Laat los

Op de voorkant van het vorige-week-weekend-katern Tijd van Trouw staat ‘Papa en mama doen het wel’ Laat dat volwassen kind eens los. Het katern ligt open en bloot op tafel.

Mijn man en ik kijken elkaar aan. Hij deed zojuist de was van ons allen. De uithuiswonende dochter woont weer thuis. De zoon is nooit weggeweest. Ik keek een ‘plan van aanpak’ na, nadat ik – eerlijk is eerlijk – dat zelf aan mijn zoon had aangeboden.

‘Het gaat om een fictief plan hoor’, zei hij achteloos tijdens het door zijn vader en mij voorbereide ontbijt. Toen had ik alle puntjes al op de i gezet.

Laatst fietste ik met onze dochter naar het station. Voor wij vertrokken rende zij drie keer naar boven, voor de sleutel, voor de zooltjes in haar laarzen en voor iets wat ik niet hoorde.

‘Nu kom ik te laat!’, hoorde ik wel, boven haar roffelende voeten uit. Zelf stond ik al vijf minuten met de deurklink van de achterdeur in mijn hand.

In mijn mond lag bestorven: ‘Heb je je portemonnee en OV-kaart?’ maar ik zei niks. Per slot van rekening woonde ze eerder ruim drie jaar op zichzelf waarvan een half jaar in China.

‘Die redt zich prima’, vertelden wij trots en verbaasd aan wie er maar naar vroeg.

Bij het station scheidden onze wegen. Zij ging met studiegenoten naar Den-Haag, ik fietste naar Zandvoort. Het zonnetje scheen, ik zocht bij een strandtent een plekje in de zon, uit de kille wind. De tent was nog niet helemaal af. Losse planken lagen hier en daar op het zand. Bolle kussens waren schijnbaar lukraak op stoelen en bankjes gegooid. Golven spoelden af en aan, ik volgde met mijn ogen de lijnen van schuimend wit op blauwgroen die als oneindige krijtstrepen op een schoolbord het einde van de winter markeerden.

Een vrolijke jongen serveerde mij koffie.

‘U zit zo heerlijk hier!’, zei hij en ik beaamde het. Ik sloot mijn ogen en dacht aan mijn boek in het tasje naast mij. Dat ging ik lezen, in de zon, met achter mij kussens die roken naar nieuw.

In mijn tasje lag ook mijn telefoon. Ik pakte het op. Drie telefoontjes en meerdere WhatsApp-berichten met vraagtekens lichtten op. Mijn dochter. Ik zuchtte en belde.

‘Ja, ik zit nu in de bus’, hoorde ik. ‘Ik was mijn portemonnee en OV vergeten.’

‘O, en nu?’, vroeg ik.

‘Ik kwam erachter dat ik op mijn telefoon een treinkaartje kon kopen en nu zit ik in de bus dankzij de chauffeur die mij liet meerijden zonder kaartje.’

‘Zo, dat is vriendelijk’, zei ik.

‘Ja, en ik leen wel wat geld voor de terugweg van een van mijn klasgenoten.’

‘Dat is dan mooi opgelost’, antwoordde ik.

‘Nou, doehoei! Tot morgen he?! Vanavond eet en logeer ik bij S.’

Ik dacht aan het eten voor vier in de ijskast. En aan de niet opgegeten restjes pasta, stoofvlees en curry van de laatste tijd.

‘Oké, tot morgen’, zei ik.

‘Ik had het toch moeten vragen, van die portemonnee en OV’, dacht ik en ik blies een kuiltje in mijn koud geworden koffie.

We laten ze binnenkort los. Echt.

Advertisements

Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Droomloos

‘Vannacht slapen we in een tent in de woonkamer

we hebben touw, brood en lakens

niemand zal ons vinden’

Hanneke van Eijken (1981-)

Laatst hadden we een cursus. Daarin werd geadviseerd onze dromen te onthouden.

‘Je kan je daarin bekwamen’, vertelde de cursusleider.

*

Meestal vergeet ik mijn dromen. Toch ging ik oefenen. De eerste droom die ik onthield was bizar en niet voor publicatie geschikt. In de tweede droom kwam mijn moeder voorbij.

‘Dat is de reden dat ik dromen graag vergeet,’ dacht ik toen ik beklemd wakker werd. In de droom schoot ik te kort, wilde ik weg, had ik graag een grote mond willen geven. In de droom-praktijk deed ik dat niet, bleef ik, ging ik door, luisterde ik. Zoals het was, vroeger.

*

De krant die ik lees heeft een wekelijkse rubriek over dromen. Meestal sla ik die over. Dromen van anderen zijn niet interessant. Ze zijn alleen leuk als je de mensen én de mensen die in de dromen voorkomen kent. Dat levert nog wel eens hilariteit op.

*

Nog leuker echter is de realiteit.

Gisteravond kwam onze zoon naar beneden met de laptop in zijn hand. Hij schoof naast mij op de bank.

‘Kijk eens’, zei hij, ‘De betaling van die tickets is niet gelukt.’

We boekten ‘s middags twee tickets naar Bolivia. Daar reist hij in de zomer met zijn vriendin naar toe.

‘Tja, dan moet je even bellen’, antwoordde ik een beetje kribbig. Ik was moe en uit een serie getrokken waar we net zo lekker inzaten.

‘Hier heb je mijn pasje’, zei ik en ik gaf hem mijn credit-card.

*

Stilletjes liep hij naar de eettafel en ging bellen.

‘Zet maar weer aan’, zei ik tegen mijn man en we verzonken in het verhaal van een familie die met elkaar zit opgescheept op een Zweeds eiland vanwege de voorwaarden die hun moeder aan de erfenis verbindt. De gezinsleden schieten te kort, willen weg en zouden graag een grote mond willen geven. Maar dat kan niet, vanwege die erfenis.

*

Door de dichte schuifdeuren heen hoorde ik de stem van onze zoon.

‘Yes, I booked this flight today, but something went wrong.’

‘Ik ga toch even kijken’, zei ik en we stopten met de Zweedse familie-perikelen.

*

Ik zat naast mijn zoon. Vaag hoorde ik de stem van de call-center-medewerkster via het microfoontje van zijn telefoon, dicht tegen zijn oor gedrukt. Zijn knokkels waren wit, op zijn wangen stonden blosjes.

*

Hij staarde naar mijn pasje.

‘The name is Jonquiere’, zei hij, ‘JONQUIERE’, herhaalde hij en hij begon met spellen. ‘J, O, N…’

‘Can you please use words?’, hoorde ik de medewerkster van het call-center vragen. En daar ging onze zoon.

‘J from Justin, O from Okay, N from Nico…’

‘Q from Queen?’, hoorde ik het meisje vragen.

‘Yes’, zei hij en hij ging verder,

‘U from…eh, Uterus’

*

En daar gingen we. Ik probeerde het tegen te houden maar er was geen houden aan. Hikkend en proestend zat ik naast hem en worstelend met een onbedwingbare lachkramp maakte hij de naam letter voor letter af.

‘Can you please repeat it?’, vroeg het meisje. Toen ben ik maar weggelopen.

‘Wat betekent uterus eigenlijk?’, vroeg mijn zoon.

‘Baarmoeder’, hikte ik.

*

Even later keken zijn vader en ik de serie af.

De nacht bleef droomloos.

***

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Plantje

Dance Me to the End of Love

(…)

Dance me to the end of love
Dance me to the end of love
Dance me to the end of love

Leonard Cohen (1934-2016)
                          

‘Ik vind Gerbrand Bakker een geweldige schrijver’, zeg ik als ik zijn wekelijkse stukje heb gelezen in de krant.

‘Ik vind het helemaal niks’, zegt mijn man.

En dat begrijp ik niet. Hoe Bakker schrijft dat hij wandelt met zijn hond, kraanvogels ziet overvliegen en nog een groep lager vliegende kraanvogels en dat die vogels na een beetje passen, meten en door elkaar heen fladderen samen doorvliegen naar het zuiden.

                       *

Gerbrands nieuwe hond – met de geweldige naam Joop – blaft niet als de vogels weg zijn. En Gerbrand Bakker vindt dat jammer, het had zo mooi gepast in zijn stukje. Ik glimlach. Ik zie hem lopen met de niet-blaffende Joop en de vogels die over het dal in de Eifel vliegen in van dat grijze gehaktballenweer. Van dat weer dat wij ook hier hebben. Weer als een deken van grauw vocht.

                            *

Verderop in de krant lees ik een interview met Rutger Bregman. Rutger is 28 jaar en hij heeft al vier boeken geschreven. Hij citeert – als het over de liefde gaat – zijn moeder: ‘Ik word eigenlijk van iedereen moe, behalve van je vader.’ En ook dat is geweldig, zo’n definitie van liefde. 

                      *

En ik kijk naar mijn man die na het ontbijt stofzuigt – hij kondigde dat vóór het ontbijt reeds aan – en daarna alle was die wij laten liggen naar boven meeneemt en het maakt niet uit dat ik zeg dat ik zo een kerstboom koop waar weer rotzooi van komt, hij zuigt. Wel laat hij de stofzuiger liggen voor na de komst van de boom. Dan zuigt hij weer. Hij vraagt of ik nog wat heb voor de bonte was. En ik word er niet moe van.

                       *

En als ik vertel dat ik zaterdagochtend op het t.v.-tje van het fitness-apparaat een interview met de schrijfster A.S. Byatt zag dan weet hij wie dat is. ‘Vorige week werd er veel over haar geschreven in de krant’, zegt hij. En dat is zo.

‘Het is jammer dat ik niet de rust heb gewoon overdag eens te lezen’, verzucht ik en ook dat begrijpt hij. Hij las afgelopen donderdag overdag op de bank een boek maar greep toch vaak naar ‘dat ding’. Daar bedoelt hij de telefoon mee waar ik ook niet vanaf kan blijven.

                        *

Ook wordt hij niet moe van mij als ik zeg dat het plantje in de vensterbank zo leuk bloeit en ik vraag hoe we eigenlijk aan dat plantje komen. ‘Jezus, mam,’ zegt mijn zoon, ‘Dat heeft hij echt al een keer uitgebreid verteld.’ En opeens herinner ik mij dat mijn man dat vertelde. Het plantje waarmee hij op de foto stond in een boekje dat een kunstproject was met allemaal mensen met plantjes in hun handen. Dit was het plantje dat hij vast had. ‘Het bloeit nu zo mooi’, zeg ik. Maar ook dat scheen mijn man al een paar keer gezegd te hebben.

                          *

En zo gaat het, met het leven, de liefde. Soms raken sporen elkaar als twee zwermen vogels die over elkaar heen vliegen en met een beetje passen en meten en wat tijd samen doorvliegen naar het zuiden.

                         ***

Zen 


In de krant lees ik de uitspraak: ‘De wereld zou er beter uitzien als de mensen eens wat vaker de handen in de mouwen zouden houden.’ Ik lees verder. Met in mijn achterhoofd de uitspraak. Ik blader terug. Floor Rieder, jeugdboeken-illustrator, haalt de uitspraak aan. Midas Dekkers sprak hem uit. 

                                 *

Zowel Floor als Midas zijn liefhebbers van poezen. Ik kijk naar rechts. Onder het raam van de schuifpui ligt onze kat Moos. Het is zoals Floor zegt: ‘Een kat (…) heeft geen ambities. Die wil zijn brokjes en af en toe even knuffelen (…) Daar kunnen wij wat van leren.’ Moos voldoet volledig aan deze kwalificatie. Kijk nou, hoe hij ligt: volkomen zen. 

                           *

Ik kijk naar mijzelf: in mijn fleece joggingpak aan de tafel met drie kranten. Deze moet ik doorlezen voordat mijn man terugkeert van bootcamp, mijn zoon naar beneden komt. Ik moet een blog schrijven – minimaal een per week moet toch mogelijk zijn – en vanmiddag bezoek ik mijn vader. 

                             *

Daarna ruim ik mijn vaders flat op. Hij kan niet meer naar huis. Ik gooide gisteren de aangebroken ketjap-fles weg, de olijfolie, de bloemkoolsaus in het pakje, het pak basterdsuiker met de wasknijper. Zijn ijskast staat al maanden open met vaatdoeken op iedere plank zodat de deur niet dichtvalt. Dan gaat de ijskast stinken. Net zoals het doucheputje dat al maanden een rioollucht door het huis verspreidt. Over de stoelleuning van de stoel achter zijn computer in het kantoortje hangt zijn laatste niet-gestreken overhemd met korte mouw. 

                           *

Mijn dochter die haar opa’s kleding uitzoekt vindt een doos met foto’s. ‘Wie zijn dit?’, vraagt ze. 

‘Dat zijn mijn opa en oma – ze gingen naar mijn oom in Amerika met de boot – daar zitten mijn moeder en vader, en kijk, dat ben ik.’ Een klein meisje met sluik, bruin haar kijkt verlegen naar de fotograaf. ‘Zie je dat jurkje? Dat borduurde mijn moeder’, zeg ik. Maar zij vindt al weer een andere foto. Mijn jeugdige vader op ski’s. En ik denk aan de keer dat hij zijn ski bijna verloor toen wij samen in het liftje zaten. De paniek en dat ik schreeuwde naar de man bij de lift: ‘stop, langsam!’ Zodat mijn vader op een schoen en een ski het heuveltje af kon strompelen. 

                          *

Op mijn telefoon verschijnt een bericht van mijn broer: ‘Hi Anne, zal ik als vaste dagen ma, do en za doen? Kunnen we de woensdag als ‘n soort wisseldag houden als jij de di, vr en zondag wilt. Ik hoor het wel. Gr.’ Het gaat over de verdeling van het bezoek aan onze vader. Iedere dag bezoeken we hem, het wordt ons teveel. 

                         *

Ik wil namelijk een appeltaart bakken met de appels die aan onze boom hangen, zelf frites maken, mosselen eten met die lekkere saus van ui, peper, paprika en tomatenstukjes. En ook wil ik het boek uitlezen op mijn tafeltje naast het bed, dat dikke boek van Safran Foer over hemzelf: ‘Hier ben ik.’ 

                          *

En nu is het zondag. Buiten zingen vogels. De zon werpt een gloed over de tuin in herfststand. Er bloeien nog wat planten: de geraniums, de fuchsia’s en er zitten nog wat witte bloemetjes in de plant waarvan ik de naam niet weet. De druif hangt er verschrompeld bij. 

                          *

Intussen krijg ik het mijn hoofd niet uit: de baby uit Idlib in de armen van de reddingswerker. ‘Zij is pas een maand oud.’ Uit zijn ogen stromen tranen. De baby is overdekt met stof. Liefdevol wordt het van haar voorhoofd weggestreken. Ze draagt een geel pakje, de baby.

                         *

Vanochtend bekeek ik mijn agenda. Er is volgende week weer veel te doen.

                         *

Mijn oog valt naar rechts. Moos slaapt. 

                          *

Ik steek mijn handen in de mouwen.

                        ***

De gids


Het is zomer. Columnisten die ertoe doen zijn op vakantie. Wim Boevink, Gerbrand Bakker, ze zijn er niet. Het is zomer en als ik mijn Ipad rechtop zet in het handige hoesje met opzetstuk krijg ik op het scherm te zien dat er 95% kans op neerslag is binnen vijftien minuten. Het klopt. 

                           *

Deze troosteloze dag biedt weinig keuzes. Op de fiets naar mijn vader wordt met de auto naar mijn vader. Daarna ligt een eindeloze middag – ga ik een boek lezen of voor de televisie hangen waarop de laatste stuiptrekkingen van de Spelen te zien zijn – voor me.

                          *

Olympische Spelen die verwachtingen over hoogvliegers niet inlosten maar onverwachte nieuwkomers brachten. Slechte en goede verliezers. Dafne die ‘kut’ zei en haar spikes weggooide en Churandy Martina die zijn stralende lach toonde met die glimmende, gouden tand in eindeloos vertrouwen, vrolijkheid en geloof in Zijn Heer. De Heer van optimisme, naïviteit en zorg om de medemens. ‘Ik hoop niet dat ik alle mensen die om drie uur vannacht voor mij de wekker zetten teleurgesteld heb.’ 

                          *

Ik ga maar naar mijn vader. Het is half elf. Als ik opschiet ben ik er voordat hij gaat eten. Dat is om twaalf uur, half een. Op de weg naar het verzorgingshuis sla ik af bij zijn flat. Ik haal beneden in de hal zijn post uit de brievenbus en aarzel: ga ik naar boven? Dat huis, de ruimte waarin alles staat, ruikt en voelt als mijn vader. Zijn stoel, de tafel met daarop de Telegraaf van 22 juni 2016 die hij niet opensloeg. Een vaas met water op het aanrecht waarin het laagje afwasmiddel is opgelost en dat nu troebel is geworden van het lange staan. De televisie waar ik de stekker uit trok, de vensterbank die steeds stoffiger wordt, mijn kinderen die mij toelachen vanuit zilveren lijstjes en mijn schoolfoto van de eerste klas op de middelbare school. Een verlegen lachend meisje met lange, ongekamde haren. 

                        *

De bakken op het balkon die mijn vader moeizaam vulde met aarde, plantjes erin plantte, ze water gaf. De bakken staan als gehavende soldaten in het gelid: alleen de geraniums bloeien, de rest haalde ik weg. Verpieterd en broos als beschuitjes verloor ik onderweg naar de prullenbak droge bloemetjes en dorre blaadjes. Ik veegde ze bij elkaar met een stoffer en blik dat ik uiteindelijk vond achter een trap in de rommelkast.

                           *

Ik klim met lichte tegenzin de trappen op naar boven. Als ik de flat binnenkom ruikt het naar oude man. Ik vul de gieter die in het kantoortje staat met water en loop naar het balkon. Drie geraniums bloeien uitbundiger dan ik verwacht. Ik moet ze water geven. Ik draai de sleutel van de balkondeur om in het slot, trek de hendels van de dievenklauwen naar beneden. Ik geef de plantjes water en pluk de uitgebloeide bloemetjes eruit, een illusie in stand houdend.

                          *

Als ik de gang inloop van het verzorgingshuis komt mijn vader mij tegemoet. Hij beweegt zijn voeten heen en weer terwijl hij met zijn handen de wielen van zijn rolstoel ronddraait. Het doet me  denken aan mijn zoon die zich als baby op zijn billen voortbewoog, zijn mollige beentjes duwden hem vooruit, zijn armpjes wiebelden mee, ooit, lang geleden.

                            *

‘He, ben je er al?’, vraagt mijn vader verrast. ‘Ik dacht, het regent zo, je zal wel niet komen.’

‘Natuurlijk kom ik’, zeg ik, ‘Ik heb toch een auto?’

In de kamer van mijn vader staat de televisie van zijn kamergenoot aan. Duitse schlagers tetteren door de ruimte.

‘Waar is je buurman?’, vraag ik terwijl ik discreet achter het gordijn tuur waar de kamergenoot altijd zit.

‘Tja, dat weet ik niet, misschien is hij beneden bij zijn vrouw.’

‘Of hij is even naar de w.c.’, opper ik en ik denk aan de dag ervoor toen ik de buurman trof op de w.c. terwijl ik mijn vader zocht. Ik krijg het beeld maar niet weg. Mijn vader bleek zich op het winderige balkonnetje verderop te bevinden om ‘even lekker in de zon te zitten.’ 

                          *

Terwijl de schlagers door de kamer schallen kijkt mijn vader de post door. ‘Ik heb maar even gekeken in je brievenbus; de nieuwe t.v. gids zit erbij. Dat is wel handig, toch?’ Mijn vader zegt niets. Hij bekijkt zijn post nauwkeurig. Eerst maakt hij de envelopjes open, rissend met de helft van een schaar, het papier haalt hij eruit met zijn dikke vingers. 

‘Zal ik het plastic van de gids erafhalen ?’, vraag ik.

Mijn vader zegt niets. Ik haal het plastic van de t.v. gids eraf. Ik kijk naar buiten. Regen slaat tegen de ruiten van dit huis. Het is zomer.

                           *

‘O, leuk’, zegt mijn vader, ‘De Ikea gids!’ Hij pakt de gids. Hij bladert en bekijkt alles wat hij nooit meer zal kopen. ‘Leuk’, zegt mijn vader nogmaals. Ik zeg niets.

                          ***