Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***

Koud 

 Bij het wakker worden of eigenlijk, na het ontwaken, schuif ik de gordijnen open. Een wit laagje versiert het dak van de schuur, de pergola is be-ijsd, de takjes van onze rode-bladeren-boom waar schemerig de knoppen al op doorkomen zijn wit. Wordt het toch nog een beetje winter. Ik droom onder het dubbele dekbed verder over winter, ijs, sneeuw. Over een paar weken ben ik daar, in de Franse Alpen waar dikke sneeuwhopen langs de kant van de weg liggen. Smerig geworden aan de zijkant door opspattend modder van de vele auto’s met daarop grote grafkisten met ski’s, schoenen, helmen, stokken. Het is een gedoe, dat skiën. 

                          *

Ik snap ook niet dat mensen dat doen, dat ik dat doe. Reizen, lang en ongemakkelijk in de auto, korter en ongemakkelijk in een vliegtuig of lang en redelijk gemakkelijk in de trein. Zoeken naar je hotel, pension, huisje of appartement. Boodschappen doen in een tl-verlichte Oostenrijkse of Franse supermarkt, dat laatste is dan al wel weer heel wat beter. Sjouwen in de sneeuw met zware schoenen, en dan echt zwaar, met van die hard-plastic flappen en ijzeren haken die je zo lastig dicht krijgt. 

                         *

Een lang klittenband-lint dat om je schoen slingert als een teugel van een dartel paard wordt drijfnat in de gesmolten modder. Even later moet je deze om je schoen heen vastmaken. Je handen worden nat en vies. Je veegt ze af aan je lime-groene ski-broek. Vage modderveegjes op de zijkant van de broek bedek je met je hippe bomberjack. Eigenlijk niet geschikt om in te skiën, maar het staat wel oké: die lime-groene broek met zwarte bretels en een Bordeaux-rood bomberjack. 

                           *

Je hangt je rugzakje recht op je schouders, die zeer doen van het gesjouw met de ski’s, je sluit moeizaam alle haken op de schoen, sluit het klittenband, je zet je bril op, de helm eroverheen. Je doet je handschoenen aan, van die dikke, zet ze om je stokken, je handen zitten vast in de lussen en je klikt je schoenen in de ski’s. Daarna kijk je op. Voor je doemt de berg op: puntig en wit, afstekend tegen een ijsblauwe lucht. 

                           *

Je hoort het gezoef van de lift: stoeltjes die open- en neergeklapt worden, stokken die tegen elkaar aan slaan. Bij de lift staat een man die meestal norsig kijkt: grote zonnebril, diep gebruind, van dat schoensmeerbruin dat er nooit meer afgaat – een huid van gelooid leer – een gebreide trui met beige wintermotiefjes, als de trui die mijn oma ooit voor mij breide. Je hoort het zachte zoeven van ski’s op sneeuw naast je, de mensen die van de berg afkomen. Ze skiën je voorbij. 

                           *

Je recht de rug. En met een klein zetje van de stokken glijd je naar de ingang van de lift. Hopen dat het poortje open gaat; de skipas zit in de rechterbroekzak, meestal begrijpt het poortje dat. En ja, met een lichte duw van je heup tegen de ijzeren staaf kan je verder, het pad af, naar de vlonderstreep waar je je ski’s tegenaanzet voor het stoeltje tegen je billen klapt. 

                              *

Zo droom ik even door. De realiteit is dat ik een half uur later dik ingepakt naar het kleine fitness-zaaltje fiets verderop in het dorp. Ik heb het niet koud, maar mijn adem maakt wolkjes. De lucht is ijsblauw. We fietsen langs de psychiatrische instelling. Voor een van de huizen staat een groepje mannen te wachten. 

‘Daklozen zijn het’, vertelt mijn man, ‘zij worden ‘s avonds gebracht en ‘s ochtends weer opgehaald met een busje.’ We fietsen langs een man met krukken, holle ogen en een baard van twee dagen. 

                         *

Daarvoor staat een groepje van drie. Een van hen met een tas zoals vroeger mijn wiskundeleraar om de schouder droeg, zo’n beige, rechthoekige schoudertas. ‘Dat is de begeleider’, zegt mijn man. En ik moet denken aan de scène uit ‘One flew over the cuckoo’s nest’. De prachtige film, vol humor en verdriet, met een weergaloze Jack Nicholson die met zijn sardonische lachje de boel op stelten zet in de psychiatrische inrichting uit de jaren ’50. Hij neemt zijn mede-patiënten op een dag mee in de bus, die hij wegkaapt voor een boottochtje op zee. Daar staat hij, Jack, op het dek van het gejatte jacht met zijn mede-patiënten. ‘Who are you?’, vraagt een achterdochtige jachthavenbeheerder.

‘Professor Dr. Matthews’, antwoordt Jack en en hij stelt de anderen voor met klinkende doctor-titels en dubbele namen. Ze buigen of knikken minzaam. 

                         *

Wie is de gek?

                         *

We fietsen door en ik zie de man op krukken voor me. Zodirect strompelt hij door de straten van Haarlem, Amsterdam, Hillegom…Vanavond wordt hij weer opgehaald en kan hij warm eten en slapen. 

                         *

Het is winter en even ijzig koud. 

                        ***

Wie sjoen

  
Blaosmeziek op eine sjone zóndigmorge

Blaosmeziek bleust mich ómver

Mit toeters en bellen ‘n sjoon verhaol vertelle

Zondigmorge blaosmeziek blaos mich riek’ *
                         *

Lang geleden woonde er een meisje in Zuid-Limburg. Een meisje, nee, dat was het niet meer, het was een jonge vrouw met donkere haren die op haar smalle schouders vielen. Vol verwachting was ze hierheen gekomen. Meer dan drie uur reizen in de trein die als een geel slangetje het land door kronkelde. 

                         *

Langs weiden met zwart-witte koeien, rivieren van gladde glinsteringen. Door steden met grote en kleine huizen, kerktorens: hoge, spitse en vierkante, robuuste. Langs dorpjes, weggescholen achter bomenrijen en hagen, of juist open en bloot, met tingelende spoorbomen over de weg, daarachter fietsers die geduldig wachtten, auto’s die stilstonden.

                        *

Ze keek naar buiten terwijl ze wegreed uit de jaren ervoor: rusteloze jaren. Jaren van wachten op, ja op wat eigenlijk? Ze rustte met haar kin op de holte van haar hand. De elleboog op het formica-tafeltje. 

                       *

Ze zag haar ogen weerspiegeld in de vieze ruiten van de trein. Ze keek naar zichzelf alsof ze een vreemde was. Een meisje, op de splitsing van jong naar oud. Op weg naar iets dat in de verte lonkte. Ze kon het ruiken, het rook naar gras – versgemaaid – naar frisse wind en heldere lucht. Naar heuvels en dalen, een beekje dat zich erdoorheen kronkelt, vissen die vrolijk naar lucht happen in het zoete water. 

                         *

De reis was een lange zucht naar vrijheid, naar ruimte en leven. Weg van beklemming, schuld en schaamte. Haar gedachten liepen op zaken vooruit, richtten zich naar voren en kwamen los naarmate ze dieper het zuiden in zakte.

                         *

Niet dat het gemakkelijk was of werd. O nee, zeker niet. Veel zwarigheden zouden overwonnen moeten worden, ze zou zich eenzaam voelen, alleen zou ze zijn met zichzelf. 

                         *

Ze liep met haar tas de trein uit, het station in. Ongure types staarden haar aan, tenminste dat dacht ze. Haar tas klemde ze dicht tegen zich aan. Haar zou niets overkomen. Je zag het aan het doelbewuste kijken, de stevige stappen. De stad verwelkomde haar en pakte haar op, de toekomst in. 

                          *

Ze werd wakker en hoorde in de verte, achter in de wijk, muziek. Dat hoorde bij het zuidelijke puntje van dit land. Hier hielden ze van fanfare, blaasmuziek. Een kleine optocht liep door de straten van Welten, Heerlen, Limburg. Ze liep naar het raam en wist niet of ze het droomde of dat het echt was. Een processie kwam langs, kleine misdienaartjes, de pastoor voorop. Daarachter de fanfare, de blazers.

                        *

Blaosmuziek op eine sjone zóndigmorge

Blaosmuziek bleust mich nao hoes

Mit toeters en belle ‘n pracht verhaol vertelle

Zóndigmorge blaosmuziek blaos mich riek’ *

                       *

En ze leefde nog lang en gelukkig. 

                      ***
*Ge Reinders, zanger, musicus, schrijver (1953, Helden, Limburg)

Parel

  
Het is een koude ochtend. De vlaag ochtendlucht die met de katten mee van buiten naar binnen waait kruipt onder de dunne pyjamabroek. De bomen in onze straat worden beschenen door een witstralende zon. De zondagochtendstilte staat in stevig contrast met de hectiek van de stad die ik gisteren bezocht. Utrecht.

                       *

Nooit kwam ik eerder in deze stad, ja ooit voor een cursus en een overleg, snel lopend door het station met het onpersoonlijke winkeldoolhof dat nu wordt verbouwd naar een winkelcentrum met een ‘menselijke maat’ gericht op ‘een betere aansluiting met de binnenstad.’

                         *

Vanwege allerlei obstakels – tussen Haarlem en Amsterdam rijden dit weekend geen treinen – ga ik met de auto naar Utrecht. De wegen zijn stil op zaterdagochtend rond half elf. Vijf brede banen waarop automobilisten angstvallig niet harder rijden dan 100 kilometer per uur, bang voor de bon die bij hogere snelheden ongetwijfeld na een week of wat op de mat valt. We kruipen als egeltjes in de herfst over de weg. 

                         *

In mijn geavanceerde auto klinkt plots de rode alarmbel waar ik nooit aan zal wennen. Niet wetend hoe ik deze uitzet accepteer ik gelaten dat ik nu en dan een stoot adrenaline krijg bij te hard op een paaltje afrijden (terwijl ik deze heus wel zie), als ik te weinig afstand houd tot mijn voorganger (terwijl ik expres een beetje jaag) en naar nu blijkt ook als ik denk aan een mooie eerste zin voor een verhaal. Ik zit te lang stil en wreed verstoort de auto mijn gemijmer. Ook dat kan dus niet in deze auto. Mijmeren op de weg waarop 100 kilometer per uur de maximale snelheid is. Wat een armoe. 

                         *

De Tom Tom wijst mij intussen stoïcijns als altijd de weg naar de parkeerplek waar ik niet voor hoef te betalen. In een beetje treurige, volkomen vlakke, woonwijk met onbegrijpelijke straatnamen als Helling en Rotsoord parkeer ik de auto. Ik kijk om mij heen hoe de straat heet waarin ik parkeer en ik noteer voor de zekerheid de naam: Tolsteegplantsoen. 

                           *

Op deze zaterdag wordt het zonnig, de slaperige woonwijk krijgt zowaar een vrolijke aanblik bij al dat zonnegeschijn op platte daken, tegen de halfopen luxaflexen aan, de zon laat zelfs de meest onooglijk-oude auto glanzen. Een jonge man sjouwt wat vuilniszakken naar buiten. ‘Zo buurman, ga je op vakantie?’, roept een jolige stem achter mij. Ik vraag me af wat de associatie is van een vuilniszak met vakantie. De jonge man antwoordt maar ik hoor niet wat.

                           *

De binnenstad naderend – nauwe straten met winkeltjes – overvalt mij opeens de drukte. Klingelende fietsers, wandelaars, koffiedrinkende mensen, jonge ouders met kinderen voor- en achterop de fiets, kinderwagens, de kleine straatjes zijn vol met geluid, het echoot alle kanten op. 

                          *

Ik zie een winkel met 50 soorten pepernoten. Grote, kleine en middelgrote pepernoten in dikbuikige stolpflessen. Alleen maar pepernoten in het schilderachtige zaakje. Iets verderop schijnt de toren van de kerk met een gouden glans boven de huizen. Naast de diepe grachtwanden kleuren bomenrijen geel, rooiig en bruin. De zon doet de kleuren oplichten en dan dat spitse kerktorentje. Mooi.

                          *

Ik voel opeens een handje in de mijne. Ik kijk opzij. Een klein meisje met een roze petticoat-rokje kijkt mij verwachtingsvol aan. Ze huppelt een beetje. ‘Ik denk dat je je vergist’, glimlach ik. Ze schrikt niet eens zo heel erg, laat mijn hand los, huppelt naar haar moeder. Blonde krullen wapperend op haar rug. 

                        *

‘s Avonds gaan wij na een diner voor vier – door onze vrienden in hun auto naar het Tolsteegplantsoen gereden – op zoek naar onze auto. Het plantsoen bestaat uit vier hoeken. Pas op de derde hoek staat de auto. Even dachten wij dat hij gestolen was. Maar nee, ons knipperende met alarm uitgeruste rode monster staat er nog. Op hoek drie.

                           *

En over de stille snelweg rijden wij terug. Zonder gemijmer, alle voorgangers netjes op gepaste afstand houdend, alle paaltjes omzichtig benaderend zijn wij weer thuis. Zonder toeters en bellen.

                         *

En nu is het zondag. Een koude stilte valt over mij heen. De Scandinavische bijlage van de krant vult moeiteloos de ochtend. Een gestolde druppel thee hangt aan de rand van het glas, dof glinsterend als een verse parel uit een zojuist geopende oester.

Zondag rustdag.

                       ***

Essentiële oliën 

 Het is vroeg. De perrons zijn koud en verlaten. Het is goed een warme jas aan te hebben. Mistige kilte trekt omhoog van laars naar lijf. We wachten. We wachten op de trein naar Berlijn. Het is donderdag 1 oktober, 6.34 uur.

                         *

‘Met Marijn spreek je. Ben je aan het werk? Stoor ik?’ Als ik opneem, het is een uur of twee, woensdagmiddag, zie ik de naam van ons kind op het display maar ik hoor de stem van haar vriend. In 0,002 seconde schiet het door mijn hoofd: tram-, auto-of fietsongeluk. Iets anders Ergs. ‘Nee, je stoort niet’, zeg ik haastig alsof mijn snelle woorden hem eerder de onheilstijding doen overbrengen.

                         *

‘Julia is erg ziek. Ik kan haar niet alleen laten maar ik moet naar college. Ze geeft erg over, zo erg dat ze bijna geen adem meer kan halen.’ In gedachten heb ik het document waar ik aan werk afgesloten, de computer uitgezet, mijn tas gepakt, de autosleutels, -waar zijn ze? -, gepakt Ik ben weg in gedachten, in werkelijkheid zit ik op mijn stoel, starend naar het document van opeens zo minuscule importantie.

                          *

‘Ik sluit hier af en kom naar haar toe. Ik ben er over een uurtje.’ Ik tik nog heel even door, weet niet meer goed wat te schrijven. Ik mail het document toe naar mijzelf, misschien kan ik het vanmiddag afmaken. 

                          *

Ik pak mijn werktas uit de kast met schuifdeuren. Harmonicadeuren, duifgrijze deuren die je met enige kracht uit elkaar trekt. Een ongebruikt sleuteltje, – de deur mag niet op slot vanwege de verjaardagsslingers van de afdeling ernaast,- steekt nutteloos in het slot.

                            *

In de trein hebben wij in wagen 7 de gereserveerde plaatsen 34 – 36. 

‘We rijden achteruit’, constateert mijn man. Het is een goede plek. Een beetje krap. Maar wij zijn niet groot. We zitten achter twee maal vier plekken met een fijn tafeltje ertussen. ‘Dat is een lekker plekje’, kijkend naar de vier-met-tafeltje, zeg ik en ik denk daarbij aan het document van gisteren dat ik graag afmaak. Maar brave burgers die wij zijn nemen wij plaats op de twee achteruitrijd-plekken. 

                           *

De twee maal vier plekken-met-tafeltje worden brutaalweg ingenomen door twee maal vier gezette dames. Zij tillen puffend en met rode hoofden hun enorme koffers in het rek boven de zitplaatsen. Zij dragen T-shirts met lange mouwen, lang genoeg om ver over de dikke billen te worden getrokken. ‘Als er mensen komen die gereserveerd hebben gaan we wel weg’, beweert de bijdehandste van de acht. Zij draagt een zonnebril die zij de komende uren niet afzet. Haar mond staat geen seconde stil. Zij babbelt maar door: over haar website ‘die valt gewoon op, he, ook gewone mensen lezen de info op mijn site met plezier’ beweert zij zonder een spier te vertrekken. 

                           *

Na een uur luisteren en gokken ‘zijn het vriendinnen? Collega’s? Wellness-liefhebsters?’ hoor ik de babbelaarster vertellen over essentiële oliën. Dat is het wat ik telkens ruik. Vleugjes doordringende lucht drijven soms onze kant op. Een hevige geur van mint bereikt onze neusgaten. De dames doen iets met essentiële oliën en zij bezoeken daarvoor een conferentie. ‘Je moet direct naar de boeken gaan’, raadt de bril allen aan. ‘Dat is het beste, en neem vooral een lege tas mee!’ 

                            *

De andere dames luisteren gelaten. Hun tafeltje staat vol met een pot kwark, zakjes brood, flessen water. Kartonnen thee- en koffiemokken staan in het midden. Plastic lepeltjes steken parmantig uit de plastic deksels met gaatje. Een ronde doos met snoep staat in het midden. De dikke vingers nemen geregeld een knisperend snoepje en peuteren dit uit het gekleurde papiertje. Popperig in elkaar gedraaid glimvloei met een krulletje aan de uiteinden.

                      *

Als ik aankom in Amsterdam glip ik achter een studente aan door de voordeur. Hindernis 1 is genomen. Nu hoeft het doodzieke kind niet naar beneden te lopen. Ik loop de lange gang door. 5 D 14 en 15. 15 is de slaapkamer. Ik druk op de zoemer. Het zieke kind doet open en loopt struikelend terug naar het bed met daarnaast een teiltje. Ze laat zich vallen op bed en geeft over. 

                          *

Naast mij in de trein staat nu een dikke dame van de essentiële oliën. Zij behoort tot het groepje van vier dat tijdens de stop in Enschede is verjaagd door twee Twentse stelletjes. De zware koffers zijn verhuisd evenals de dames zelf. Een van de Twentse heren wint de babbelstrijd van zonnebril. De man lult maar door, over Volkswagen en ‘diezels, man man die zijn vervuilend!’ tot en met ‘waar ligt het hoetel noe ok al weer prezies?’ De vrouwen lachen vaak en veel en dat stimuleert de praatjes van de man. Hij delibereert op luide toon door.

                      *

Na een paar overgeefsessies leeg ik in een korte pauze snel het teiltje. Ik spoel het om. De tissues die verfrommeld in de prut liggen gooi ik in de wc die van slag raakt en rap overloopt. Manmoedig steek ik mijn arm in de pot en trek de gore prop eruit. Al bubbelend loopt de pot leeg. 

                          *

Ik zoek in een la de bruistabletten waarmee het zoutgehalte van de zieke weer op peil kan worden gebracht, zet thee, maak bouillon, rooster brood, bel de huisarts, haal medicijnen, wat lichte crackers bij de supermarkt en een klein bakje Quinoia salade bij een groentewinkel op het Gelderlandplein. ‘Dat is dan € 6,95, mevrouw’, zegt de aardige groentenjuwelier. 

                        *

Langzaam keert kleur terug op haar gezicht, ze drinkt de zoutoplossing en bouillon, neemt wat muizenhapjes brood. Ik ruim een beetje op ‘mam, dat hoeft niet..’ , klinkt het zwakjes vanuit het bed. Maar ik doe een afwasje, gooi wasgoed op een hoopje, zet ramen open voor frisse lucht en wapper met een vochtige doek om het ergste vuil van het bed te poetsen. Zo’n moeder die ik nooit worden zou.

                          *

We zijn in Berlin-Spandau. Rudolf Hess zat daar gevangen. Grond vol geschiedenis, Blut und Tränen. We zijn er bijna. 

                          *

Vannacht werd ik om 00.45 uur wakker van een whatsapp-piepje. 

‘Nog bedankt voor vanmiddag, het gaat al beter. Quinoa salade is erin gebleven (en was erg lekker!). Veel plezier in Berlijn morgen! Ik laat wel weten hoe het bij de huisarts ging maar het gaat dus al beter. Succes morgen met de reis! 🇩🇪 🇩🇪 🇩🇪’

                         *

Het document kwam af. De praatzieke Twentenaar houdt zijn mond. We zijn er. Berlin Hauptbahnhof.

                       ***

Schietgebedje

 ‘Ik zou graag wat harder rijden maar dat kan niet. Er rijdt een goederentrein voor ons.’ Een grinnik gaat door de volle treincoupé. Zo’n mededeling van een machinist hoorden we nooit eerder.
                         *

De trein van 17.57 uur uit Amsterdam naar Haarlem vertrekt op tijd. Hij zit vol met mensen die de vorige trein –  die nooit kwam – wilden nemen. Er is weer wat mis op het spoor. Gedoe bij Dordrecht en Den Haag Hollands Spoor. Een bovenleiding? Ik kan het bericht hierover niet goed verstaan.

                           *

Naast mij zit een vrouw van onbestemde leeftijd iets knapperigs op te lepelen uit een kartonnen beker. Sluik, blond haar, piekjes in de nek. Een pantersjaaltje om en een panterportemonneetje op het linkerdijbeen. Ze knarst er lekker op los. Zij is, na het lepelen, druk bezig op haar telefoon, net als ik. Ik met mailen, appen, voicemail afluisteren en dit stukje tikken. Wat zij doet weet ik niet. 

                          *

Ik was op de heenweg weer eens te optimistisch en schatte de reistijd van Lisse naar Amsterdam te krap in. Op mijn nieuwe elektrische fiets racete ik van Lisse naar Heemstede, mij onderweg bedenkend dat, wilde ik op tijd arriveren, ik beter in Hillegom op de trein kon stappen. 

                         *

Mijn boodschapjes (waaronder overheerlijke lasagne en een bakje mango) achterlatend in de fietstas en de gloednieuwe fiets al schietgebeddend aan een paal vastklinkend, ren ik naar perron 1 van het hippe Hillegomse station.

                         *

Ik kan tien minuten op adem komen. Samen met een skate-boarder-met-skate-board wacht ik op de trein naar Heemstede. Tevreden kijk ik door het raampje naar de snelheid van de trein. Kale bollenvelden zoeven voorbij. Het was een heel goede beslissing. Zo snel kan ik niet fietsen naar Heemstede, ook niet op mijn elektrische fiets.

                         *

In Heemstede wip ik de trein uit maar ik wip net zo hard weer terug dezelfde trein in. Er is weer eens wat mis met het spoor en net op tijd heb ik het in de gaten. Twee oudere dames, die ook op het laatste moment meewillen, kijken mij beteuterd door de glazen van de treindeur aan. Ze zijn te laat.

                         *

‘Tja, snel beslissen is een kunst!’ zegt een arrogante medereiziger, man van rond de veertig in sportief outfitje met petje. 

‘In Haarlem gaat er sowieso wel een trein naar Amsterdam’, beweert de veertiger, duidelijk tevreden met zijn snelle besluit ook weer in te stappen in deze trein. Ik denk aan de twee beteuterde dames. Sneu.

                         *

In Haarlem komt de trein naar Amsterdam aan op perron 3 zie ik op de handige, maar niet meer helemaal betrouwbare, reis-app van de NS. De sportieve veertiger zie ik staan op 4. Opeens ziet hij dat 3 toch slimmer is, hij zet een sprintje in. En daar zitten we weer. In de trein naar Amsterdam Centraal.

                        *

De terugreis is ook een spannend gebeuren met langzaam rijden vanwege een goederentrein voor ons, een trein die eerder dan aangegeven en verwacht uit Haarlem vertrekt en al met al nader ik vroeger dan ik dacht mijn fiets met de lasagne in de fietstas. En de mango. Ik hoop dat alles er nog staat. 

                         *

Toch maar weer een schietgebedje…

                         *

Reikhalzend kijk ik uit naar mijn nieuwe fiets aan de paal. En ja! Hij staat er! Als een kind zo blij fiets ik naar huis.

                       *

En de lasagne? Heerlijk was tie.

                     ***