos; de donkergroene, grillige stelen met een strak touwtje bijeengebonden.

Opgeschoten jongens staan op het plein: gezichten op de rand van jongen naar man. Pukkels, soms wat vaag, soms harde en duidelijke rode, vlammen op in de camera. Bedrukte gezichten. Onder de bedruktheid gaat verdriet schuil, onbegrip en angst. Angst voor dat wat gebeurde. Zo dichtbij stonden ze. Zo snel ging het.

In de jongensogen zie je het snelle filmpje dat ze in hun hoofd afdraaien. Schorre stemmen, een woordenwisseling, flits, mes, en bloed, veel bloed. Zomaar op het plein van de school. Ooit wonnen ze bijna de prijs van ‘meest veilige school.’ Nee, veilig voelt het niet meer. Ongeloof en angst hebben de plaats ingenomen van stoerigheid en overslaande jongensstemmen.

Anthony steekt met een mes. Wesley bloedt dood in de lerarenkamer.

Was Anthony getergd? Jarenlang gepest en getreiter doet wat met een mens. Later weten de pesters niet eens meer dat zij dat deden. ‘Het was maar een grap.’ Niet beseffend dat dag in dag uit altijd maar ‘grappig’ doen een mens ongelukkig maakt. Verdrietig. Onzeker. Wanhopig.

Was Wesley een pester? We zullen het misschien nooit weten. Hij verdiende het in ieder geval niet om dood te bloeden in de armen van een vertwijfelde leraar. Misschien verdiende hij een goede knal omdat hij de zoveelste was die meende ‘grappig’ te moeten zijn. Maar dood, nee. ‘Dat was ook niet Anthony’s bedoeling’, vertelt zijn advocaat. Toch is Wesley dood.

Ik kijk naar het journaal. En ik denk aan de ouders van Wesley. Hun opgeschoten tiener komt nooit meer terug. Nooit meer een tas, slordig in de hoek van de kamer gegooid. Nooit meer smerige voetbalschoenen uit een stinkende tas vissen. Nooit meer ‘dank je mam’ en een onhandige, prikkerige kus als hij weggaat. Nooit meer zorgen om spijbelen, school, de toekomst.

En de ouders van Anthony? Zij hebben nog hun zoon. Een kind, gevangen in een cel, alleen met zijn onmacht en verdriet van jaren. Zij zien hun kind nog wel, maar het is een ander kind. Een getekende jongen, een getekend mens. De jongen met het mes op de ooit één-na-veiligste-school in Nederland.

De directeur en de leraren? Zij staan met lege handen voor hun klassen opgeschoten jongens. Schorre stemmen temmen ze. Straks geven ze weer les. Economie en techniek. Nooit vergeten ze de bloedende jongen die stierf in hun midden. In de kamer waar ze nakijken, kletsen, koffie drinken. Er komen nieuwe leraren. Nieuwe kinderen. Ooit wordt dit incident een herinnering.

Triest kijk ik naar de beelden. Angst en ongeloof in voorheen stoere jongensogen.

Een drama, een stipje zo klein als een speldpuntje in de wereldgeschiedenis. Voor sommigen een dikke punt in het verhaal van hun leven.

De jongens. De ouders. De school, de leraren en klasgenoten. Alleen maar verliezers.

Doos

IMG_4549.JPG
De doos. Hij staat op tafel. De Ruijter & Fanoy staat erop. De doos voor M.M. van Heusden, Beukenlaan 22, 2121 TM Bennebroek. Ik vrees dat de doos daar lang zal staan. Het symbool van vrijheidsverlies. De doos met schoolboeken.

Maar tot mijn verbazing is de doos de volgende dag uitgepakt. ‘Heb je ze gecontroleerd met die lijst?’ vraag ik. ‘Ja, en ik heb gebeld want in het geschiedenisboek staat van alles onderstreept en dat wil ik niet.’ Ik krijg een andere.’ Wat een actie! Geweldig! Vanochtend vraag ik of we nog gaan kaften. ‘Nee’, is het te verwachten antwoord, dat ook komt. Maar dat wordt een ‘ja’, want ook met kaften liggen de boeken na een paar maanden half in puin. Ik zucht en weet dat ik het kaftonderwerp nog een paar keer te berde moet brengen. Heel raar dat ik dat ieder jaar weer doe. En uiteindelijk ook aan tafel beland met die grote, onhandige rollen papier, plakband en schaar.

Ik denk terug aan de tijd dat het jongetje M.M. naar de crèche ging. Zijn zus keek mij altijd vrij stoïcijns na. En wilde ‘s middags nooit mee naar huis. We trokken altijd lootjes wie haar zou ophalen. En de verliezer fietste met een krijsende dreumes om 17.30 uur naar huis. Waarna een vermoeiende avond volgde met koken, jengelen, eten, badderen, voorlezen, slapen. Het kleine jongetje huilde altijd bij het afscheid. Hij huilde en huilde en ik zie zijn natte neusje tegen het grote raam gedrukt, wit en plat. Tranen over zijn bolle wangen. Terug naar mama.

Van de crèche tot en met de peuterspeelzaal, kleuterschool, lagere school, Max vond het niks. Huilen. Buikpijn. Ziek. Naar huis, was het enige dat hij wilde. De oppas kwam hem na een telefoontje van de juf eens ophalen. ‘Max is echt niet lekker’. Ze haalde een wit, ziek vogeltje op. Dat snel opknapte richting de schooldeur. De trap in de school aflopend vroeg hij ‘Lia, heb je thuis warme bolletjes?’ En de ‘zieke’ had een heerlijke middag bij de lieve Lia. Met warme bolletjes.

Langzamerhand ging het beter. Het jongetje groeide op en werd een jongen. Man. Lang. Dun. Zware stem. Stug sportend in de sportschool voor een Goddelijk Lichaam. Autorijles. Verslaafd aan films, gamen, liggen op zijn nieuwe bed.

De doos kijkt mij grijnzend aan. Volgende week begint het weer. ‘Kut’ zegt de man. ‘Ik dacht dat we pas over twee weken begonnen.’ Ik zelf dacht dat eigenlijk ook. Maar nee, volgende week start het nieuwe schooljaar. Dan moeten dus snel die boeken worden gekaft. Zo maar weer eens vragen. Nog een jaar in de ketens van school. Het examenjaar. Soms krijg ik er een beetje buikpijn van. Nooit meer tranen. Nooit meer dat witte, platte neusje tegen het raam. Nooit meer terug naar mama. ‘Kut.’