Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Advertisements

Inclusief


Omdat het tijd werd voor een uitje boekte ik een hotel in het onderste stukje Nederland, linksonder, bijna in België. Daar, in het verre Zeeuws-Vlaanderen lag een hotel in een oud vestingstadje. Het eten was inclusief en dat had een teken moeten zijn.

                      *

Vroeger gingen wij naar Zeeuws- Vlaanderen met onze peuter en kleuter. De rit was net ver genoeg om onze zoon drie uur lang te horen huilen ondanks het feit dat zijn vader telkens het woedend-weggegooide speentje terugstopte in zijn mondje vol traan, snot en slijm.

                      *

Aangekomen in een dijkhuisje in Cadzand of slecht schoongemaakt arbeiders-huisje in het dorpje Retranchement vierden wij onze verregende vakanties. Wij zochten in weer en wind haaientandjes op het strand, zweetten in de zo dikwijls bezochte vlindertuin dat de vlinders ons herkenden en sjokten met vele Belgische stelletjes door het stadje Sluis met haar drogisterijen. 

                        *

‘Kijk, daar heb je de kleine zeemeermin’, wees onze dochter. Haar vingertje prikte naar de beeltenis van een pikante, roodharige dame op een gevel met een etalage waarin de seksspeeltjes hoog opgestapeld lagen. Dikke, Vlaamse mannen lieten steels hun oogje op de etalage vallen, hun arm stevig om de schouder van hun pronte vrouwen. 

                        *

We bewaarden mooie herinneringen aan Zeeland: bakkerij Leurgans, de vette klei natgeregend en omgeploegd als dikke hopen stront naast kaarsrechte wegen met knotwilgen aan weerszijden. Een land zo gestructureerd en symmetrisch dat zelfs ik de weg altijd kon vinden. 

                        *

We arriveerden in het hotel terwijl een schraal zonnetje de meeste zon-uren van Nederland probeerde waar te maken. Een stugge Zeeuw bij de receptie meldde ons dat we pas vanaf 15.00 uur konden inchecken. ‘Kunnen we onze koffertjes hier wel neerzetten?’, vroegen wij netjes. Dat kon. En wij reden verder, of eigenlijk, terug naar voorbijgaande jaren en herinneringen in zand, klei en zee.

                        *

Wij stuurden naar de huilende peuter- en kleuter-van-destijds fotootjes: van de speelgoedwinkel waar we de regenachtige dagen mee goedmaakten: ‘Zoek maar wat moois uit.’ Van Knokke met haar hoge appartementen en de Vlaamse chic met kleine hondjes aan dure riempjes. Van de prijzige kledingwinkel waar we toch gewoon kleren kochten. 

                         *

En daarna keerden we terug naar het hotel. We kregen een bandje om. De muziek stond hard. Het ging over de Zeeuwse kust. De barman gooide bij ieder glas all-inclusive-wijn de fles even op die hij dan speels overpakte in zijn andere hand. Een andere ober kwam de lege koffiekopjes halen zoevend op een zelfrijdend skate-board. Iedere avond hoorden wij de dame in het restaurant achter de plakkerige bar met gratis glazen bier en wijn vertellen dat ze uit Iran kwam. En tegen 22.30 uur zong iedereen mee met de muziek. Hard.

                        *

Morgen gaan we weer naar huis.    

                        ***

Hond


Als kleurrijke snoepjes hangen de vliegers van kite-surfers in de lucht. Bruinverbrande mannen en een enkele vrouw staan schuin op puntige plankjes, ze laten streepjes wit achter in het water als CO2-lijnen van vliegtuigen in de lucht. 

                          *

Een straffe wind waait over het eiland. Haren waaien voortdurend op en dat is wat je proeft, zilte sliertjes op je lippen als uiteengerafelde zoute dropveters. 

                         *

Flarden van gedachten, woorden en zinnen schuiven in mijn hoofd als letters van scrabble op houten houdertjes, voortdurend wisselende combinaties totdat het goede woord, de goede zin verschijnt. 

                         *

Ik zag een hondje met aan zijn halsband een groene waslijn. Een smal dier met een bruine rug. Ruwig haar en ogen die van de een naar de ander kijken. Hij snuffelt rond in de ruimte die de lijn hem toestaat. 
Zijn baasje – een vrouw, meisje nog – vraagt of ik het hondje wil hebben. De man van het lunchtentje lacht zijn tanden bloot: ‘It will cost you three crêpes en three coffee.’ De man heeft een stem als de zanger van The Elephant Song, zwaar en donker.

                           *

‘You have a beautiful voice’, zei ik de dag ervoor tegen hem. We aten een broodje daar, in het restaurantje aan de weg met in iedere hoek van het terras een stamgast. De man schrok en begreep het niet. ‘Your voice, it’s beautiful.’ Ik hoopte dat hij het snapte. En ja, ‘If the music goes to the right, my voice goes to the left. I can’t sing.’ Ik lachte. 

                         *

Op het strand wappert overal wat: een handdoek, de geschulpte randen van een parasol, een bikini-touwtje. Verderop ligt een eiland, ooit ontstaan uit gloeiend steen dat vanuit de aardholte naar boven stulpte als een puist op een gladde huid. In de kalme zee ligt het land, onbeweeglijk als een lang, geschubd dier. 

                           *

De hond kijkt naar mij. Zijn ogen flitsen niet meer weg van de een naar de ander. 

‘I found her, she needs vaccination, then you can take her’, vertelt het baasje, een meisje nog. Zij heeft lang, blond haar dat wappert in de wind. In haar hand ligt losjes het uiteinde van de groene waslijn.

                          *

Ik neem hem niet mee. De hond snuffelt rond in de ruimte die de lijn hem toestaat. Zijn stugge haren waaien schuin op in de wind. ‘Hij is een zij’, denk ik. En ik hoop dat ze verdampt in mijn gedachten als strepen in de zee, lijnen in de lucht.

                           

                         ***

Vakantie (2)


Muskiete-jag

Jou vabond, wag, ik sal jou krij,

Van jou sal net ‘n bloedkol blij

Hier op mij kamermure.

Deur jouw vervloekte gonserij,

Deur jouw gebijt en plagerij

Kon ik nie slaap vir ure.


Mag ik mij voorstel, eer ons skei,

Eer jij die doodslag van mij krij –

Mij naam is van der Merwe.

Muskiet, wees maar nie treurig nie,

Wees ook nie so kieskeurig nie.

Jij moet tog ééndag sterwe.

 

Verwekker van malaria,

Sing maar jou laaste aria –

Nog één minuut vir grasie.

Al soebat jij nou nòg so lang,

Al sê jij ook: ik is nie bang,

Nooit sien jij weer jou nasie…


Hoe sedig sit hij, O, die kreng!

Sij kinders kan maar kranse breng,

Nóu gaan die vabond sterwe…

Pardoef! Dis mis! Daar gaan hij weer!

Maar dòòd sal hij, sowaar, ik sweer

Mij naam is van der Merwe!

A.D. Keet (1888-1972)

Vannacht werd ik wakker in mijn bed-met-klamboe als een rups in een cocon van witte tule. Wij deden hier lacherig over: een klamboe in Spanje, nergens voor nodig. Totdat we ‘s nachts wakker werden van muggen, zo zoemend om ons slaperige hoofd dat ons oor trillend wakker werd en onze arm uitschoot naar het geluid van de Spaanse mug.

                            *

Nu slaap ik onder de klamboe, moeizaam gedrapeerd om het bed, ingestopt onder de matrasranden maar in de loop van de nacht losgewoeld door onrustige draaiingen en beenbewegingen. Vannacht werd ik weer wakker van een zoemende mug. Ik dacht in halfslaap na en maakte mijzelf wijs dat de mug zich buiten de klamboe bevond. Na nogmaals hinderlijk gezoem pakte ik mijn iPhone en ik scheen met de lantaarnfunctie in de witte tule. Geen mug te zien. 

                           *

Ik slaap in en droom. Iets over vroeger, flarden moeder, school, leraar. Terugkerende thema’s. Als ik wakker word is het licht. Ik kijk in de tule, omhoog, de cocon in. En daar, links van mijn hoofd zit de mother ** bastard van vannacht. In de klamboe. Met mijn boek in de hand richt ik mij op. Ik lees een dikke thriller. De mug ruikt onraad en vliegt omhoog. Maar de klamboe is een doeltreffende muggenvanger, de mug kan niet ontsnappen uit deze sluitende tule-waas. Ik pak de stof beet en sla met de achterkant van het boek de mug dood. Hij ploft neer op het kussen. Vol overgave ligt hij en ik sla nogmaals. Met de platte mug achter op het boek loop ik de kamer in. Met een keukenpapiertje veeg ik de mug van de kaft.

                          *

‘Kijk, mijn bloed’, zeg ik tegen mijn man. En ik houd het witte papier met rode veegjes omhoog.

‘Getver’, zegt hij.

                           *

Ik kijk naar buiten. We lieten onze groen-sappige tuin achter voor dor en droog vulkaanlandschap. Het huis en de tuin staan onder de hoede van onze zoon.

‘Je hoeft maar aan drie dingen te denken deze week’, zeg ik tegen mijn kind bij vertrek en dat is ‘TOP’. 

‘TOP?’, vraagt hij ongeïnteresseerd.

‘Ja, TOP: Tuin, Opa, Poezen. Dat zijn de prioriteiten van de komende week.’

                          *

De tuin met geraniums die net gaan bloeien, teer-roze bloemetjes en soms hardroze komen uit het groene blad omhoog. 

‘Haal je de uitgebloeide bloemen eruit?’, vraag ik de achttienjarige.

‘Ja’, bromt hij ongeïnteresseerd. 

En de hortensia die op springen staat. Binnen een paar dagen bloeien de Annabelles vol en wit als stralende lantaarnbollen aan een rustieke dorpsweg. De roos die zielig en kaal omhoogklimt maar opeens een paar knoppen heeft die ik nauwlettend in de gaten houd en de rozen die ik afknip net na het hoogtepunt van de bloei. Dan zet ik ze in een klein, donker-rood vaasje op de buffetkast, hopend dat aan de afgeknipte takken weer een nieuwe knop verschijnt.

                           *

Opa. Mijn vader. Hij brak zijn heup en revalideert. Aan hem moet ik niet denken. 

‘Ik ga iedere dag naar opa toe, mam’, zegt mijn zoon. En dat is lief. 

‘Ik schrijf mails aan hem, kan jij die dan voorlezen?’, vraag ik.

‘Ja’, antwoordt het kind, ‘Tuurlijk.’ 

                            *

En de poezen: zij zijn op dieet. De dierenarts vond 8,7 kilo te veel voor onze Siberische boskat. 

‘U wilt toch niet dat ze diabetes krijgen?’, vroeg de assistente poeslief. 

‘Nee’, beaamde ik. 

En dus gaan ze op dieet. Beiden want poes Saar is ook te zwaar. 

‘Geef je precies 55 gram aan Saar en 65 aan Moos?’, vraag ik en ik wijs mijn zoon op de twee plastic bakjes waarop de maximale hoeveelheid voer af te lezen is. Het speciale dieetvoer dat de assistente mij aanbeval. 

‘Ja’, antwoordt mijn kind.

                              *

Buiten, over de rooiige lavabergen, hangt een wit wolkendek. Donkergrijze wolken jagen langs het wit. ‘Dit weer hebben we hier nog nooit gehad’, zeg ik tegen mijn man.

‘Nee’, antwoordt hij. 

                            *

Maar het is vakantie. En als ik niet denk aan thuis, de zon opeens achter de wolken vandaan komt en ik hardloop, het vakantiehuis uit, de rechte weg af richting het strand waar de wilde zee zich om de rotsen kringelt en water woest opspat, dan is het vakantie. 

                         *

TOP. Tuin. Opa. Poezen. Het gaat vast goed.
                         ***

Al Djannah

  
Het telkens gewaarschuwd worden voor de laatste zonnige dag als een soort Dag des Oordeels maakt me nerveus. Er ligt een berg werk, het te verschonen beddengoed doet de neus ‘s nachts kriebelen, een kind moet naar het station worden gebracht en een rondje hardlopen zou geen overbodige luxe zijn.

                          *

Daarbij komt dat onze hulp Adua om elf uur arriveert. Mij bekruipt altijd gêne als ik, thuis werkend aan mijn bureau of keukentafel, haar al poetsend in onze badkamer vrolijk Ghanese liederen hoor zingen. Ik werk ook, maar het ziet er niet uit als werken: priegelen op de iPad met wat papier en opgerolde flap-overs naast me op tafel. Het weegt bij lange na niet op tegen het zwoegende geboen van Adua. En in de tuin werken kan ik al helemaal niet: het eeuwige schuren, timmeren en zagen is hier op die laatste zonnige dag van het jaar alweer vroeg van start gegaan.

                           *

Na het wegbrengen van het kind dat snipverkouden en hoestend, flink bepakt en bezakt, de auto uitstapt, besluit ik te werken op het strand. Kopje koffie, zon op de Dag des Oordeels en de iPad. Dat moet lukken.

                        *

Het is een goed idee: het terras is op een paar keuvelende echtparen en damesstelletjes leeg. Veel bezoekers lezen een boek, weggezakt in een loungebank. Ik neem zelf plaats op een stoel met tafel: gekomen om te werken, nietwaar?

                       *

De stoel is laag: dit is geen ARBO-verantwoorde houding. Stiekem pak ik een dik kussen van de naastgelegen loungebank en hopla, ik stijg een centimeter of drie. Een gebruinde veertiger met wilde, blonde haren brengt mijn koffie verkeerd en verschaft mij het WIFI-wachtwoord. Ik log in en start met tikken. 

                           *

Zo nu en dan vang ik flardjes gekeuvel om mij heen op: het hoofdthema is vluchtelingen, de meningen zijn verdeeld.

‘Snap je dat nu, in de jaren zestig verwelkomden wij de Hongaren en kijk, hoe onverdraagzaam zij zich nu opstellen tegenover de Syriërs…’, verzucht een dame-van-in-de-zestig. 

‘Ja, er zit een heel rechtse regering daar’, weet haar vriendin, ook dame-van-in-de-zestig. Ze nipt aan haar glaasje witte wijn.

‘Ik vind dat we open moeten staan voor oorlogsvluchtelingen’, meent dame 1.

‘Nou.., je kunt toch niet hier de hele wereld ontvangen…’, weerspreekt haar vriendin. Ik werp me maar weer op mijn verslag. Ik weet ook de oplossing niet en dan is het schrijven van zo’n verslag wel een aangename afleiding.

                          *

Het echtpaar links van mij nuttigt een Noordzeeplateau voor twee, ook al onder begeleiding van witte wijn. ‘Garnalen, kabeljauw, een versgesneden harinkje en wat krabsalade’, somt de gebruinde veertiger geroutineerd op. Ik ben inmiddels overgestapt van koffie verkeerd op Spa blauw. Zo veel te doen. Mijn rug verstijft, de werkhouding is niet optimaal. Ik verschuif het kussen naar de rugleuning. Nu zit ik wel te laag, maar voor mijn rug is dit beter.

                        *

Ik tik lustig door, alle lekkernijen om mij heen manmoedig weerstaand. Maar rond half twee slaat de verleiding toe. Ik neem een broodje garnalenkroket. 

                         *

‘Wat bijzonder is het toch dat wij hier zo heerlijk zitten’, hoor ik dame 1 verkondigen. Dame 2 is het roerend met haar eens. ‘Ik moet ergens heen’, zegt zij plotseling. O ja? Wat een verrassende move tijdens zo’n gezellig samenzijn. Al gauw blijkt dat ‘ergens heen moeten’ gewoon betekent dat zij naar de wc gaat. Iets dat dame 1 direct begrijpt. ‘In het restaurant, aan het begin, bij de ingang rechts’, helpt zij haar vriendin. 
Bij terugkeer blijkt de wc-bezoekster de rekening betaald te hebben. ‘Hoeveel was het?’, informeert de vriendin. Wat zou ze doen? Is dame 2 in een genereuze bui? Of wordt het sam-sam? ‘€59,60 was het.’ Het wordt sam-sam. Zonder op te kijken van mijn iPad-scherm hoor ik het uitwisselen van contant geld, het openen en sluiten van portemonnees met zo’n klik-klak-sluiting. Rustig pratend verlaten de vriendinnen het terras. Om drie uur ‘s middags op deze laatste mooie dag van het jaar pak ik mijn spullen bij elkaar. Thuis ga ik verder: het beddengoed moet in de droger en de werkjes maak ik daar wel af. 

                         *

In de strandtent verderop staat een trouwambtenaar onder een baldakijn. De aanwezigen klappen. Het huwelijk is voltrokken. Ik kijk nog een keer om en zie het zachte zand, een licht briesje aait mijn gezicht, een kalme zee. Geen jongetje in de langzaam-aanrollende branding met een rood shirtje aan, een blauw broekje, klittenbandschoentjes. Dat jongetje zingt en springt in de hemelse tuinen van het Paradijs, al Djannah. 

                       *

De Dag des Oordeels. Deze is al geweest.

                      ***

Een dagje aan het strand

  
Het is zo heerlijk onduidelijk wie iedereen is, wat de bezoekers hier doen, willen of denken. Op dit terras met veel dad-body’s, een bar inclusief barkeeper van zo’n jaar of zestien, met zeezoutchips en gratis te verkrijgen water met drijvende munt en citroen, te jonge meisjes met grote zonnebrillen, van alles is hier te zien.

                         *

Mij passeert een mokka-bruin jongetje met blond touwhaar, een felblauwe bermuda strak om zijn achtjarige billen, een piepjonge serveerster balanceert met haar blad vol glazen muntthee.

                         *

Achter mij zit een stelletje: hij van onbestemde leeftijd, zij begin twintig. Ze spreken Algemeen Beschaafd Nederlands, ze zeggen: ‘super!’ en ‘top!’ als de ice-tea respectievelijk het gestylede taartje worden gebracht.

                         *

Vroeger, en dan spreek ik over heel vroeger kwam ik hier ook wel eens. Zo ongelukkig als ik mij toen voelde voel ik mij nooit weer. Bij deze strandtent ontmoetten destijds de young & beautiful people elkaar. Als gevulde bak onzekerheid zat ik ertussen. Ongelukkig te zijn, in mijn ogen absoluut niet beautiful genoeg. 

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg, niet zeker genoeg. Ik werd alleen snel bruin. Dat was mijn enige pluspunt. 

                         *

Nu zit ik hier, na 35 jaar. Op het terras, – de relaxte muziek omhult mij en de onduidelijken -, zak ik weg op de loungebank, hang in twee kussens en zit ik alleen met mijn boek dolgelukkig te zijn. 

                           *

Tussen mijn donkerbruine haren glinsteren de grijze. De buik, goed gevuld deze zomer met van alles dat veel te lekker is, piept over het korte broekje heen. Wel is tie lekker bruin, de piepende buik.

                         *

Tegenover mij zit een klein meisje dat de kaart leest, op haar manier, – deze driejarige, – haar ijsje lekt gekleurde draden op haar strandjurkje. In haar bruine, korte haar steekt een roze speldje. Haar ouders knuffelen elkaar op de bank naast de mijne. Lief.

                         *

De muziek gaat harder, er staan twee gasten klaar achter twee hoge tafels met apparatuur, ongetwijfeld geht die party snel richtig los hier. De zon schijnt minder fel, verstopt zich achter streperige wolkjes.

                         *

Ik stap maar weer eens op. Ik pak mijn tijdschrift in, mijn boek, de iPhone en fiets naar huis.

                         *

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg en zeker niet jong genoeg maar gelukkig domweg gelukkig.

                       ***

Een dagje aan het strand

  
Het is zo heerlijk onduidelijk wie iedereen is, wat de bezoekers hier doen, willen of denken. Op dit terras met veel dad-body’s, een bar inclusief barkeeper van zo’n jaar of zestien, met zeezoutchips en gratis te verkrijgen water met drijvende munt en citroen, te jonge meisjes met grote zonnebrillen, van alles is hier te zien.

                         *

Mij passeert een mokka-bruin jongetje met blond touwhaar, een felblauwe bermuda strak om zijn achtjarige billen, een piepjonge serveerster balanceert met haar blad vol glazen muntthee.

                         *

Achter mij zit een stelletje: hij van onbestemde leeftijd, zij begin twintig. Ze spreken Algemeen Beschaafd Nederlands, ze zeggen: ‘super!’ en ‘top!’ als de ice-tea respectievelijk het gestylede taartje worden gebracht.

                         *

Vroeger, en dan spreek ik over heel vroeger kwam ik hier ook wel eens. Zo ongelukkig als ik mij toen voelde voel ik mij nooit weer. Bij deze strandtent ontmoetten destijds de young & beautiful people elkaar. Als gevulde bak onzekerheid zat ik ertussen. Ongelukkig te zijn, in mijn ogen absoluut niet beautiful genoeg. 

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg, niet zeker genoeg. Ik werd alleen snel bruin. Dat was mijn enige pluspunt. 

                         *

Nu zit ik hier, na 35 jaar. Op het terras, – de relaxte muziek omhult mij en de onduidelijken hier, – ik zak weg op de loungebank, hang in twee kussens, zit ik alleen met mijn boek dolgelukkig te zijn. 

                           *

Tussen mijn donkerbruine haren glinsteren de grijze. De buik, goed gevuld deze zomer met van alles dat veel te lekker is, piept over het korte broekje heen. Wel is tie lekker bruin, de piepende buik.

                         *

Tegenover mij zit een klein meisje dat de kaart leest, op haar manier, – deze driejarige, – haar ijsje lekt gekleurde draden op haar strandjurkje. In haar bruine, korte haar steekt een roze speldje. Haar ouders knuffelen elkaar op de bank naast de mijne. Lief.

                         *

De muziek gaat harder, er staan twee gasten klaar achter twee hoge tafels met apparatuur, ongetwijfeld geht die party snel richtig los hier. De zon schijnt minder fel, verstopt zich achter streperige wolkjes.

                         *

Ik stap maar weer eens op. Ik pak mijn tijdschrift in, mijn boek, de iPhone en fiets naar huis.

                         *

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg en zeker niet jong genoeg maar gelukkig domweg gelukkig.

                       ***