Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

De voltooiing 


Ik zoek het woord

Onmachtig is onze taal,

haar toon plotseling – armzalig.

Met alle kracht van mijn gedachten,

zoek ik dat ene woord –

maar kan het niet vinden.

Het lukt me niet.

Wislawa Szymborska (1923-2012)

De zon scheen, de hemel lichtte blauwig op. Wolkenflarden als langgerekte rookslierten versierden het blauw. En het was warm, 11 graden. Niet zo koud en somber als de dag waarop we afscheid namen van mijn vader. Toen keken we fronsend naar boven: zou het gaan regenen? Het ging niet regenen. 

                         *

Op deze warme februari-dag haal ik de as mijn vader op. In de auto luister ik naar Franse chansons, gezongen door Wende Snijders, op haar manier, – poëtisch en rauw, zacht en hard. Het is – geloof ik – dat wat ik voel.

                        *

Mijn vader, fietsend met zijn vrienden naar Parijs. Enkele herinneringen, rauw als wondjes met geel-witte randjes om de korst. Even pulken en het ettert. Zachter de laatste jaren en boterzacht de laatste dagen met zijn handen open op zijn schoot en zijn lijf, ineengedoken in de stoel tussen het bed en het tafeltje met die onsamenhangende brij van spullen: een week-agenda, de t.v.-gids, een puzzelboekje, scheerspiegel, een doos met watten, plastic handschoentjes. Alsof zijn leven al in losse brokjes uiteen gevallen was. 

                        *

Hard was de kist waar ik mijn hand op legde de laatste keer, die avond waarop vrienden en kennissen kwamen om afscheid te nemen. In de ruimte die vol liep en rook naar natte jas.  

                        *

Ik draai de auto het crematorium-terrein op. Het is druk. Groepjes mensen lopen richting de afscheidsruimte. Een man in een zwarte jas regelt de bezoekerstroom. Het is alsof het Keukenhof-seizoen al weer begonnen is. Ik doe mijn raampje open. ‘Ik kom de as van mijn vader halen’ zeg ik en met een armzwaai word ik doorgelaten.

                          *

In mijn ooghoek zie ik de menigte bij de afscheidsruimte groeien. Ik ben nieuwsgierig maar ik kom de as van mijn vader halen. Bij de balie van het huisje met het rode dak meld ik mij. 

‘Het is druk’, zeg ik. De receptionist kijkt naar buiten en zegt: ‘We hebben een afscheid van een jong meisje, erg triest. We verwachten wel 700 bezoekers.’ Hij leidt mij een schemerige ruimte binnen. Ik neem plaats aan een ronde tafel. 

‘Wilt u wat drinken?’, vraagt hij en dat wil ik. Ik krijg thee met een koekje. ‘Mijn collega komt zo bij u’, zegt hij en hij sluit zachtjes de deur. 

                         *

Ik drink mijn thee, doop het spritsje erin. Zacht-zoete kruimels smelten op mijn tong. Een dame komt binnen en geeft mij een hand. 

‘Had mijn collega verteld dat de as van uw vader daar staat?’ Ik volg haar blik en ik zie een koker op een halfrond tafeltje staan. Een bibberig waxinelichtje staat ernaast. ‘Nee, dat had hij niet gezegd’, antwoord ik. De dame gaat zitten en ik zet mijn handtekening op een aantal papieren. 

‘Ik zal u nu de koker laten zien’, zegt ze. ‘Hier ziet u het plaatje met het nummer, dat correspondeert met het nummer op deze brief.’ Ik staar naar het nummer, de koker, het flikkerende lichtje werpt bevende schaduwen op de muur. 

                         *

‘Ik plak de koker dicht’, gaat de vrouw verder, ‘Wilt u de as zien?’

‘Ja’, zeg ik.

Voorzichtig trekt ze de deksel draaiend omhoog. Ik ga staan.

‘Het is gewoon grijs’, zegt ze. En ik zie fijn, grijs as als het zwart-witte-poederdrop van vroeger dat je van je natte vinger likte. 

‘Het weegt al met al 2 à 3 kilogram’, zegt de dame. ‘Ik zeg altijd: ‘Men keert weer terug naar zijn geboortegewicht’. 

                         *

‘Mijn vader had nog zijn horloge om, mag ik vragen of dat er ook in zit?’, vraag ik.

‘Ja, natuurlijk mag u dat vragen, ehh, het klinkt gek maar het metaal dat achterblijft filteren we en halen we eruit.’ 

‘O’, zeg ik. 

‘Wordt iedereen eigenlijk direct na het afscheid gecremeerd?’, vraag ik. 

‘Ja, in de regel wel’, vertelt de dame, ‘U kunt ervan uitgaan dat – als u met uw gasten in de koffiekamer bent voor de condoleance – het lichaam gecremeerd wordt.’

‘O’, zeg ik.

                         *

Als ik met de koker in een langwerpige tas naar buiten loop komen twee volkswagenbusjes aangereden met hartjes en ‘Love’ erop gespoten in zachte hippie-kleurtjes. Daarachter rijdt een sliert lage, open autootjes die ik ken van het surf-eiland Fuerteventura. Daar sjezen de autootjes over de zand-en lavavlakten. Toeristen zitten erin, met sjaals om hun mond vanwege opstuivend stof en zand.

                         *

De busjes en autootjes staan stil voor de grote menigte. Ik zie meisjes met bloemen in hun armen.

                        *

Thuisgekomen zet ik de tas met as op de grond naast de tafel. ‘Het lijkt wel een fles wijn’, zegt mijn man. Als ik vertel over de menigte mensen, het jonge meisje en de hippie-busjes zegt hij: ‘Ik las laatst een advertentie over een jong meisje dat overleed.’ 

                         *

Ik zoek de advertentie op en ik vind een kleurrijk bericht over de dood van een meisje. Ze werd vijftien jaar. Er is een condoleance-pagina op Facebook aangemaakt. Ik zie een plaatje van een meisje met een surfplank op haar hoofd. ‘Gone surfing’.

                         *

Ik kijk naar de tas met de koker die op een fles wijn lijkt. En ik denk aan de ouders van het meisje die zo in de koffiekamer staan. 

                        ***

Referentienummer 


Mijn broer stuurde mij een machtigingsformulier toe. Hiermee kan ik de as van mijn vader ophalen. Op het formulier staat: ‘Relatie van de overledene’ met daarachter op het stippellijntje in het handschrift van mijn broer ‘Dochter’. Ik tik het telefoonnummer onderaan het formulier in op mijn telefoon.

                       *

‘Met begraafplaats en crematorium Westerveld, goedemorgen, met Monique’

‘Goedemorgen, u spreekt met Annelie Jonquiere. Ik wil graag een afspraak maken om de as van mijn vader op te halen.’

‘Wanneer had u in gedachten?’, vraagt Monique vriendelijk. Op de achtergrond hoor ik mensen praten, telefoons gaan over. Het is een bedrijf.

‘Ik zou dinsdag kunnen langskomen of vrijdagmiddag’, antwoord ik.

‘Dat is kort dag’, zegt Monique. ‘U moet weten, wij hebben een strakke planning. Wat is het referentienummer?’

‘Referentienummer?’, vraag ik, ‘O, u bedoelt…, eh, ja, ik heb mijn telefoon nu in de hand en ik kan niet tegelijk het formulier opzoeken. Als u even wacht kijk ik even.’ Monique wil wel even wachten. 

                         *

Ik priegel op mijn telefoon naar de mail van mijn broer met dat machtigingsformulier. Nummer? Waar staat een nummer?

Ik tik het groene balkje op mijn beeldscherm aan en keer hiermee terug naar het gesprek.
‘D207845’, zeg ik. ‘Dat is het referentienummer.’

Monique tikt het nummer in. Ik hoor vinnige tikken op een toetsenbord.

‘Dat is de heer P.J. Arnoldi’, zegt Monique.

‘Nee, hè, dat klopt niet’, zeg ik. En ik denk intussen allerlei slechtigheid.

‘Wanneer is uw vader gecremeerd?’ informeert Monique.

‘Eh…’ 

                       *

Ik keer terug naar de avond van 4 november. Ik loop in de verlaten gang van de revalidatie-afdeling, ik hoor mijn vaders diepe ademhalen. Het laken zit strak om zijn borst. Ik pak zijn hand eronder, nog warm en droog. Wanneer was de crematie? Ik denk, tel de dagen en zeg: ’11 november was de crematie.’

Monique tikt maar ze komt er niet uit.

                       *

‘Heeft u nog even?’, vraag ik.

Als een kind dat voor de tweede keer een verkeerd antwoord gaf op een niet al te moeilijke som keer ik terug naar het formulier.
‘D207854’, zeg ik. ‘Dat is het juiste referentienummer. Ik draaide per ongeluk…’

‘Dat is de heer A.S. Jonquiere’, constateert Monique.

‘Ja’, antwoord ik opgelucht. ‘Dat is hem.’
‘Ik heb nog een gaatje op dinsdagmiddag 14.30 uur’, zegt Monique.

‘Ja, dat kan’, antwoord ik. En ik denk aan alle dinsdagen, 14.30 uur. Dan was ik al weer thuis nadat ik hem bezocht had met twee verse haringen. Dan hadden we wat gepraat, koffie gedronken en was ik teruggefietst naar huis. Dan zette ik een kop thee, pakte ik mijn laptop en werkte ik nog wat mails weg. Dan wipte de poes op tafel en aaide ik haar met mijn linkerhand.

                    *

‘U had het over een machtigingsformulier? Maar dat ontvingen wij nog niet.’

‘Ja, dat heb ik. Moet ik dat aan u toesturen?’ Dat moet.
Het gesprek loopt ten einde. 

Dinsdag haal ik dat wat over is van mijn vader op. Om 14.30 uur. Nadat ik het machtigingsformulier verstuur. Uiteraard. Met het referentienummer.
‘U kunt zich melden bij het huisje met de rode dakpannen, direct bij de ingang’, vertelt Monique. En dat klinkt bijna leuk. Een huisje als in een sprookje van Hans en Grietje. 

                          *

Als ik even later in mijn agenda kijk zie ik dat mijn vader niet op 11 maar op 10 november werd gecremeerd. Als nummer D207854. Maar dat ga ik niet onthouden.

                     ***

Mikado

Meteen had ik moeten opschrijven hoe het was, hoe het is. Maar de dagen vielen over elkaar heen als mikadostokjes op een gladde tafel: niet van elkaar te peuteren zonder de lichtste beweging. Dus liet ik ze maar liggen, de over elkaar getuimelde houtjes. 

                        *

Uit alle hoeken en gaten dwarrelden kaarten, berichten, telefoontjes, zoveel liefde en hartelijkheid als een mens maar kan verdragen. Was ik zelf ook zo attent en meelevend? Ik nam me voor dat altijd te zijn, vanaf nu, meteen, direct. 

                         *

De dood van mijn vader ritste de jas van mijn jeugd in één ruk open. De zelfgebreide trui van mijn moeder zat onder die jas: een precies-gebreide trui, witte figuurtjes erin verweven als dartele vlinders in een onbedorven lichtblauwe lucht. Maar onder de trui zweette ik in mijn witte hemdje met kanten bandjes: de trui kriebelde, was te warm, de dwingende liefde drong door tot in de vezels van dat hemdje, mijn huid, zo via de bloedbaan het hart in.

                       *

Met het afscheid van mijn vader zei ik ook haar gedag, dat wat ik nooit had kunnen doen. Via mijn oude vader – zijn hijgen deed mijn adem stokken – zei ik gedag, dag, dag, dag, mama. 

                       *

Ik was elke keer áf: bij het optillen van de dagen als stokjes bewoog toch elke keer er weer één. Dan wachtte ik. Ik keek het draaiboek van de plechtigheid na, sorteerde de foto’s, zwart-wit van weleer, kleur van vroeger en nu. Mijn kind zei: ‘Ik ken opa alleen met grijs haar, hier heeft hij zwarte haren’. En verbaasd keek ik opnieuw naar de foto’s, naar het zwarte, gladde haar, op zijn plaats gehouden met vet. Een jonge, slanke man met hoop en verwachting in zijn ogen. Bruine ogen achter ronde brillenglazen. Verlegen ogen, fluwelig bruin als die van een paard in de wei, onbedorven, zoekend naar contact.

                          *

De lichte jaren, gelardeerd met de klanken van bandrecorder en pick-up, beverige 8-millimeter-filmpjes van jong en jeugd, kinderstemmen en plezier. Daarna de donkere jaren in het grote huis met al die kamers waar ‘s nachts in mijn dromen zwarte vleermuizen rondspookten die overdag opeens verdwenen waren. Ik keek dan uit het raam, over de bomen naar het spoor. Je kon altijd weg met de trein, reizen naar iets vers, iets warms, iets van vroeger of later.

                          *

Tussen de klanken door van zachte vioolmuziek op de lichte zondagen rook ik de geuren uit de rantangs van mijn tantes en oma. De kruidige geuren kriebelden mijn neus in, beweeglijke kinderen krioelden door elkaar in de nauwe gangen van het Haagse huis van een van de vele tantes.

                       *

Niks geen zuilengalerij met de koel-marmeren vloer waarop de schommelstoel lichtjes bewoog nadat mijn oma deze had verlaten om in de pannen te roeren en te ruiken, te snoepen van al het lekkers dat de kok klaarmaakte. Ik zie haar loom schuifelen door het huis, de statige Soendanese met de mooie, bruine ogen als van een paard in de desa op zoek naar contact.

                         *

Mijn opa in zijn witte kostuum komt aanlopen en twee jongetjes op blote voeten rennen op hem af. Hij tilt ze een voor een op en drukt de smalle lichamen tegen zijn koele pak. Daaronder zit de hitte van de dag, de tropenzon, het harde werken op het land. Mijn oma schenkt uit een kan koele limonade en plaatst de bekers op het rotan tafeltje met de ronde glasplaat. De beelden in sepia vertellen hun verhaal van vrijheid, blote voeten, kruidige geuren, groen in alle kleuren en warmte zo veilig en vertrouwd als de holte van je moeders arm.                    

                          *

De week van de mikado-stokjes is voorbij, warme sepia-tijden, de zacht-oranje kleuren van de jaren zestig en later de koele bergen en die lichtblauwe trui met witte figuurtjes als dartele vlinders in een onbedorven lichtblauwe lucht. Het laatste stokje ligt op tafel. Ik ben aan de beurt, pak het op en ik tel ze. Ik heb gewonnen.

                       ***

Tonio

Na een slopende opruimdag in het huis van mijn vader zet ik wat foto’s van het dressoir dat mijn ouders ooit kochten – het was een rib uit hun lijf eind jaren ’50 – op Marktplaats. Het bruine, houten dressoir met de glanzende greepjes die zo mooi een rechthoekje vormen als de kastjes en laatjes gesloten zijn. Het dressoir is nog ouder dan ik. 
                         *

Ik zie de foto van mij, jarige Job, trots en blij met mijn buik vooruit en een papieren kroon op het hoofd. ‘Drie jaar!’ staat op de rand van de kroon. Ik draag hetzelfde bloesje als de pop achter mij, Tonio. Mijn moeder kleedde Tonio aan zoals ze mij aankleedde: een rood-wit geblokte bloes met paarlemoeren knoopjes, een kobaltblauwe tuinbroek van ribbeltjes stof. Alle kleertjes gemaakt door de vaardige handen van mijn moeder. Slanke, handige handen. Ik was Tonio, Tonio was mij. 

                         *

Ik sta op de foto voor het donkerbruine dressoir. Achter mij staan mijn cadeautjes: Tonio, een bromtol en…Ik graaf in mijn geheugen: wat stond er nog meer? Maar het enige dat ik zie is mijn gelukkige gezichtje, glimmend van blijdschap. Drie jaar! 

                         *

Het beetje speuren naar een bedrag voor het oude dressoir leverde niets op dus ik doe maar wat. Ik plaats drie foto’s bij de advertentie: ‘Mooi en gaaf dressoir van Pastoe’ en ik wacht af. Binnen een minuut gaat mijn telefoon:

‘Ik zie dat u een dressoir van Pastoe te koop heeft. Ik wil dat graag kopen, u krijgt de vraagprijs van mij.’ Ik wimpel de man – die stevig aandringt – af. Bieden moeten ze. Zo werkt dat toch op Marktplaats? 

‘Ik wacht nog even af’, zeg ik, ‘De advertentie staat er nog geen minuut op.’ De man geeft niet op maar ik heb er genoeg van en ik noteer zijn nummer. ‘U belt mij wel terug?!’, dringt de man aan, ‘Ik wil het dressoir graag van u kopen.’ Ik beloof terug te bellen. 

                         *

Zodra het gesprek is afgelopen belt de volgende en de volgende. Ik word sufgebeld over het dressoir en ik ruik onraad. Heb ik het verkeerd ingeschat? Vraag ik te weinig? Ik speur tussen de telefoontjes door op internet naar dressoirs van Pastoe. Het dressoir is ontworpen door Cees Braakman en behoort tot de Japanse serie. Het zegt mij niets. En weer gaat de telefoon.

‘Waarom zet je dan ook je telefoonnummer op Marktplaats?’ informeert mijn echtgenoot narrig. 

‘Dat doe ik altijd’, antwoord ik. 

‘Heel onverstandig’, mompelt de narrige en hij duikt weg in de voorkamer om muziek te luisteren, dan hoort hij mijn telefoon niet meer. 

                          *

Na een uur haal ik de advertentie weg. Ik word gek van het gebel. En ik ben er inmiddels achter dat het dressoir met de zwart-glanzende greepjes een collector’s item is en tenminste drie keer zoveel waard is als mijn vraagprijs.

                        *

Met in mijn achterhoofd Tonio en de verjaardagskroon bel ik mijn dochter. ‘Jij hebt zeker geen plaats he, voor het dressoir van opa?’ En ik vertel over het dressoir van Pastoe (Japanse serie), de waarde en het gebel. 

‘Mam, nee, dat krijgen we niet hier naar boven,’ zegt ze. ‘En’, vervolgt ze spijtig, ‘Het is ook echt te groot voor deze ruimte.’ En dat is zo. De zolderetage is mooi en licht maar het dressoir is 2.20 meter breed. Nee, dat gaat niet. Ik zucht en kijk naar ons eigen dressoir. Ooit kochten wij dat bij De Kasstoor in Amsterdam, een rib uit ons nog jonge lijf. Maar ik ben gehecht aan dit dressoir. Het dressoir waar de cadeautjes van onze kinderen op stonden, het dressoir waarop het buffet van ons kerstdiner werd uitgestald, waar de glazen, salades en lekkere hapjes op staan bij feesten en partijen. Ons dressoir.

                           *

En ik bel met Visavu dat retro design meubelen verkoopt. ‘Ik heb zeker belangstelling voor het dressoir!’ zegt Judith van Visavu enthousiast en ze biedt een mooi bedrag. Ik weet dat ze meer zal krijgen voor het dressoir nadat ze het alleen maar even wat oppoetst met een beetje teak-olie. Maar het kan me niet schelen.

                           *

Ik verkoop het bruine dressoir met de zwartglanzende greepjes die zo mooi een rechthoekje vormen als de kastjes en laatjes gesloten zijn en hiermee verkoop ik mijn jeugd, mijn van blijdschap glimmende gezichtje, Tonio, de kleertjes die mijn moeder maakte met haar slanke, blanke vingers. Vaarwel Tonio, vaarwel driejarige, vaarwel vroeger. En bijna laat ik een traantje. Bijna. 

                        ***

Zen 


In de krant lees ik de uitspraak: ‘De wereld zou er beter uitzien als de mensen eens wat vaker de handen in de mouwen zouden houden.’ Ik lees verder. Met in mijn achterhoofd de uitspraak. Ik blader terug. Floor Rieder, jeugdboeken-illustrator, haalt de uitspraak aan. Midas Dekkers sprak hem uit. 

                                 *

Zowel Floor als Midas zijn liefhebbers van poezen. Ik kijk naar rechts. Onder het raam van de schuifpui ligt onze kat Moos. Het is zoals Floor zegt: ‘Een kat (…) heeft geen ambities. Die wil zijn brokjes en af en toe even knuffelen (…) Daar kunnen wij wat van leren.’ Moos voldoet volledig aan deze kwalificatie. Kijk nou, hoe hij ligt: volkomen zen. 

                           *

Ik kijk naar mijzelf: in mijn fleece joggingpak aan de tafel met drie kranten. Deze moet ik doorlezen voordat mijn man terugkeert van bootcamp, mijn zoon naar beneden komt. Ik moet een blog schrijven – minimaal een per week moet toch mogelijk zijn – en vanmiddag bezoek ik mijn vader. 

                             *

Daarna ruim ik mijn vaders flat op. Hij kan niet meer naar huis. Ik gooide gisteren de aangebroken ketjap-fles weg, de olijfolie, de bloemkoolsaus in het pakje, het pak basterdsuiker met de wasknijper. Zijn ijskast staat al maanden open met vaatdoeken op iedere plank zodat de deur niet dichtvalt. Dan gaat de ijskast stinken. Net zoals het doucheputje dat al maanden een rioollucht door het huis verspreidt. Over de stoelleuning van de stoel achter zijn computer in het kantoortje hangt zijn laatste niet-gestreken overhemd met korte mouw. 

                           *

Mijn dochter die haar opa’s kleding uitzoekt vindt een doos met foto’s. ‘Wie zijn dit?’, vraagt ze. 

‘Dat zijn mijn opa en oma – ze gingen naar mijn oom in Amerika met de boot – daar zitten mijn moeder en vader, en kijk, dat ben ik.’ Een klein meisje met sluik, bruin haar kijkt verlegen naar de fotograaf. ‘Zie je dat jurkje? Dat borduurde mijn moeder’, zeg ik. Maar zij vindt al weer een andere foto. Mijn jeugdige vader op ski’s. En ik denk aan de keer dat hij zijn ski bijna verloor toen wij samen in het liftje zaten. De paniek en dat ik schreeuwde naar de man bij de lift: ‘stop, langsam!’ Zodat mijn vader op een schoen en een ski het heuveltje af kon strompelen. 

                          *

Op mijn telefoon verschijnt een bericht van mijn broer: ‘Hi Anne, zal ik als vaste dagen ma, do en za doen? Kunnen we de woensdag als ‘n soort wisseldag houden als jij de di, vr en zondag wilt. Ik hoor het wel. Gr.’ Het gaat over de verdeling van het bezoek aan onze vader. Iedere dag bezoeken we hem, het wordt ons teveel. 

                         *

Ik wil namelijk een appeltaart bakken met de appels die aan onze boom hangen, zelf frites maken, mosselen eten met die lekkere saus van ui, peper, paprika en tomatenstukjes. En ook wil ik het boek uitlezen op mijn tafeltje naast het bed, dat dikke boek van Safran Foer over hemzelf: ‘Hier ben ik.’ 

                          *

En nu is het zondag. Buiten zingen vogels. De zon werpt een gloed over de tuin in herfststand. Er bloeien nog wat planten: de geraniums, de fuchsia’s en er zitten nog wat witte bloemetjes in de plant waarvan ik de naam niet weet. De druif hangt er verschrompeld bij. 

                          *

Intussen krijg ik het mijn hoofd niet uit: de baby uit Idlib in de armen van de reddingswerker. ‘Zij is pas een maand oud.’ Uit zijn ogen stromen tranen. De baby is overdekt met stof. Liefdevol wordt het van haar voorhoofd weggestreken. Ze draagt een geel pakje, de baby.

                         *

Vanochtend bekeek ik mijn agenda. Er is volgende week weer veel te doen.

                         *

Mijn oog valt naar rechts. Moos slaapt. 

                          *

Ik steek mijn handen in de mouwen.

                        ***

Axioma


En toen was de kogel door de kerk. De woorden liggen in ons midden te gloeien als hete, van de barbecue gevallen kooltjes. Ik raap ze niet op. Mijn vader ook niet. Dus doet de psychologe het. ‘Mijn advies is dat u niet naar huis kan’, herhaalt zij. Nu hangen negen woorden als langzaam opstijgende, gekleurde ballonnetjes boven de grenen tafel waaraan wij zitten, mijn vader, de psychologe en ik. Na veel woorden over testen waarop mijn vader zo zijn best had gedaan, zijn onbetwiste intelligentie, gaten in het geheugen en hiaten in de ‘verdeelde aandacht’ die van invloed zijn op het plannen en organiseren is het duidelijk. Mijn vader gaat niet naar huis. Nooit meer.

                         *

De dag ervoor had mijn vader een stokoude vriendin aan de telefoon: ‘O nee, ik ga binnenkort hier weg’, hoorde ik hem met veel aplomb zeggen. Het weerwoord van de vriendin kon ik niet horen. ‘Ja, het lopen gaat prima’, vertelde mijn vader aan de stokoude vriendin die daarop háár verhaal vertelde over haar knie die binnenkort vervangen ging worden door een speciale specialist want op haar leeftijd…’ Haar verhaal kabbelde door, ik kon het niet horen maar ik begreep dat er niet snel een einde aan kwam. Ik zat naast mijn vader en ik keek hem aan, mijn vader die alles wat hij net gedaan had vergat, al wekenlang nauwelijks omhoog kon komen uit zijn rolstoel en bekaf was van een bezoekje aan de w.c., vijf meter verderop.

                         *

‘Wat voelt u nu?’, hoor ik de psychologe vragen, ‘Bent u verdrietig, boos?’ Ze kijkt mijn vader aan. Met haar vriendelijke, zachte stem bracht zij de harde boodschap. Het profiel van mijn vader steekt af tegen de witte muur van het kleine kamertje waarin wij zitten. Ik zie vanaf de zijkant zijn oog, een bruine driehoek met een rood randje van het wrijven dat hij telkens doet. Wordt zijn oog nat? Mijn vader brengt zijn rechterhand naar zijn hoofd alsof hij hoofdpijn heeft. Dit doet hij de afgelopen weken steeds vaker. Mijn vader vecht tegen…, ja, ik zie het, tegen verdriet. En ik denk ‘Als hij gaat huilen moet ik ook.’ Mijn neus prikt. Maar wij huilen niet. Wij blijven zitten, aan tafel, met de aardige psychologe.

                         *

‘Wat vindt u ervan?’, vraagt ze mijn vader. 

‘Ik vind het theorie, een axioma’, antwoordt mijn vader.

Ik vraag mij af wat een axioma is en mijn neus prikt al wat minder. Daar is hij weer, de vechtersbaas die ‘binnenkort naar huis gaat en uitstekend loopt’ met zijn twee – met ijzer bepinde – heupen.

‘U vindt het theorie?’, herhaalt de psychologe.

‘Ja, dat is gewoon theorie, de praktijk zal uitwijzen of het gaat of niet.’ Mijn vader herwint zijn stelligheid.

‘U bedoelt thuis wonen?’, vraagt de psychologe.

‘Ja’, zegt mijn vader.

                          *

‘Maar pa’, zeg ik. ‘Als het advies luidt om niet naar huis te gaan omdat het niet veilig is hoe is dat dan voor ons? Ik kan niet de hele dag bij je zijn en Bart ook niet. Wat gebeurt er als je direct hulp nodig hebt? Ik doe er een half uur over om bij je te komen. En ik kan niet altijd zomaar weg.’ Ik gebruik nog meer woorden. Ik weet niet meer welke. Mijn vader kijkt mij aan met zijn ene roodomrande oog en het andere bruin – donkerbruin – en zijn gezicht wordt zacht als was. God, wat gaat hij op mijn oma lijken. ‘Nee, dan is het goed’, zegt hij zachtjes.

                        *

‘Wat vindt u goed?’, vraagt de psychologe.

‘Dat ik niet naar huis ga.’

Mijn ogen vullen zich met tranen. Zijn ergste nachtmerrie wordt bewaarheid: niet meer naar huis, oud, vergeetachtig en hulpbehoevend worden. 

‘Zij is al gaan kijken’, zegt mijn vader. Hij kijkt van mij naar de psychologe. 

Zij kijkt naar mij.

‘Ja, ik ben al naar de Heemhaven geweest. Ik wilde kijken of dat misschien iets voor hem is. In ieder geval heeft hij daar een eigen ruimte. Met een keukentje en een badkamer. Hij kan daar t.v. kijken, computeren en beneden kan hij met anderen zijn. Er is een grote tuin.’ Ik som alle heerlijkheden van het zorgcentrum in de buurt op. Mijn vader zegt niets.

                        *

‘Ik begrijp dat dit een zware boodschap is’, eindigt de psychologe het gesprek. ‘U kunt het het beste even laten bezinken.’ En dat doen we. Ik rol mijn vader naar het terras van het revalidatie-centrum met de oranje, groene en blauwe stoelen van hard en koud plastic. ‘Wil je wat drinken?’, vraag ik en dat wil hij. We drinken samen voorzichtig de bloedhete thee aan een kale, plastic tafel. De zon blijft maar schijnen.

                         *

We praten niet. We kijken naar de kastanjeboom waar bolsters aan groeien: groene stekelvarkens. Over een tijdje vallen daar fluweelzachte kastanjes uit die ik vroeger zocht in het bos met mijn huppelende kinderen naast mij, achter mij, voor mij. Twee plastic zakken vol met kastanjes. Van een paar maakten we een spinnenweb en wat wiebelende poppetjes. Daarna teerden de kastanjes weg in de zak tot ze rimpelig en droog werden. Ik zie de arm van mijn vader op de leuning van zijn rolstoel: rimpelig en droog. 

                          *

Thuis zoek ik op: ‘Een axioma (of postulaat) is in de wiskunde en logica sinds Euclides en Aristoteles een niet bewezen, maar als grondslag aanvaarde bewering. Een axioma dient zelf als grondslag voor het bewijs van andere stellingen. Een axioma maakt deel uit van een deductief systeem. In de wiskundige logica heet een deductief systeem een theorie.’

                          *

Right.
                        ***