Keet

Soms valt er even niet zo veel te vertellen. Het leven kabbelt voort, de kinderen gaan het huis uit en keren weer terug. Boemerangkinderen, je gooit ze weg en dan, opeens, zijn ze er weer. Gelaten vang je ze, suizend in de lucht, op.

‘Hoe gaat het?’, vraag ik onze dochter die om 9 uur ‘s ochtends woest tikkend op haar toetsenbord tekeer gaat met naast haar een uitgeprint document vol gele en roze markeringen. Aan de andere kant van de laptop ligt haar telefoon waarop continu berichten verschijnen, die mij zacht trillend afleiden van de ochtendkrant.

‘Goed’, zegt ze en ze tikt woedend verder, af en toe kijkend naar de prints en de telefoon.

Gisteren was onze zoon op bezoek met zijn vriendin. Hij woont sinds een paar weken in een kamer van een vriend die anderhalve maand weg is. Onlangs bezochten wij hem. Bij het bestijgen van de drie trappen – onze kinderen wonen altijd op bovenste etages als ze op kamers verblijven – werd de poezengeur doordringender. De vier jongens hebben een kat, een kitten is het nog. ‘Ze pist overal’, had onze zoon al somber gemeld. Het poesje heet Keet. Mijn man dacht Kate naar Kate Bush, ik dacht meer aan de hippe Amsterdams meisjesnaam, Keet. Zeker weten we het dus niet. Keet of Kate had ‘Gvd vanochtend op mijn bed gepist’ vertelde onze zoon. In het piepkleine keukentje ratelde de wasmachine met zijn beddengoed.

‘Op hoeveel graden was je het?’, informeerde mijn man.

‘40 graden’, antwoordde onze zoon. Mijn man adviseerde het beddengoed nogmaals te wassen maar dan op 90 graden.

We gingen zitten op de comfortabele bank die bijna de hele kamer in beslag nam.

‘Waar is Keet?’, vroeg ik.

‘Die zit onder de bank’, antwoordde onze zoon. We zagen haar niet.

‘Ze verdwijnt altijd als er wordt gezogen’, zei hij. Aha, hij had dus schoongemaakt.

‘Ja, ik heb ook achter de bank gezogen’, vertelde hij, ‘Daar was een soort van biotoop ontstaan.’ En hij lachte.

Onze zoon leidde ons rond. In zijn leen-slaapkamer paste precies een twijfelaar en een kast. ‘Zo, mooi hoor’, zeiden wij.

In een andere slaapkamer vloog een flinke zwerm vliegjes om de lamp, evenals in de huiskamer.

‘Ja ik weet niet hoe dat komt’, zei hij, ‘Ik deed het raam open en opeens waren er allemaal vliegjes in de kamer.’ Op het balkon stonden vier opgestapelde, lege kratjes. Voor de deur in het halletje stonden er ook vier. In de huiskamer, waar een grote televisie de ruimte domineerde, stond een vitrinekast te zoemen met blikjes bier erin. ‘Reuze handig’, vertelde ons kind, ‘Al maakt ie wel veel lawaai.’

Omdat hij bijna jarig was gaven we hem alvast cadeautjes. Hij was er erg bij mee. ‘Kom, zullen we wat gaan drinken?’, vroeg hij en we gingen wat drinken. Bij het steile trapje voor de deur vertelde hij dat een van zijn huisgenoten daar van afgevallen was. ‘Hij had een lichte hersenschudding’, lachte onze zoon. ‘De sukkel.’

Trots liep hij ons voor, de Amsterdamse straten door. Toen ik een aardig tentje aanwees zei hij dat dat een heel duur restaurantje was. ‘Verderop is een leuke’ zei hij, man van de wereld. Braaf liepen wij achter hem aan. Op een Amsterdamse stoep dronken wij café latte, spraken vader en zoon over voetbal en praatten wij over zijn laatste tentamens en de aanstaande reis naar Bolivia.

Op de terugweg liepen we langs een dierenwinkel. ‘O, wacht, ik moet even een kammetje halen voor Keet’, zei hij en we liepen het zaakje in. Een oudere dame was een stapel blikjes met kattenvoer aan het tellen. Wij wachtten tot zij klaar was. Het duurde even.

‘Heeft u een kam voor een kitten?’, vroeg onze zoon.

‘Nee’, zei de vrouw nors. ‘Wel voor een kat, daar zit namelijk geen verschil in.’

‘O’, zei onze zoon.

‘Heeft u misschien van die kleefrollen voor vliegjes?’, informeerde mijn man. Achteloos wees de vrouw naar achteren. ‘Als we die hebben liggen ze daar’ Voor de vorm keken we, ze lagen er niet.

Gelukkig was er nog een dierenwinkel in de buurt. Een aardige vrouw had een kleine poezenkam en kleefstrips voor vliegen.

‘Hoe kom je aan vliegen?’, vroeg ze. ‘Ligt er soms fruit in de kamer of iets anders zoets?’

‘Alleen een paar lege bierkratten op het balkon’, zei mijn zoon. De vrouw lachte en zei dat aan de hals van de flesjes zoet achterblijft waar vliegjes op af komen.

‘Dus misschien moet je de kratten wegbrengen’, adviseerde ze lief.

En nu was onze zoon weer even thuis. Over een dikke week vertrekt hij met zijn vriendin naar Bolivia.

Hoe is het met Keet?’, vroegen wij.

‘Ze pist nog steeds overal in huis’, vertelde hij. ‘Maar ik kan die kamer misschien huren vanaf 1 juli en daar blijven. Ik denk dat ik dat maar doe.’

‘Hoewel huur betaal je?’, informeerden wij.

‘550 euro inclusief’, zei hij.

‘Nou’, zeiden wij. ‘Doen!’ En we zeiden niets over een slaapkamer overvol met bed en kast, vliegjes rond de lamp, een beplast dekbed, een kitten onder de bank en een biotoop erachter.

‘Heb je Keet nog gekamd?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei hij. En zijn vriendin voegde eraan toe, ‘Het is een schatje.’

Net voor het acht uur journaal komt onze dochter thuis. Met in haar ene hand de tas met laptop, in de andere hand twee zakjes van de snackbar. Ze ziet er moe uit.

‘Hoe gaat het?’, vragen wij.

‘Goed’, zegt ze.

En zo kabbelt het leven voort.

Advertisements

Het pleidooi

Op de deur van het lokaal hangt een plakkaat. ‘Stilte a.u.b. i.v.m. pleitoefening’.

We staan in het halletje voor het lokaal. Een groepje studenten staat om het hoekje, ze wiebelen nerveus op de hakken van hun schoenen. Ze lachen en zeggen ‘Ik heb liever drie tentamens dan dit’ en ‘Ik had dit nooit verwacht’.

Onze dochter ziet ons en loopt op ons af.

‘Ik ben als laatste aan de beurt’, zegt ze. ‘Maar jullie kunnen luisteren naar het tweede groepje. Daarna kom ik.’

Er staat nog een ouderpaar in het halletje. Als we het lokaal in mogen valt het plakkaat van de deur. De vrouw van het andere paar pakt het op en drukt het tegen de deur. Nu hangt het plakkaat scheef. De plakbandjes zijn stoffig en kleven nauwelijks meer.

We luisteren naar een fictieve rechtszaak over hulp bij zelfdoding. Drie in toga gehulde rechters geven het woord aan een jongen met baardstoppels, onwennig staand voor het katheder in een geleende toga. Hij neemt de rol van officier van justitie op zich. Op het whiteboard achter de rechters hangt een A-4-tje met een afbeelding van de koning. De jongen start zijn betoog. En ik herken het verhaal.

De dag ervoor oefende onze dochter haar officier-van-justitierol met mij.

‘Mijn verhaal moet echt binnen tien minuten klaar zijn en klok het alsjeblieft met de stopwatch-functie’, instrueerde ze mij. Ik zat op bed. Zij stond achter de strijkplank. Rechts op de strijkplank lag een stapel ongestreken kleding. In het ijzeren mandje links hing de strijkbout. Na twee keer oefenen, schrappen en timen en een maal de slappe lach duurde het betoog acht minuten en tien seconden.

Willem-Alexander staart mij aan; de afbeelding is geplastificeerd dus de koning glimt een beetje. De middelste rechter interrumpeert twee maal het betoog van de jongen. Rustig beantwoordt hij de vragen. Zijn rechter-gymschoen wipt op en neer. Het randje van de toga beweegt licht mee. De zoom is afgezet met glanzend-zwart biaisband. Ik sterf intussen duizend doden.

‘Nu ben ik wel zenuwachtig’, vertelde mijn dochter mij in het halletje. ‘Je moet ook onverwacht vragen beantwoorden en elkaar van repliek dienen.’

Na het betoog van een meisje dat als advocaat een paar keer haar tekst kwijt raakt schuifelen we achter elkaar het lokaal uit. De deur gaat dicht. ‘Nu beraadslagen ze’, legt mijn kind mij uit. Ze trekt de leen-toga aan. De mouwen zijn zeker twintig centimeter te lang.

‘Wacht, ik vouw ze om’, zeg ik, ‘Anders kan je je notitie niet eens uitdelen.’

En daar staat ze. Achter het katheder. Ze deelt haar pleitnota uit aan de drie rechters en haar mede-student die de advocatenrol op zich neemt. Ze schenkt een bekertje water in. Haar hand trilt niet. En dan start het strijkplank-requisitoir. Twee keer krijgt ze een vraag. Ze beantwoordt deze gedecideerd. Ze haalt het Heringa-arrest aan. Ze eist negen maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk voor hulp bij zelfdoding. ‘Er is een maatschappelijke en politieke discussie gaande over euthanasie en voltooid leven, maar het is aan de wetgever om de wet aan te passen. Zo lang dat niet gebeurt hanteren wij de nu geldende wetgeving.’

En Willem zag dat het goed was.

Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Accounting principals

  
Het vrolijk leeren

Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen,

En waarom zou mij dan het leeren verveelen?

Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.

Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken:

Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,

‘t Is wijsheid, ‘t zijn deugden, naar welken ik haak.

Uit: ‘Kleine gedigten voor kinderen’,                             Hieronymus van Alphen (1746-1803)

Mijn benen zijn van rubber, ze liggen languit onder het zware dekbed. De zon schijnt streepjes op mijn kleding die over de stoel hangt. Luxaflex-streepjes van zon. Het zagen en timmeren buiten is begonnen. Een geruststellend geluid, het doet me denken aan thuis. Geen thuis zonder geluid van buren en buitenlui met hamers, zagen en maaiers. 

                         *

Beneden hoor ik scheuren van papier. Het koffie-apparaat maakt herrie. Zijn er broodjes gehaald? Vanwege mijn rubberen benen kan ik het bed nog niet uit. Maar als er broodjes zijn zou ik het kunnen proberen. Uit bed stappen, sokken aantrekken, mijn warme sloflaarzen, mijn fleecevest aan. Dan zou ik naar beneden gaan op de geur af van vers brood, geurige kaas, nieuw beleg. 

                         *

En nu zit ik aan tafel. Naast mij zit een kind dat zucht. Drie tentamens heeft hij volgende week en: ‘iedere docent denkt dat hij het enige vak geeft dat ertoe doet. Het is teveel.’ Zijn zus tegenover hem knikt instemmend. Ze begrijpen elkaar.

                          *

En ik? Ik denk aan vroeger, de tijd waarin ik zelf zwoegde op huiswerk. Vooral op de middelbare school drukte de last van leren, begrijpen en presteren zwaar op mij. Het was veel. En moeilijk. 

                           *

Daarna werd het gemakkelijker. De lessen op de Pedagogische Academie waren kinderlijk eenvoudig vergeleken met die van het deftige gymnasium. Ik herinner me alleen het lachen dat we deden. Lachen in die maffe klas met leuke mensen. Leraren die Ruud, Theo en Tineke heetten en er nog gewoon relaties op na hielden met leerlingen. Werkweken in België met toneel, kunst en zang. En lachen, heel veel lachen.

                           *

Wat jaren later bezocht ik de universiteit, de Vrije Universiteit. De gereformeerde universiteit waar je niets van merkte. Met een groep avondstudenten, allen verschillend maar zo gemotiveerd om snel en goed de studie af te ronden. 

                           *

Ik herinner mij dat ik belde naar de VU, het moet 1989 geweest zijn. Ik was op vakantie in Engeland, ik wilde weten wat mijn eerste cijfer was. Kon ik het nog, studeren? In de Engelse telefooncel, uitkijkend op een cricketveld met witte mannetjes, hoorde ik door de krakende hoorn mijn cijfer: een 7. Ik kon het nog en de vakantie was mooi. 

                           *

Naast mij zijn in een schriftje rijtjes cijfers opgeschreven. Zijn hoofd rust op de linkerhand. Onder het schrift ligt het boek. ‘Accounting principals’. 

‘Kijk, deze rij cijfers moet x 10, dan verschuift de derde rij naar rechts. Daarna moet ik de andere reeks cijfers daaronder zetten, ik heb geen idee waar die vandaan komen.’ Ik zucht met hem. Ik snap er ook niks van.

                          *

Buiten schijnt de zon. Ik kleed mij zo aan, dan ga ik naar buiten. Denkend aan het kind met de priegelcijfers in het schriftje. Ik hoef niet meer. Heerlijk.
                           ***

Taart

  
Het is dinsdag 15 september. Donker groen buigt naar rechts, loden luchten jagen boven zwaaiende takken. Op de Gooise weg/s112 valt al dwarrelend een zeskantig blad op het asfalt. Met een aandoenlijk bruin steeltje. Ik rijd er overheen.

                        *

Op deze dag met klinkende regenbuien, donderwolken en katten die voor geen goud naar hun geliefde buiten gaan, komt het niet van schrijven. Tot hier. De file op de Gooise weg ordent gedachten. Het ondergedompeld zijn in de herfst in deze behaaglijke cocon, de warme auto, haalt de woorden tevoorschijn waar ik overdag tevergeefs naar zocht.

                          *

Op vrijdag 18 september maken buien plaats voor blauw met witwatten wolken. Op tafel liggen kranten, kruimels en de iPad. Een half vol glas thee, de pot erachter. Opeens overvalt me de zin in taart. Appeltaart.

                         *

‘Zal ik een appeltaart bakken?’, roep ik richting de voorkamer. Daar ligt de verse student met laptop op schoot, oordopjes in. We praten hier in huis alsof we met slechthorenden samenwonen. HARD en DUIDELIJK anders krijg je GEEN REACTIE.

                         *

‘Huh, eeh, ja, wat voor een taart?’ vragen de oordopjes.

‘EEN APPELTAART!’, is het antwoord.

‘O ja, lekker!’

                          *

En ik bak een taart. Met twee oude rimpelappels en vier gladde groene. Dat van die rimpelappels vertel ik de hardhorende niet. Gisteren vroeg hij zijn vader om een appel: ‘zonder ook maar iets erop, pap, geen deuk of bruin plekje, anders lust ik het niet.’ Vanaf zijn tweede jaar begon de verregaande kieskeurigheid en kokhalzen-bij-iets-‘vies’. De kieskeurigheid houdt al zestien jaar stand.

                         *

Als ik de laatste hand leg aan de taart beweegt er iets in mijn ooghoek: de student is in beweging gekomen.

‘Ik ga zo nog even naar Romee.’

‘O, net nu ik de taart afheb…’ Hij knikt verlegen en ik zeg hem direct dat ik het niet erg vind alleen te zijn, ook niet met taart. ‘Geen probleem!’, roep ik vrolijk.

                         *

‘Mag ik de wagen?’ 

‘De wagen?’

‘Nou ja, de auto, bedoel ik.’

‘Ja, natuurlijk.’

                         *

En daar gaat hij. Opgedoft in de wagen naar Romee. 

                         *

Een uur later is de taart klaar. Ik snijd een warm puntje af. Lekker.

                       ***

De Snuifas

  
Ze bestaan. De lullo’s. En wij hebben de eer tegenover en naast zes verse exemplaren te zitten. In de trein van Delft naar Heemstede.

‘Moet ik Ditmar even bellen?’

‘Eds en Ronald zouden direct erheen gaan.’ Opmerkelijk. Ronald. Dat is nu typisch zo’n zeventiger-jaren naam die ouders gaven aan hun zoon als ze het echt niet meer wisten. Geen lullo-naam. Ditmar en Eds passen aardig in het plaatje. Maar Ronald…nee.

                         *

Deze heel jonge lullo’s dragen een pak, een gekreukte witte bloes, een van hen draagt nog de oranje das van de vereniging. Vijf van hen deden de das af. Slordig opgevouwen in hun hand stappen ze ermee de coupe in. Alleen tegenover en naast ons is nog plek. En daar ploffen ze neer.

                        *

‘Kut’, ‘Superkut’, ‘chickie’ en ‘nice’ vliegen ons om de oren. Ze hebben het over ‘zo’n goser’, een foto op de iPhone is ‘bueno’. De andere jongens die ze gaan ontmoeten heten Juul, Siep en Sicco. 

                         *

De jongen die het meeste weg heeft van een VVD-er-in spe, een frappante look-a-like van minister van der Steur, vertelt dat hij morgen de bachelor-party heeft van zijn stiefvader. Een onbegrijpelijk gebeuren voor mij. Bachelor-party van zijn stiefvader? Daar snap ik niets van. Of is het zijn toekomstige stiefvader? De man die gaat trouwen met zijn moeder? We komen het niet te weten. De anderen luisteren lief naar hem.

                         *

‘We gaan bowlen en daarna uit eten’, meldt de jonge Ard met een onvervalste Haarlem-r. Dat bowlen klinkt toch weer lekker gewoon. En ze gaan vanavond naar Haarlem, want ze hebben het over uitgaan bij Stalker of de Koning. Dat laatste tentje heeft ons, ouders van twee post-pubers, destijds een fiets, portemonnee met inhoud en peperdure jas gekost. ‘Ook mijn ID-kaart ben ik kwijhijt…’ vernamen wij van een snikkend kind om 3.00 uur ‘s ochtends, waarna wij haar ophaalden in de stikdonkere stad. De fiets en portemonnee waren gestolen, in de peperdure jas zat een brandgat van een sigaret. De wit-wolkige voering pulpte er daarna voortdurend uit. Daar hielp geen naald en draad tegen. Exit dure jas. 

                           *

We kunnen genieten van de heren de hele treinreis van Delft tot en met Heemstede. Daar gaan ze eruit. ‘Dat appte Ditmar net, lullo! We moeten eruit in Heemstede!’ ‘Heemstede-Aerdenhout zal je bedoelen ‘, verbetert de hockey-captain. Grappig is dat ze spreken over de rector magnificus met de klemtoon op fi in plaats van op ni. Dat is niet juist, heren! Lullo’s! Maar ik hou mijn mond en tik lekker door op mijn iPhone. Zo nu en dan laat ik wat lezen aan mijn dochter. Zij heeft een paar mooie aanvullingen op het lullo-jargon.

                         *

Een van de jongemannen heeft in zijn gele Jumbo boodschappentas wat biertjes meegesjouwd. ‘Matties’ heten deze, oftewel ‘amigos’. ‘Geef mij nog zo’n mattie, pik!’ Nu hebben ze het opeens over goede kappers, dat zijn kappers ‘waarbij je niet hoeft te lullen.’ Dat schijnt belangrijk te zijn. ‘Mijn kapper lult zelf heel veel en verwacht niets terug.’ Dat is ook goed. 

                         *

Ik geniet. Mijn dochter kijkt alleen maar zo nu en dan op van haar iPhone. Deze jongens lijken in zekere zin op haar jongere broer: veel bravoure, een dikke Haarlemse ‘r’, bier drinken en tussendoor wat studeren. Dat schijnen ze namelijk wel eens te doen. Zeer terloops. Soms. Stiekem ‘s avonds in bed waarschijnlijk. Of het weekend voor de tentamens twee keer 24 uur doorblokken. 

                         *

Het thema is verschoven naar de hockey. Ook dat nog. ‘Ik ben captain’, verkondigt de lullo in het hoekje. ‘Superkut’, meent de rest. Als een lullo in Haarlem afscheid neemt ‘ik ga er hier uit’, krijgt hij vijf high fives en mompelen ze allen vriendelijk ‘later(z) ‘. 

                         *

De ‘matties’ zijn op. Mijn theorie over 24 uur doorblokken blijkt te kloppen want de kleinste en knapste lullo doet een master. Hoe doen die gasten dat? Hij had het wel even ‘ziek druk, onmenselijk gewoon, man!’, maar na de onmenselijk zware dagen gaat hij ‘chillen’ met zijn ‘chickie’ in Parijs. Het ‘chickie’ doet een minor in Parijs. De kleine heeft nog een leuk Fransgetint weetje. Als je in Amerika scheldt zeg je: ‘excuse my French!’ De kleine, ik zie hem over tien jaar senior zijn in een groot bedrijf. Twee van de vier hockeyende kindertjes zijn geboren, zijn chickie zal met haar Franse minor niet verder komen dan haar SUV, tennis op vrijdagochtend en zo nu en dan opdraven bij een receptie.

                         *

Over tien, twintig jaar is het leven een beetje over deze gasten heengegaan. Ook hen blijft waarschijnlijk niets bespaard. Ziekte, dood, scheiding, ontslag. Sommigen zullen te hard werken, een burnt-out krijgen wellicht. 

                         *

De bravoure gaat er af. Ze krijgen een buikje. De hockey-captain hobbelt waarschijnlijk nog een beetje mee in het veteranenteam. En stiekem vind ik dat jammer. Ze zijn aandoenlijk, deze jonge lullo’s, de hele toekomst voor zich, met hun ‘chickie’ in Parijs, een stageplek op de ‘Snuifas’, feesten en stappen, hockey en een beetje studeren. 

                          *

‘Een stage op de Snuifas.’ Grinnikend loop ik de trein uit. Eds, Ronald en Ditmar wachten hen beneden op. Een van hen houdt een bos bloemen vast. Ze stappen in twee aftandse autootjes en scheuren er vandoor. Het leven in.

                          *

Ciao amigos!

                         ***