Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Advertisements

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Accounting principals

  
Het vrolijk leeren

Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen,

En waarom zou mij dan het leeren verveelen?

Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.

Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken:

Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,

‘t Is wijsheid, ‘t zijn deugden, naar welken ik haak.

Uit: ‘Kleine gedigten voor kinderen’,                             Hieronymus van Alphen (1746-1803)

Mijn benen zijn van rubber, ze liggen languit onder het zware dekbed. De zon schijnt streepjes op mijn kleding die over de stoel hangt. Luxaflex-streepjes van zon. Het zagen en timmeren buiten is begonnen. Een geruststellend geluid, het doet me denken aan thuis. Geen thuis zonder geluid van buren en buitenlui met hamers, zagen en maaiers. 

                         *

Beneden hoor ik scheuren van papier. Het koffie-apparaat maakt herrie. Zijn er broodjes gehaald? Vanwege mijn rubberen benen kan ik het bed nog niet uit. Maar als er broodjes zijn zou ik het kunnen proberen. Uit bed stappen, sokken aantrekken, mijn warme sloflaarzen, mijn fleecevest aan. Dan zou ik naar beneden gaan op de geur af van vers brood, geurige kaas, nieuw beleg. 

                         *

En nu zit ik aan tafel. Naast mij zit een kind dat zucht. Drie tentamens heeft hij volgende week en: ‘iedere docent denkt dat hij het enige vak geeft dat ertoe doet. Het is teveel.’ Zijn zus tegenover hem knikt instemmend. Ze begrijpen elkaar.

                          *

En ik? Ik denk aan vroeger, de tijd waarin ik zelf zwoegde op huiswerk. Vooral op de middelbare school drukte de last van leren, begrijpen en presteren zwaar op mij. Het was veel. En moeilijk. 

                           *

Daarna werd het gemakkelijker. De lessen op de Pedagogische Academie waren kinderlijk eenvoudig vergeleken met die van het deftige gymnasium. Ik herinner me alleen het lachen dat we deden. Lachen in die maffe klas met leuke mensen. Leraren die Ruud, Theo en Tineke heetten en er nog gewoon relaties op na hielden met leerlingen. Werkweken in België met toneel, kunst en zang. En lachen, heel veel lachen.

                           *

Wat jaren later bezocht ik de universiteit, de Vrije Universiteit. De gereformeerde universiteit waar je niets van merkte. Met een groep avondstudenten, allen verschillend maar zo gemotiveerd om snel en goed de studie af te ronden. 

                           *

Ik herinner mij dat ik belde naar de VU, het moet 1989 geweest zijn. Ik was op vakantie in Engeland, ik wilde weten wat mijn eerste cijfer was. Kon ik het nog, studeren? In de Engelse telefooncel, uitkijkend op een cricketveld met witte mannetjes, hoorde ik door de krakende hoorn mijn cijfer: een 7. Ik kon het nog en de vakantie was mooi. 

                           *

Naast mij zijn in een schriftje rijtjes cijfers opgeschreven. Zijn hoofd rust op de linkerhand. Onder het schrift ligt het boek. ‘Accounting principals’. 

‘Kijk, deze rij cijfers moet x 10, dan verschuift de derde rij naar rechts. Daarna moet ik de andere reeks cijfers daaronder zetten, ik heb geen idee waar die vandaan komen.’ Ik zucht met hem. Ik snap er ook niks van.

                          *

Buiten schijnt de zon. Ik kleed mij zo aan, dan ga ik naar buiten. Denkend aan het kind met de priegelcijfers in het schriftje. Ik hoef niet meer. Heerlijk.
                           ***

Taart

  
Het is dinsdag 15 september. Donker groen buigt naar rechts, loden luchten jagen boven zwaaiende takken. Op de Gooise weg/s112 valt al dwarrelend een zeskantig blad op het asfalt. Met een aandoenlijk bruin steeltje. Ik rijd er overheen.

                        *

Op deze dag met klinkende regenbuien, donderwolken en katten die voor geen goud naar hun geliefde buiten gaan, komt het niet van schrijven. Tot hier. De file op de Gooise weg ordent gedachten. Het ondergedompeld zijn in de herfst in deze behaaglijke cocon, de warme auto, haalt de woorden tevoorschijn waar ik overdag tevergeefs naar zocht.

                          *

Op vrijdag 18 september maken buien plaats voor blauw met witwatten wolken. Op tafel liggen kranten, kruimels en de iPad. Een half vol glas thee, de pot erachter. Opeens overvalt me de zin in taart. Appeltaart.

                         *

‘Zal ik een appeltaart bakken?’, roep ik richting de voorkamer. Daar ligt de verse student met laptop op schoot, oordopjes in. We praten hier in huis alsof we met slechthorenden samenwonen. HARD en DUIDELIJK anders krijg je GEEN REACTIE.

                         *

‘Huh, eeh, ja, wat voor een taart?’ vragen de oordopjes.

‘EEN APPELTAART!’, is het antwoord.

‘O ja, lekker!’

                          *

En ik bak een taart. Met twee oude rimpelappels en vier gladde groene. Dat van die rimpelappels vertel ik de hardhorende niet. Gisteren vroeg hij zijn vader om een appel: ‘zonder ook maar iets erop, pap, geen deuk of bruin plekje, anders lust ik het niet.’ Vanaf zijn tweede jaar begon de verregaande kieskeurigheid en kokhalzen-bij-iets-‘vies’. De kieskeurigheid houdt al zestien jaar stand.

                         *

Als ik de laatste hand leg aan de taart beweegt er iets in mijn ooghoek: de student is in beweging gekomen.

‘Ik ga zo nog even naar Romee.’

‘O, net nu ik de taart afheb…’ Hij knikt verlegen en ik zeg hem direct dat ik het niet erg vind alleen te zijn, ook niet met taart. ‘Geen probleem!’, roep ik vrolijk.

                         *

‘Mag ik de wagen?’ 

‘De wagen?’

‘Nou ja, de auto, bedoel ik.’

‘Ja, natuurlijk.’

                         *

En daar gaat hij. Opgedoft in de wagen naar Romee. 

                         *

Een uur later is de taart klaar. Ik snijd een warm puntje af. Lekker.

                       ***

De Snuifas

  
Ze bestaan. De lullo’s. En wij hebben de eer tegenover en naast zes verse exemplaren te zitten. In de trein van Delft naar Heemstede.

‘Moet ik Ditmar even bellen?’

‘Eds en Ronald zouden direct erheen gaan.’ Opmerkelijk. Ronald. Dat is nu typisch zo’n zeventiger-jaren naam die ouders gaven aan hun zoon als ze het echt niet meer wisten. Geen lullo-naam. Ditmar en Eds passen aardig in het plaatje. Maar Ronald…nee.

                         *

Deze heel jonge lullo’s dragen een pak, een gekreukte witte bloes, een van hen draagt nog de oranje das van de vereniging. Vijf van hen deden de das af. Slordig opgevouwen in hun hand stappen ze ermee de coupe in. Alleen tegenover en naast ons is nog plek. En daar ploffen ze neer.

                        *

‘Kut’, ‘Superkut’, ‘chickie’ en ‘nice’ vliegen ons om de oren. Ze hebben het over ‘zo’n goser’, een foto op de iPhone is ‘bueno’. De andere jongens die ze gaan ontmoeten heten Juul, Siep en Sicco. 

                         *

De jongen die het meeste weg heeft van een VVD-er-in spe, een frappante look-a-like van minister van der Steur, vertelt dat hij morgen de bachelor-party heeft van zijn stiefvader. Een onbegrijpelijk gebeuren voor mij. Bachelor-party van zijn stiefvader? Daar snap ik niets van. Of is het zijn toekomstige stiefvader? De man die gaat trouwen met zijn moeder? We komen het niet te weten. De anderen luisteren lief naar hem.

                         *

‘We gaan bowlen en daarna uit eten’, meldt de jonge Ard met een onvervalste Haarlem-r. Dat bowlen klinkt toch weer lekker gewoon. En ze gaan vanavond naar Haarlem, want ze hebben het over uitgaan bij Stalker of de Koning. Dat laatste tentje heeft ons, ouders van twee post-pubers, destijds een fiets, portemonnee met inhoud en peperdure jas gekost. ‘Ook mijn ID-kaart ben ik kwijhijt…’ vernamen wij van een snikkend kind om 3.00 uur ‘s ochtends, waarna wij haar ophaalden in de stikdonkere stad. De fiets en portemonnee waren gestolen, in de peperdure jas zat een brandgat van een sigaret. De wit-wolkige voering pulpte er daarna voortdurend uit. Daar hielp geen naald en draad tegen. Exit dure jas. 

                           *

We kunnen genieten van de heren de hele treinreis van Delft tot en met Heemstede. Daar gaan ze eruit. ‘Dat appte Ditmar net, lullo! We moeten eruit in Heemstede!’ ‘Heemstede-Aerdenhout zal je bedoelen ‘, verbetert de hockey-captain. Grappig is dat ze spreken over de rector magnificus met de klemtoon op fi in plaats van op ni. Dat is niet juist, heren! Lullo’s! Maar ik hou mijn mond en tik lekker door op mijn iPhone. Zo nu en dan laat ik wat lezen aan mijn dochter. Zij heeft een paar mooie aanvullingen op het lullo-jargon.

                         *

Een van de jongemannen heeft in zijn gele Jumbo boodschappentas wat biertjes meegesjouwd. ‘Matties’ heten deze, oftewel ‘amigos’. ‘Geef mij nog zo’n mattie, pik!’ Nu hebben ze het opeens over goede kappers, dat zijn kappers ‘waarbij je niet hoeft te lullen.’ Dat schijnt belangrijk te zijn. ‘Mijn kapper lult zelf heel veel en verwacht niets terug.’ Dat is ook goed. 

                         *

Ik geniet. Mijn dochter kijkt alleen maar zo nu en dan op van haar iPhone. Deze jongens lijken in zekere zin op haar jongere broer: veel bravoure, een dikke Haarlemse ‘r’, bier drinken en tussendoor wat studeren. Dat schijnen ze namelijk wel eens te doen. Zeer terloops. Soms. Stiekem ‘s avonds in bed waarschijnlijk. Of het weekend voor de tentamens twee keer 24 uur doorblokken. 

                         *

Het thema is verschoven naar de hockey. Ook dat nog. ‘Ik ben captain’, verkondigt de lullo in het hoekje. ‘Superkut’, meent de rest. Als een lullo in Haarlem afscheid neemt ‘ik ga er hier uit’, krijgt hij vijf high fives en mompelen ze allen vriendelijk ‘later(z) ‘. 

                         *

De ‘matties’ zijn op. Mijn theorie over 24 uur doorblokken blijkt te kloppen want de kleinste en knapste lullo doet een master. Hoe doen die gasten dat? Hij had het wel even ‘ziek druk, onmenselijk gewoon, man!’, maar na de onmenselijk zware dagen gaat hij ‘chillen’ met zijn ‘chickie’ in Parijs. Het ‘chickie’ doet een minor in Parijs. De kleine heeft nog een leuk Fransgetint weetje. Als je in Amerika scheldt zeg je: ‘excuse my French!’ De kleine, ik zie hem over tien jaar senior zijn in een groot bedrijf. Twee van de vier hockeyende kindertjes zijn geboren, zijn chickie zal met haar Franse minor niet verder komen dan haar SUV, tennis op vrijdagochtend en zo nu en dan opdraven bij een receptie.

                         *

Over tien, twintig jaar is het leven een beetje over deze gasten heengegaan. Ook hen blijft waarschijnlijk niets bespaard. Ziekte, dood, scheiding, ontslag. Sommigen zullen te hard werken, een burnt-out krijgen wellicht. 

                         *

De bravoure gaat er af. Ze krijgen een buikje. De hockey-captain hobbelt waarschijnlijk nog een beetje mee in het veteranenteam. En stiekem vind ik dat jammer. Ze zijn aandoenlijk, deze jonge lullo’s, de hele toekomst voor zich, met hun ‘chickie’ in Parijs, een stageplek op de ‘Snuifas’, feesten en stappen, hockey en een beetje studeren. 

                          *

‘Een stage op de Snuifas.’ Grinnikend loop ik de trein uit. Eds, Ronald en Ditmar wachten hen beneden op. Een van hen houdt een bos bloemen vast. Ze stappen in twee aftandse autootjes en scheuren er vandoor. Het leven in.

                          *

Ciao amigos!

                         ***

Studiereis

 Vorige week kwam onze dochter thuis. Ze was op studiereis naar Roemenië geweest. ‘Roemenië?’, vroeg iedereen aan wie ik vertelde over de reis, ‘Ja, Roemenië. Ze studeert Criminologie’, zei ik er dan maar bij en toen begreep men het. Knipogen vielen mij ten deel, want Roemenië en de Roemenen, nee, zij staan niet echt positief bekend in Nederland. De bekendheid van Roemenen wordt begrensd door ‘goedkope arbeidskrachten’ (op zijn best) tot en met sluwe inbrekers (slechter) en zwaardere criminelen (op zijn slechtst). 

                         *
Ons kind zag er na die week Roemenië goed uit: niet al te zware kringen onder de ogen, weer een tikje volwassener leek wel en nadat ze was neergeploft op de buitenbank, kwamen de verhalen.
                         *
‘Roemenen zijn heel onaardig en Boekarest, daar is niks te zien.’ Zo, voor iedereen die nog plannen heeft de kant van Roemenië op te gaan, is dit duidelijke taal. ‘Ik dacht dat we midden in het centrum logeerden, nou, ik heb geen centrum gezien. Blijkt er ook niet te zijn, er is niets. Geen leuke winkels of mooie winkelstraten, alleen maar brede straten met loshangende draden ertussen.’ En ze illustreert haar verhaal met een enkele foto: ‘ja, ik heb maar een paar foto’s, er viel niets te fotograferen’, moppert ze. ‘Kijk, mam, van een afstand lijkt dit nog wel een aardig gebouw, maar (twee fijne vingers vergroten het beeld) nu zie je dat het een armoedig gebouw is. Zie je al die draden?’ En ik zie ze: een kluwen electriciteitsdraden hangt tussen twee gebouwen in. Een in elkaar gedraaide, onontwarbare kluwen. Waarschijnlijk net zo onontwarbaar als de politieke en sociale situatie in Roemenië, want daar zijn we nu beland.
                         *
‘Op straat zie je echt armoede, veel kinderen die bedelen. Ik heb bijna al mijn geld besteed aan het kopen van broodjes voor deze kinderen. Ik kon het niet aanzien.’ Ze staart voor zich uit. Ons nuchtere kind is gelukkig wel een mens. Een mens dat onrecht en misstand ziet en op haar eenvoudige wijze daar wat aan doet. En dat is fijn om te zien, fijn om te horen.
‘Bij het hostel mochten we niets geven, anders zou iedereen daar naar toe komen, maar in de stad heb ik het zoveel mogelijk gedaan’, vertelt ze, nog steeds met een starende blik in de ogen. In die blik zie ik haveloze jongetjes met donkere ogen en een grauwbruine huid die hun handen smekend uitsteken naar deze bevoorrechte studenten. Hun kleding gehavend en groezelig. 
                         *
Ik moet denken aan de beelden van Roemenië na de val van Ceaușescu: verschrikkelijke beelden van kinderen, vel over been, vastgebonden in vieze bedjes. Donkerbruine ogen in uitgemergelde gezichten, weggestopt in tehuizen waar al deze kinderen vegeteerden zonder liefde, zonder zorg, met net genoeg eten om net in leven te blijven. Het zal nu iets beter zijn, hoop ik, maar in de ogen van mijn kind zie ik nog steeds een groep kwetsbaren die zonder verzorging op straat rondlopen.
                        *
‘We waren ook in de gevangenis. Ze vertelden dat het de modernste gevangenis van Roemenië was. Na dit verhaal dacht ik dat we een soort hotel zouden zien. Ze zitten daar met vijftien mensen in een cel. We mochten er gewoon in lopen, al die mensen, ze staren je aan, vanaf hun bed. Na een cel had ik het wel gezien.’ 
                        *
Vervolgens vertelt ze het verhaal van een kroegentocht waarbij een van de meisjes bewusteloos raakte van de ‘shotjes’. ‘Ja, ik neem die niet, ik weet dat ik daar niet tegen kan. Ik drink wel, maar niet iedere keer zo’n shotje. Het is zo’n aardig en serieus meisje, ik krijg altijd haar samenvattingen. Opeens raakte ze bewusteloos. Wij allemaal in paniek, we dachten dat ze dood ging.’ Nu staan haar blauwe ogen wijd open. ‘Ik heb midden op de weg gestaan om een taxi aan te houden. Ze zijn allemaal zo onaardig. Eindelijk stopte er een, deze taxi-chauffeur was wel vriendelijk. Hij legde haar achterin de auto. Het was nog wel een eind naar het ziekenhuis. Ook daar zijn ze zo onaardig. Niets zeggen ze, ze kijken je alleen aan. Wij moesten allemaal huilen, we dachten nog steeds dat het heel slecht ging met haar. Maar wij hoorden niets. Toen moesten we haar ouders bellen.’ 
                         *
Wij horen het verhaal ademloos aan. Ik denk aan de ouders: hoe voel je je als je hoort dat je dochter bewusteloos is geraakt en in een Roemeens ziekenhuis ligt? ‘We konden ze verder niets vertellen want wij hoorden dus niet wat er aan de hand was en of het beter zou gaan met haar. Wel zagen we dat ze een infuus kreeg.’ Weer denk ik aan de ouders. Waarde destijds ook geen aids rond in Roemenië? Iets met bloedtransfusies en smerige naalden? Ik huiver en dank stilletjes God dat mijn dochter hier zit, naast mij, als verteller en toeschouwer.
                         *
‘Gelukkig knapte ze ‘s nachts op en mocht ze weer met ons mee.’
                          *
Daarna krijgen we het verhaal te horen over het bezoek aan de ambassade (‘ik gooide daar nog een glas wijn om, gelukkig was het een witte en kwam de wijn niet op het pak van de ambassadeur’), een lezing op de universiteit (‘een vriendin van mij werd ziek en moest overgeven. Ik ging met haar mee. Daarna verdwaalden we in dat enorme gebouw. We deden een deur open maar daar was een vergadering. Iedereen keek naar ons’) en een bezoek aan de rechtbank (‘Nederland doet veel aan het opzetten van een goed rechtssysteem in Roemenië. Maar het land is nog super-corrupt’).
                         *
Er is nog meer: het misselijke meisje wordt flink ziek en wil eerder naar huis. Op het vliegveld bemachtigen haar vriendinnen een ticket. Echter, deze kan alleen met credit-card betaald worden. ‘Wij hadden geen van allen een credit-card. Maar je gelooft het niet: opeens zagen we onze hoogleraar lopen. Hij ging ook eerder naar huis. Hij heeft voor haar dat ticket betaald.’ Thuis blijkt het meisje een acute blindedarmontsteking te hebben. Dan is er nog het verhaal van een taxi-chauffeur (‘niet die aardige’) die de paniekerige meisjes tijdens die nacht van de ‘shotjes’ € 60,- liet betalen (‘zo’n ritje kost eigenlijk maar € 3,-, alleen waren wij zo van slag dat we niet meer nadachten…’) 
                         *
Kortom, het was een interessante studiereis. Nou ja, studiereis…Een reis naar het leven, een stap in de wereld, groter dan Bennebroek, Amsterdam, Nederland. Een stap naar volwassenheid, ‘one small step for a woman, one giant leap into maturity’. 
                         
                       ***