Stijl

Iemand die je niet goed kent

Gedag zeggen

Haar blik vangen

Aarz’lend gaat mijn hand omhoog

Die wat haren voor mijn oog

Nog zou kunnen wegstrijken

Met een achteloos gebaar

Maar ze knipoogt

En ik zwaai

Ooit gaf ik een presentatie. Vóór mij was een collega aan de beurt. Ik kende haar niet zo goed. Ze was lang en had een mooie glimlach. Zij zat tegenover mij, aan de andere kant van de zaal. Naast mij zat een andere collega. Zij was hoogzwanger maar zou toch wat vertellen over haar nieuwe afdeling.

Wij allen hadden te horen gekregen dat het vooral ‘kort’ moest zijn. ‘Niet meer dan tien minuten’, was ons verteld. En het gehoor was sceptisch. Dat zagen en hoorden we voordat wij wat mochten zeggen.

‘Ik ben blij dat Roos eerst moet’, fluisterde ik mijn collega in het oor. Zij knikte. En wij gingen door met luisteren.

Toen Roos achter het spreekgestoelte plaatsnam en de powerpoint geïnstalleerd was startte zij met haar verhaal. Het ging over huisstijl. Dia’s met gekleurde letters buitelden over elkaar heen en zij vertelde daarover kort en bondig wat er over te vertellen viel. Binnen de tijd was zij klaar.

‘Heeft u misschien een vraag?’, vroeg zij. Haar lange haar schoof zij met een elegant gebaar uit haar gezicht. De muur van scepsis had zeker een vraag.

‘Hoeveel heeft dit gekost?’, was de vraag. Het woord ‘grapje’ werd niet aan de vraag toegevoegd maar dat dachten wij er allemaal zelf bij.

‘Weet u dat?’, was de vervolgvraag. Zij wist het. Bijna onmerkbaar knikte zij even naar de achterban voor bevestiging.

Ik weet niet meer precies wat het bedrag was. Maar het was lachwekkend weinig voor de professioneel vormgegeven letters en woorden waar wij jaren onze identiteit aan konden ontlenen en plezier van zouden hebben. Het antwoord kwam zo netjes, zo mooi getimed, zo zonder triomf.

En toen was ik aan de beurt. Achter de door Roos half afgebroken muur kon ik in de verte kijken. Ook ik was binnen de tijd klaar en beantwoordde netjes alle vragen.

Mijn zwangere collega sprak als laatste tot een gehoor dat oprecht geïnteresseerd luisterde en vragen stelde. Zij nam en kreeg meer tijd. De muur was gevallen.

En nu rest alleen nog de knipoog die we gaven aan elkaar, die avond over de mensen in de zaal heen, over die afgebroken muur.

Eén van ons drieën is er niet meer. Wij beklimmen nu zelf alle muurtjes.

Dag Roos.

Advertisements

Thx

De zon schijnt rechtstreeks op mijn vaste plek aan de eettafel. Na dagen met ijzige wind die door je sjaal heen op de huid neersloeg als de vinnige klap met de plak van een ouderwetse schoolmeester op het gevoelige, zachte vlees van je handpalm is dit een verademing. Zitten op een stoel in de zon.

Gisteravond ontving ik een mail van mijn zoon met de vraag of ik een ‘stuk’ wilde nakijken. Onderaan de mail stond vooruitlopend op mijn antwoord, thx.

Tegen het middaguur kwam hij tevoorschijn. Een verwarde haardos boven een pyjamabroek en capuchonvest.

‘Kan ik op je laptop dat stuk nakijken?’, vroeg ik. Ja, dat had hij zelf ook al bedacht.

‘Hier kan je lezen wat de criteria zijn’, legde hij uit, ‘En dit is het stuk.’ Daarna roosterde hij een broodje.

Ik begon te lezen. ‘Het stuk’ handelde over sociale ondernemingen die, zo betoogde mijn zoon, voortvloeien uit de participatie-samenleving en een belangrijke en verdergaande verschijningsvorm zijn van de ‘doe-democratie’. Geboeid lees ik verder. Zo nu en dan denk ik eraan een komma te wijzigen of een punt te zetten.

Met stijgende verbazing lees ik een goed onderbouwd betoog waar menig beleidsmedewerker een puntje aan kan zuigen. Het ‘stuk’ dat bij inlevering ineens een essay blijkt te zijn eindigt met een beschrijving van de Haagse sociale onderneming ‘Seepje’, vijf jaar geleden gestart door twee studenten die wasmiddelen maken van Nepalese boomschilletjes. De studiefinanciering vormde het startkapitaal. Een hilarisch gegeven.

Tegenover mij eet de schrijver van het ‘stuk’ zijn broodje. Met oortjes in leest hij een artikel waarin hij streepjes zet.

‘Dit is echt een heel goed stuk’, zeg ik en ik draai de laptop naar hem toe.

‘Dank je’, zegt hij, terwijl hij een oortje uitdoet.

‘Mail het alsjeblieft naar me’, zeg ik.

‘Naar je werkmail?’, vraagt hij.

‘Ja graag’, antwoord ik.

Later doezel ik verder in de zon boven de krant. Deze dag markeert de overgang van het ene naar het andere tijdperk. Het moment dat een kind inzicht verschaft aan de ouder en het opvoeden definitief tot de geschiedenis behoort.

‘Sociale ondernemers zijn mensen die (duurzaam) investeren in de maatschappij en in mijn ogen een positieve invloed uitoefenen op de samenleving. Ik geloof dan ook dat er een grote toekomst voor is en ik vind dat de overheid dit soort ondernemingen moet stimuleren en helpen.’

Thx, Mx.

Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Het bureau

Toen ik begon te schrijven

Woonde ik in een dorp

Met vuilwit zonlicht in mijn mond

Alom vrede

Ik trapte naar de zon

En wist niet hoe te leven

(…)

Uit: Slordig met geluk door Menno Wigman (1966-2018)

Weer is een dichter dood. Kind van de jaren tachtig, een gymnasiumleerling met liefde voor taal en een leraar Nederlands die dat zag. Het zijn bekende flarden herinnering. Alleen wist ik na enig trappen naar de zon wél hoe te leven. Zoals gisteren, toen we op zoek gingen naar een bureau.

*

Onze dochter huist sinds een week weer in de kamer die ooit haar kinderkamer was. Voordat zij kwam ruimde ik haar kamer op. Ik verplaatste dozen, stofte de bovenkant van de kledingkast die jarenlang niet beroerd was. Plukken grijs kleefden aan mijn doekje als plakkerige asresten van verbrande kinderjaren. Ik heette met iedere veeg over een plank mijn terugkerende kind welkom. De beer die ze van opa kreeg plaatste ik op het voeten-eind van het zorgvuldig opgemaakte meisjesbed. Met domme ogen keek hij mij aan.

*

‘Eigenlijk heb ik een bureau nodig’, zei ons kind een tijdje later, peinzend rondkijkend in haar schone kamer.

Omdat ze geen nieuw bureau wilde – ‘Dat kost mij weer €70,-‘ – stelde ik voor naar een tweedehands-winkel in de buurt te gaan.

*

‘Zo, het is druk hier’, constateerde mijn kind bij het binnenstappen van de magazijn-achtige ruimte. Pensionado’s snuffelden rond, vrijwilligers in blauwe fleece-truien liepen af en aan met dozen en sorteerden alle ingeleverde waar.

*

Achter de kasten met boeken en tafels vol prullen stuitten we op een houten bureautje met drie laden. Op iedere la zat een ronde knop.

‘Die wil ik’, zei mijn kind, ‘Kijk, mam, hij kost maar €12,50.’

*

‘Kunnen de poten eraf geschroefd worden?’, vroeg ik aan niemand in het bijzonder en ik dook onder het bureaublad. Vier ijzeren plaatjes met onwrikbare schroeven – onder iedere poot één, – lachten mij uit.

‘Nee, dat wordt niks’, zei ik. ‘Laten we vragen of ze het kunnen bezorgen.’

*

Een aardige jongen vertelde ons dat de dag-coördinator ‘Nog even in gesprek was.’ ‘Kijkt u rustig rond’, zei hij vriendelijk. Ook hij droeg een blauwe fleece-trui.

We keken rond. Een corpulente dame nam plaats op een rode bureaustoel. De stoel zakte met een diepe zucht tien centimeter naar beneden. Onverstoorbaar zat de vrouw daar, middenin de ruimte, op de rode bureaustoel. Toen ze uitgerust was kwam de stoel langzaam omhoog. Met het hydraulisch systeem was niks mis.

*

Ik vroeg mijn dochter die klaar was met rondkijken of zij geen bureaustoel nodig had. Ik wees haar op de flexibele rode.

‘Nee, dat is een afschuwelijk-lelijk ding’, zei ze. En toen zag ik het ook.

*

De jonge vrijwilliger kwam na tien minuten aanlopen met de dag-coördinator. Wij hoorden haar al van verre aankomen. Een zwaar-doorrookte stem snelde op de eigenaresse vooruit, over de rotan-stoelen, langs de boekenkasten, onder de tafels met prullaria door.

‘Om welk bureautje gaat het?’, hoorden wij haar aan de jongen vragen. De stem hoorde bij een tanige, zonnebank-bruine dame. Diepe rimpels verdeelden haar gezicht in kabbelende golfjes.

‘Is het mogelijk dit bureau te laten bezorgen?’, vroeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat kan’, zei de vrouw. Ze keek mij aan. ‘Dat kost €15,-‘ Ik zag dat ze maar wat zei. De jongen keek haar verbaasd aan, maar richtte snel zijn blik op de betonnen vloer.

‘Kunnen we het bureau reserveren? We moeten opmeten of het past in de draai van de trap.’

‘O, u woont klein?’, vroeg de doorrookte stem.

‘Ja, de trap maakt een flinke draai’, antwoordde ik.

‘Aan reserveren beginnen we niet’, zei de vrouw op ferme toon. ‘Daar hebben we heel slechte ervaringen mee.’

Een beetje sip verlieten we het magazijn.

‘Ik vind het een leuk bureau’, zei mijn kind.

‘Vraag papa of hij het trapgat op wil meten’, adviseerde ik haar. En dat deed ze.

‘Het past!’, zei ze. En we keerden terug. We stuitten direct op de jonge vrijwilliger.

‘We willen het kopen’, zei ik en ik wees op het bureau.

‘Een moment alstublieft’, zei hij, ‘De dag-coördinator regelt de verkoop.’

*

Na het invullen van wat papierwerk en een afspraak voor de bezorging liep de doorrookte stem met ons mee naar de kassa.

‘Reken jij €22,50 af met deze klant?’, riep ze tegen een oudere dame bij de kassa.

‘Mam, ze vergist zich met de bezorgkosten’, zei mijn kind, toen we naar buiten liepen. ‘Nu betalen we maar €10,- bezorgkosten in plaats van €15,-.

Heel gelukkig reden wij naar huis.

Wetend hoe te leven.

***

Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Slow motion

Na De Val In De Sneeuw kwam het leven als een pruttelende brommer zonder benzine tot stilstand. Wat kan je doen met één hand? Met een naar voren gebogen nek letter voor letter op schoothoogte tikken, televisie kijken, voor je uit staren en boeken lezen. Geen echte boeken, deze zijn te zwaar. De e-reader is een uitkomst. Ik lees ‘Jasper en zijn knecht’ van Gerbrand Bakker. Over de schrijver zelf, zijn belevenissen in en rond zijn huis in de Eifel en zijn hond Jasper. 

                        *

Wekelijks schrijft Gerbrand Bakker een column in Trouw. Die ook gaat over belevenissen in en rond zijn huis in de Eifel en zijn hond Jasper. Alleen is Jasper een tijd geleden gestorven. In het boek is de hond nog springlevend. Gerbrand is open over zichzelf, zijn depressie, zijn schrijverschap. Mooi is het maar na weer een uitgegraven conifeer, een ontsnappende Jasper en klagende Duitse buurman leg ik Gerbrand opzij.

                       *

Wat kan je doen? Ik vraag mijn zoon mij in mijn jas te helpen. We vinden in huis een veiligheidsspeld. Daar maakt hij – nauwgezet gevolgd door mij – de jas om mijn schouder mee vast aan de brace. ‘Zo glijdt hij niet af’, zegt hij. Ik maak een ommetje. Onder de broeierige brace voel ik de gekwetste schouder licht bewegen. Ik trek met de linkerhand het klittenband van de brace om mijn middel los en zet kracht. Nu – met een geplet middenrif – moet het beter gaan met de schouder. Het is niet zo maar ik zet door. Het ommetje zal worden gemaakt.

                         *

De wereld zit vol nieuwe gevaren. Rennende schoolkinderen, langsrijdende fietsers, een busje dat groene afvalbakken schoonmaakt parkeert half op de stoep. Ik loop er met een grote boog omheen. ‘Groenfris’ staat met vrolijke letters op het busje. Ik wist niet dat er busjes waren voor het schoonmaken van groenbakken. Achter mij hoor ik het spuiten van water. 

                         *

Ik zie schapen in een weiland, een huis met een slinger van vlaggetjes – ‘Hulde aan het bruidspaar’, – een dame loopt mij tegemoet op het lege voet – annex fietspad. Bij het passeren kijk ik angstvallig achterom. ‘U kijkt goed uit, hè?’, vraagt de dame vriendelijk. Ik draai mij half om, de vrouw kijkt naar de brace, de speld en de afzakkende jas. ‘Ik brak mijn schouder’, zeg ik. ‘Ach, wat naar, beterschap voor u’, zegt de dame. Haar sjaaltje wappert in de wind.

                        *

‘Dank u’, zeg ik en ik vervolg mijn weg. Zometeen weer verder met Gerbrand, de Eifel en de hond. 

                        ***

Tussentijd


Lieve critici, ik vrees

dat ik geen doel of doelgerichte

lijn in de loop der jaren lees

van mijn duizenden gedichten.

                     *

Ik blijf een ventje dat maar schrijft

en nauwelijks wil weten

of zijn bekladdering beklijft

of gretig wordt vergeten.

(…)

Leo Vroman (1915-2014)
Uit: ‘Daar’, 2011.

Het is tussentijd, de tijd tussen de kerstdagen en het nieuwe jaar. De tijd waarin men vraagt: ‘Ben je vrij?’ of wenkbrauwen ophalend: ‘Werk jij tussen Kerst en Oud en Nieuw?’ 
                      *

Soms werk ik in de tussentijd, soms niet. De weken voor en na Kerst waren vroeger enerverend en omgeven door onmin, zwijgen en ziek zijn. De ruzie om de grootte van de kerstboom was het startsein voor de feestdagen. Mijn moeder wilde in ons hoge herenhuis een grote boom, mijn vader, – die het ding moest halen en later opruimde, wilde een kleinere. Wij kinderen werden altijd ziek zodat we eindigden met een mini-kerstboom op de slaapkamer van onze ouders. Hoe de kleine, versierde boom daar kwam herinner ik mij niet meer. Het zal mijn moeders idee geweest zijn die mijn vader zuchtend uitvoerde. Ik was verdwenen in snot en slijm en stak mijn hoofd onder de polyester lakens en oranje sprei van mijn ouders bed. De grote boom stond treurig en majestueus in de statige woonkamer. 

                        *

Hier is het stil. Vredig kan je het noemen. Geen onmin, snot noch slijm. Het is tussentijd. Tijd om na te denken. Twee en een half jaar geleden begon ik met dit blog, gewoon leuk, uitproberen of het wat was, of ik het nog kon, schrijven. En het ging. Vele verhaaltjes later ging mijn vader dood. Hij was een dankbaar onderwerp van de verhalen dit jaar. Of hij het wist? Nee, ik denk het niet. 

                        *

Mijn kinderen zijn groot. Soms schreef ik over hen. Ze vonden het goed. Mijn man stuurde ik de blogjes toe en hij reageerde: ‘mooi’, ‘goed’, 🙂 Trouwe lezers heb ik en dat is fijn. Opdoemende duimpjes ‘s ochtends, van Helene, Annemarie, Loes, Carina, Danielle, Michael…Ook collega’s schoten mij aan. ‘Mooi geschreven!’ en dan was de dag goed. Dank jullie wel. 

                        *

Nu ga ik op zoek naar het Grote Verhaal. Structuur, opbouw, vallen, opstaan. Maar ik ga het proberen. De tijd voor de blogjes wend ik aan voor het Grotere, Onzegbare en Moeilijke. Een boek? Wie weet. Ik ga het proberen. En misschien schrijf ik tussendoor nog een klein verhaal. Om te oefenen, voor een duimpje, een oplichtend rood bolletje.

                         *

Tussentijd is het en zal het zijn. 

                       ***