Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Advertisements

Tweeduizendzestien

  
Het is een grijze dag met een grijze lucht. Grauw is de tweede dag van het jaar. De nieuwe buurman van even verderop sjouwt uit zijn grijze busje wat spullen. Het is hem niet gelukt voor de Kerst zijn huis klaar te krijgen voor bewoning. De poes volgt mistroostig in de vensterbank alle bewegingen op straat. Zo ook de beweging van de nieuwe buurman wiens gezicht ook grauw ziet. Grauw van te hard werken en niet het huis voor de Kerst gereed hebben.

                          *

Een andere buurman verplaatst zijn auto naar achteren. Nu staat de auto voor zijn huis. En ik sta op. Tijd om de kerstboom weg te halen, de houten engel, het sleetje, het kribje met het kindje. De kerststal bekleed met zilverfolie, gemaakt door smalle kindervingers, een eeuwigheid geleden. Voor de stal liggen twee stukken schors. Jozef is omgevallen. De engel is een hopeloos geval, zij is niet rechtop te positioneren. Verloren ligt zij achter het kribbetje. De enige die fier rechtop staat is Maria. 

                            *

‘Fijn, dat het nu nog weekend is!’ De zin die zaterdagochtend telkens opnieuw uitgesproken wordt. Bij de groentenboer, de visboer: ‘goed weekend maar weer!’ De andere buurman van verderop. En ja, het is fijn. Nog twee dagen en dan begint 2016 pas echt

                           *

Met nieuwjaarswensen, zoen ik of zoen ik niet? Met de lange sliert collega’s die zich vormt in de schemerige werkruimte met achter ons de wachtende broodjes, de thee en het sap van het nieuwjaarsontbijt. En daarna de gang door, de trap op naar de kantoorruimte met de in hoogte verstelbare bureaus. Ook de stoel zet je in de juiste stand. En de schermen een beetje schuin en wat hoger dan mijn collega ze achterliet. 

                            *

We tikken onze mails, schrijven rapporten, bereiden bijeenkomsten voor. We drinken thee, koffie en kopjes water. ‘Een bekertje koud water graag.’ 

                         *

En dan is het mooiste van zaterdag 2 januari: het past. Alle kerstballen, het stalletje, de twee glimzilveren vogeltjes met pluimstaartjes en de nieuwe houtfiguurtjes. Het past in de doos. De lichtjes, toch weer niet zo mooi opgerold als het plan was, de rode ballen, de kralenketting. Alle decemberherinneringen in de doos. Vier flappen dichtvouwen: lengteflap, zijflap, lengteflap en de zijflap inschuiven in de uitsparing van zijflap een. Als ik de doos met enige moeite in de kast boven de trap plaats valt een plastic zak eruit met paastakversierselen. Een wit plastic eitje met een geel lusje hobbelt langzaam de trap af. Uit een andere tas piepen een oranje haarband met pluche hazenoren en een hoge, oranje hoed. Ik prop ze terug. 

                         *

En wat het ergste is? Ook ik heb het liefste mijn auto voor de deur staan.

                       ***

Accounting principals

  
Het vrolijk leeren

Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen,

En waarom zou mij dan het leeren verveelen?

Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.

Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken:

Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,

‘t Is wijsheid, ‘t zijn deugden, naar welken ik haak.

Uit: ‘Kleine gedigten voor kinderen’,                             Hieronymus van Alphen (1746-1803)

Mijn benen zijn van rubber, ze liggen languit onder het zware dekbed. De zon schijnt streepjes op mijn kleding die over de stoel hangt. Luxaflex-streepjes van zon. Het zagen en timmeren buiten is begonnen. Een geruststellend geluid, het doet me denken aan thuis. Geen thuis zonder geluid van buren en buitenlui met hamers, zagen en maaiers. 

                         *

Beneden hoor ik scheuren van papier. Het koffie-apparaat maakt herrie. Zijn er broodjes gehaald? Vanwege mijn rubberen benen kan ik het bed nog niet uit. Maar als er broodjes zijn zou ik het kunnen proberen. Uit bed stappen, sokken aantrekken, mijn warme sloflaarzen, mijn fleecevest aan. Dan zou ik naar beneden gaan op de geur af van vers brood, geurige kaas, nieuw beleg. 

                         *

En nu zit ik aan tafel. Naast mij zit een kind dat zucht. Drie tentamens heeft hij volgende week en: ‘iedere docent denkt dat hij het enige vak geeft dat ertoe doet. Het is teveel.’ Zijn zus tegenover hem knikt instemmend. Ze begrijpen elkaar.

                          *

En ik? Ik denk aan vroeger, de tijd waarin ik zelf zwoegde op huiswerk. Vooral op de middelbare school drukte de last van leren, begrijpen en presteren zwaar op mij. Het was veel. En moeilijk. 

                           *

Daarna werd het gemakkelijker. De lessen op de Pedagogische Academie waren kinderlijk eenvoudig vergeleken met die van het deftige gymnasium. Ik herinner me alleen het lachen dat we deden. Lachen in die maffe klas met leuke mensen. Leraren die Ruud, Theo en Tineke heetten en er nog gewoon relaties op na hielden met leerlingen. Werkweken in België met toneel, kunst en zang. En lachen, heel veel lachen.

                           *

Wat jaren later bezocht ik de universiteit, de Vrije Universiteit. De gereformeerde universiteit waar je niets van merkte. Met een groep avondstudenten, allen verschillend maar zo gemotiveerd om snel en goed de studie af te ronden. 

                           *

Ik herinner mij dat ik belde naar de VU, het moet 1989 geweest zijn. Ik was op vakantie in Engeland, ik wilde weten wat mijn eerste cijfer was. Kon ik het nog, studeren? In de Engelse telefooncel, uitkijkend op een cricketveld met witte mannetjes, hoorde ik door de krakende hoorn mijn cijfer: een 7. Ik kon het nog en de vakantie was mooi. 

                           *

Naast mij zijn in een schriftje rijtjes cijfers opgeschreven. Zijn hoofd rust op de linkerhand. Onder het schrift ligt het boek. ‘Accounting principals’. 

‘Kijk, deze rij cijfers moet x 10, dan verschuift de derde rij naar rechts. Daarna moet ik de andere reeks cijfers daaronder zetten, ik heb geen idee waar die vandaan komen.’ Ik zucht met hem. Ik snap er ook niks van.

                          *

Buiten schijnt de zon. Ik kleed mij zo aan, dan ga ik naar buiten. Denkend aan het kind met de priegelcijfers in het schriftje. Ik hoef niet meer. Heerlijk.
                           ***

Feestje!

  
Zaterdagavond hadden wij een feestje. Meewarig worden wij bekeken door onze zoon, 18 jaar en fervent feestvierder. De afgelopen drie maanden sloeg hij geen avond uitgaan over. ‘Jullie genieten gewoon niet van het leven’, zei hij onlangs. Wij bezoeken te weinig feesten, klagen zelfs soms over ‘alweer’ een verjaardag. De kloof der generaties weerspiegelt zich in de feestoogjes van onze zoon. ‘Saaie dodo’s’, zeggen de oogjes.

                         *

Maar zaterdagavond hadden wij een feest. Onze entree was grandioos. We arriveerden op het moment suprême van het vertonen der dia’s, een liefdevolle slide-show over het leven van de vijftigjarige. Met een voet in de kamer en een voet op het terras keken veertig paar ogen ons lachend aan. Wij stonden naast het scherm. Van een stille intocht was geen sprake. 

                         *

‘Annelie en Raymond zijn er, het feest kan beginnen!’, grapte de jarige. Dat voelde goed, al die aandacht, wij lachten met kiespijn en zetten ons charmantste gezicht op. Trokken onze buik in en wiebelden op ongemakkelijke hakken een half uur op de ongelijke tegeltjes van het terras, kijkend zonder bril naar de stroom dia’s, meesterlijk becommentarieerd door de 80-jarige moeder van de jarige.

                         *

‘He, ben jij dat?’, over haar jarige zoon, nadat de bewuste dia al weer drie dia’s geleden was.

‘Is dat Steffi?’, over haar schoondochter, die zij al zeker dertig jaar kent. 

‘O ja, dat was in Spanje…’, maar we zijn al twee vakanties verder. De plaatjes schieten voort, te snel voor oma met haar slow-motion opmerkingen. 

                         *

Het was moeilijk kijken zonder bril. Wel zag ik dat de zoon van de jarige op zijn vader lijkt. En ik herken zijn dochter die vroeger zo lief speelde met de onze. Vertederd denk ik terug aan de twee kleine meisjes, blonde en bruine lange haren, spelend met poppenkastpoppen, bloemen plukkend uit de omliggende tuinen om deze ‘te verkopen.’ Hun broertjes pestend, de kleine Max hele middagen ‘postbode’ laten zijn die voortdurend briefjes moet ‘bezorgen.’ Zo zijn ze fijn van hem af.

                         *

Kleine meisjes zijn nu groot en dragen kleurrijke fifties-jurkjes met hoge hakken. De postbode van toen is een donkere ‘hunk’ van 1.70 m. met brede schouders die in plaats van briefjes zijn ouders grijze haren bezorgt. 

                         *

De hunk, die een festival bezoekt met zijn vrienden, kwam ‘s nachts niet thuis. Op berichten werd niet gereageerd. ‘Zijn telefoon zal wel leeg zijn’, rationaliseerden wij in bed, ook een beetje groggy van ons feest. Niet meer gewend aan wein, weib und gesang.

                          *

Om 5.00 en 7.00 uur zend ik twee redelijk beheerste noodsignalen uit naar een dode telefoon: ‘Waar ben je?’ ‘Halloooo, waar zit je?’ In gedachten regel ik zijn begrafenis, ik zoek passende muziek uit.

                         *

Om 10.03 uur verschijnt het verlossende bericht: ‘Ik ben bij Noam.’ Ik berg de muziek op, de sloophouten kist kan terug naar de begrafenisondernemer. Hij is terecht. Mijn eigen, kleine postbode.

                         *

Kind twee start deze week met een kennismakingsweek van een vereniging waar ze bij wil. Vroeger noemden ze het ontgroening. Nu is het kennismaken waarbij je voor tenminste € 80,- aan onzinnige spullen moet meesjouwen, variërend van zwarte kniekousen en drie witte t-shirts XL tot en met een slaapmasker, een kraslot, sigaar en een onvindbare rode haarband. Leve de HEMA, AKO, Zeeman en het Kruidvat! Ze fietst zondagochtend vroeg door Amsterdam met een rugzak vol onzin, een slaapzak en mat, regenlaarzen en een poncho met veel lood in de schoenen naar de plek des onheils. 

                         *

Na nog wat appjes die redelijk geruststellend zijn ‘er zijn wel aardige meisjes hier’ en ‘het is nu gelukkig nog wel gezellig’ hoor ik niets meer. Bij de kennismaking hoort een week geen telefoon. 

                         *

Vlak voor de regenbuien komt onze festivalganger thuis met veel eerlijke verhalen. Wij, saaie dodo’s horen alles aan, God op de blote knieën dankend dat hij er is, gezond en wel, uit de ‘trance, dat is echt gek, mam! Zelfs het geluid van de voetgangerslichten doet je denken aan de muziek..’ 

                           *

Gelukkig mag ik vandaag aan het werk. Genoeg gefeest, gedanst, gedronken, gebeld, ge-appt en gehoord, weer gewoon werken. Heerlijk. Het weekend zit er op. 

                       ***

Friet

  
Soms komt van schrijven niks. Niet dat er niets is om over te schrijven. Maar het komt er niet van. Werk, de hulp (waarbij je niet kan schrijven, dat voelt niet goed, alleen werken lukt), lawaai buiten (hier wordt ALTIJD iets gezaagd, geschuurd, gemaaid), een afspraak hier, een verplichting daar, altijd is er wat.

                        *

Zoals nu: ik zit te schrijven op de rand van het bed. Beneden zuigt onze lieve hulp Adua. Adua komt uit Ghana. Twee weken geleden viel Adua van onze trap tegen de glas-in-lood-deur aan. Een ruitje was kapot, evenals de elleboog van Adua. Onze zoon die thuis was en verschrikt haar tegemoet snelde zag de ravage en de bloedende snee in het zwarte vel. Hij pakte een stuk papier van de Edet-rol en hij knoopte een vaatdoek omheen. ‘Go to the doctor!’, zei hij. Onze dokter houdt praktijk achter onze woning. Maar Adua ging naar huis. Lopen naar de bushalte in Bennebroek, overstappen in Haarlem, met bus 156 naar Amsterdam Zuid-Oost. 

                         *

Vandaag zie ik Adua voor het eerst na het ongeluk en ik vraag haar hoe het met haar arm gaat. Op de vlezige, prachtig-zwarte elleboog wijst zij twee bobbelige nog-zwartere littekens aan. ‘You went to the doctor?’ vraag ik. ‘Yes, yes’, antwoordt Adua. ‘You got some stiches?’ is mijn volgende vraag. ‘Yes..’, klinkt het aarzelend nu. Dus dat begrijpt ze niet. Ze wijst naar het kapotte ruitje: ‘I’m so sorry, it is expensive..’ Maar ik glimlach grootmoedig en zeg dat dat niets uitmaakt en dat haar arm meer waard is dan een ruitje. Ze lacht. En ze hijst zich de trap op met haar zware lijf om een begin te maken met het schoonmaken van de badkamer.

                        *

Buiten neemt een buurman de schuurmachine ter hand. Alsof een overijverige tandarts een wanhopige poging doet een gebit vol wolf en tandsteen te polijsten tot een blinkende lach, zo klinkt het voortdurend hier in deze woonbuurt.

                          *

Voor mij liggen vier nieuwe boeken klaar om gelezen te worden en hee, niet de dunste! Twee oude boeken op het tafeltje naast mijn bed staren mij verwijtend aan: ‘Je was toch in ons bezig?’ Ik zie een bericht voorbijkomen: ‘Vanavond eet ik thuis, weet je nog? Wat eten we eigenlijk?’ Dus eten we zelfgemaakte patat van biologische frietaardappelen die gehaald moeten worden bij Marqt in Haarlem.

                          *

We fietsen naar Marqt in Haarlem en we eten een broodje in een van de oudste en mooiste straatjes van mijn geboortestad, de Warmoesstraat. Als ik naar boven kijk zie ik de toren van de Bavo, trots en goud-glinsterend tussen de daken afsteken tegen een Hollandse wolkenlucht. 

                         *

Bij de oudste Haarlemse boekhandel zoek ik vier uitgevers die de mooiste boeken uitgeven: dat zijn Thomas Rap, van Oorschot, Podium en Atlas contact. Die moet ik onthouden. Hen benader ik voor de uitgave van mijn boek. Dat deels af is en deels nog geschreven wordt.

                            *

Met twee zakjes frietaardappelen in de hand lopen we terug naar onze fietsen. We fietsen van het stadslawaai, via een spectaculair ontwortelde boom aan de Leidsevaart (misschien zit er een ijsvogeltje in?), langs sappig-groene weilanden naar huis.

                           *

Vanavond gaan we verder met de gruwelijk-goede serie ‘Prisoners of war’. Over drie Israëlische soldaten, die getraumatiseerd/gehersenspoeld /wonderbaarlijk veerkrachtig terugkeren na een 17-jarige gevangenschap in Libanon en Syrië.

                           *

Nog een berichtje komt voorbij: ‘Ik ben nu in Zandvoort en ik ga vanavond uit maar ik eet wel thuis. Wat eten we?’ Dus maken we nog meer friet van biologische frietaardappelen van Marqt in Haarlem. 

                             *

Het wordt goed weer, misschien wel zomerweer: dit weekend kan mooi de vriezer ontdaan worden van opgespaarde worsten, hamburgers, lamskarbonaadjes en kippendijtjes en organiseren we een barbecue. Ik stuur nu zelf een bericht aan de groep Drie Belangrijkste Mensen: ‘Zondag barbecuen we met Anna en Len, jullie zijn dan ook van harte welkom!’ Ik kreeg nog geen antwoord. 

                            *

Even verderop is een zaagmachine in werking gesteld. Ik ga maar de aardappels schillen.

                       ***

Baliedame

 

Achter de balie van de bibliotheek in dit dorp staan twee dames: de dames van de bibliotheek. Ze zijn niet opvallend, zeer vriendelijk en behulpzaam en ze werken hier al lang. Zo lang als ik hier woon en hier kom zie ik deze dames. Ze praten met elkaar.

‘Wil jij nog een kopje thee, Nel?, vraagt de een vriendelijk aan de ander
‘O ja, heel graag’, antwoordt Nel. 
                         *
En zo kabbelen de dames voort. In deze stille ruimte, gevuld met kasten, boeken en een paar c.d.’s. En tegenwoordig ook twee uitstaltafels waarop boeken liggen. Soms op thema, ‘vakantie’ of ‘moet je gelezen hebben’. Dat laatste wantrouw ik. Wie zegt dat ik dat boek moet lezen? Op de andere tafel liggen thrillers: waarom juist deze thrillers uitverkoren zijn weet ik niet. Zouden de dames deze zelf uitkiezen? Of krijgen ze instructies van hogerhand? Ik loop altijd wel vluchtig langs die tafels. Wie weet, zit er wat bij. 
                         *
Van achter mijn kast zie ik dat de dames allebei thee drinken. Een zit half in de vensterbank, de ander staat achter de uitleenbalie. Innemen doen ze niet meer. Sinds een maand gooien we onze boeken, uitgelezen, in een grijze container. 
                        *
Er komt een oudere heer binnen en Nel zet haar kopje thee in de vensterbank.
‘Ik kreeg laatst deze brief’, zegt de heer op een half-vragende toon. Nel bekijkt de brief.
‘Ja, uw boek is anderhalve maand te laat’, antwoordt Nel.
Nu start de heer een heel verhaal over zijn vrouw die het boek verlengde. In Haarlem. Dat kan tegenwoordig: alle bibliotheken in de regio werken samen en het maakt niet meer uit waar je je boek haalt en brengt.
                          *
‘Tja, dit boek is toch echt veel te laat.’ Nel houdt voet bij stuk.
En daar gaat de heer weer. Over verlengen, over zijn vrouw, over Haarlem. Ik hoor niets nieuws.
‘Nou vooruit’, zegt Nel, ‘voor deze keer.’ En ze houdt een heel verhaal over het zelf verlengen van boeken waarbij je goed moet opletten dat je alle handelingen juist verricht. Maar dat er meer mensen zijn die er moeite mee hebben. Die lieve Nel. Ik kijk even om het hoekje van mijn kast. Het is echt een oudere heer. Opgelucht doet hij zijn, dit keer door Nel verlengde, boeken in zijn tas. Hij bedankt de dames uitvoerig en zegt ze gedag. Hij heeft een vreemd accent. Ik kan het niet thuis brengen. De dames kunnen weer aan de thee.
                         *
Inmiddels is er een andere man in de bibliotheek bijgekomen. Hij loopt voor de kast met de d. Ja, daar wil ik nu net kijken. Ik schuifel langzaam in de richting van de d, maar ik deins terug. Deze man stinkt: een verschrikkelijke mengeling van sigarettenrook, zweet en ongewassen kleding. Bij het terugdeinzen naar de z, ruik ik vleugjes stank die hij op zijn pad achterlaat. En deze man leent ook de boeken die ik misschien leen. Geleend heb. Zal lenen. Opeens begrijp ik de mensen die zeggen: ‘ik lees nooit een boek uit de bibliotheek. Dat vind ik zo smerig.’ Ik zie dat de ongewassen man ook beschikt over ongewassen haar. Het haar hangt sliertig en onverzorgd op zijn boord. 
                        *
Hij loopt op instapsloffen van nepleer. Vroeger als kind had ik deze ook: dicht bij de neus, open bij de hiel. Je schoot er zo lekker gemakkelijk in. Ze waren vooral fijn op de camping. Je stapte eruit bij het binnenlopen van de caravan en erin bij het naar buiten gaan. Onze caravan stond in de duinen. De scherpe, geperste, schelpjes van het pad naar de winkel hadden met je sloffen geen vat op je voeten. Er kwam weinig duinzand in je schoen als je met beleid liep: voet naar voren, ferm en recht neerzetten.
                         *
Ik vind gelukkig vrij snel drie boeken en ik verwacht, of beter gezegd, hoop niet dat mijn smaak overeenkomt met die van de man op de sloffen. Mijn bezoek zit erop en ik loop naar de dames.
                         *
‘O, dit boek is zeer populair!’, zegt de dame waar ik de naam niet van weet. ‘Ik heb me laatst een ongeluk ernaar gezocht.’ Waarom en voor wie ze er naar zocht is niet duidelijk.
                        *
Ik weet niets zinnigs te zeggen maar ik lach haar vriendelijk toe. Ik krijg mijn printje met het overzicht van de geleende boeken en ik loop naar buiten. Ik heb mijn drie schatten. Zo voelt het al sinds mijn kleutertijd, als ik met een volle tas boeken aan de hand van mijn moeder van de bibliotheek naar huis liep. De zon schijnt. En dan is het ook nog weekend. 
                       ***

 

Amsterdam-Zuid

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2015/01/img_5302.png
Het is stil. Op het glazen, vierkante dak van het vierkante gat in onze uitbouw druppelt de regen. Het tikken van de regen. Onregelmatig. In de vensterbank liggen de poezen. Dit weer hoeft ook voor hen niet.

Beide kinderen zijn op pad. Mijn man is boven. Stil is het. Eén krant uit, de tweede, krakend-vers, ligt voor mij.

De haren zijn gewassen, geknipt en geföhnd. Het rondje boodschappen is gedaan. Een hip, Amsterdam-Zuid- gezin begeleidde dit keer mijn rondje kaasboer, groentenboer, visboer. Hij, een kort wollen mutsje. Zij, een klein meisjepoppetje in een grote sjaal gewikkeld. Twee poppenkindertjes met grote ogen en onverzorgde, blonde haren. Ongekamde slierten.

Het grote meisje van een jaar of vier schijnt met een zaklamp in de ogen van klanten, het kleine meisje rent rondjes en achtjes tussen de delicatessen door. Wijnflessen, de glazen vaas met desemstokbroden en een schaal met Carpaccio voor vier personen van €18,95 houden hun adem in.

De hippe ouders zien en horen niets.
‘Hebben wij nog kaas, schat?’
‘Nee, ik dacht het niet’, zegt de schat en hup, het volgende zakje ligt klaar. Een goede klant, dat wel.

Het duurt en het duurt. De meisjes spelen nu met hun kinderwagen, een hippe buggy, die de halve winkel in beslag neemt. Heen-en-weer gaat de wagen. De poppenogen van meisje 1 kijken naar mij. De wagen komt bijna tegen mij aan. Net niet. De kleding van de hippe kindertjes is zorgvuldig op z’n Zuids samengesteld. Roze rubberlaarzen met wit randje, bont gekleurde legging en duur jasje. Daaronder schemert een paars mini-jurkje.

In de winkel arriveert een oudere heer met een rollator. In zijn werkzame leven had hij vast, om met mijn vader te spreken, ‘een goede baan’. De man straalt, ondanks de rollator, gezag en ‘standing’ uit.

‘Van wie zijn die twee meisjes, ze gooien een wijnfles om!’, klinkt de iets-geaffecteerde stem van de heer luid en duidelijk door de zaak.
De poppenmoeder kijkt om en loopt erheen. De hippe vader, ongeschoren, zijn blonde haar schalks piekend onder zijn mutsje vandaan, pakt zijn portemonnee.
‘Het zijn geen meisjes, het is een meisje én een jongetje’, zegt hij.

De nette heer reageert niet. Hij hoort het niet of doet net alsof hij het niet hoort. Alle klanten lachen in hun vuistje hun ergernis over dit gezin weg en verbazen zich over zoveel opvoedkundige schaamteloosheid.

Bij de groentenboer sta ik weer met dit gezinnetje in de zaak. Gelukkig ben ik direct aan de beurt en heb ik geen tijd om me te ergeren aan hippe papa die de gekregen, geschilde appel van zijn kind gretig ophapt. Ook zie ik niet hoe het meisje alle groenten en fruit aanprikt met haar vieze vingertje. Poppenmoeder manoeuvreert zich, omstandig met de wagen door de hele winkel rijdend, een weg naar buiten.

Bij de visboer staan ze weer. Geen vis dit weekend. Ik heb er genoeg van.

Eén kind meldt dat het zo naar huis komt. Boven hoor ik gestommel. De stilte voorbij.