Een lieve stad


Bij ons in huis staan opeens twee zwarte laarsjes. Halfhoog zijn ze, maat 35, hooguit 36. Ze staan fier rechtop. De laarsjes zijn van onze dochter.

‘Ik werk tot en met vandaag’, zei mijn dochter zaterdagochtend, ‘Dan kan ik volgende week nog even rustig aan doen.’

‘Ja, prima’, zei ik.

‘Kan je al mijn gespaarde geld voor China binnenkort aan mij overmaken?’, vroeg ze

‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik.

‘Mooi’, zei ze en ze ging naar beneden. 

                         *

Ik vind zodirect in de badkamer een paar lange, blonde haren, dacht ik slaperig. Ik droomde die nacht over haar. Dat ze haar vliegtuig in Guilin, een stad in Zuid-China, miste ‘Daar moet ik al om 5.00 uur ‘ s ochtends zijn als ik terugkom uit Yangshuo, hoe ga ik dat regelen?’, zei ze onlangs, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ik weet het ook niet. Wel weet ik dat ik wakker lag van de gedachte dat zij daar liep, ‘s ochtends vroeg in die Zuid-Chinese stad met zoveel inwoners, Chinese karakters, Chinese klanken, niemand die Engels spreekt. Ik moet uiteindelijk weer ingeslapen zijn ondanks de harde wind die onze slaapkamerdeur deed piepen en de gordijnen liet opwaaien, zachtjes als de ruisende rokken van een pirouettes-draaiende dame. 

                    *

Onze dochter vertrekt over een week naar China. Ze gaat daar een half jaar studeren maar eerst nog even reizen. In haar eentje. Met treinen, vliegtuigen en taxi’s. Naar miljoenen-steden, grillige gebergten, meren, rivieren en pandaberen. 

‘Ik ben daar toch een paar weken te vroeg, ik heb tijd zat om te reizen’, zegt ze. Samen zoeken we hostels, boeken we vliegtuigen, sturen we kopieën op van haar paspoort naar Chinese dames die in steenkolen-Engels mailtjes sturen met verzoeken om meer informatie. ‘Klopt dat wel?’, vraag ik mijn dochter. ‘Ja, ik krijg van mijn verhuurder ook dat soort vage mails’, zegt ze. En we sturen de paspoortgegevens maar door aan Chinese dames die Sue of Nikki heten.

                        *

‘Zullen we nog een keer naar de Dubuffet-tentoonstelling in het Stedelijk Museum gaan?’, vraagt mijn man.

‘Ja’, zeg ik, ‘Dinsdag ben ik vrij.’ 

                      *

‘Ons huis is per 1 augustus onderverhuurd, dus ik kom nog een weekje naar huis’, meldde onze dochter een tijdje geleden. Dus kwam ze thuis. Met acht dozen, zeven volle tassen, een koffer en een reistas. 

‘Ik ga mee naar de tentoonstelling van Dubuffet’, zegt ze. 

‘We kunnen met de auto, die zetten we dan in de Apollolaan’, stel ik voor. ‘Dat doe ik ook altijd als ik Barry bezoek. Dat gaat prima. Ruim plek, het is vlakbij het Museumplein en parkeren daar kost € 3,- per uur.’ 

‘O prima’, zegt mijn man, ‘Dan lopen we daar vandaan naar het Stedelijk.’ 

                          *

Op de Apollolaan zijn veel lege plekken. Ik parkeer de auto, ik activeer de handige parkeer-app en we lopen richting het Museumplein. Op de Apollolaan staan in de middenberm sculpturen, het is een beeldenroute, Art Zuid. En we zien Rudi Fuchs. Langzaam steekt hij over bij het zebrapad. Een zwarte bloes draagt hij en een zwarte, hoog opgetrokken broek die om zijn bolle buik spant. Wilde, grijze krullen. Een oude man. ‘Daar loopt de oud-directeur van het Stedelijk Museum’, zeg ik tegen mijn dochter.

‘He, wat?’, zegt zij en ze kijkt een man na op een opoefiets.

‘Nee, de man die nu oversteekt’, wijs ik haar op de gebogen, oude heer.

‘O’, zegt ze.

                        *

De tentoonstelling van Dubuffet is klein maar prachtig. In de tuin van het Rijksmuseum staan ook nog een paar sculpturen van Dubuffet. We wisten niet dat er een tuin was bij het Rijksmuseum. Maar die is er: met een fontein vol spelende kinderen, een vijver met lelies, perkjes gevuld met kleurrijke bloemen en stukjes gras met beelden van Dubuffet. Langzaam lopen we terug door Amsterdam- Zuid, via de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat. Langs het Hilton. 

                      *

‘De auto staat daar’, zeg ik en ik wijs naar een omhoogstaande, ijzeren knoop in de middenberm. Een sculptuur. Maar de auto staat er niet. 

‘Hier stond hij’, zeg ik en ik wijs naar de lege plek. Achter de lege plek staat een auto die wordt opgeladen. Een geel snoer kringelt van de auto naar een laadpaal. 

‘Ik weet het zeker’, herhaal ik, ‘Hier stond ie.’ Verbouwereerd staren we alledrie naar de lege plek. 

‘Gestolen?’, vraagt mijn dochter. 

‘Ja, ik denk gestolen’, zeg ik. Een piepklein autootje draait om ons heen. Het raampje gaat open.

‘You parked here?’, vraagt een donkere man, zijn elleboog ligt op de onderrand van het raampje. 

‘Yes’, stamel ik.

‘He was moved a while ago’, zegt de man. ‘This place is for electric cars’, vertelt de man en hij wijst op de lege plek en de auto die achter ons staat met de gele draad. ‘I didn’t know this was also a place for electric cars.’ zeg ik. Woede maakt zich van mij meester.

                        *

‘Wat doen we nu?’, vraagt mijn man.

‘We bellen parkeer-beheer’, zeg ik. De Amerikaan zet zijn mini-autootje op de stoep voor zijn huis. 

‘I live here, if you need anything, I’m in the house.’ 

‘Thank you’, zeggen we. Verslagen nemen we plaats op een bankje in de tussenberm van de Apollolaan. Met uitzicht op de ijzeren knoop.

                          *

Een dame van de gemeente Amsterdam die ik aan de telefoon krijg vertelt me dat onze auto is weggesleept en op de Daniël Goedkoopstraat 9 staat.

‘Goedkoopstraat?’, herhaal ik, ‘Is dat in Zuid?’

‘Ja, ergens in Suid’, zegt de vrouw. ‘U moet dat maar efe opsoeke op uw telefoon. De kosten bedragen trouwens €373.’ 

‘€373?’, herhaal ik.

‘Ja, €373, dat sijn de kosten voor het wegslepen. Dese moet u direct betalen.’ 

‘Maar ik heb het niet gezien, die plek, dat deze voor een elektrische auto was. Er waren zat parkeerplekken op de Apollolaan. Ik had best ergens anders kunnen staan. En ik heb de parkeer-app aangezet.’ 

‘Tja, toch mag u daar niet staan’, zegt de vrouw. Het gesprek is afgelopen. ‘Fijne dag’, wenst ze ons toe.

                         *

We nemen de tram, de metro en lopen over een desolaat bedrijventerrein waar parkeerbeheer huist. Een flinke dame achter een beveiligde balie beaamt dat het wegslepen van onze auto ‘belachelijk’ is. Maar dat in heel Amsterdam alle verkeerd geparkeerde auto’s worden weggesleept. 

‘Dat is het beleid mevrouw.’ Ik pin €373,-. 

‘Amsterdam is toch een iets minder lieve stad dan meneer van der Laan laatst op televisie vertelde’, zeg ik. 

                         *

Thuis staan de zwarte, halfhoge laarsjes midden in de kamer. Over een paar dagen gaat onze dochter weg. Naar China. Voor haar rechtenstudie. ‘Mam, ik zoek de jurisprudentie op.’ Ze tikt driftig op haar computer. 

‘Morgen schrijf ik een brief en daarna kan jij die in jouw woorden overschrijven. Daar kan je dan mee in bezwaar gaan.’ Ik kijk naar de laarsjes en die ene lange blonde haar op de rand van het tafelblad. Ik pak de haar op en laat deze langzaam op de vloer vallen.

                          *

Ik zal haar missen.

                          ***

Druk

IMG_4892.JPG
Eer het god’lijk licht

in d’openbaringen

van de kunst

Een volle agenda en drukte, vooral in het hoofd, verlammen de gedachte aan lezen en schrijven. Het lichaam werkt ook niet mee. Verloren hangt het op de bank, koud en vermoeid, de lippen droog en schraal, rode vlekjes op de huid. Kippenvel, ondanks de zachte oktoberwarmte.

Een warmte waaraan niemand in deze tijd van het jaar gewend is, waarbij niemand weet zich adequaat te kleden: broek en jas of t-shirt en blote benen, men weet het niet. Van alles-wat zie je dan ook rijden, fietsen, wandelen, motor- en autorijden. Want het is warm. Misschien de laatste dag voor de kou, de wind, regen. Erop uit, betekent het. Maar dit lijf en dit hoofd kruipen weg in stilte. Geen zin.

Misschien zou het doe-virus helpen. Ik spreek mijzelf toe. En opper een bezoek aan een tentoonstelling in Den-Haag. Tijdens het opperen krijg ik al spijt. Heb ik daar nu wel zin in? Nog één dag en dan begint het regime van de volle agenda en drukke dagen met veel geregel.

Maar wij gaan. Alleen onze vrolijke buurman M. is al op. Hij reinigt zijn spierwitte auto met een hogedrukspuit en roept ons vrolijk toe waar wij zo vroeg naar toe gaan. ‘Cultureel doen’ antwoorden wij wat moeiig en stappen in de auto. Het is zondag, tien uur.

Rijdend door de streek met de kale velden, de witte lucht-met-lichtblauw en de gekleurde blaadjes overal, werkelijk overal. We rijden door de velden waar de kou over een paar weken doorheen trekt en waarlangs de kale takken donker heen-en-weer zullen zwaaien. Maar nu niet. Op deze lentedag in oktober. Alle blaadjes hangen optimistisch geel, groen, rood en bruinig te zijn aan de bomen. Wij rijden door een gordijn van herfstkleuren.

Versnellend vanwege een bus bejaarden trekken we aan een lange, grijze rij voorbij. Kaart in de hand,
€ 3,50 erbij voor de tentoonstelling. Er ontstaat wat verwarring als de Haagse kassier, een donkere man, onverstaanbaar in zijn glazen huisje wat wil van ons.

‘U bent niet te verstaan!’ Hij hangt voorover en overdreven roept hij in zijn microfoon: ‘heeft u € 5,- erbij?’ ‘Nee.’ Zuchtend over zoveel onnozelheid, zoveel domme bezoekers, die de hele dag langs hem trekken, schuift hij het wisselgeld terug. ‘Wacht jij maar’, denk ik. Achter ons schutteren de bejaarden met pasjes, kaarten en munten. Hij kan zijn lol op vandaag.

Het hoofd veert intussen op en het lijf veert mee. Licht en ruimte in dit gebouw. Geel baksteen, grote ramen, de typische Berlage-kenmerken. Een gebouw met kunst voor mensen.

Gekleurde tegeltjes, veel geel, het zwart van de pilaren, in contrast met de witte wanden en flinterdunne radiatoren, het gebouw ademt licht, ruimte en rust. En nu herbergt het de werken van Mark Rothko. Zoon van Joods-Russische immigranten in Amerika. Geboren in 1903. Hij pleegt zelfmoord in 1970.

Er zijn meer liefhebbers van moderne kunst, van Rothko. Het is druk. Achter hoofden, ruggen en oplichtende apparaatjes, die horen bij de verstrekte audio-tours, doemen de werken van Rothko op. Eerst een paar figuratieve. Mooi is het schilderij met de wachtende mensen in de metro. Smal en stil staan zij langs de stangen in de metro-treinstellen. Zij wachten. Waarop? Op een dag, een week met drukte en een volle agenda?

Ik loop door en langzaam verandert het figuratieve schilder-landschap in kleurvlekken. Grillig, grote rode, gele, blauwe vlakken. Zwart. Met de rand glimmend en het oppervlak, ja wel zwart maar zie ik ook grijs, donkergrijs?

Ik denk terug aan mijn eerste kennismaking met moderne kunst. Tijdens een rondleiding in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een jonge, vrolijke student laat ons, drukke scholieren, de collage zien van Matisse en wijst ons op het vrouwenfiguurtje, het kleurgebruik, de compositie. Hij vertelt ons hoe de werken tot stand zijn gekomen van Jackson Pollock en Barnett Newman. We kijken naar ‘Who’s afraid of red, yellow and blue?’ en we denken er opeens iets van te begrijpen.

Ik kijk naar de vlakken van Rothko. Nee, het is geen mystieke noch religieuze ervaring. Maar ontzagwekkende kunst is het wel. Zuigend. Die kleuren. De grootte.

Een beetje verdwaald na het w.c.-bezoek openen we een deur van een andere grote zaal. Niemand. En ook hier hangen mooie werken. Prachtige werken. Bacon met zijn fel-realistische roze mensenvlees, Golden’s potloodstreepje, Mondriaan, zijn stipjes en kleurvlakken. Opeens zie ik een schilderij dat mij treft. Dezelfde kleuren als het metro-schilderij van Rothko. Treffend, dezelfde sfeer en de kleuren…Het verschil zit hem in het lachje,- of is het een opkrullend snorretje?- van deze figuur en de stille, steile figuren van Rothko.

Ik sta er met mijn neus bovenop, hier, in deze zaal met kunstschatten, in alle rust en stilte. Het schilderij is van Picasso. Zouden ze elkaars werk hebben gekend? Het zijn verschillende kunstenaars. De Joods-Russische Amerikaan met zijn depressies, zijn melancholische aard en de flamboyante Spaanse vrouwenliefhebber.

En hier, zie, twee schilderijen die bij elkaar passen als twee puzzelstukjes in de enorme legpuzzel van de moderne kunst en zij hangen niet naast elkaar. Niets hebben zij waarschijnlijk gemeen. Kunsthistorici lachen mij zachtjes uit. Maar het is mijn ontdekking. Ik, die niets weet van kunst. Ik doe een ontdekking.

En weg is de volle agenda, de drukke week. Mijn hoofd, hart en handen weten de weg te vinden naar letters, naar woorden. Rothko en Picasso.

Bij het weggaan passeren we goud-geschilderde woorden, onder een art deco-achtige afbeelding, zomaar boven de trap:

Eer het god’lijk licht

in d’openbaringen

van de kunst.

Yes.

IMG_4900.JPG