Broos


Langzaam wordt de arm weer van mij. Vier weken lang behoorde mijn arm toe aan de brace. Een ingewikkelde mitella van klittenband die ik kreeg van de verpleegkundige in het kelderziekenhuis van het bergdorp Les Deux Alpes. Ze vouwde de constructie – want dat was het – uit met achteloze gebaren van jarenlange ervaring. Ik keek benauwd toe. Zou ik kunnen onthouden hoe dat ding nu precies in elkaar zat? Ik nam me voor de brace voorlopig niet af te doen. Dan liep ik het minste risico te verdwalen in dat woud van klittenband.

                          *

De brace was vier weken lang mijn toegang tot de onveilige buitenwereld. Alle ogen trokken naar de blauwe constructie en men begreep dat daaronder iets niet klopte. Onwillekeurig hield men afstand en dat was fijn. De gekwetste schouder was intussen aan het werk: bloeduitstortingen die fijne draadjes trokken van bloedvaten, cellen die zich vermenigvuldigden, botdeeltjes die zich langzamerhand aan elkaar vasthechtten als de twee delen van het gebroken beeldje dat jarenlang – zorgvuldig door mijn vader gelijmd – op het dressoir stond van mijn ouders. Als je er vlakbij stond en goed keek zag je het: dat dunne breuklijntje, je pakte het kameeltje – want dat was het – niet meer op, zometeen viel het in twee stukken uiteen.

                          *

Het werden vier weken met zeeën van tijd voor, ja voor wat eigenlijk? Lezen bleek – nu er zoveel lege uren waren – minder aantrekkelijk dan lezen in krappe uurtjes tussen werken, eten, sporten en slapen door. Je kan ook niet de hele dag t.v. kijken, het ultieme symbool van nietsnutten en luiaards. 

                         *

Ik maakte iedere dag een ommetje en zag alle uithoeken van mijn slaperige dorp. Alleen mensen met honden maken ommetjes ontdekte ik. Ik zigzagde van de bibliotheek naar het weiland met schapen, van het bos met de grootste speeltuin van Nederland naar het stille landgoed van de inrichting voor verstandelijk gehandicapten. Ik zag niemand.

                      *

Vandaag maakte ik mijn eerste ommetje zonder brace. 

‘Zou je dat wel doen?’, vroeg mijn man, ‘Niemand ziet dat je wat aan je schouder hebt.’

Maar ik deed het. Het voelde bloot maar vrij. Als een gewoon mens liep ik door de stille straten, het verlaten stukje bos. Toen ik langs de tennisbaan liep riep een jongetje wat naar mij. Ik stond stil. ‘Mevrouw, kunt u mijn bal over het hek gooien?’, vroeg hij. Ik keek naar de bal. Het was een fluorescerende gele tennisbal. Hij lag in het gras. Ik keek naar het hek. Dat was minstens vijf meter hoog.

‘Ik heb mijn schouder gebroken, ik zou de bal wel willen teruggooien maar dat lukt mij niet’, zei ik. Het jongetje keek naar mij. Ik zag dat hij gewoon een mevrouw zag met twee armen. Ik liep door. Een beetje verslagen. 

                       *

Thuis lag de brace werkeloos op mijn bed als een stuk huid zonder lijf. ‘Yezz, but zis is zie best peenkiller’, aldus de Franse arts met walrus-snor toen ik vroeg of ik pijnstillers van hem kreeg. Hij wees naar de brace die snel en deskundig om mijn lijf werd aangebracht. Het was zo. Ik bewaar hem nog maar even, de brace.

                     ***

Het dorp

  
Vrijdag laat in de middag, het werk zit erop, besluit ik een stukje te kuieren. Om een doel te hebben pak ik het boek van de bibliotheek dat ik de avond ervoor uitlas. Mijn hart maakt een sprongetje als ik de mail lees over een vers aangekomen boek bij de bibliotheek. Het kuieren krijgt zowaar een doel. Niet te zwaar, niet te moeilijk want dat hoort er niet bij. Bij kuieren. Dat doelloos langzaam wandelen langs ‘s heren wegen.

                         *

Met een plastic tas waarin ik het gelezen boek, mijn sleutels, de telefoon, betaalkaart en bibliotheekpas heb gelegd loop ik de achterom uit. Onkruid tiert welig tegen de rand van de schuur aan, ik moet dat toch eens weghalen.

                         *

In de winkelstraat staat in de nis naast zijn winkel de eigenaar van de Spar, Johan. Johan rookt een saffie en kijkt om zich heen. ‘Ziet hij mij?’ Ja, natuurlijk, Johan ziet alles en iedereen. En ik zwaai vanaf de overkant met mijn lege hand. ‘Dag Johan!’

                         *

Bij de visboer hapt een flinke dame in een flink broodje. Belegd met…ik kan het niet goed zien. Maar ze smult, zittend aan het tafeltje op het lege terrasje voor de visboer. Naast het reclamebord met krijtletters van kabeljauw.

                         *

Omdat ik bijna nooit loop maar fiets, vergis ik me bijna en druk ik op het oversteek-knopje voor fietsers. Maar nee, ik moet het knopje voor voetgangers hebben. En o ja, rustig aan, ik was aan het kuieren. Ik bedwing mijn onrust voor de oversteekplaats en kijk in iedere langsrijdende auto of ik iemand ken. Nee, ik zie geen bekenden. 

                         *

Het duurt lang voor het mannetje op groen springt. Naast mij staat een vrouw, een oudere dame. Zij loopt zodra het voetgangertje groen wordt mij rap voorbij, doelgericht. Langzaam loop ik verder en he, daar fietst mijn buurvrouw met haar zoontje. ‘Dag Femke!’ Ik loop de bibliotheek in en leg mijn boek in de terugbrengcontainer. Ik sla een blik op de tafel met nieuwe boeken. En de verleiding van een boek over Hans van Z., moordenaar in de jaren zestig weersta ik niet. Mijn gereserveerde boek staat keurig netjes in het rijtje gereserveerde boeken. Met de twee boeken in mijn plastic tasje kuier ik naar het Franse winkeltje op de hoek. 

                         *

In het Franse winkeltje is het heerlijk koel. Een rustig muziekje waait mij tegemoet als een Frans briesje, de eigenaar groet mij vriendelijk, veegt zijn handen af aan de doek die in het open keukentje hangt. 

                         *

‘Wat is het hier heerlijk koel’, zeg ik.

‘Ja, we laten de warmte buiten, het is benauwd buiten’, is het antwoord.

‘Tja, ik weet ook niet waarom ik een jasje aan heb, het is erg warm.’

‘Prima voor hier binnen toch?’, lacht de vriendelijke eigenaar. En begeleid door deze flitsende conversatie koop ik mijn vaste lekkernijen: truffelbrie, rillette de canard, een echte baguette en een superfles rosé. 

                         *

Omdat ik graag mijn kuieren voortzet loop ik over de nieuwe brug, de trambrug, richting de lege, met graffiti bezaaide Jongerenontmoetingsplek, over het Geitenweitje. Het grasveld der dorpsevenementen. Een jong hondje snuffelt aan mijn baguette. Zijn baasje probeert hem te vangen maar speels huppelt hij om mij heen. Zijn vrouwtje is te omvangrijk om het beweeglijke beestje te vangen. Ze spreekt hem bestraffend toe. ‘Deze mevrouw wil hier ook rustig lopen. Je moet wel naar me luisteren.’ Ik houd mijn tasje met baguette wat hoger en kuier verder.

                         *

Het gegil van kinderen in de grootste speeltuin van Europa komt mij tegemoet. Een zware stem beveelt een groep jonge kinderen in de rij te gaan staan. Ik zie kleurrijk geklede jongetjes en meisjes met rugzakjes braaf twee aan twee achter de stem aan lopen. 

                         *

Het hardste gegil komt uit het spartelbad verderop en neemt toe als de bruine emmer, die zich langzaam vult met water, omkiepert op de hoofden van verwachtingsvolle kinderen. Zwarte, bruine en witte glibberkinderen in felgekleurd zwemgoed. Ouders met opgestroopte broekspijpen, hun voeten in het water, kennelijk immuun voor het gegil om hen heen kijken vertederd toe.

                         *

Onder het bruggetje verderop zwemmen drie zwanen, twee grote en een kleine. Een lelijk zwaantje. Als ik te ver over de reling hang komt de ene grote zwaan mij met gestrekte hals tegemoet zwemmen. Ik las wel eens wat over zwanen die hun jong verdedigen en ik vervolg mijn tocht. 

                         *

Het dorpsrondje zit er bijna op. In onze rustige buurt ruikt het naar bomen en bladeren. Vergis ik mij en ruik ik het najaar? Of zijn het de vochtige zomerblaadjes, gevallen in de zomerstorm, doorweekt geraakt door de voorbije regenweek, nu opdrogend in de warmte? 

                         *

Als ik thuiskom zit het erop. Mijn kuierrondje. C’est-tous.

                       ***

“Kuieren”
Kuieren, wat een zalig woordje, ‘kuieren’

Kuieren, met de handjes op de rug

Kuieren: da’s ‘t vertikale luieren

Kuieren, maar vooral niet te vlug
Ik vind: die trage tred heeft dat old-fashioned sjieke

Niet dat fanatieke, maar dat kalmpies anne laconieke
Kuieren, wat een zalig woordje, ‘kuieren’

In deze wereld van geraas en druk gedoe

Want dat driftige, giftige, ik-mot-zo-nodig blijkt au fond toch overbodig

Kuieren, c’est-tous
                  (…)

Toon Hermans (1916-2000)