Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Advertisements

Zen 


In de krant lees ik de uitspraak: ‘De wereld zou er beter uitzien als de mensen eens wat vaker de handen in de mouwen zouden houden.’ Ik lees verder. Met in mijn achterhoofd de uitspraak. Ik blader terug. Floor Rieder, jeugdboeken-illustrator, haalt de uitspraak aan. Midas Dekkers sprak hem uit. 

                                 *

Zowel Floor als Midas zijn liefhebbers van poezen. Ik kijk naar rechts. Onder het raam van de schuifpui ligt onze kat Moos. Het is zoals Floor zegt: ‘Een kat (…) heeft geen ambities. Die wil zijn brokjes en af en toe even knuffelen (…) Daar kunnen wij wat van leren.’ Moos voldoet volledig aan deze kwalificatie. Kijk nou, hoe hij ligt: volkomen zen. 

                           *

Ik kijk naar mijzelf: in mijn fleece joggingpak aan de tafel met drie kranten. Deze moet ik doorlezen voordat mijn man terugkeert van bootcamp, mijn zoon naar beneden komt. Ik moet een blog schrijven – minimaal een per week moet toch mogelijk zijn – en vanmiddag bezoek ik mijn vader. 

                             *

Daarna ruim ik mijn vaders flat op. Hij kan niet meer naar huis. Ik gooide gisteren de aangebroken ketjap-fles weg, de olijfolie, de bloemkoolsaus in het pakje, het pak basterdsuiker met de wasknijper. Zijn ijskast staat al maanden open met vaatdoeken op iedere plank zodat de deur niet dichtvalt. Dan gaat de ijskast stinken. Net zoals het doucheputje dat al maanden een rioollucht door het huis verspreidt. Over de stoelleuning van de stoel achter zijn computer in het kantoortje hangt zijn laatste niet-gestreken overhemd met korte mouw. 

                           *

Mijn dochter die haar opa’s kleding uitzoekt vindt een doos met foto’s. ‘Wie zijn dit?’, vraagt ze. 

‘Dat zijn mijn opa en oma – ze gingen naar mijn oom in Amerika met de boot – daar zitten mijn moeder en vader, en kijk, dat ben ik.’ Een klein meisje met sluik, bruin haar kijkt verlegen naar de fotograaf. ‘Zie je dat jurkje? Dat borduurde mijn moeder’, zeg ik. Maar zij vindt al weer een andere foto. Mijn jeugdige vader op ski’s. En ik denk aan de keer dat hij zijn ski bijna verloor toen wij samen in het liftje zaten. De paniek en dat ik schreeuwde naar de man bij de lift: ‘stop, langsam!’ Zodat mijn vader op een schoen en een ski het heuveltje af kon strompelen. 

                          *

Op mijn telefoon verschijnt een bericht van mijn broer: ‘Hi Anne, zal ik als vaste dagen ma, do en za doen? Kunnen we de woensdag als ‘n soort wisseldag houden als jij de di, vr en zondag wilt. Ik hoor het wel. Gr.’ Het gaat over de verdeling van het bezoek aan onze vader. Iedere dag bezoeken we hem, het wordt ons teveel. 

                         *

Ik wil namelijk een appeltaart bakken met de appels die aan onze boom hangen, zelf frites maken, mosselen eten met die lekkere saus van ui, peper, paprika en tomatenstukjes. En ook wil ik het boek uitlezen op mijn tafeltje naast het bed, dat dikke boek van Safran Foer over hemzelf: ‘Hier ben ik.’ 

                          *

En nu is het zondag. Buiten zingen vogels. De zon werpt een gloed over de tuin in herfststand. Er bloeien nog wat planten: de geraniums, de fuchsia’s en er zitten nog wat witte bloemetjes in de plant waarvan ik de naam niet weet. De druif hangt er verschrompeld bij. 

                          *

Intussen krijg ik het mijn hoofd niet uit: de baby uit Idlib in de armen van de reddingswerker. ‘Zij is pas een maand oud.’ Uit zijn ogen stromen tranen. De baby is overdekt met stof. Liefdevol wordt het van haar voorhoofd weggestreken. Ze draagt een geel pakje, de baby.

                         *

Vanochtend bekeek ik mijn agenda. Er is volgende week weer veel te doen.

                         *

Mijn oog valt naar rechts. Moos slaapt. 

                          *

Ik steek mijn handen in de mouwen.

                        ***

Im Westen nichts Neues

(…) De nabijheid van de verzengende zon maakt de geurige was zacht, de bindingen van de veren. De was was gesmolten: hij slaat naakte armen, en de roeiriemen missend vangt hij geen enkele wind en zijn mond, die de naam ‘vader’ roept, wordt verzwolgen door het blauwe water, dat zijn naam aan hem heeft ontleend (…)

Uit: Metamorphosen VIII, Daedalus en Icarus door Publius Ovidius Naso (43 v Chr. – 17 na Chr.)

Ik word onder vuur genomen door vallende eikels. Ze spatten op het pad als ketsende kogels in de straten van Aleppo. De bomen huilen blaadjes. De dwarrelende bladeren doen mij denken aan de man in pak die draaiend om zijn as naar beneden valt in zijn vlucht, weg van het vuur en de rook van het ontplofte vliegtuig in de Twin Towers. Ik wilde dat ik het niet gezien had. Een mens dat valt als het blad van een boom.

                        *

Mijn zoon zit naast mij. Gebiologeerd kijken wij naar de vallende man. Mijn zoon, vier jaar op 9 september 2001, kleurde zijn tekening aan tafel. Nu zit hij naast mij en ziet hij de vallende man. En ik weet dat hij al veel zag: schieten, tranen, dood, Aleppo, Afghanistan, Parijs, het is onvermijdelijk, de dood in dit leven. En nu die man, in pak, draaiend om zijn as langs de glazen spiegelwand als een duizelingwekkende ijdeltuit.

                       *

Als Icarus stort hij omlaag, zojuist zijn papieren geordend, een mail verstuurd, een grap gemaakt. De man in pak, een paar tellen lang valt hij, steekt de Styx over, kijkt niet achterom naar zijn geordende papieren, zijn onbeantwoorde mail, de lach van zijn verbrande collega.

                       *

Dat en het beeld van de twee rennende vaders met hun baby’s in de straten van Aleppo, hun voeten stoffig van het puin waar zij op lopen, de angst in hun ogen – hun wereld staat in brand. Tranen van Daedalus.

                       *

Zaterdagavond was er niks op het journaal. Met niks bedoelen we geen aanslag, geen brand, geen ellende, rotzooi, rotjochies, Poelenburg-vloggers. Nee, het ging over…tja, waar ging het over? Een waarschuwing van de AIVD dat ze toegang tot versleutelde berichten moeten krijgen (wordt lastig), een Volkswagen-eigenaar die schadevergoeding wil vanwege sjoemel-software (gaat lukken) en de evaluatie van de nekklem bij Mitch Henriquez (politie zat fout). Tot slot een couveuse-baby die in plaats van pijnlijke plakkertjes een zacht stoffen bandje om krijgt (in 2018). 

                         *

Na de vallende man was het fijn, zaterdag, dat niets-nieuws. Maar het is wachten op dat andere, dat allesverslindende, opslurpende bericht, een neerstortend vliegtuig, een auto met gasflessen die wel ontploft, iets, iets waar je hart van stilstaat. Eventjes. En dan ga je weer door. Werken, eten, slapen.

                         *

En fietsen over gevallen blad onder een spervuur van eikels.

                        ***

De winkelier van Damascus

  
Droombeeld

Vanmorgen toen ik nog niet wakker was

maar al niet meer sliep sloop onzichtbaar

op gehoefde sokken het onheil binnen

in mijn bed, vlijde zich tegen mij aan

en fluisterde om mij niet te wekken mijn naam.


Terwijl ik mijn ogen niet opende zag ik

dat hij naar mij keek met ook zijn ogen dicht

het kussen streelde dat hij voor mijn lippen aanzag

en dat hem zoende zoals ik zou hebben gekust.

Wij omhelsden in de veronderstelling van elkaar.

Hagar Peters

                         *

In de hal staat een man, klein, pezig. Soepeltjes beweegt hij zich langs en door de – op gekruiste poten – geschraagde planken. IJverig en geconcentreerd legt hij hemd bij hemd, broek op broek. Stapeltjes T-shirts, wit, groen, zwart, hij vouwt zorgvuldig de shirtjes op: de mouwtjes naar binnen, zijn vingers strijken als vanzelf de zachte stof glad. 

                         *

De zijkanten vouwt hij naar binnen, twee kaarsrechte streepjes. Kleine shirts een keer overdwars dubbelvouwen, wat grotere twee keer. Liefdevol stapelt hij de kleding op. Wit bij wit, klein bij klein, groot op groot, van links naar rechts liggen de shirts overzichtelijk op de ruwe planken van klein naar groot. Zijn ogen trekken langs de shirtjes als die van een generaal langs zijn troepen. 

                         *

Hij kijkt door de half geopende deur naar de ruimte erachter. Het voortdurende geroezemoes klinkt vertrouwd. De meesten hebben gedoucht, zijn geschoren, ze hebben vannacht geslapen. 

                         *

Sommigen sliepen, ondanks dat ze moe waren, moeilijk in. Draaiend op het veldbed dat kraakte en bewoog bij iedere beweging, kwam de slaap niet. Maar zelf sliep hij ondanks de vreemde ruimte, het gekraak, zuchten en snurken en hier en daar kindergehuil, in.

                         *

De kleinste kinderen slapen. Ze doen een middagdutje. Baby’s slapen ‘s middags, ze slapen veel. Zijn baby’s sliepen ook ‘s middags. Daar, in zijn huis in Damascus. Boven het bedje draaide de witte ventilator zijn rondjes. De warme lucht streelde de babyhuid, het regelmatige gezoem liet het kind inslapen. Als hij voor het slapen gaan nog even buiten stond, rook hij de geur van zijn tuin, hij zag de sterren fel oplichten tegen de zwarte hemel. 

                         *

Hij denkt aan de aankomst, de avond ervoor. Met een bus kwamen ze hierheen. Hij tuurde door de ramen van de bus naar buiten maar hij keek in een donker gat. Het gat waar hij al jaren in keek. De lange busrit eindigde bij een grote hal. Het plotselinge licht van de hal deed hem knipperen met de ogen. 

                        *

Mensen drongen zich murw van vermoeidheid, hun kleding vies plakkend tegen hun lichaam aan, de bus uit naar buiten. De nachtlucht in dit land was koel. Oktoberkoelte. Zijn leren tas tegen zich aangedrukt, zijn plastic tas in de andere hand liep hij met de stroom mee. Aardige mensen lachten naar hem.

                         *

Een vrouw met een groen hes over haar kleding wees hem de weg. Ze gaf hem een papier. Nog steeds knipperend met zijn ogen liep hij de hal in. Het harde licht bescheen meedogenloos de grote ruimte. Rijen bedjes, vier aan vier met tussenruimten. Op een van de bedjes ging hij zitten. Zijn leren tas naast hem, de plastic tas schoof hij onder het bed. Hij pakte het papier, het was een beetje gekreukt. Hij las. 

                        *

Welcome to Voorhout!

 We will do our best to make your stay as comfortable as possible while you recover from your long and tiring journey.

House Rules:

– RESPECT other people around you

– All food is Halal

– Food must not be eaten in the dormitory

– Tap water is safe to drink

– NO SMOKING in the building

– NO DRUGS or ALCOHOL

– You must stay in the building between 10.00 PM and 07.00 AM

– You may leave the building between 07.00 AM and 10.00 PM

– When you leave the building you must check out and when you enter the building you must check in!

– Always wear your given wristband

– For any questions, please ask a member of the Red Cross Team.

                         *

Hij begreep dat hij ergens was. 

                         *

En nu staat hij hier. Tijdens het vouwen ordent hij naast de kleding zijn gedachten. Vrouw, kinderen, huis, winkel, reis, hier. Hij had een huis in Damascus, een vrouw, twee grote jongens en een meisje. Een huis met geurende tuin. Zijn winkel. Even knijpt hij zijn ogen dicht. Hij ziet achter zijn oogleden de kleurige kleding. Hangend op hangers, liggend op lange tafels. Een toonbank, de kassa. Door de ruiten ziet hij de straat. Er lopen mensen. Jong, oud, snelle en langzame. Hij maakt een praatje met de buurman, helpt zijn klanten, zet achterin het keukentje koffie. 

                         *

Als hij zijn ogen opent, ze waren maar even dicht, ziet hij de kleding hier, hangend op hangers, liggend op de schragen.

                         *

Hij loopt naar de deur, zet deze open. ‘You may come in.’ Zijn klanten komen binnen. Ze lijken op zijn zoons. Hij wijst hen op de shirts, de juiste maat. Broeken pakt hij op van de stapel. Dit is zijn winkel. Hij had een winkel in Damascus. Een vrouw, twee zonen, een dochter. Hij had een tuin. Hij had een huis. Een huis in Damascus.

                         ***
Nawoord

In de gemeenten Teylingen en Lisse ontvangen we dezer dagen een groep van 150 vluchtelingen 12 dagen op. In het persbericht van beide gemeenten staat het volgende:

‘Met de crisisopvang willen de gemeenten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. ‘We zijn er om onze medemensen te helpen. Het is onze menselijke plicht om voor mensen te zorgen die dat tijdelijk niet zelf kunnen’, aldus burgemeester Carla Breuer van Teylingen. ‘We zijn gevraagd deze mensen op te vangen en dat willen we ook graag. We zetten ons er voor in dat dit op een goede manier verloopt’, stelt burgemeester Lies Spruit van Lisse.’

Het vervulde mij de afgelopen dagen met trots om met een geweldig team bevolkingszorg een bijdrage te mogen leveren aan de opvang van deze mensen. We doen dit voor de hele groep vluchtelingen, maar in het bijzonder voor de kleine, grote winkelier uit Damascus. 

Annelie 

Prettig weekend

 

FUNERARY BUST: ”THE BEAUTY FROM PALMYRA”, AD 190-210


Het is geweldig dat arme vissers uit Atjeh de uitgedroogde Rohingya’s, die ten einde raad – al dobberend in hun door mensensmokkelaars onklaar gemaakte wankele scheepjes – hun eigen urine dronken, aan land brachten. 
                         *

Het is mooi dat een man uit Atjeh, -was het een burgemeester, overheidsfunctionaris of gewoon een inwoner? Het doet er niet toe – op het journaal vertelt dat ‘als er eten en werk voor Atjehers is er ook eten en werk gedeeld kan worden met Rohingya’s.’
                          *
Het is verschrikkelijk dat Indonesië, Maleisië en Thailand gezegd hebben dat zij geen vluchtelingen willen opnemen en dat dan ook niet doen.
                       *
Het is, ach, wat zal ik zeggen…schattig dat Zalm het boetekleed aantrekt over de schaamteloze verhoging van de bestuurders-salarissen waarop zij toch, eh.., ja, gewoon recht op hadden. 
                       *
Het is jammer dat Amsterdam werkelijk overspoeld wordt door golven – vaak en veel blowende -toeristen maar erger, veel erger nog zijn de bierfietsen waarop twaalf, dertien onnozelen lallend dan wel giechelend dan wel zinloos verkleed hun boertige vrijgezellenfeesthumor ten toon spreiden. Het allerallerergst zijn de samengepakte sloepjes op de Amsterdamse grachten met kakkers, witte wijn en kakkersgekakel dat galmt tegen de prachtige gevels van grachtenhuizen, stuitert tegen de kadewanden, door-echoot naar de prachtige Magere Brug om tot stilstand te komen tegen het schitterend gerestaureerde Centraal Station van Cuypers.
                         *
Sprakeloos maakt je het bericht dat IS op het punt staat Palmyra in te nemen, Palmyra, met haar Unesco- werelderfgoed van eeuwenoude beschaving. De stad der duizend zuilen staat te trillen en beeft op haar duizenden jaren oude grondvesten. De stad, ooit een van de rijkste en grootste steden van het Romeinse Rijk. Tijdens Palmyra’s glorietijd, de tweede en derde eeuw na Christus, passeerden karavanen met nomaden op honderden kamelen de stad. Ze waren beladen met kleurrijke zijde en geurige kruiden uit India en China. Grote hoeveelheden goud en zilver gingen de andere kant op. Grieks-Romeinse en Perzische bouwstijlen domineerden de stad. 
                          *
Machteloos kijken wij, alle bewoners van alle werelddelen, toe hoe barbaren, onderweg burgers onthoofdend waaronder vrouwen en kinderen -achteloos neergezette zinnen in een nieuwsbericht – opmarcheren naar een van de wortels van de beschaving en de route van zilver en zijde veranderen in een weg van bloed, smerigheid en zinloze barbarij. 
                            *
Het is verontrustend niets meer te vernemen over de Saoedische blogger Raif Badawi, u weet wel, de vader van drie jonge kinderen die om het uiten van zijn mening duizend zweepslagen zou ontvangen. 
Badawi kreeg de eerste 50 zweepslagen voor de Al-Jafalimoskee in Jeddah op 9 januari. Hij beschrijft in zijn brief hoe “een joelende menigte” hem die dag omringde en ‘Allahu akbar’ (Allah is groot) riep. “Deze wrede straf is mij alleen aangedaan omdat ik mijn mening heb geuit”, aldus Badawi.’ (www.trouw.nl, 28 maart 2015). 

Hoe gaat het met Raif Badawi? Is er iemand die het weet? 
                         *
Dit is, op Raif na, -daar hoorden we na maart niets meer over – een greep uit het nieuws van zaterdag 16 mei 2015. Een frisse lentedag die met motregen begon en eindigt met een oranje zon, schijnend op een ontluikende Goudenregen.

Prettig weekend. 

Sjalom שָׁלוֹם

2015/01/img_5375.png
Meer dan 300 mensen lazen de afgelopen dagen mijn blog ‘Insjallah’. Het verhaal over de kleinzoon van mevrouw van der Wieken, de Saoedische blogger Raif Badawi, de meiden van Halal en mijn verontrusting over het al dan niet vreedzame karakter van de Islam raakt een snaar.

Een oud-klasgenoot schreef mij maandagavond een prachtige mail:

‘Wat een steengoede blog heb je geschreven. Ik ben zo vrij geweest het te delen op mijn Facebook-pagina.

Ik ken de genoemde oma vrij goed en zal haar jouw bericht mailen. Dit zal zij zeker als een enorme steun ervaren. Zoals je begrijpt leeft dit enorm in de joodse gemeenschap hier. (…)’

Mijn oud-klasgenoot, waarmee ik dertig jaar geleden enorm kon lachen vooral om de malle blokfluitlessen en oeverloze non-discussies op de Pedagogische Academie, leidt, naast zijn ‘gewone’ werk, diensten in de synagoge en stuurde mij de tekst van zijn laatste speech toe. Ook hij is verontrust.

Wat willen wij beiden? Wat wil mevrouw van der Wieken? Wat willen de meer dan 300 blog-lezers?
Ik gun mijn bijna-volwassen kinderen een samenleving van vrijheid, vrede en vriendschap. De samenleving waar ik in groot geworden ben. Kiezen wat je wil, worden wat je wil, zijn wie je bent, katholiek of jood, moslim, atheïst. Homo of hetero.

Gisteren zat Ahmed Aboutaleb op de bank bij Eva Jinek. Ik zapte in het programma na een dag en avond werken. En ik veerde op. Deze man, afkomstig uit het gebied waar laatst onze gestolen iPhone opdook, verpersoonlijkt de Islam waarvan ik denk dat deze prima past in onze samenleving. Open, zelfbewust, duidelijk en ja, ook met humor komt Aboutaleb op voor de samenleving ‘waar ook ik zo hard aan heb gewerkt.’

Vurig en oprecht gaat hij in gesprek met jongetjes die dezelfde onwerkelijke opvattingen hebben als de jongetjes in de huiswerkklas van de kleinzoon van mevrouw van der Wieken. Duidelijk verkondigt Aboutaleb zijn mening over mannen en vrouwen die willen wonen in een kalifaat: ‘ga!’ ‘Ga vooral, maar laat ons in vrijheid leven en doorbouwen aan onze mooie open samenleving!’

Aboutaleb illustreert zijn opvatting over de Nederlandse samenleving met het verhaal dat hij als burgemeester aan ‘nieuwe Nederlanders’ met de plechtige overhandiging van hun Nederlandse paspoort geen reisdocument aan hen afgeeft maar ‘een identiteit’. ‘Je krijgt de Nederlandse nationaliteit, die staat voor alle moois en goeds in onze samenleving.’

Ook praat Aboutaleb, naar hij zegt, met jonge Syrië-gangers. Waarom willen zij naar het gebied waar IS een bloedige strijd levert voor idealen die
zó niet de onze zijn? Hoe is deze drang te rijmen met de vele vluchtelingen die in gammele boten op de Middellandse Zee uit Syrië en Irak onze vrije en veilige samenleving opzoeken? Een helder antwoord krijgt Aboutaleb niet op zijn vragen. ‘Het zijn warrige gesprekken met deze jongeren’, geeft hij toe.

Als Eva blijft doorzagen over zijn ambitie ‘men noemt u de nieuwe partijleider’ reageert hij met de standaardopmerking dat ‘hij burgemeester van Rotterdam is en dat de komende zes jaar met volle energie en overtuiging doet.’
Eva: ‘tja, wat moet ik nu als journalist doen, doorzeuren of niet? Wat adviseert u mij?’

En met een lichtje in zijn ogen krijgt Eva het antwoord ‘ik zou het níet doen.’ Aboutaleb krijgt van zijn woordvoerder waarschijnlijk een 10 voor dit interview. Een een zoen van de juffrouw. Onberispelijk.

Maar hoe zit het nu met mij en mijn verontrusting? Helpen de woorden van deze gezagsdrager mij over mijn nare gedachten heen? Helpen deze woorden oma van der Wieken? Mijn antwoord luidt: ‘een beetje’. Het helpt een beetje. Maar ik ben niet helemaal overtuigd. Ik denk aan de woorden van Paul Scheffer van afgelopen vrijdag:

‘Verontrustend is niet de kracht van de moslimgemeenschap maar de zwakte ervan. (…) Het probleem is niet dat ze allemaal dezelfde kant op willen, juist niet, het is een enorm gefragmenteerde, zwakke, onzekere overwegend defensieve gemeenschap, die meer bezig is met het vasthouden aan de eigen culturele traditie in een vreemde omgeving dan met het beïnvloeden ervan.’

Ik zie dinsdagavond de twee vaders op het NOS-journaal die niet zichzelf maar ‘de autoriteiten’ verwijten dat hun zonen zijn afgereisd naar Syrië.

En toch blijf ik maar hopen, vooral nu ik zojuist deze aankondiging in een tweet van Lodewijk Asscher zie:

‘Rotterdam na Charlie Hebdo | Met burgemeester Aboutaleb & minister Asscher

De wereld is geschokt door de brute moord op de redactie van een satirisch tijdschrift en een antisemitische aanslag. Wat zijn de gevolgen van deze terroristische daden? Zal de spanning tussen bevolkingsgroepen oplopen en zal het geweld ook Rotterdam treffen? Burgers en vertegenwoordigers van de Rotterdamse samenleving komen op deze avond bijeen om stil te staan bij de afschuwelijke gebeurtenissen en met elkaar de toekomst te bespreken. (…) Met burgemeester Aboutaleb, minister Lodewijk Asscher, politici, journalisten, moslims, joden, christenen en andere Rotterdammers (…)

Joden, atheïsten, moslims, vrouwen en mannen, prominente en niet-prominente Nederlanders, die met elkaar en met geïnteresseerde Rotterdammers spreken. Deze moslim-gesprekspartners beschikken over het zelfbewustzijn waar Paul Scheffer het in de Trouw van zaterdag 17 januari over heeft: ‘Ik vind het belangrijk (…) dat moslims inzien dat zij niet alleen het object zijn hoe anderen naar hen kijken, maar zelf het vermogen hebben het beeld van moslims actief te beïnvloeden door te spreken, te schrijven, de politiek in te gaan, een eigen partij op te richten.’

Zal het dan toch over tien jaar zo zijn dat mijn in-de-katholieke-kerk-gedoopte kinderen, Mischa’s kinderen, die van Ahmed, Lodewijk en de kleinzoon van mevrouw van der Wieken in 2025 rustig en vreedzaam samen leven, in Amsterdam, Rotterdam, Den-Haag en Maastricht en ik niet dit soort berichten meer hoef te lezen?

‘Politie of leger, dat is niet de vraag. De vraag is: waarom moeten wij als joden nog steeds worden beschermd? Waarom moeten onze kinderen nog steeds onder bewaking naar school? (…) Dat is toch niet normaal.’ Aldus een joodse advocaat in de zwaar beveiligde joodse wijk in Antwerpen, in de Volkskrant van maandag 19 januari 2015.

Dit is voorlopig het laatste verhaal dat ik over de Islam, de vrede en veiligheid schrijf. Ik, de kwart Twentse, de één-zestiende Indische, bloggende ongelovige.

Sjalom.

Insjallah إن شاء الله

2015/01/img_5360.png
Het is verwarrend, alles wat in de krant staat, op het nieuws te zien is, te horen is op de radio. Wat moet je geloven? Wie moet je geloven?

In een ingezonden brief in de Volkskrant van 17 januari 2015 vertelt een oma dat haar kleinzoon voor het eerst naar huiswerkbegeleiding gaat in de Watergraafsmeer. Samen met een Turkse, een Marokkaanse en een Somalische jongen. Jongen 1 betoogt dat de aanslag op de cartoonisten van Charlie Hebdo door de Fransen in scène gezet is, jongen 2 meent dat de Twin Towers door de Amerikanen zelf zijn opgeblazen en jongen 3 vertelt dat Israel bezig is Jordanië en Syrië te bezetten. De kleinzoon verhuist verbijsterd en stilletjes naar een ander tafeltje in het lokaal. Oma maakt zich zorgen. Haar kleinzoon is Joods. Wat betekenen de opvattingen van deze jongens voor haar kleinzoon over tien jaar? Van wie horen zij deze verhalen? Nu kan haar kleinzoon nog stil in een hoekje zijn huiswerk gaan maken. Maar als hij wat ouder is en zijn leeftijdgenoten volharden in hun complottheorieën? Zij vraagt zich af of haar kleinzoon in Nederland vrij en veilig kan opgroeien.

Paul Scheffer zegt, ook afgelopen zaterdag, in Trouw verstandige dingen over de ontwikkelingen in Europa, over de Islam en Europa. In zijn artikel ‘Terrorisme krijgt de democratie er niet onder’ betoogt hij dat in geen land ooit eerder terrorisme de democratie verdrong. De IRA noch de RAF verdreef in Engeland en Duitsland de democratie. Maar, zo stelt Scheffer, we moeten accepteren dat de migratie in Europa het grootste sociale probleem is van deze tijd. En een fase van ‘conflict en helaas, ja, ook van geweld’ betekent.

Verontrustend. Net zo verontrustend als zijn uitleg over de Islam waarvan je niet kan zeggen dat deze niets te maken heeft met geweld. ‘Islam is geen godsdienst van vrede. De mainstream van de Islam in Europa is conservatief, defensief en er zit een sterk wij-/zij denken in, ook geboren uit het idee dat deze samenleving zo anders is dan die uit hun vrome dromen.’

En dat denk ik ook. Als ik ‘de meiden van Halal’ een paar jaar geleden zuur en zo zonder enig gevoel voor humor zie reageren op de provocerende grappen van Hans Teeuwen bevestigen zij bovenstaand beeld. Zij lokken hem steeds verder uit tot absurde uitspraken, waarop zij preuts en verontwaardigd reageren.

Nee, Hans Teeuwen past zeker niet in hun vrome dromen. Maar een beetje zelfreflectie en zelfspot zou wel fijn zijn, meiden van Halal! Maak een vileine grap terug, alhoewel dat niet gemakkelijk is bij deze cabaretier, maar in vredesnaam, reageer in ieder geval niet zo benauwd en benard. Zo…humorloos.

En dat is ook een punt van aandacht. Humor. Zoals Max Tailleur zijn Sam en Moos-moppen vertelt, zo kan humor en zelfspot bevrijdend en verrijkend zijn. Zodra een volk, een mens kan lachen om zichzelf, zichzelf beschouwt met spot, dan is er veel gewonnen. Maar helaas, daar is wat de Islam betreft, nog een lange weg in te gaan.

Tot mijn afschuw lees ik ook dit weekend dat de Saoedische blogger Raif Badawi, die ‘de Islam heeft beledigd’, veroordeeld is tot 1000 stokslagen en tien jaar gevangenisstraf. Zijn familie, die gevlucht is naar het buitenland, meldt dat na de eerste 50 stokslagen zijn gezondheid hard achteruitgaat. Gisteren ontving hij niet de volgende 50 slagen ‘omdat zijn oude wonden nog niet voldoende genezen waren.’ Mijn hart huilt. Een blogger, een schrijver, veroordeeld tot een misdadige en middeleeuwse straf. In 2015!

Zolang de voorpagina van de laatste Charlie Hebdo niet in de Nederlandse trein- en metrostations mag hangen, zolang cartoons van de profeet geen deel uitmaken van de overzichtstentoonstelling over Charlie Hebdo in het Persmuseum in Amsterdam, zolang feiten verdraaid worden en onzinnige complottheorieën de ronde doen, zolang een Saoedische blogger veroordeeld wordt tot 1000 stokslagen om een kritisch verhaal, is er geen kans. Zonder humor, reflectie, openheid en rechtvaardigheid is er geen kans op vreedzaam, open en veilig samen leven.

Ik kan niet anders dan hopen dat de kleinzoon van mevrouw van der Wieken over tien jaar met zijn keppeltje, niet verborgen onder zijn pet, door Amsterdam-West loopt zonder lastig gevallen te worden. Ik hoop dat de meiden van Halal over tien jaar kunnen lachen om de grappen van die maffe Hans Teeuwen. Ik hoop dat de tentoonstelling over Charlie Hebdo in het Persmuseum in 2025 compleet is. Met cartoons waarop de profeet, al dan niet met een traan op zijn gezicht, staat afgebeeld. En ik hoop dat vanaf morgen de 950 stokslagen geen doorgang vinden. Insjallah.