Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Advertisements

KL 897


Een vliegje in de herfst, 

vliegt tussen de takken van een berk- 

geur van bladeren, 

natte aarde- 

en tussen die takken is niets 

en tussen die en die, 

het vliegje denkt misschien: 

de spin is een verzinsel, het eerste web 

moet nog worden uitgevonden! 

Het wordt donker, 

de maan komt op, 

oud bos, 

slingerende paden, nauwelijks lanen, 

de moed om te verdwalen 

bijna gemist. 

Toon Tellegen 

Vannacht droomde ik over mijn moeder. Wij aten in een chic restaurant naast het station. Nooit at ik met mijn moeder in een chic restaurant naast het station. Mijn zoon kwam ook in de droom voor, hij was nog klein. Mijn moeder is dood, verloren uit hart en oog. Mijn zoon is groot.
                         *

Ik kijk naar boven. Er is veel hemel. Nazomerwarmte valt neer als een warme doek over een kil aanrecht. 

                         *

Spinnen die leep wachten in hun draden op schokkerig-bewegende vliegjes en muggen. Een draad spant zich vlak boven mijn hoofd alsof het mij de weg wil versperren en mij zal doorklieven als stiekem gespannen ijzerdraad op een stille landweg.

                          *

Over een paar dagen vliegen wij weg van dit alles. Ik weet niet goed wat ik moet verwachten, wat gek is want ik heb het reisplan goed bestudeerd. Beijing, Chengdu, Guilin, Yangshuo, Ping’an, Shanghai. Het doet mij denken aan de rijtjes die wij vroeger uit het hoofd leerden en waarvan we maar moesten raden wat het betekende. Mit, nach, nebst, samt – het was iets met een derde naamval.

                       *

De reis is iets met onze dochter. Zij is daar nu, in het abstracte China waar zij haar eigen lijn trekt. Wij trekken parallel aan haar lijn een paar streepjes en vertrekken daarna weer. 

                      *

Warme lucht met opgezogen vuil en stof zal daar op ons neerslaan. Volgens ons kind zijn er slangen en wilde honden in de bergen. De bergen hebben rare vormen en zijn bebost. Als harige pukkels steken ze uit in het dromerige landschap. Over spinnen hoorde ik haar niet. 

                       *

Nieuwe dromen vormen zich in ons onnavolgbare brein. Dromen over levende dochters en grote zonen, – uit het oog, in het hart.

                    ***

Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Vakantie (2)


Muskiete-jag

Jou vabond, wag, ik sal jou krij,

Van jou sal net ‘n bloedkol blij

Hier op mij kamermure.

Deur jouw vervloekte gonserij,

Deur jouw gebijt en plagerij

Kon ik nie slaap vir ure.


Mag ik mij voorstel, eer ons skei,

Eer jij die doodslag van mij krij –

Mij naam is van der Merwe.

Muskiet, wees maar nie treurig nie,

Wees ook nie so kieskeurig nie.

Jij moet tog ééndag sterwe.

 

Verwekker van malaria,

Sing maar jou laaste aria –

Nog één minuut vir grasie.

Al soebat jij nou nòg so lang,

Al sê jij ook: ik is nie bang,

Nooit sien jij weer jou nasie…


Hoe sedig sit hij, O, die kreng!

Sij kinders kan maar kranse breng,

Nóu gaan die vabond sterwe…

Pardoef! Dis mis! Daar gaan hij weer!

Maar dòòd sal hij, sowaar, ik sweer

Mij naam is van der Merwe!

A.D. Keet (1888-1972)

Vannacht werd ik wakker in mijn bed-met-klamboe als een rups in een cocon van witte tule. Wij deden hier lacherig over: een klamboe in Spanje, nergens voor nodig. Totdat we ‘s nachts wakker werden van muggen, zo zoemend om ons slaperige hoofd dat ons oor trillend wakker werd en onze arm uitschoot naar het geluid van de Spaanse mug.

                            *

Nu slaap ik onder de klamboe, moeizaam gedrapeerd om het bed, ingestopt onder de matrasranden maar in de loop van de nacht losgewoeld door onrustige draaiingen en beenbewegingen. Vannacht werd ik weer wakker van een zoemende mug. Ik dacht in halfslaap na en maakte mijzelf wijs dat de mug zich buiten de klamboe bevond. Na nogmaals hinderlijk gezoem pakte ik mijn iPhone en ik scheen met de lantaarnfunctie in de witte tule. Geen mug te zien. 

                           *

Ik slaap in en droom. Iets over vroeger, flarden moeder, school, leraar. Terugkerende thema’s. Als ik wakker word is het licht. Ik kijk in de tule, omhoog, de cocon in. En daar, links van mijn hoofd zit de mother ** bastard van vannacht. In de klamboe. Met mijn boek in de hand richt ik mij op. Ik lees een dikke thriller. De mug ruikt onraad en vliegt omhoog. Maar de klamboe is een doeltreffende muggenvanger, de mug kan niet ontsnappen uit deze sluitende tule-waas. Ik pak de stof beet en sla met de achterkant van het boek de mug dood. Hij ploft neer op het kussen. Vol overgave ligt hij en ik sla nogmaals. Met de platte mug achter op het boek loop ik de kamer in. Met een keukenpapiertje veeg ik de mug van de kaft.

                          *

‘Kijk, mijn bloed’, zeg ik tegen mijn man. En ik houd het witte papier met rode veegjes omhoog.

‘Getver’, zegt hij.

                           *

Ik kijk naar buiten. We lieten onze groen-sappige tuin achter voor dor en droog vulkaanlandschap. Het huis en de tuin staan onder de hoede van onze zoon.

‘Je hoeft maar aan drie dingen te denken deze week’, zeg ik tegen mijn kind bij vertrek en dat is ‘TOP’. 

‘TOP?’, vraagt hij ongeïnteresseerd.

‘Ja, TOP: Tuin, Opa, Poezen. Dat zijn de prioriteiten van de komende week.’

                          *

De tuin met geraniums die net gaan bloeien, teer-roze bloemetjes en soms hardroze komen uit het groene blad omhoog. 

‘Haal je de uitgebloeide bloemen eruit?’, vraag ik de achttienjarige.

‘Ja’, bromt hij ongeïnteresseerd. 

En de hortensia die op springen staat. Binnen een paar dagen bloeien de Annabelles vol en wit als stralende lantaarnbollen aan een rustieke dorpsweg. De roos die zielig en kaal omhoogklimt maar opeens een paar knoppen heeft die ik nauwlettend in de gaten houd en de rozen die ik afknip net na het hoogtepunt van de bloei. Dan zet ik ze in een klein, donker-rood vaasje op de buffetkast, hopend dat aan de afgeknipte takken weer een nieuwe knop verschijnt.

                           *

Opa. Mijn vader. Hij brak zijn heup en revalideert. Aan hem moet ik niet denken. 

‘Ik ga iedere dag naar opa toe, mam’, zegt mijn zoon. En dat is lief. 

‘Ik schrijf mails aan hem, kan jij die dan voorlezen?’, vraag ik.

‘Ja’, antwoordt het kind, ‘Tuurlijk.’ 

                            *

En de poezen: zij zijn op dieet. De dierenarts vond 8,7 kilo te veel voor onze Siberische boskat. 

‘U wilt toch niet dat ze diabetes krijgen?’, vroeg de assistente poeslief. 

‘Nee’, beaamde ik. 

En dus gaan ze op dieet. Beiden want poes Saar is ook te zwaar. 

‘Geef je precies 55 gram aan Saar en 65 aan Moos?’, vraag ik en ik wijs mijn zoon op de twee plastic bakjes waarop de maximale hoeveelheid voer af te lezen is. Het speciale dieetvoer dat de assistente mij aanbeval. 

‘Ja’, antwoordt mijn kind.

                              *

Buiten, over de rooiige lavabergen, hangt een wit wolkendek. Donkergrijze wolken jagen langs het wit. ‘Dit weer hebben we hier nog nooit gehad’, zeg ik tegen mijn man.

‘Nee’, antwoordt hij. 

                            *

Maar het is vakantie. En als ik niet denk aan thuis, de zon opeens achter de wolken vandaan komt en ik hardloop, het vakantiehuis uit, de rechte weg af richting het strand waar de wilde zee zich om de rotsen kringelt en water woest opspat, dan is het vakantie. 

                         *

TOP. Tuin. Opa. Poezen. Het gaat vast goed.
                         ***

Bijna

  

Blackbird singing in the dead of night

Take these sunken eyes and learn to see

All your life

You were only waiting for this moment to be free

Lennon & McCartney 

Bij het teruglopen van de schuur naar ons huis zie ik een merel. Op de pergola met kale druiventakken zit ze roerloos met in haar snavel een flossig bosje. ‘Voor een nest’, besef ik en ik sta doodstil. De boodschappentas in mijn ene hand, in de andere hand het pond jonge boerenkaas en het zakje met de asperge-paté. 

                             *
De merel kijkt om zich heen alsof ze even nadenkt. ‘O ja, ik bouw een nest, daar in de afgeplatte conifeer.’ De conifeer is ooit te enthousiast gesnoeid. Nu heeft de puntige boom een platte vorm. De merel vliegt de den in en ik loop met tas en zakjes naar de achterdeur. Ik til mijn arm op en duw met mijn elleboog op de deurkruk. De deur is dicht. Moeizaam hevel ik kaas en paté over naar de hand met tas. Zo kan ik mijn sleutel pakken. 

                             *
Bij het draaien van de sleutel in het slot zie ik mijn dochter opstaan. Te laat voor mij met mijn tas, zakjes en sleutel.
‘Zag jij ook die merel?’, vraag ik.

‘Ja, schattig, ze is al de hele tijd bezig. Ze maakt een nest in de boom daar.’ En ze wijst naar de conifeer. 

‘Het is geen goede plek met die twee katten van ons’, zeg ik. Beide katten liggen voor Pampus op hun bontkussentje voor het raam. 

‘Saar klimt er zo in’, zegt mijn dochter en somber kijken we naar de afgeplatte conifeer.
‘Wel jammer, het is leuk, een nestje in de tuin’, zegt mijn kind. 

                                 *

Zij houdt van vogels, net als haar vader. Gisteren zag ze, toen ik haar ophaalde van het station, een ijsvogeltje bij de omgevallen boom in de Leidsevaart. ‘Hij zit er! Het ijsvogeltje! Ik zag hem!’ Ik zag het niet want ik reed hard. 

                             *
Vroeger kon ik nog geen mus van een merel onderscheiden. Maar na 23 jaar huwelijk is dat veranderd. Ik weet hoe een ijsvogeltje eruit ziet, een mus, roodborstje en zelfs een gele kwikstaart kan ik herkennen. Onze merel zingt er ieder voorjaar lustig op los in de tuin. En nu bouwt ze een nestje.

                             *
Even later is onze kat buiten. Direct spot ze de merel die onbezorgd verder bouwt. Tot ze Saar in de gaten krijgt. De merel zingt niet meer. Ik denk dat ze weggaat. Jammer. Bijna hadden we een nestje in de tuin, een merelnest.

                            ***

De stad

  
 
Het Spaarne

Het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt voorbij.

                            *

Voorbij de stad waar niets meer wordt geladen,

er liggen voor de waag geen schepen meer.

Ze varen door want de bolders en de kaden

hebben plaatsgemaakt voor het verkeer.

                              *

En het Spaarne stroomt…

Zoals het steeds voorbij zal blijven stromen.

Het water gaat, wat blijft is de rivier.

En wat er ook voor andere tijden komen,

hij stroomt voorbij en blijft toch altijd hier.

                                 *

Het Spaarne stroomt…

Het Spaarne stroomt…

Voorbij de brug, voorbij de laatste huizen,

voorbij de werven en het stoomgemaal.

                              *

Het Spaarne stroomt, maar niet voorbij de sluizen,

het eindigt naamloos in een zijkanaal.
                          ***

Lennaert Nijgh (1945-2002)

Drie kussens steken boven de tuinbank uit. Ze staan fier rechtop en absorberen de zonnestralen met hun diepzwarte kleur. De poes kruipt op het kussen dat op de bank ligt. Hij krult zich op en zijn ogen gaan dicht. Het leven is verrukkuluk.
                         *

Vanochtend op de fiets was het snoeikoud: de aan mijzelf cadeau gegeven peperdure handschoenen hielden de snijdende wind niet helemaal tegen en mijn vingertopjes werden koud onder het zwarte bont dat zo haar best deed.

                         *

De tocht ging naar mijn geboortestad, Haarlem. In de veronderstelling dat ik daar ooit weer wil wonen fietsten we naar een appartement, gecreëerd in een voormalig RK-ziekenhuis. Het ziekenhuis waarin ons oudste kind geboren is, waar we een kaarsje in de kapel opstaken om de weeën te bespoedigen en waar een gezond, piepklein meisje werd geboren met een rood, rimpelig huidje en blond haar. 

Het kaarsje had niet zo goed geholpen maar de weeën- opwekkende middelen die langzaam uit de infuuszak door een doorzichtige slang mijn hand in druppelden deden hun werk. 

                           *

Met wangen, rood en ruwig door 12 kilometer noordenwind, komen we aan bij het nieuwbouwcomplex. Strak aaneengesloten staan de hoge en lage gebouwen tussen gifgroene gazons aan rechte straatjes haaks op elkaar. In de verte schittert het water van het Spaarne, het veroorzaakt goud-glinsterende vlekjes in onze ogen. We zetten onze fietsen in de stevige fietsenklemmen, in ieder straatje staat een rij klemmen, stil en recht als solide soldaten in het gelid.

                            *

Aan onze rechterhand zien we in onze ooghoeken het bordje ‘Open huis.’ Maar we zijn te vroeg. ‘Zullen we een rondje lopen?’, vraag ik en we lopen een rondje.

Aan het water ligt een mooie kade: de rivier glimt en glanst en stroomt langzaam langs de kademuren. Je ziet de stroom niet, maar je weet: er moet een stroming zijn, het is een rivier en rivieren stromen.

                           *

Het appartement hebben we gauw gezien: mooi, maar te klein en geen buitenruimte. ‘Leuk voor een persoon’, zegt mijn man. En ik ben het met hem eens. ‘Wel een persoon die €289.000,- kan betalen en dan heb je nog niet eens een garage erbij. Een garage kost €25.000,- extra’, zeg ik.

‘Zullen we nog even doorfietsen naar de stad?’, en dat doen we. 

                             *

Het is vroeg en de stad is stil. De fietsenstalling oogt leeg, is net open: vanaf 11.00 uur geopend staat met wit krijt geschreven op een bord. Van een 2 is een 1 gemaakt. Ooit was de stalling dus pas om 12.00 uur open. 

                             *

De stad is mooi, de zon schijnt en de wind lijkt hier minder guur. We eten een broodje, drinken koffie, bladeren in boeken en bekijken etalages. Bij de ecologische supermarkt kopen we frietaardappelen – de lekkerste – verse basilicum, tomaat en een bolletje Mozzarella. ‘Ik neem nog een pak mosselen mee en wat coquilles’, zeg ik tegen mijn man. Maar hij is op zoek naar het brood. Vanavond komt het rooiige baby’tje van weleer eten. 

                              *

We eten mosselen met frites en een knapperig stokbrood. ‘Even een kwartiertje op 200 graden in de oven, daarna een kwartier laten afkoelen. Dan heb je het knapperigste brood dat je ooit hebt gegeten’, zegt de aardige man in het Spaanse delicatessen-winkeltje.

‘Doet u ook maar een ons Spaanse ham, welke kan u ons aanbevelen?’ De man straalt en wijst ons op drie hammen. We kiezen de ‘hartige, pikante.’ 

                              *

Als we thuiskomen na weer een gure tocht zit ons jongste kind op de bank buiten in de zon. We pakken de boodschappen uit, het eten, de verse krant. Even later zit ik op de bank in de zon. Het is warm en stil. Naast mij krult de poes zich op en sluit zijn ogen.

                             *

Ooit gaan we in de stad wonen. Ooit.

                             ***