Gehaktballetje


Een heer met een krulsnor en een vrouw met Reebok-wandelschoenen zitten schuin tegenover mij in de koele wachtruimte van Schiphol. Ik draag dezelfde schoenen als de vrouw. Reebok, zwarte wandelschoenen en zo te zien ook maat 38. De schoenen lijken op gympen, daarom kocht ik ze. Ze zagen er niet al te erg uit. 

                         *

De Reebok-vrouw maakt oogcontact met de heer tegenover haar. Een pluizige kring lichtgrijs haar zweeft als een halo rond zijn voorhoofd en slapen en eindigt van achteren gek genoeg in een paardenstaartje. Een zwart elastiekje houdt het staartje op zijn plaats.
                      *

‘U reist ook met SAWADEE?’, vraagt de vrouw met mijn schoenen aan de man. 

‘Ja’, zegt het paardenstaartje. 

Aan zijn rugtas, die naast mij in een stoel staat, hangt een kaartje waarop staat: SAWADEE. 

‘Je haalt ze er gelijk uit’, glundert de vrouw. Haar man naast haar knikt. Zijn grijze snor beweegt lichtjes mee, de puntjes zijn mooi gekruld. Ik zie zijn dikke duim en wijsvinger ‘s ochtends de snor zorgvuldig krullen. Mijn vingers bewegen met deze gedachte mee; duim tegen wijsvinger, een beetje vet ertussen en draaien maar.

                       *

De Reebok-dame pakt haar telefoon.

‘O God’, zegt mijn man, ‘Ze zal toch niet gelijk een WhatsApp-groep aanmaken?’ Maar dat doet ze. Resoluut tikken haar vingers op de telefoon. Naast haar komt een dame zitten met grijs, kortgeknipt haar. Zij is ook op reis met SAWADEE. Deze dame draagt echte wandelschoenen: hoge beige, met rood-witte veters door koperen lusjes, strak aangetrokken. Haar man zit schuin tegenover haar. Schutterig staat hij op en schudt zijn mede-SAWADEEERS de hand. ‘Leo’, zegt hij.

                        *

‘Hij lijkt op opaatje’, fluister ik in mijn man’s oor, ‘je weet wel, opaatje met de filmcamera.’ Ooit maakten wij een groepsreis door Israël. In de groep zat opaatje. Hij droeg een camera van ontzagwekkend formaat op zijn schouder. Alles en iedereen filmde hij. 

                        *

Onze medereizigers, waarvan velen een Christelijke achtergrond hadden, wisten alles van de bijbel en het bijbelse landschap waar wij doorheen reisden. Een Duitse leraar in onze groep sprak Jezus’ Bergrede uit. We hoorden de woorden en staarden naar de rode heuvels rondom ons. 

                       *

Tijdens de reis bezochten we ook Yad Vashem, het Israëlische Holocaustmuseum. Met betraande ogen verlieten we de herdenkingsruimte waarin we de namen van vermoorde kinderen hoorden. Benjamin Blitz, Jetje Israëls, Aaron Stern. Met op de muren om ons heen foto’s van de kinderen, levensgroot geprojecteerd.

‘Dat viel een beetje tegen, he?’, hoorden we iemand zeggen terwijl wij als hulpeloze drenkelingen, overmand door verdriet, tegen een warm rotsblok hingen.

                        *

Vandaag reizen wij naar China. Met een heleboel Chinezen en een paar Nederlandse baby-boomers die vanaf nu verenigd zijn in de SAWADEE-app-groep.

‘De reisleiding is nog niet bekend’, hoor ik de Reebok-mevrouw spijtig zeggen. Ze had de groep graag compleet gemaakt. Haar steile, bruin-geverfde bob-kapsel valt naar voren als zij licht vooroverbuigt en op haar schermpje tuurt als een ekster naar een zojuist door een  ander leeggeroofd sieradendoosje. 

                   *

Even later zitten we in het vliegtuig. We hebben de stoelen 35 A en B. Ik zit aan het raam. Als we een eindje op weg zijn zie ik opeens een lichtje links van mij in de donkere nacht. Een ander vliegtuig? Nee, het is het lichtje op de vleugel van ons vliegtuig. Ik kijk de donkerte in en ik volg het lichtje. Een lantaarntje in de nacht. Heel even denk ik aan de MH17 en het laatste appje dat we vlak voor vertrek van onze zoon ontvingen: ‘Sms-en of appen jullie mij als je er bent?’

                            *

De Chinese buurman van mijn man op stoel 35 C peutert in zijn neus. Zijn purkje dropt hij naast zich in het gangpad, vlak voordat de opgewekte stewardessen met de maaltijdkar verschijnen. 

‘Doet u mij maar de hutspot met gehaktballetjes’, zeg ik. 

                         ***

Advertisements

Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

De trein naar Sobibor 

  
Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om (…) **


Jules Schelvis is dood. De zachtmoedige overlevende van zeven kampen, waaronder Sobibor en Auschwitz, werd 95 jaar.

                              *

Als Jules sprak over zijn vrouw Chel werden zijn ogen nat. Chel werd op 20-jarige leeftijd vermoord in Sobibor, tegelijk met haar ouders en alle medereizigers in de wagon, na een reis van vier dagen met in de volgepropte wagon een ton water en een ton voor de behoeften. 

                             *

In een interview vertelt Jules over de donkerste dag in zijn leven, 3 juni 1943.

‘Op donderdag 3 juni bereikten we de Poolse grens. We reden in de richting van Auschwitz, maar de trein ging voorbij Czestochowa oostwaarts. Ik zei tegen mijn vrouw: bereid je maar op het ergste voor, veel goeds zullen ze niet in de zin hebben. Ze lachte flauwtjes en zei: ‘Weet je dat je een baard hebt? Je lijkt wel een rabbi.’ 

                              *

Op 3 juni 1943 was Jules Schelvis 22 jaar. 

Op 3 juni 1943 was Rachel Schelvis-Borzykowski 20 jaar. Twee jaar jonger dan mijn dochter. Twee jaar ouder dan mijn zoon.

Op 3 juni 1943 werd Rachel vermoord.

                            *

Jules Schelvis is dood. Zijn verhaal over Sobibor, waar meer dan 34.000 Nederlandse Joden vermoord zijn, leeft voort. 

                             *

(…)

 Ik telde

 de veewagons met de grendels:

 vijftig wagons,

 in elke wagon vijftig mensen;

 gevangenen van elkander

 in de duistere houten kooi

 in de waanzin van deze wereld.


**Bert Voeten (1918-1992)
                         ***

Guilty pleasures

  
Het zou gaan regenen vandaag maar het blijft grijs en droog. Het gekke is dat het mij teleurstelt. Graag had ik de hele dag binnen gezeten zonder het gevoel te hebben dat ik naar buiten moet ‘nu het nog droog is.’ Nee, ik wil in pyjama de krant lezen, een broodje eten, de katten aaien en The Voice Kids kijken, het programma dat ik opgenomen heb, zonder een man die vraagt: ‘moet jij je burgerkleren niet aantrekken?’ en een kind dat niets vraagt, maar zo nu en dan naar beneden komt om eten te pakken en daarbij zijn wenkbrauwen lichtjes optrekt.

                          *

En ja, dat is wat. Bekennen dat je als volwassen vrouw met een respectabele baan en boeken in de kast kijkt naar een dergelijk programma. Ik twijfelde lang. Zou ik het bekennen? Het ergste is nog dat ik mijn eigen kinderen niet kan betrekken bij deze guilty pleasure. Een is de deur uit, studeert, sport, heeft een vriend en een oppasbaan. Haar krijg ik niet meer iedere week op de bank met kaneelthee, een kruik en twee reclameblokken verder een toastje met kaas van de plaatselijke delicatessen-zaak.

                         *

Het andere kind is vastgeplakt aan zijn bed waarop hij multi-taskt met behulp van verschillende apparatuur-met-beeldscherm. Boeken die hij misschien in zou moeten kijken – wil hij alle tentamens halen volgende week – verdwalen in de chaos van een overvol bureau. Een sleutel, muntstukken, een glas met wat water, een bakje waarin ooit zoutjes zaten, een pen, potlood zonder punt en een halve gum. Nee, ook hij kan niet betrokken worden bij zijn moeders geheime genoegens. Dus kijk ik geheel en al op eigen conto.

                             *

Wat is het toch dat mij trekt in zingende kinderen, artiesten die wel of niet omdraaien, zenuwachtige ouders en opgewonden presentatoren? Wat zie ik toch hierin? Waarom moet ik dit programma kijken en trekt het mij aan als een ijzervijlsel-slurpende magneet?

                             *

Misschien is het de vertedering die de kinderen opwekken: de meesten zijn verlegen en beleefd. Ze zeggen ‘dank u wel’, lachen hun mooie lachjes. En sommigen zingen de onverwachte sterren van de hemel. Dan maakt Marco Borsato een gebaartje met zijn hand, het gebaar dat ooit Gerald Vanenburg maakte bij de goal van van Basten in 1988. Nederland-Rusland 2-0. 

                              *

Nog erger dan bovenstaand plezier is het bekijken van You tube filmpjes met dezelfde strekking als hierboven: filmpjes van volwassenen en kinderen die de jury verrassen met een prachtige zangstem, een ontroerend verhaal plus optreden, zang- en danstalenten ineen. Britain’s got talent, de Amerikaanse Voice, de Duitse Voice Kids, you name it, ik heb het gezien. De twee pubers die onwaarschijnlijk mooi ‘All of me’ zingen van John Legend, tweestemmig, de jury tot tranen toe roerend. Het meisje Laura, 11 jaar, met brilletje en vreselijke moeder in de coulissen die moeiteloos ‘I Will always love you’ zingt, een geluksbeertje hangt uit de zak van haar vest.

                             *

Het Nederlandse meisje Amira dat met een glaszuivere stem opera zingt. Isaac Waddington, Britse puber, die ontroerender dan Billy Joel ‘She’s always a woman’ zingt en daarbij piano speelt. Ik ken ze, allemaal. 

                            *

De schaamte voorbij: ja, ik vind dat leuk. En ik heb nog meer geheime genoegens naast alle respectabele bezigheden als lezen, schrijven en reizen. Mateloos zoeken naar vakantiebestemmingen is er zo-een. Alles weten van de Tweede Wereldoorlog met als specialiteit de Jodenvervolging. Maar het ergste zijn toch wel die You tube filmpjes. 

                           *

En nu ga ik mijn boek uitlezen, ‘Ik zag een man’ van Owen Sheers. Zeer verantwoord, een pleasure but…not guilty.

                         ***

 

                          

Plotseling, liefde 

  
Bij de oudste nog in leven zijnde Haarlemse boekhandel vraag ik of ze de nieuwe roman hebben van Aharon Appelfeld. De jongeman die nonchalant achter de computer op een soort barkruk hangt draait zich om.

‘De nieuwe roman van Appelfeld?’, vraagt hij.

‘Ja, de titel is ‘Plotseling, liefde’, zeg ik. Wat een wonderschone titel is.

                          *

Ik verheug me op dit boek. Appelfeld is een van de schrijvers die je ontdekt, ooit, als een parel in de diepte van een zee aan boeken. Schoonheid van schrijven komt je tegemoet bij het omslaan van iedere bladzijde van het boek ‘Het verhaal van een leven.’ Appelfeld, die als klein, Joods jongetje uit een Oekraïens kamp ontsnapt en rondzwerft over akkers en velden, de grijpgrage nazi’s en onbetrouwbare Oekraïense boeren – met ogen die op verraad staan – ontwijkend.

                           *

De zwerftocht van dit jongetje in een wereld van ellende en verschrikking staat in schrille tegenstelling tot zijn kinderjaren voor het als Jood beschouwd worden. Voor de vervolging. De poëtische beschrijving van Transsylvanie waar Appelfeld opgroeide in een cocon van geluk is prachtig. Het leven toen, daar, is zo beeldend beschreven dat je zelf in dat sprookjesachtige landschap ronddwaalt: je ziet Aharon huppelen als jongetje van vijf, zes jaar, omringd door de liefde van zijn ouders en grootouders.

                           *

De jongen op de barkruk kijkt mij aan en zegt: ‘nee, dat boek verkoop ik niet.’

Verbouwereerd kijk ik hem aan. ‘Het zijn prachtige boeken, het laatste is toch net uitgebracht?’ En ik kijk om me heen naar al die boektitels, boekomslagen en kasten vol boeken in deze kwaliteitsboekhandel.

‘Ja, ik heb er laatst een recensie over gelezen’, antwoordt de barkruk, ‘maar de boeken van Appelfeld verkopen niet. Wij hebben ze niet in huis. Ik kan het boek wel voor u bestellen.’

‘Nee, dat hoeft niet’, zeg ik. 

                         *

Ik fiets naar huis. Het is prachtig weer. In de krant lees ik dat een proces gaande is in Duitsland. De 94-jarige Reinhold Hanning wordt verdacht van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Hanning was bewaker in Auschwitz. Hanning zwijgt. Eerder verklaarde hij in een deel van Auschwitz te hebben gewerkt waar geen mensen werden vergast. Echter, de aanklagers gaan ervan uit dat alle bewakers betrokken waren bij het vergassen van de Hongaarse Joden die in 1944 in grote getale in Auschwitz zijn vermoord. Ook Hanning zou daarbij zijn geweest. Maar Hanning zwijgt. 

                       *

Getuige Leon Schwarzbaum houdt op het journaal een foto omhoog met daarop in sepia-kleuren hijzelf, zijn oom en zijn ouders. Een heel jonge, serieus kijkende twintiger, twee oudere, vriendelijke heren en een knappe vrouw met een kersenmond en net zo’n serieuze blik als haar zoon. Leon overleefde als enige van zijn familie Auschwitz. Twintig jaar was hij toen hij in Auschwitz belandde. Hij is getuige in Hannings proces. Leon, een oude man die op zijn vader is gaan lijken, vraagt zich af: ‘zou hij mijn ouders hebben gezien, daar op het perron?’ 

                        *

Maar Hanning zwijgt. En tijdens het fietsen in de kou met de winterzon op mijn gezicht vraag ik mij af hoe het gaat met Aharon Appelfeld. Dat kleine jongetje wiens leven zo mooi begon en al gauw veranderde in een onbegrijpelijke nachtmerrie. Welke Hanning heeft Aharons vader gezien, daar in dat Oekraïense kamp? Zijn moeder was niet in dat kamp. Zij was al eerder door de nazi’s vermoord.

                          *

Hanning zwijgt. En daarom moeten wij blijven lezen. Het nieuwe boek van Aharon Appelfeld, ‘Plotseling, liefde’. Ik bestel het maar gewoon bij Bol. com. En ik hoop dat het boek wel goed verkocht wordt. Dat de jongen op de barkruk bij boekhandel de Vries ongelijk heeft. Want zolang Hanning zwijgt lezen wij, over alles wat niet meer gebeuren mag en toch gebeurt. In Zuidoost-Turkije. In Aleppo. In Zuid-Soedan en Nigeria. Kleine jongens en meisjes wier leven zo beloftevol begon en nu een gruwelijke nachtmerrie is geworden ontsnappen niet aan nazi’s maar aan withete brandbommen, zij kijken niet in de ogen van hebzuchtige verraders maar ontwijken gerichte kogels van scherpschutters of religieuze fanatici.

                           *

En Hanning? Reinhold Hanning, 94 jaar oud, kijkt naar de grond en zwijgt.

‘Plotseling liefde’, heet het nieuwe boek van Appelfeld. Plotseling, liefde.
                       ***

Zoon van Saul

  

Se questo è un uomo’

Voordat ik vertrok naar dat prachtige vulkaaneiland zag ik het al. De film waar ik naar uitkeek kwam naar Haarlem. ‘Son of Saul’, de film over een Joodse Sonderkommando. Sonderkommando’s hadden in de vernietigingskampen de taak lichamen van de vermoorde Joden uit de gaskamers te halen en te verbranden. Na een tijd werden deze Sonderkommando’s zelf vermoord. 

                          *

Tussen de levenloze vermoorden denkt Saul op enig moment het lichaam van zijn zoon te herkennen. Saul zoekt in Auschwitz een weg om zijn zoon fatsoenlijk te begraven.

                         *

Auschwitz en fatsoen. Auschwitz en beschaving. De tegenstelling. De grens van het menselijk lijden. Het sprankje mens dat in de zwaarste omstandigheden tevoorschijn komt. Ik geloof dat dat ze zijn. De redenen om naar deze film te gaan.

                         *

‘Ga je zondag met me mee?’, vraag ik mijn man. We zitten aan tafel. Weer thuis na een zonnige week op Lanzarote. De wind waait om het huis. 

‘Eh, wat zeg je?’, antwoordt de man die tijd wint. 

‘Die film, ‘Son of Saul’, over Auschwitz, ik mailde je laatst de recensie door.’

‘Ja, eh, ik weet niet hoor. Al die ellende. Waarom wil je dat zien?’

Aan tafel zit ook onze zoon.

‘De film is heftig, maar prachtig. Hij won al een prijs. Ik ga er niet alleen heen. Dat durf ik niet. Maar ik wil hem wel graag zien.’

                         *

Ik kijk naar mijn zoon. Hij neemt net een hap van zijn broodje.

‘Max, wil jij mee? Ik denk dat jij deze film ook mooi vindt.’ Onze zoon kijkt voortdurend films. Op tv, op zijn laptop, in de Pathé bioscoop. Hij houdt van film. En van geschiedenis. 

                         *

Ooit nam ik hem mee naar een film over Beiroet. Dat was tijdens het Cinekid-festival. Hij was toen een jaar of tien.

‘U weet dat deze film voor twaalf jaar en ouder is?’, vroeg het meisje dat onze kaartjes bij de deur afscheurde. En zij keek naar het kleine mannetje naast mij.

‘Nee, dat wist ik niet. Maar ja, nu zijn we er al. We proberen het maar.’

En wij namen plaats op de zachte stoelen in de heerlijke bioscoop in Haarlem, de Filmschuur.

                         *

De film bleek een aaneenschakeling te zijn van ontploffende bommen, geweld, gevaar en ellende. Toen de jonge hoofdpersoon zich de straat op waagde om melk en brood te kopen viel een bom of granaat op zijn huis. Bij terugkeer vond hij de overblijfselen van zijn familieleden. Niets werd aan de verbeelding overgelaten.

                         *

Tijdens de film keek ik links van mij op dat kleine koppie neer. Zijn gezicht verwikte noch verwoog. Na afloop aten we samen een hapje in de stad. We waren overdonderd. Ik vooral.

‘Vond je het niet te heftig Max?’

‘Nee hoor’, antwoordde hij, ‘wel erg dat hij zijn familie kwijtraakte, he mam?’ En hij stak een patatje in zijn mond. 

                           *

Ik dacht er nog lang over na. Over de film. Het jongetje. Het geweld. Beiroet. Mijn kind gamede lustig verder. Ik geloof dat ik er meer mee zat dan hij.

                          *

‘Als je meegaat eten we gezellig na afloop in de stad kaasfondue in ”t Goede uur.’ Dat is gemeen, ik weet het. Chantage. Maar het helpt. Het kind is dol op kaasfondue en hij wil zijn moeder tegemoetkomen deze keer.

‘Ik ga wel mee’, bromt hij en hij neemt een hap van zijn broodje.

‘O fijn!’, zeg ik en ik bestel direct de kaartjes en reserveer het restaurant.

                         *

Vanmiddag gaan wij. Naar ‘Son of Saul.’

‘U weet dat deze film voor twaalf jaar en ouder is?’

‘Ja, dat weet ik, maar we proberen het.’

                         *

Met mijn zoon naar de zoon van Saul.

                       ***

Sleeën op de Cauberg, 1 februari 1942

IMG_4812-0.JPG
IM Ben Sajet (15) , Frits Meijer (12) en Rudi Gottschalk (15)

In het kleine museum ‘Land van Valkenburg’ in de Grotestraat in Valkenburg staat een vriendelijke man achter de kassa. Bril, bruine ogen, smal gezicht. Hij straalt als hij de twee nieuwe bezoekers ontwaart.

‘U heeft een museumjaarkaart?’ zijn gezicht glimt van plezier.
‘Ja, die hebben wij’, zeggen de twee bezoekers braaf en zij tasten ieder in de eigen portemonnee en halen het kaartje tevoorschijn.

Een vrouw van onbestemde leeftijd,-zij kan tussen de 45 en 65 jaar oud zijn-, staat verlegen bij het hoekje van de counter.
‘Wilde gij afrekenen?’ vraagt de vriendelijke heer aan haar.
‘Neuj hè’ antwoordt de vrouw. Ze schudt met haar hoofd van ‘nee’ en verschuilt zich achter haar zwarte, dikke pony. Onwillekeurig schuift ze nog wat naar achteren. De man verblikt noch verbloost. Hij pakt drie foldertjes van de stapel.
‘Ik geef u drie foldertjes. In deze staan diverse aanbiedingen van bezienswaardigheden in de omgeving.’ De bezoekers knikken braaf. Zij komen alleen voor de tentoonstelling ‘Even zo vrolijk is het treurig. Herinneringen aan Joods Valkenburg. Joodse taferelen van Mels Sluyser.’

‘Deze folder is zeer interessant: boven in het museum kunt u de geschiedenis zien van vuur en vuurstenen. Ook is daar een gedeelte ingericht over mergel. U weet, mergel is de steensoort waar tegenwoordig weer zoveel mogelijk mee gebouwd wordt, hier in de omgeving?’ De bezoekers knikken en kijken verlangend naar rechts, achter de man. Daar hangen de schilderijen van Mels Sluyser. Kleurrijk. Marc Chagall-achtige taferelen.

‘Ja, ook de vuurstenen-collectie is bijzonder’ gaat de man door.
‘We weten natuurlijk niet precies hoe oud de stenen zijn, maar u weet, dat moet zo rond de pre-historie geweest zijn.’

De bezoekers ondergaan gelaten de woordenstroom. Zij moeten wachten tot de vriendelijke man klaar is. Omdat hij zo vriendelijk is. Er zijn geen andere bezoekers. Hij heeft alle tijd.

Omstandig legt hij uit hoe naar boven te klimmen.
‘En, op de tweede verdieping is…?’ Hij kijkt vragend naar de verlegen vrouw.
‘Daar is momenteel nog niets, toch?’
‘Neuj hè’ antwoordt de verlegen dame.
‘Nee, daar wordt nu verbouwd’ weet de man opeens.

‘En hier kunt u een kopje koffie drinken uit de automaat. Daar zijn de toiletten.’ De bezoekers zijn moe. Ze drinken inderdaad eerst maar een kopje koffie. En ze bezoeken het toilet.

Eindelijk zien ze de tentoonstelling. Indrukwekkend. Foto’s van huizen in Valkenburg met daaronder de uitleg over de Joodse bewoners. Zij zijn allen weggevoerd. En vermoord. De twee Joodse veehandelaren, de zangeres, de slager, de rabbijn. En ook de twee Joodse jongens, die in 1942 aan het sleeën zijn op de Cauberg. Zij worden opgemerkt door de NSB-er Jozef Smeets. Hij maakt er werk van. De Sicherheitspolizei in Maastricht wordt voor de zekerheid gebeld.
‘Is de Cauberg voor Joden verboden?’ En ja, Maastricht meldt:
‘de Cauberg is voor Joden verboden.’

De heer Smeets, wachtmeester Godert van Renbes en marechaussee Elsenaar nemen poolshoogte. Zij gaan naar de besneeuwde Cauberg. Het is 1 februari 1942 Twintig kinderen zijn aan het sleeën. Zo’n 200 mensen kijken toe. Zij genieten vast van de sneeuwpret en het plezier van de kinderen.

In het rapport van marechaussee Elsenaar staat het volgende:
‘Verder was een persoon aan het sleeën die het uiterlijk had van een Jood. Bij bevraging verklaarde hij Jood te zijn en in mijn opdracht verwijderde hij zich onmiddellijk. Banleider Smeets wees mij daarop nog een persoon aan die volgens hem Jood was. Dit was geen Joods type, doch bij onderzoek bleek mij dat het een Jood was. Ook deze persoon heb ik weggezonden.’ *

De jongens waren waarschijnlijk de 15-jarige Ben Sajet en de 12-jarige Frits Cohen. Het zou ook de 15 jarige Rudi Gottschalk geweest kunnen zijn.

Dit alles zien en lezen de bezoekers van de tentoonstelling. Ook zien zij de schilderijen van kanker-onderzoeker Mels Sluyser, zoon van de bekende radio-commentator en schrijver Meijer Sluyser.
‘Ik ben en blijf een Jood. Graag wil ik laten zien, omdat zovelen er niet meer zijn, wat het Joodse leven betekende en betekent.’ Dat deed Sluyser met kleurige schilderijen.

Sleeënde jongens wegsturen van de besneeuwde Cauberg. In dit vriendelijke en liefelijke landschap. In dit toeristische, kleine stadje. Met deze aardige mensen. Het gebeurde, gebeurt en zal gebeuren. In stadjes, vriendelijke en onvriendelijke. Overal en ergens.

De bezoekers bekijken niet de vuur-en mergelsteen-tentoonstelling. Zij zeggen de vriendelijke heer en verlegen dame gedag.
‘Had ik u deze folder al gegeven?’ Hij houdt de folder met plaatselijke bezienswaardigheden en aanbiedingen omhoog. De bezoekers knikken braaf. En zij fietsen weg.

*Uit: ’42 Joodse Valkenburgers opgepakt en vermoord’, Jan Diederen, 2014