Windig

‘Vandaag is het een beetje te windig’.

De wonderschone serveerster die niet beseft dat deze zin het begin van een gedicht is zet de ijskoude glazen water voor ons neer. Ze lacht haar wonderschone lach.

De golven slaan naast mij neer op de rotsen, we drinken een te duur drankje op een terras naast de Caribische zee. De hordes Amerikanen die als sliertjes uitgeknepen puistjes over de opperhuid van de stad kronkelen hebben dit plekje nog niet gevonden. Dit te windige plekje in de zon op het eiland Curacao.

Inderdaad waait alles op tafel weg. We fixeren servetjes en petjes met het bolvormige vaasje waarin wat groens en roods ligt. Wij knijpen onze ogen dicht tegen de zon. En langzamerhand voel ik mijn hoofd vollopen met zwaarte en snot.

Natuurlijk komt dat door de verschillen tussen warm en koud. ‘s Nachts blaast de airco een scherpe luchtstroom over ons heen, ‘s ochtends zitten wij met de voeten in het aangeharkte, koele zand met de tropenzon in ons gezicht. In de gehuurde auto blaast een mechanische wind ons tegemoet. Even later liggen wij van top tot teen ingesmeerd in de schaduw van een parasol het warm te hebben.

We koelen af in de turquoise zee. Snorkelen, kijken naar gekleurde visjes. Ik zie alleen maar witte, heel doorschijnende. Ze zwenken linksaf. Schieten langs mij heen, onder mij door. Wier dwarrelt door het heldere water. Ik hoor mijn adem.

De zwaarte kan komen door het museum dat we bezochten. Een weldoener knapte het huizen- en binnenplaatscomplex – waarin vroeger slaven werden verhandeld – op. In nauwe doorgangetjes en koele ruimten komt de Afrikaanse geschiedenis naar ons toe met als toegift een tentoonstelling over de slavernij. Ik sta in de nagebouwde scheepsromp en zie de planken met verroeste boeien en ketens. Ik bekijk de schaarse foto’s van wanhopige mensen. Ik zie een beeld van twee vrouwen, de een legt troostend haar hand op de schouder van de ander.

Mijn hoofd zit vol snot.

‘Anders ga je zo even zwemmen’, oppert mijn man. ‘Dan komt het los.’ Los? De zwaarte in mijn hoofd, het snot, niets komt los.

‘Was alles naar wens?’, vraagt het meisje van de wind ons. Ze is mooi en lief. Ze lacht.

‘Het was heerlijk’, zeggen wij.

***

Old pirates, yes, they rob I;

Sold I to the merchant ships,

Minutes after they took I

From the bottomless pit.

But my hand was made strong

By the ‘and of the Almighty.

We forward in this generation

Triumphantly.

Won’t you help to sing

This songs of freedom

‘Cause all I ever have:

Redemption songs;

Redemption songs.

Redemption song,

Bob Marley (1945-1981)

Advertisements

One happy island

Portret van een meisje met strohoed, Paula Modersohn-Becker (1876-1907)

Op Goede Vrijdag staan er plotseling gekleurde tentjes op het strand. Kleine en grote tenten, partytenten, het is een grote tentenshow op dit ‘One happy island’; van Baby Beach tot en met Malmok Beach, van Rodgers Beach tot en met Arashi Beach, overal bivakkeren gezinnen op het strand.

De Duitse eigenaar van ons huisje vertelt in bijna-perfect Nederlands over het ene weekend per jaar waarin Arubanen op het strand mogen kamperen. En dat is met Pasen. ‘Zo krijgen Arubaanse kinderen feeling met hun gezin en het eiland’, vult zijn vrouw Denise aan, een zin waarover ik lang nadenk.

Denise en haar man wonen in het huis naast ons huisje. Hun huis lijkt op het Indische huis van mijn overgroot-oma: een marmeren, open voorgalerij waar de tropenwind doorheen waait met daarachter – een beetje verborgen – de keuken en slaapkamers.

‘U spreekt goed Nederlands’, zegt mijn man.

‘Tja, wij voeren jarenlang met onze onze boot door Nederland’, vertelt Denise. Haar door zon en zee geteisterde haar valt schuin over haar gebruinde gezicht. Haar ogen zijn felblauw als het zeewater aan de overkant van de weg. Denise wijst ons de kussens en strandstoeltjes ‘Pak deze gerust als je naar het strand gaat!’

Ze loopt voor ons uit om het stukje eigen strand te wijzen waar wij zomaar mogen gaan liggen. Kitesurfers scheren over de golven, de zon trekt een witte baan in het water. In de verte zien wij vissersboten en een paar grote zeeschepen. Ik knijp mijn ogen dicht tegen het felle licht.

Later op de middag loopt Denise weer langs ons huisje.

‘Sorry dat ik steeds langsloop maar het is zo warm…’ Zij zucht en wrijft haar hand door het haar. ‘En omlopen kost mij zoveel energie…’ Op het buitentafeltje ligt mijn boek. Denise doet een stap naar voren, ze leunt op de stoel die op ons terrasje staat.

‘Wat is dit voor een boek?’, vraagt ze nieuwsgierig. Het boek is van Ivo Weyel. Het gaat over zijn Joodse vader wiens dagboeken over de onderduik-periode hij vond. Ivo wist niets van het oorlogsverleden van zijn vader. Door de dagboeken leert hij zijn inmiddels overleden vader kennen. Ik vertel Duitse Denise kort waar het boek over gaat. Tot mijn ergernis trek ik een oneigenlijke parallel met een andere oorlog. ‘Twee generaties Syrische kinderen zullen last van hun oorlog houden’, zeg ik. Denise bekijkt het boek, bladert het wat door en zegt dat zij een dutje gaat doen. ‘Het is zo warm’, zucht ze en ze loopt haar marmeren huis in.

En opeens weet ik wat mij bevreemdt aan het strandkamperen en ‘de feeling die Arubaanse kinderen dit weekend daardoor krijgen met hun gezin en het eiland.’ De hele warme dag door zitten alle volwassenen op hun plastic stoeltjes te eten, te drinken en te kletsen. De kinderen scharrelen wat rond tussen de tenten. De zee ligt hier vol stenen, pootje baden of in het water spelen kan hier niet. Doelloos zwerven de kinderen rond, zij laten het hete zand door hun vingers lopen. Luide muziek komt uit de door hun ouders meegebrachte boxen. De volwassenen zitten. Geen ouder speelt met zijn kind.

De vader van Ivo Weyel was een lieve man. Hij speelde met zijn zoon, over de oorlog sprak hij niet om zijn kind daarmee niet te belasten. Wat weet Denise hier van? En ach, wat kan mij het schelen? Wij liggen op een bedje in de zon en knijpen onze ogen dicht. ‘One happy island’ it is.

Laat los

Op de voorkant van het vorige-week-weekend-katern Tijd van Trouw staat ‘Papa en mama doen het wel’ Laat dat volwassen kind eens los. Het katern ligt open en bloot op tafel.

Mijn man en ik kijken elkaar aan. Hij deed zojuist de was van ons allen. De uithuiswonende dochter woont weer thuis. De zoon is nooit weggeweest. Ik keek een ‘plan van aanpak’ na, nadat ik – eerlijk is eerlijk – dat zelf aan mijn zoon had aangeboden.

‘Het gaat om een fictief plan hoor’, zei hij achteloos tijdens het door zijn vader en mij voorbereide ontbijt. Toen had ik alle puntjes al op de i gezet.

Laatst fietste ik met onze dochter naar het station. Voor wij vertrokken rende zij drie keer naar boven, voor de sleutel, voor de zooltjes in haar laarzen en voor iets wat ik niet hoorde.

‘Nu kom ik te laat!’, hoorde ik wel, boven haar roffelende voeten uit. Zelf stond ik al vijf minuten met de deurklink van de achterdeur in mijn hand.

In mijn mond lag bestorven: ‘Heb je je portemonnee en OV-kaart?’ maar ik zei niks. Per slot van rekening woonde ze eerder ruim drie jaar op zichzelf waarvan een half jaar in China.

‘Die redt zich prima’, vertelden wij trots en verbaasd aan wie er maar naar vroeg.

Bij het station scheidden onze wegen. Zij ging met studiegenoten naar Den-Haag, ik fietste naar Zandvoort. Het zonnetje scheen, ik zocht bij een strandtent een plekje in de zon, uit de kille wind. De tent was nog niet helemaal af. Losse planken lagen hier en daar op het zand. Bolle kussens waren schijnbaar lukraak op stoelen en bankjes gegooid. Golven spoelden af en aan, ik volgde met mijn ogen de lijnen van schuimend wit op blauwgroen die als oneindige krijtstrepen op een schoolbord het einde van de winter markeerden.

Een vrolijke jongen serveerde mij koffie.

‘U zit zo heerlijk hier!’, zei hij en ik beaamde het. Ik sloot mijn ogen en dacht aan mijn boek in het tasje naast mij. Dat ging ik lezen, in de zon, met achter mij kussens die roken naar nieuw.

In mijn tasje lag ook mijn telefoon. Ik pakte het op. Drie telefoontjes en meerdere WhatsApp-berichten met vraagtekens lichtten op. Mijn dochter. Ik zuchtte en belde.

‘Ja, ik zit nu in de bus’, hoorde ik. ‘Ik was mijn portemonnee en OV vergeten.’

‘O, en nu?’, vroeg ik.

‘Ik kwam erachter dat ik op mijn telefoon een treinkaartje kon kopen en nu zit ik in de bus dankzij de chauffeur die mij liet meerijden zonder kaartje.’

‘Zo, dat is vriendelijk’, zei ik.

‘Ja, en ik leen wel wat geld voor de terugweg van een van mijn klasgenoten.’

‘Dat is dan mooi opgelost’, antwoordde ik.

‘Nou, doehoei! Tot morgen he?! Vanavond eet en logeer ik bij S.’

Ik dacht aan het eten voor vier in de ijskast. En aan de niet opgegeten restjes pasta, stoofvlees en curry van de laatste tijd.

‘Oké, tot morgen’, zei ik.

‘Ik had het toch moeten vragen, van die portemonnee en OV’, dacht ik en ik blies een kuiltje in mijn koud geworden koffie.

We laten ze binnenkort los. Echt.

Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Inclusief


Omdat het tijd werd voor een uitje boekte ik een hotel in het onderste stukje Nederland, linksonder, bijna in België. Daar, in het verre Zeeuws-Vlaanderen lag een hotel in een oud vestingstadje. Het eten was inclusief en dat had een teken moeten zijn.

                      *

Vroeger gingen wij naar Zeeuws- Vlaanderen met onze peuter en kleuter. De rit was net ver genoeg om onze zoon drie uur lang te horen huilen ondanks het feit dat zijn vader telkens het woedend-weggegooide speentje terugstopte in zijn mondje vol traan, snot en slijm.

                      *

Aangekomen in een dijkhuisje in Cadzand of slecht schoongemaakt arbeiders-huisje in het dorpje Retranchement vierden wij onze verregende vakanties. Wij zochten in weer en wind haaientandjes op het strand, zweetten in de zo dikwijls bezochte vlindertuin dat de vlinders ons herkenden en sjokten met vele Belgische stelletjes door het stadje Sluis met haar drogisterijen. 

                        *

‘Kijk, daar heb je de kleine zeemeermin’, wees onze dochter. Haar vingertje prikte naar de beeltenis van een pikante, roodharige dame op een gevel met een etalage waarin de seksspeeltjes hoog opgestapeld lagen. Dikke, Vlaamse mannen lieten steels hun oogje op de etalage vallen, hun arm stevig om de schouder van hun pronte vrouwen. 

                        *

We bewaarden mooie herinneringen aan Zeeland: bakkerij Leurgans, de vette klei natgeregend en omgeploegd als dikke hopen stront naast kaarsrechte wegen met knotwilgen aan weerszijden. Een land zo gestructureerd en symmetrisch dat zelfs ik de weg altijd kon vinden. 

                        *

We arriveerden in het hotel terwijl een schraal zonnetje de meeste zon-uren van Nederland probeerde waar te maken. Een stugge Zeeuw bij de receptie meldde ons dat we pas vanaf 15.00 uur konden inchecken. ‘Kunnen we onze koffertjes hier wel neerzetten?’, vroegen wij netjes. Dat kon. En wij reden verder, of eigenlijk, terug naar voorbijgaande jaren en herinneringen in zand, klei en zee.

                        *

Wij stuurden naar de huilende peuter- en kleuter-van-destijds fotootjes: van de speelgoedwinkel waar we de regenachtige dagen mee goedmaakten: ‘Zoek maar wat moois uit.’ Van Knokke met haar hoge appartementen en de Vlaamse chic met kleine hondjes aan dure riempjes. Van de prijzige kledingwinkel waar we toch gewoon kleren kochten. 

                         *

En daarna keerden we terug naar het hotel. We kregen een bandje om. De muziek stond hard. Het ging over de Zeeuwse kust. De barman gooide bij ieder glas all-inclusive-wijn de fles even op die hij dan speels overpakte in zijn andere hand. Een andere ober kwam de lege koffiekopjes halen zoevend op een zelfrijdend skate-board. Iedere avond hoorden wij de dame in het restaurant achter de plakkerige bar met gratis glazen bier en wijn vertellen dat ze uit Iran kwam. En tegen 22.30 uur zong iedereen mee met de muziek. Hard.

                        *

Morgen gaan we weer naar huis.    

                        ***

Hond


Als kleurrijke snoepjes hangen de vliegers van kite-surfers in de lucht. Bruinverbrande mannen en een enkele vrouw staan schuin op puntige plankjes, ze laten streepjes wit achter in het water als CO2-lijnen van vliegtuigen in de lucht. 

                          *

Een straffe wind waait over het eiland. Haren waaien voortdurend op en dat is wat je proeft, zilte sliertjes op je lippen als uiteengerafelde zoute dropveters. 

                         *

Flarden van gedachten, woorden en zinnen schuiven in mijn hoofd als letters van scrabble op houten houdertjes, voortdurend wisselende combinaties totdat het goede woord, de goede zin verschijnt. 

                         *

Ik zag een hondje met aan zijn halsband een groene waslijn. Een smal dier met een bruine rug. Ruwig haar en ogen die van de een naar de ander kijken. Hij snuffelt rond in de ruimte die de lijn hem toestaat. 
Zijn baasje – een vrouw, meisje nog – vraagt of ik het hondje wil hebben. De man van het lunchtentje lacht zijn tanden bloot: ‘It will cost you three crêpes en three coffee.’ De man heeft een stem als de zanger van The Elephant Song, zwaar en donker.

                           *

‘You have a beautiful voice’, zei ik de dag ervoor tegen hem. We aten een broodje daar, in het restaurantje aan de weg met in iedere hoek van het terras een stamgast. De man schrok en begreep het niet. ‘Your voice, it’s beautiful.’ Ik hoopte dat hij het snapte. En ja, ‘If the music goes to the right, my voice goes to the left. I can’t sing.’ Ik lachte. 

                         *

Op het strand wappert overal wat: een handdoek, de geschulpte randen van een parasol, een bikini-touwtje. Verderop ligt een eiland, ooit ontstaan uit gloeiend steen dat vanuit de aardholte naar boven stulpte als een puist op een gladde huid. In de kalme zee ligt het land, onbeweeglijk als een lang, geschubd dier. 

                           *

De hond kijkt naar mij. Zijn ogen flitsen niet meer weg van de een naar de ander. 

‘I found her, she needs vaccination, then you can take her’, vertelt het baasje, een meisje nog. Zij heeft lang, blond haar dat wappert in de wind. In haar hand ligt losjes het uiteinde van de groene waslijn.

                          *

Ik neem hem niet mee. De hond snuffelt rond in de ruimte die de lijn hem toestaat. Zijn stugge haren waaien schuin op in de wind. ‘Hij is een zij’, denk ik. En ik hoop dat ze verdampt in mijn gedachten als strepen in de zee, lijnen in de lucht.

                           

                         ***

Vakantie (2)


Muskiete-jag

Jou vabond, wag, ik sal jou krij,

Van jou sal net ‘n bloedkol blij

Hier op mij kamermure.

Deur jouw vervloekte gonserij,

Deur jouw gebijt en plagerij

Kon ik nie slaap vir ure.


Mag ik mij voorstel, eer ons skei,

Eer jij die doodslag van mij krij –

Mij naam is van der Merwe.

Muskiet, wees maar nie treurig nie,

Wees ook nie so kieskeurig nie.

Jij moet tog ééndag sterwe.

 

Verwekker van malaria,

Sing maar jou laaste aria –

Nog één minuut vir grasie.

Al soebat jij nou nòg so lang,

Al sê jij ook: ik is nie bang,

Nooit sien jij weer jou nasie…


Hoe sedig sit hij, O, die kreng!

Sij kinders kan maar kranse breng,

Nóu gaan die vabond sterwe…

Pardoef! Dis mis! Daar gaan hij weer!

Maar dòòd sal hij, sowaar, ik sweer

Mij naam is van der Merwe!

A.D. Keet (1888-1972)

Vannacht werd ik wakker in mijn bed-met-klamboe als een rups in een cocon van witte tule. Wij deden hier lacherig over: een klamboe in Spanje, nergens voor nodig. Totdat we ‘s nachts wakker werden van muggen, zo zoemend om ons slaperige hoofd dat ons oor trillend wakker werd en onze arm uitschoot naar het geluid van de Spaanse mug.

                            *

Nu slaap ik onder de klamboe, moeizaam gedrapeerd om het bed, ingestopt onder de matrasranden maar in de loop van de nacht losgewoeld door onrustige draaiingen en beenbewegingen. Vannacht werd ik weer wakker van een zoemende mug. Ik dacht in halfslaap na en maakte mijzelf wijs dat de mug zich buiten de klamboe bevond. Na nogmaals hinderlijk gezoem pakte ik mijn iPhone en ik scheen met de lantaarnfunctie in de witte tule. Geen mug te zien. 

                           *

Ik slaap in en droom. Iets over vroeger, flarden moeder, school, leraar. Terugkerende thema’s. Als ik wakker word is het licht. Ik kijk in de tule, omhoog, de cocon in. En daar, links van mijn hoofd zit de mother ** bastard van vannacht. In de klamboe. Met mijn boek in de hand richt ik mij op. Ik lees een dikke thriller. De mug ruikt onraad en vliegt omhoog. Maar de klamboe is een doeltreffende muggenvanger, de mug kan niet ontsnappen uit deze sluitende tule-waas. Ik pak de stof beet en sla met de achterkant van het boek de mug dood. Hij ploft neer op het kussen. Vol overgave ligt hij en ik sla nogmaals. Met de platte mug achter op het boek loop ik de kamer in. Met een keukenpapiertje veeg ik de mug van de kaft.

                          *

‘Kijk, mijn bloed’, zeg ik tegen mijn man. En ik houd het witte papier met rode veegjes omhoog.

‘Getver’, zegt hij.

                           *

Ik kijk naar buiten. We lieten onze groen-sappige tuin achter voor dor en droog vulkaanlandschap. Het huis en de tuin staan onder de hoede van onze zoon.

‘Je hoeft maar aan drie dingen te denken deze week’, zeg ik tegen mijn kind bij vertrek en dat is ‘TOP’. 

‘TOP?’, vraagt hij ongeïnteresseerd.

‘Ja, TOP: Tuin, Opa, Poezen. Dat zijn de prioriteiten van de komende week.’

                          *

De tuin met geraniums die net gaan bloeien, teer-roze bloemetjes en soms hardroze komen uit het groene blad omhoog. 

‘Haal je de uitgebloeide bloemen eruit?’, vraag ik de achttienjarige.

‘Ja’, bromt hij ongeïnteresseerd. 

En de hortensia die op springen staat. Binnen een paar dagen bloeien de Annabelles vol en wit als stralende lantaarnbollen aan een rustieke dorpsweg. De roos die zielig en kaal omhoogklimt maar opeens een paar knoppen heeft die ik nauwlettend in de gaten houd en de rozen die ik afknip net na het hoogtepunt van de bloei. Dan zet ik ze in een klein, donker-rood vaasje op de buffetkast, hopend dat aan de afgeknipte takken weer een nieuwe knop verschijnt.

                           *

Opa. Mijn vader. Hij brak zijn heup en revalideert. Aan hem moet ik niet denken. 

‘Ik ga iedere dag naar opa toe, mam’, zegt mijn zoon. En dat is lief. 

‘Ik schrijf mails aan hem, kan jij die dan voorlezen?’, vraag ik.

‘Ja’, antwoordt het kind, ‘Tuurlijk.’ 

                            *

En de poezen: zij zijn op dieet. De dierenarts vond 8,7 kilo te veel voor onze Siberische boskat. 

‘U wilt toch niet dat ze diabetes krijgen?’, vroeg de assistente poeslief. 

‘Nee’, beaamde ik. 

En dus gaan ze op dieet. Beiden want poes Saar is ook te zwaar. 

‘Geef je precies 55 gram aan Saar en 65 aan Moos?’, vraag ik en ik wijs mijn zoon op de twee plastic bakjes waarop de maximale hoeveelheid voer af te lezen is. Het speciale dieetvoer dat de assistente mij aanbeval. 

‘Ja’, antwoordt mijn kind.

                              *

Buiten, over de rooiige lavabergen, hangt een wit wolkendek. Donkergrijze wolken jagen langs het wit. ‘Dit weer hebben we hier nog nooit gehad’, zeg ik tegen mijn man.

‘Nee’, antwoordt hij. 

                            *

Maar het is vakantie. En als ik niet denk aan thuis, de zon opeens achter de wolken vandaan komt en ik hardloop, het vakantiehuis uit, de rechte weg af richting het strand waar de wilde zee zich om de rotsen kringelt en water woest opspat, dan is het vakantie. 

                         *

TOP. Tuin. Opa. Poezen. Het gaat vast goed.
                         ***