Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Een fatsoenlijk gesprek

  
In de Volkskrant van 24 december 2015 wordt teruggeblikt op het jaar 2015. Ik ben dol op terugblikken. Terugkijken naar het afgelopen jaar. Het jaaroverzicht van het journaal, foto’s en teksten van 2015 in kranten en tijdschriften. Heerlijk. Het ‘o, ja’- gevoel dat zich meester van je maakt als je alle gebeurtenissen van het jaar de revue ziet passeren. Sporters die winnen of verliezen, een familiedrama, oorlogen ver weg. 

                         *

Vanuit mijn comfortabele, luie stoel in ons warme huis in het veilige land waarin ik woon, kijk ik naar de beelden. Ik, die tot de generatie behoor die nog nooit ‘iets’ meemaakte, luister naar de verhalen. Geen oorlog, geen terreur, geen honger vielen ons ten deel. Wel hadden we verdriet zo nu en dan, maar dat ging om verdriet-dat-hoort-bij-het-leven. Ziekte, dood, ontslag. Geen kogels, geen puin, geen rondvliegend glas.

                          *

In de krant lees ik over 2015 als het jaar van de vluchtelingen. Een hot item. In het artikel in de Volkskrant waarboven staat ‘Geweld kan dus wel degelijk lonen’ blijven mijn ogen haken aan een alinea. Ik raak deze alinea niet kwijt. Na een aantal pagina’s keer ik terug. Ik lees het stuk nog een keer. 

                          *

‘Volgens hoogleraar lokaal bestuur Marcel Boogers neemt Geldermalsen een goede beslissing. “De gemeente heeft over dit onderwerp geen fatsoenlijk gesprek met de samenleving gevoerd, terwijl veel inwoners zich wel zorgen maken over de komst van zo’n groot aantal vluchtelingen. Dat je nu op je schreden terugkeert, snap ik. Dat is niet hetzelfde als zwichten voor geweld, maar die boodschap is lastig over te brengen.”

                         *

Geldermalsen, waar boze inwoners de raadsvergadering over de komst van een asielzoekerscentrum zodanig verstoorden dat de raadszaal werd ontruimd. De burgemeester het boetekleed aantrok. De democratie ten grave gedragen werd. Het AZC er niet kwam. En ik denk aan een paar maanden geleden. Toen voerde ik een gesprek. Zo’n gesprek waar hoogleraar Marcel Boogers het over heeft. Een fatsoenlijk gesprek.

                       *

‘Wanneer begint de informatieochtend? Ik dacht dat het om 10.00 uur begon?’

Vragend kijkt de man, die zojuist is binnengeslenterd, in het rond. We staan in het gemeentehuis. In de grote ruimte waar een keer per maand de raad vergadert zijn statafels geplaatst met daarachter wethouders, ambtenaren en de burgemeester. Wij hebben een felgekleurd key-cord om, zo zijn wij herkenbaar als ‘van-de-gemeente’. Inwoners kunnen vragen stellen over de opvang van vluchtelingen. Gedurende zes dagen wordt in de gemeente een groep van 150 vluchtelingen opgevangen in een sporthal aan de rand van het dorp.

                          *

‘U kunt al uw vragen stellen aan ons. Er is niet een algemeen informatie-deel, u kunt terecht aan een van deze tafeltjes.’

Teleurgesteld kijkt de man om zich heen. Hij is niet de enige die denkt dat hij kan gaan zitten, het verhaal kan aanhoren en zijn mening kan geven. Ik zie meer mensen verwachtingsvol plaatsnemen op een stoel verderop in de zaal, kijkend naar een niet bestaande spreker.

                         *

‘Dus ik kan met u praten?’

‘Ja, dat kan. Of u kan met een wethouder spreken en daar verderop staat de burgemeester.’ Ik wijs naar achteren. Maar de man blijft staan. Dit tafeltje is goed genoeg. Hij gaat van start. 

                         *

‘Ik ben het er niet mee eens, met de opvang van al die vluchtelingen.’

‘Ja, dat kan. Er zijn meer mensen die het niet eens zijn met de opvang van vluchtelingen. Echter, de mensen zijn er en als ze niet worden opgevangen slapen ze op straat.’

‘U weet niet hoe deze mensen denken, deze mensen denken niet zoals u en ik’

‘U bedoelt de vluchtelingen?’

‘Ja. Ik heb veel gereisd, ik ken deze landen en ik ken deze mensen!’

‘Leuk dat u veel reisde, dan ben u vast geïnteresseerd in andere culturen.’

                         *

Glazig kijkt de man mij aan. Een gewone man, in gewone kleding. Een man zoals er zoveel van zijn. Een beige broek en een beige trui. Een leren jas is zijn enige frivoliteit. Ik schat hem zo’n jaar of 60. De man heeft een rond gezicht. Zijn ogen zijn blauw.

                        *

De vinger van de man gaat omhoog en wijst in mijn richting:

‘Ja, zeker, ben ik geïnteresseerd in andere culturen en daarom weet ik er zoveel van. Deze mensen passen hier niet, in onze cultuur.’ 

‘De mensen die wij opvangen zijn hier, zij zijn gevlucht voor oorlog en conflicten.’

De vinger gaat omhoog.

‘Ja dat zegt u. Dat denkt u. Maar het gaat hier om gelukszoekers. Het zijn geen vluchtelingen, gelukszoekers dat zijn het.’

                          *

Tevreden blikt de man in het rond. Zijn zegje is gezegd. Ik ben stil. Wat moet ik ermee? Als armzalig ambtenaartje luister ik en knik ik zo nu en dan. Een gesprek is het niet. De man is nog niet klaar.

‘Weet u, de mensen die hier komen…’ – zijn stem gaat omlaag en hij spreekt wat minder luid – ‘de mensen die komen, dat zijn de allerrijksten. De echte vluchtelingen, de arme mensen, zij kunnen hier niet komen. Zij kunnen zo’ n overtocht niet betalen.’

‘Maar als zij al rijk zijn, dan zijn zij toch geen gelukszoekers?’, breng ik in. ‘Deze mensen zijn dan toch immers al rijk.’

                        *

Maar dat heb ik verkeerd begrepen.

‘Zij zijn uit op ons sociale stelsel, onze voorzieningen.’ Ik zie zijn gezicht betrekken. 

‘Mevrouw, u weet niets, weet u hoe de mannen met hun vrouwen omgaan?’

Ik weet dat niet. Net zomin als ik weet hoe deze man met zijn vrouw omgaat. Heeft hij wel een vrouw?

‘Vrouwen zijn niets minder als beesten. Die mannen beschouwen vrouwen als varkens.’ 

                         *

Dit gaat mij te ver. Naast het denken aan: ‘anders dan, het is anders dan, niet anders als’ komt aan mijn neutrale afstandelijkheid en geknik een einde.

‘Dat zijn uw woorden. Ik vind dat erg naar om te horen.’

‘Ik ben er geweest, ik weet wat zij denken. Die mannen.’

Mijn collega die naast mij staat vraagt: ‘maar heeft u misschien nog een vraag over de opvang van vluchtelingen?’

Ja, die heeft hij.

‘Hoe lang komen zij hier eigenlijk? Ik dacht maar twee keer drie dagen?’

‘Ja, zij blijven hier zes dagen. Daarna gaan zij ergens anders heen.’

                         *

Dat vindt de man onbegrijpelijk.

‘Dat is toch niks, dat gesleep met mensen? En wat kost dat allemaal?’

Intussen is er iemand bij ons komen staan. Ons tafeltje is een van de lastigste tafeltjes. Verderop hoor ik een bezoekster vragen waar zij zich kan melden als vrijwilliger.

‘Daar heeft u misschien wel gelijk in’, zegt de collega die erbij is komen staan. ‘Wat zou u ervan vinden als wij wat langer vluchtelingen opvangen op een daarvoor geschikte locatie?’

                          *

Maar dat is niet de bedoeling. De man is even stil.

‘Ik ben en blijf er tegen. Het gaat gelukkig maar om zes dagen.’ Nog even blijft hij staan. Hij kijkt of hij bekenden ziet. En die ziet hij: ‘He! Jij ook hier?’ De bekende antwoordt dat hij er ook is. Langzaam loopt ons gesprek ten einde.

‘Als u nog vragen heeft dan kunt u op onze website kijken. Daar vindt u antwoorden op de meest gestelde vragen’, zegt mijn collega vriendelijk.

En ja, dat zal hij doen.

                         *

We vangen de dagen erna de vluchtelingen op. Het gaat goed. Het aantal vrijwilligers dat zich meldt is zo groot dat de organisatie een wachtlijst aanlegt. De hoeveelheid kleding, schoenen en speelgoed die wordt gebracht is overweldigend. 

                          *

Een groepje mannen en jongens voetbalt voor de sporthal aan de rand van het dorp. Kinderen tekenen en knutselen aan een tafel. Ik zie vrouwen, meisjes en jongens. En mannen. En ik denk aan het gesprek aan het statafeltje. Het gesprek dat volgens hoogleraar Boogers nodig was in Geldermalsen. In Steenbergen en in Purmerend. 

                         *

Een fatsoenlijk gesprek. 

                       ***

Weemoed

  
Gezelligheid

Kom doe als Weemoedt: dans in ‘t rond

de kamer door met kat en hond.

Vraag ook de hamster eens een keer,

spring met de goudvis op en neer.

Strooi eens wat licht in kier en scheuren

en laat de bladluis niet vertreuren.

Maak toch plezier en zing een lied:

het leven is zo eenzaam niet

als je eens denkt aan hen die varen

of bung’len aan een straatlantaren. 

Levi Weemoedt 

Uit: Geen bloemen. 1978. 

Het zijn weemoedige dagen. Donker jaagt regen tegen ruiten aan. De eerste feestdag voorbij, langzaam voort naar de volgende. Het vacuüm tussen de Goedheiligman en het kindeke wordt strakgetrokken door korte dagen, vroeg invallende donkerte en een beverig waxine-lichtje in een potje van glas.
                          *

Snel leven we op in het korte licht. Ja, de zon schrikt ons wakker. Het grijs daalt snel weer neer. En wij jachten ons naar binnen, naar warmte en decemberknusheid. 

                            *

Ons huis voelt inmiddels aan als een jas die plotseling te groot geworden is. Verbaasd trekken we de jas uit, bekijken het achterpand, voorpand, de mouwen. We trekken hem weer aan, het is koud en het regent. De jas slobbert om ons heen.

                          *

Vorige week zondag brachten wij onze jongste naar Amsterdam.

‘Vanaf 7 december mag ik een maand in Nathan’s kamer’, vertelde hij een paar weken geleden terloops aan tafel.

‘O ja, waar gaat hij heen dan?’

‘Kweenie, ik geloof naar Londen. Daarna komt hij even terug en dan vertrekt hij naar Miami.’

Nathan. Ik moet even nadenken want ik zie de vrienden van onze zoon niet vaak. Maar ik weet wie het is. Een blonde jongen, niet groot. Ooit ging Max met hem en drie anderen op reis in een bus naar Spanje. Daar was Nathan bij. Ik weet het weer.

                             *

‘Brian vroeg of ik bij hem kom wonen voor een maand’, gaat ons kind verder. Brian woont samen met Nathan op kamers. In de Albert Cuypstraat. Daar huren de jongens voor een astronomisch bedrag ieder een kamer. Ze delen een huiskamer, douche, toilet en keuken.

‘Ze wonen midden op de Albert Cuypmarkt. Ieder dag wordt de markt opgebouwd en afgebouwd. Als je ‘s ochtends de deur uitgaat kennen ze je. Dan zeggen ze ‘Goedemorgen meneer! Naar school vandaag?’ 

                           *

De ogen van onze zoon lichten op. En ik zie het voor me. De mannen van de Albert Cuyp en onze achttienjarige student. Twee werelden die elkaar ontmoeten en gemoedelijk groeten. Ons kind met rugzak en laptop, de marktkoopman met kraam en waar. 

‘Van wanneer tot wanneer ben je daar precies?’, vragen wij. Maar dat weet hij niet. ‘Vanaf 7 december en dan komt Nathan geloof ik de 18e terug. Alles moet hij wassen en inpakken, daarna gaat hij weer weg.’

                            *

Oké. Nou, we zien wel. Natuurlijk is het goed. Natuurlijk zien wij graag zijn ogen, bruin en licht getrokken – het moet dat 32e deel Indisch bloed zijn – oplichten als een plots aangestoken kaarsje. Op zondag zes december besluit ons kind: ‘ik ga er vanavond al heen. Nathan is weg.’ Hij zou eerst maandag gaan, maar nu wordt het zondag. Goed, natuurlijk kan dat. ‘Ik breng je wel naar het station’, zegt zijn vader. Ik zie zijn tas, een grote reistas bomvol kleren en boeken. ‘Zal ik je brengen?’, vraag ik, ‘geen probleem hoor.’ En dat vindt hij prettig. We brengen hem weg en zetten dan gelijk maar onze dochter af bij haar kamer op de Zuidas. 

                           *

In twintig minuten schieten we van groene rust naar de gekleurde hectiek van een wereldstad. Afslag VU, door naar Zuid, de Pijp. En na wat omzwervingen belanden we op de Albert Cuypstraat nummer 114. ‘Kijk, mam, je kan de auto voor de deur zetten!’, klinkt het opgetogen achter mij. ‘Loop even mee’, zeg ik tegen mijn man en ik blijf zitten achter het stuur. De motor laat ik draaien. Zal hij vragen of we mee naar binnen gaan? Hij belt aan, spreekt in het vierkante luidsprekertje. Hij lacht. Draait zich om en pakt zijn reistas. Zijn rugzak verschikt hij bij het oppakken van de zware tas. Hij kijkt achterom. Ik zie zijn mond bewegen ‘Dag, mam.’ Ik zeg terug:’ Dag.’ En ik zwaai achter de voorruit. Zijn hand gaat omhoog. En hij beklimt de trap met in zijn rechterhand de reistas, op zijn rug de rugzak met lap-top. 

                             *

Stilletjes rijden we terug. ‘O, daar is Duikelman’, zeg ik. De winkel met allerhande keukenartikelen. Om ons heen is licht en leven. En ik snap het. Als je achttien bent wil je hier zijn, in het licht, in het leven. Langs de marktkoopman lopen, twee vingers omhoog steken, de tram in, met de metro 50 richting Gein, naar school. 

                           *

En nu zijn we thuis in het huis dat als een te grote jas om onze schouders hangt. Het is wel een lekkere jas, warm en vertrouwd. Je kan spreken over een lievelingsjas. Alleen maar een beetje te ruim. Beiden lopen we elke dag langs de kamer waarvan al een hele week de deur dicht is. We slapen diep en rustig. Geen nachtelijk sleuteldraaien, geen w.c. die wordt doorgetrokken, geen glas water dat gedronken wordt, geen zacht ‘hoi’ in de deuropening. 

                          *

Het zijn weemoedige dagen. Grijs en grauw, de katten staan snel weer voor de deur. Te koud, te guur. Binnen is het warm. Ik koop zo maar eens een boom met lichtjes, veel lichtjes. Het zijn weemoedige dagen. Donker jaagt regen tegen ruiten aan. In onze vensterbank bibbert een waxine-lichtje in een potje van glas.

                           *

Op pagina vier van Trouw kijken twee bruine ogen met dik-zwarte wimpers mij aan. Om het verdrietige mondje staat het vel strak en rood van de kou. Op de geribbelde rand van de muts van zijn vader plakken zachte sneeuwvlokjes. De kop vertelt: ‘Duizenden kinderen verrekken in de kou.’ 

                           *

Nog donkerder jaagt regen tegen ruiten aan. Er kan niet meer gesproken worden van weemoed. En ik trek de gordijnen dicht.    

                        ***

Wintertijd

 Het is wintertijd. Onder mijn fietsbanden knerpen eikels die geplet uit hun hoedjes wegspringen. De bladeren die richting stoep gewaaid zijn worden beschenen door de ochtendzon. Verderop rijdt een auto weg, een waaierd van blaadjes wappert als een slinger van blikjes achter een auto aan met ‘newly-weds’. Aan de rand van de vaart rookt een man zijn sigaretje. Zijn hondje zoekt heen-en-weer-jakkerend een lekker plekje om te poepen. 

                          *

Ik rijd naar het werk met achterin de fietstas een stevige tas met drie paar jongensbroeken, wat dikke vesten en een warme trui. Van de nachtmanager op de locatie waar de vluchtelingen verblijven begreep ik dat er behoefte was aan warme jongensbroeken en truien. Ik heb een jongen thuis.

‘Max, kan jij in je kast kijken naar warme broeken en truien?’ 

‘Ik doe dat vanavond’ was het antwoord en hij floepte weg. Uit. 

                         *

Vanochtend zag ik op de tafel een stapel kleding liggen. Broeken, vesten en gekleurde shirts. Een trui. Op de kleding lag een briefje. In jongenshandschrift: ‘Voor de vluchtelingen.’

                         *

En nu fiets ik erheen. Eerst naar het gemeentehuis waar twee collega’s de telefoon bemensen. Het gemeentehuis is bij het binnentreden anders. Donker. Zondags-stilte. Er wordt de hele dag niet gebeld. Maar we werken rondom de telefonie, stil en geconcentreerd. 

                         *

Om 12.00 uur ga ik naar de opvanglocatie. Twee donkerharige dames lopen mij tegemoet. Een meisje dat met krukken loopt. Een oudere dame naast haar, haar moeder? Verlegen zeggen zij mij gedag. Wij knikken elkaar daarbij vriendelijk toe. Met mijn stevige tas en rampenpas meld ik mij bij de bewaking, mannen in donkere pakken. Ik herken ze van de week ervoor toen ik de opvanglocatie in Voorhout bezocht.

                         *

‘Ik heb mijn komst gemeld. Ik ben Annelie Jonquiere van de gemeente Lisse.’ Je weet het nooit, altijd netjes zijn tegen bewakers. Zij laten je door of niet. En ja, ik mag erdoor. Binnen zie ik de nachtmanager, mijn collega die belangeloos de nacht daar doorbracht met twee anderen. Hij stelde de vraag over de broeken en warme truien in grote jongensmaten.

‘Ik vraag gelijk of hij wil kijken.’ En weg is hij, in de sporthal op zoek naar de jongen die een warme broek en trui nodig heeft.

                         *

Ik kijk om mij heen. Een groepje jongemannen krijgt Nederlandse les. Ze zitten aan het einde van een lange tafel. Een vrijwilligster legt uit: ‘goedemorgen!’, zegt ze, duidelijk articulerend. De mannen zeggen haar na. ‘Goedemorgen!’ ‘It means good morning’, zegt het meisje. ‘Good morning, goedemorgen’, zeggen de mannen.

                         *

Op een flap-over hangt een aanmeldingsformulier voor de kapper. Maandag komen kappers knippen. Een lange lijst namen in het Arabisch wijst op een grote behoefte aan de kapper. Ik snap dat. Hoe heerlijk voelt een mens zich met een goed kapsel, gewassen en gedroogd haar. Vingers op je hoofd, aandacht voor jou. Je spiegelbeeld dat zienderogen opknapt.

                         *

Na mijn bezoekje en twee bijeenkomsten op het gemeentehuis verder fiets ik terug naar huis. Het wordt al weer wat kouder. Vissers slaan hun hengel uit in de vaart. Eenden vliegen luid snaterend op. 

                         *

Ik hoor het meisje aan de tafel de mannen Nederlands leren. Een paar woorden maar. ‘Ik hou van jou’, zegt ze en ze houdt een wit papier omhoog met daarop een groot hart getekend. ‘Ik hou van jou’, echoot het zachtjes aan de tafel. 

                            *

De avondzon kleurt de lucht rood met paars. Allemachtig mooi.

                         ***

Dwaze dagen

  
Vlot snellen mijn ogen – die in tegenstelling tot ‘s avonds nog niet op steeltjes staan – de koppen van onze trouwe krant.

                           *

Op de voorpagina ‘maakt Rusland vrienden.’ Een foto siert het artikel. Zeven heren zitten aan een lange tafel. Op de tafel staan glazen limonade, alle glazen precies tot ietsje over helft gevuld. De zeven heren kijken niet vrolijk. Hoe ze dan wel kijken? Het is moeilijk te zeggen. De grootste boef lijkt nog het meest ontspannen. De ander staart naar een bord met wat lekkers. De voorste heer houdt krampachtig de tafel vast alsof deze op ieder moment uit zijn handen kan glippen. Mijn ogen trekken telkens naar de witte borden met eten. Wat ligt er toch op? Gehaktrondjes, pannenkoekjes -blini – en vooraan een taartje, gegarneerd met…sla? Eigenaardig. Assad de boef en Poetin, zijn redder in de nood. Snuf en Snuitje @2015.

                          *

Ik denk aan de mensen die de nacht ervoor door een smerig riviertje in Slovenië waadden. IJskoud water trok in hun broek, hun jas, rugzak. Een jongen van een jaar of acht, negen, huilend, nee, schreeuwend van angst, kou en ellende baant zich een weg door het water.

                           *

De president van de jongen zit aan een lange tafel. Op de tafel staan witte borden met heerlijkheden. Zijn president heeft het niet koud. Geen wanhoop of ellende is van zijn gezicht af te lezen. Zijn volk waadt door de modder in Slovenië.

                            *

Op pagina drie zijn de dwaze dagen van de Bijenkorf begonnen. Ik zie een foto van een vrouw – hoe eigenaardig, ze lijkt precies op de ex van een vriend – om zich heen kijken met aan haar voeten zeven gele dwaze dagen tassen. Naar wie kijkt zij uit? Haar vriendin met ook zeven gele tassen? Haar moeder, zus, schoonzus? Een andere foto met gezichten voor de deuren van de Bijenkorf. Verwachtingsvolle, hebberigheid. Anders kan ik het niet omschrijven. 

                         *

In Steenbergen wordt vooral geschreeuwd. Vuisten ballen zich, vingers wijzen naar voren, het beeld van een jongen met pet, wijd open mond, rechterhand naar voren gestrekt. Brave burgers zitten verloren en ongemakkelijk op de stoelen ervoor. Ze kijken strak voor zich uit.

                         *

Verder dan pagina drie kom ik niet. Maar het is wel weer genoeg voor vandaag.

                           *

De winkelier van Damascus. Hij vouwt zijn zoveelste shirtje op. Mouwtjes naar binnen. Twee scherpe vouwen links en rechts. Dubbel en klaar.

                            *

Dwaze dagen.
                        ***

De winkelier van Damascus

  
Droombeeld

Vanmorgen toen ik nog niet wakker was

maar al niet meer sliep sloop onzichtbaar

op gehoefde sokken het onheil binnen

in mijn bed, vlijde zich tegen mij aan

en fluisterde om mij niet te wekken mijn naam.


Terwijl ik mijn ogen niet opende zag ik

dat hij naar mij keek met ook zijn ogen dicht

het kussen streelde dat hij voor mijn lippen aanzag

en dat hem zoende zoals ik zou hebben gekust.

Wij omhelsden in de veronderstelling van elkaar.

Hagar Peters

                         *

In de hal staat een man, klein, pezig. Soepeltjes beweegt hij zich langs en door de – op gekruiste poten – geschraagde planken. IJverig en geconcentreerd legt hij hemd bij hemd, broek op broek. Stapeltjes T-shirts, wit, groen, zwart, hij vouwt zorgvuldig de shirtjes op: de mouwtjes naar binnen, zijn vingers strijken als vanzelf de zachte stof glad. 

                         *

De zijkanten vouwt hij naar binnen, twee kaarsrechte streepjes. Kleine shirts een keer overdwars dubbelvouwen, wat grotere twee keer. Liefdevol stapelt hij de kleding op. Wit bij wit, klein bij klein, groot op groot, van links naar rechts liggen de shirts overzichtelijk op de ruwe planken van klein naar groot. Zijn ogen trekken langs de shirtjes als die van een generaal langs zijn troepen. 

                         *

Hij kijkt door de half geopende deur naar de ruimte erachter. Het voortdurende geroezemoes klinkt vertrouwd. De meesten hebben gedoucht, zijn geschoren, ze hebben vannacht geslapen. 

                         *

Sommigen sliepen, ondanks dat ze moe waren, moeilijk in. Draaiend op het veldbed dat kraakte en bewoog bij iedere beweging, kwam de slaap niet. Maar zelf sliep hij ondanks de vreemde ruimte, het gekraak, zuchten en snurken en hier en daar kindergehuil, in.

                         *

De kleinste kinderen slapen. Ze doen een middagdutje. Baby’s slapen ‘s middags, ze slapen veel. Zijn baby’s sliepen ook ‘s middags. Daar, in zijn huis in Damascus. Boven het bedje draaide de witte ventilator zijn rondjes. De warme lucht streelde de babyhuid, het regelmatige gezoem liet het kind inslapen. Als hij voor het slapen gaan nog even buiten stond, rook hij de geur van zijn tuin, hij zag de sterren fel oplichten tegen de zwarte hemel. 

                         *

Hij denkt aan de aankomst, de avond ervoor. Met een bus kwamen ze hierheen. Hij tuurde door de ramen van de bus naar buiten maar hij keek in een donker gat. Het gat waar hij al jaren in keek. De lange busrit eindigde bij een grote hal. Het plotselinge licht van de hal deed hem knipperen met de ogen. 

                        *

Mensen drongen zich murw van vermoeidheid, hun kleding vies plakkend tegen hun lichaam aan, de bus uit naar buiten. De nachtlucht in dit land was koel. Oktoberkoelte. Zijn leren tas tegen zich aangedrukt, zijn plastic tas in de andere hand liep hij met de stroom mee. Aardige mensen lachten naar hem.

                         *

Een vrouw met een groen hes over haar kleding wees hem de weg. Ze gaf hem een papier. Nog steeds knipperend met zijn ogen liep hij de hal in. Het harde licht bescheen meedogenloos de grote ruimte. Rijen bedjes, vier aan vier met tussenruimten. Op een van de bedjes ging hij zitten. Zijn leren tas naast hem, de plastic tas schoof hij onder het bed. Hij pakte het papier, het was een beetje gekreukt. Hij las. 

                        *

Welcome to Voorhout!

 We will do our best to make your stay as comfortable as possible while you recover from your long and tiring journey.

House Rules:

– RESPECT other people around you

– All food is Halal

– Food must not be eaten in the dormitory

– Tap water is safe to drink

– NO SMOKING in the building

– NO DRUGS or ALCOHOL

– You must stay in the building between 10.00 PM and 07.00 AM

– You may leave the building between 07.00 AM and 10.00 PM

– When you leave the building you must check out and when you enter the building you must check in!

– Always wear your given wristband

– For any questions, please ask a member of the Red Cross Team.

                         *

Hij begreep dat hij ergens was. 

                         *

En nu staat hij hier. Tijdens het vouwen ordent hij naast de kleding zijn gedachten. Vrouw, kinderen, huis, winkel, reis, hier. Hij had een huis in Damascus, een vrouw, twee grote jongens en een meisje. Een huis met geurende tuin. Zijn winkel. Even knijpt hij zijn ogen dicht. Hij ziet achter zijn oogleden de kleurige kleding. Hangend op hangers, liggend op lange tafels. Een toonbank, de kassa. Door de ruiten ziet hij de straat. Er lopen mensen. Jong, oud, snelle en langzame. Hij maakt een praatje met de buurman, helpt zijn klanten, zet achterin het keukentje koffie. 

                         *

Als hij zijn ogen opent, ze waren maar even dicht, ziet hij de kleding hier, hangend op hangers, liggend op de schragen.

                         *

Hij loopt naar de deur, zet deze open. ‘You may come in.’ Zijn klanten komen binnen. Ze lijken op zijn zoons. Hij wijst hen op de shirts, de juiste maat. Broeken pakt hij op van de stapel. Dit is zijn winkel. Hij had een winkel in Damascus. Een vrouw, twee zonen, een dochter. Hij had een tuin. Hij had een huis. Een huis in Damascus.

                         ***
Nawoord

In de gemeenten Teylingen en Lisse ontvangen we dezer dagen een groep van 150 vluchtelingen 12 dagen op. In het persbericht van beide gemeenten staat het volgende:

‘Met de crisisopvang willen de gemeenten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. ‘We zijn er om onze medemensen te helpen. Het is onze menselijke plicht om voor mensen te zorgen die dat tijdelijk niet zelf kunnen’, aldus burgemeester Carla Breuer van Teylingen. ‘We zijn gevraagd deze mensen op te vangen en dat willen we ook graag. We zetten ons er voor in dat dit op een goede manier verloopt’, stelt burgemeester Lies Spruit van Lisse.’

Het vervulde mij de afgelopen dagen met trots om met een geweldig team bevolkingszorg een bijdrage te mogen leveren aan de opvang van deze mensen. We doen dit voor de hele groep vluchtelingen, maar in het bijzonder voor de kleine, grote winkelier uit Damascus. 

Annelie 

De notenkraker

 Als we bij mijn vader binnenkomen roep ik luid en duidelijk: ‘hoi!” Dat moet hem behoeden voor schrik alhoewel hij beweert ‘nooit ergens van te schrikken’ en hij ervan op de hoogte is dat ik kom want ik bel altijd van tevoren.

Een gesmoord: ‘hoi, ik zit op de w.c.!’ krijgen we terug. En wij lopen door naar de huiskamer.

                         *

‘Wat is het hier lekker warm’, zegt mijn man die dit keer meegekomen is. Hij draagt een bos bloemen die hij gisteren kocht. ‘Geef die maar aan je vader’, zei hij. En dat is lief. Ook krijgt mijn vader een zak walnoten. Deze stonden laatst op het boodschappenlijstje. Mijn man nam ongepelde walnoten mee en wij hebben geen notenkraker. Dus geef ik de walnoten aan mijn vader. Sinds jaar en dag staat er een notenkraker pontificaal op zijn eettafel in zo’n rond houten bakje. Voor zover ik weet kraakt hij nooit noten. Nu kan hij de kraker eindelijk eens gebruiken.

                         *

Als mijn vader uit de w.c. komt loopt hij ons tegemoet. Hij begroet mijn man alsof hij hem jaren niet gezien heeft, zo vriendelijk begroette hij hem niet eerder. ‘Leuk om je weer te zien!’, roept hij min of meer stralend. Mijn man ondergaat lachend-verbaasd de vriendelijke bejegening van zijn altijd zo stugge schoonvader.

‘Wat willen jullie drinken?’, vraagt mijn vader.

‘Voor mij wat water en Raym wil wel een kopje koffie’ antwoord ik. En ik loop naar de keuken om een handje te helpen. Zijn boterham en geroosterde krentenbroodje liggen klaar, evenals de geschilde appel. Ook staat op het aanrecht een kopje koffie koud te worden. Mijn vader vult de Senseo bij, nieuw water erin, even denk hij na over de plek van de pads, o ja, in de kast, en hij pakt er een uit.

                         *

‘Zal ik alvast de boterham naar binnen brengen en je koffie?’, vraag ik.

Mijn vader is zo druk bezig met de koffie voor mijn man dat hij mij niet hoort. Ik breng de twee bordjes en zijn lauwe koffie naar binnen. 

                          *

Op het hoge zitbankje neemt mijn man een sushi-test door in de Consumentengids. Mijn vader ontvangt zo lang als ik mij herinneren kan de Consumentengids. Ik buig over mijn man heen en samen lezen wij dat alle sushi onhygiënisch wordt klaargemaakt. In Hillegom krijgt het nieuwe Sushi-restaurant een 5,4. Het op een na hoogste cijfer van alle sushi-restaurants.

                          *

Daar komt mijn vader aan met de koffie voor mijn man. Hij vertelt dat hij net keek naar het programma Buitenhof.

‘Dat ging over de vluchtelingen’, vertelt hij. En dan ontspint zich een discussie die in vele huiskamers wordt gevoerd: wel vluchtelingen opvangen, maar het zijn veel mensen, hoe moet ons land zich voorbereiden op zo’n instroom, wat betekent dat voor de samenleving, voor Europa nu en over twintig jaar? Opvang in de regio, alle oorlogen daar en elders, we raken niet uitgepraat. Een oplossing hebben we niet, alleen gedeelde zorgen.

                          *

We spreken kort over de kinderen, daarna over Berlijn. Daar gaan mijn man en ik binnenkort heen. Mijn zeer bereisde vader was er nooit en ik merk dat hij dat heel jammer vindt. Het liefst zou hij in de auto springen en ook naar Berlijn gaan. Maar dat gaat niet meer. Hij loopt belabberd, is echt te oud voor een reis, laat staan een stedenreis.

                          *

Na een bezoek van ruim een uur stappen we op.

‘Je moet nog even wat voor me doen!’, zegt mijn vader. ‘De Tom Tom moet worden ingesteld want ik ga vrijdag naar Humphrey en Moon.’ Humphrey en Moon zijn mijn vaders stokoude, in Amerika wonende, neef en diens vrouw. Zij zien elkaar een maal per jaar. Dan rijdt mijn vader naar het huis van hun dochter in Voorburg waar zij verblijven. Onderweg pikt hij nog zijn stokoude nicht Ottie op in Zoetermeer. 

                         *

Vorig jaar – ‘ik ken de weg op mijn duimpje!’ – verdwaalde hij en kwam hij terecht in de krochten van Den-Haag. Hij moest opeens heel nodig plassen ‘door die verrekte plaspillen’ en strompelde een buurthuis in. ‘Een prachtige gelegenheid, allemaal zalen waarin cursussen gegeven worden!’, volgens mijn vader. Hij nam nog een folder mee van het Haagse buurthuis. 

                             *

Ik type het adres in van nicht Ottie en neef Humphrey. Ik laat hem zien dat beide adressen nu te vinden zijn met een vingerdruk op het icoon ‘Vorige bestemming.’

‘Maar ik wil ook mijn adres in de Tom Tom zetten. En dat lukt mij steeds niet.’

‘Je eigen adres?’ Dat staat hier’, wijs ik, ‘onder Thuis’. 

Mijn vader kijkt naar de Tom Tom of hij water ziet branden. Ik laat hem nogmaals het icoon zien van het huisje. Hij drukt erop en ja, daar verschijnt zijn adres.

‘Kijk, zie je, hier staat de pijl, op de Scholtenlaan.’

‘Maar dat heb ik niet ingesteld.’

‘Nee, dat deed ik al eerder, weet je nog, toen je hem kocht hebben we dat adres erin gezet als huisadres.’

Maar dat weet hij niet meer.

                           *

En nu ga ik een andere discussie aan.

‘Ik vind het geweldig dat je nog rijdt pa, maar naar Voorburg en Zoetermeer…, dat is een eind rijden. De vorige keer vond je dat ook al best lastig.’

Maar daar vergis ik mij in. En ‘ik rijd prima!’ volgt direct daarop.

Ik loop op eieren: ‘Ja, je rijdt prima, hier in de omgeving maar op de snelweg richting Den-Haag is het druk en iedereen rijdt hard…’

Ook mijn man doet een duit in het zakje: ‘Bent u niet lid van zo’n taxidienst?’, vraagt hij.

Ik ga er gretig op in: ‘ja, Valys, daar ben je toch lid van pa?’

Ja, daar is mijn vader lid van maar nooit maakt hij daar gebruik van omdat hij ‘nog prima zelf kan rijden.’

                            *

Het einde van het eigenwijze liedje is dat ik aanbied hem vrijdag te rijden.

‘Dat is wel een aanlokkelijk aanbod’, weifelt mijn vader. 

‘Ik zit niet rustig als ik weet dat jij zo’n eind gaat rijden, pa, dan breng ik je liever zelf.’ Ik denk aan de vijftig minuten heen, het gesjouw met een oude nicht ‘zij loopt nog moeilijker dan ik en volgens mij is ze dement’ en daarna met de twee oudjes naar Voorburg. Wachten daar, de nicht naar huis brengen en weer vijftig minuten terug. Dat kost mij een dag. Ik zucht.

‘We hebben het er nog wel over’, zeg ik. 

                             *

Tijdens het fietsen naar huis bedenken we dat hij niet zelf moet rijden, ik niet moet rijden, maar hij met de Valys mee moet. 

‘Als er wat gebeurt vrijdag met hem in die auto voel jij je schuldig’, zegt mijn man. En zo is het. 

                            *

Wordt vervolgd.
                          ***