Koud 

 Bij het wakker worden of eigenlijk, na het ontwaken, schuif ik de gordijnen open. Een wit laagje versiert het dak van de schuur, de pergola is be-ijsd, de takjes van onze rode-bladeren-boom waar schemerig de knoppen al op doorkomen zijn wit. Wordt het toch nog een beetje winter. Ik droom onder het dubbele dekbed verder over winter, ijs, sneeuw. Over een paar weken ben ik daar, in de Franse Alpen waar dikke sneeuwhopen langs de kant van de weg liggen. Smerig geworden aan de zijkant door opspattend modder van de vele auto’s met daarop grote grafkisten met ski’s, schoenen, helmen, stokken. Het is een gedoe, dat skiën. 

                          *

Ik snap ook niet dat mensen dat doen, dat ik dat doe. Reizen, lang en ongemakkelijk in de auto, korter en ongemakkelijk in een vliegtuig of lang en redelijk gemakkelijk in de trein. Zoeken naar je hotel, pension, huisje of appartement. Boodschappen doen in een tl-verlichte Oostenrijkse of Franse supermarkt, dat laatste is dan al wel weer heel wat beter. Sjouwen in de sneeuw met zware schoenen, en dan echt zwaar, met van die hard-plastic flappen en ijzeren haken die je zo lastig dicht krijgt. 

                         *

Een lang klittenband-lint dat om je schoen slingert als een teugel van een dartel paard wordt drijfnat in de gesmolten modder. Even later moet je deze om je schoen heen vastmaken. Je handen worden nat en vies. Je veegt ze af aan je lime-groene ski-broek. Vage modderveegjes op de zijkant van de broek bedek je met je hippe bomberjack. Eigenlijk niet geschikt om in te skiën, maar het staat wel oké: die lime-groene broek met zwarte bretels en een Bordeaux-rood bomberjack. 

                           *

Je hangt je rugzakje recht op je schouders, die zeer doen van het gesjouw met de ski’s, je sluit moeizaam alle haken op de schoen, sluit het klittenband, je zet je bril op, de helm eroverheen. Je doet je handschoenen aan, van die dikke, zet ze om je stokken, je handen zitten vast in de lussen en je klikt je schoenen in de ski’s. Daarna kijk je op. Voor je doemt de berg op: puntig en wit, afstekend tegen een ijsblauwe lucht. 

                           *

Je hoort het gezoef van de lift: stoeltjes die open- en neergeklapt worden, stokken die tegen elkaar aan slaan. Bij de lift staat een man die meestal norsig kijkt: grote zonnebril, diep gebruind, van dat schoensmeerbruin dat er nooit meer afgaat – een huid van gelooid leer – een gebreide trui met beige wintermotiefjes, als de trui die mijn oma ooit voor mij breide. Je hoort het zachte zoeven van ski’s op sneeuw naast je, de mensen die van de berg afkomen. Ze skiën je voorbij. 

                           *

Je recht de rug. En met een klein zetje van de stokken glijd je naar de ingang van de lift. Hopen dat het poortje open gaat; de skipas zit in de rechterbroekzak, meestal begrijpt het poortje dat. En ja, met een lichte duw van je heup tegen de ijzeren staaf kan je verder, het pad af, naar de vlonderstreep waar je je ski’s tegenaanzet voor het stoeltje tegen je billen klapt. 

                              *

Zo droom ik even door. De realiteit is dat ik een half uur later dik ingepakt naar het kleine fitness-zaaltje fiets verderop in het dorp. Ik heb het niet koud, maar mijn adem maakt wolkjes. De lucht is ijsblauw. We fietsen langs de psychiatrische instelling. Voor een van de huizen staat een groepje mannen te wachten. 

‘Daklozen zijn het’, vertelt mijn man, ‘zij worden ‘s avonds gebracht en ‘s ochtends weer opgehaald met een busje.’ We fietsen langs een man met krukken, holle ogen en een baard van twee dagen. 

                         *

Daarvoor staat een groepje van drie. Een van hen met een tas zoals vroeger mijn wiskundeleraar om de schouder droeg, zo’n beige, rechthoekige schoudertas. ‘Dat is de begeleider’, zegt mijn man. En ik moet denken aan de scène uit ‘One flew over the cuckoo’s nest’. De prachtige film, vol humor en verdriet, met een weergaloze Jack Nicholson die met zijn sardonische lachje de boel op stelten zet in de psychiatrische inrichting uit de jaren ’50. Hij neemt zijn mede-patiënten op een dag mee in de bus, die hij wegkaapt voor een boottochtje op zee. Daar staat hij, Jack, op het dek van het gejatte jacht met zijn mede-patiënten. ‘Who are you?’, vraagt een achterdochtige jachthavenbeheerder.

‘Professor Dr. Matthews’, antwoordt Jack en en hij stelt de anderen voor met klinkende doctor-titels en dubbele namen. Ze buigen of knikken minzaam. 

                         *

Wie is de gek?

                         *

We fietsen door en ik zie de man op krukken voor me. Zodirect strompelt hij door de straten van Haarlem, Amsterdam, Hillegom…Vanavond wordt hij weer opgehaald en kan hij warm eten en slapen. 

                         *

Het is winter en even ijzig koud. 

                        ***

Advertisements

Halfvol

  

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato

de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht

ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo

ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht

                           *

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen

lig zacht te zingen antwoord op het licht

lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen

te zingen van het licht dat om en op mij ligt

                           *

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder

te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil

ik weet alleen het licht van wonder boven wonder

ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Hans Andreus (1926-1977)

De kortste dag van het jaar is daar. 21 december. De tijd van in het donker wakker worden, naar het werk rijden over zwarte wegen en weer terugkeren in de straat met onzichtbare, kale beukentakken was al eerder begonnen. Het sloop er gewoon in, de donkerte. En nu dreigt het vitamine D-tekort. De vitamine die het lichaam zelf aanmaakt door zonlicht. ‘Ik las onlangs dat vrouwen boven de 50 extra vitamine D nodig hebben’, beweerde mijn man laatst. 
                            *

Mijn man is vaak en graag met potjes vitaminen in de weer. Vroeger bezorgde hij de kinderen doorzichtige capsules naast hun bord die ze vol afgrijzen wegklokten met veel water of stilletjes lieten liggen onder de rand van hun bord. Dan lag na afloop van het ontbijt een doorzichtige capsule doorzichtig te zijn op tafel. Het gekke was dat de pil ondanks de doorzichtigheid niet de kleur van de tafel overnam. Hij lag daar als een wittig, kneedbaar raketje op tafel. De poes tikte er wel eens tegenaan. Dan rolde het raketje om zijn as op de grond waar het uiteindelijk – stoffig en plakkerig – werd opgezogen door onze hulp.

                             *

Nu zijn de kinderen groot. Zij dragen zorg voor hun eigen gezondheid. Onze bijdrage daarin beperkt zich tot het betalen van torenhoge ziektekosten-premies en het voldoen van onbegrijpelijke rekeningen en/of eigen bijdragen na apotheek- en/of tandartsbezoek. Die wij zuchtend en steunend overmaken, ons afvragend of wij deze nu wel of niet vergoed krijgen. Nooit overschrijden wij ons eigen risico met als gevolg dat we constant het gevoel hebben alles zelf te betalen. Wat nou, verzekerd?

                         *

Laatst nam onze dochter per ongeluk na het leren van een tentamen een stapel uitgepakte post – tussen haar aantekeningen terecht gekomen -mee van onze tafel. De jaarlijkse brief van onze ziektekostenverzekeraar zat ertussen. Bij het terugbezorgen ervan merkte ze op: ‘Wat betaal jij eigenlijk veel voor de ziektekosten! Dat wist ik helemaal niet.’ 

                         *

Ach, nee, ja, het is veel maar onvermijdelijk. Somber antwoord ik: ‘Zo’n verzekering is eigenlijk alleen echt handig als je in het ziekenhuis belandt en zware operaties of behandelingen moet ondergaan.’ En dan heb je er vrede mee, met de premie, de rekeningen, het eigen risico. Want laten we daar alsjeblieft niet terecht komen, in het ziekenhuis. En je bergt het stapeltje overzichten op in de map waarop staat ‘Ziektekosten’.

                           *

Tegenwoordig drukt mijn potjes-minnende man mij na het avondeten twee pilletjes in de hand. Kleine, witte, ronde. ‘Vitamine D’, zegt hij. En ik slik ze door met wat water uit de beker in zijn andere hand. Daarna kijken wij naar Breaking Bad. Naar ook een zorgzame man met een voorkeur voor verdergaande chemie dan een pilletje vitamine D. 

                           *

Het liefst maak ik vitamine D zelf aan. In de zon. Een prettige bijkomstigheid is dat je in de zon kan lezen en schrijven en je ogen dicht kan doen. Je kan dromen, eten, praten en zwijgen in de zon. Liggen, lopen en zelfs hardlopen is mogelijk, beschenen door de zon die het gezicht, het lijf en brein verwarmt als het straalkacheltje vroeger in onze koude badkamer. 

                             *

In de zon bruint de huid, het bloed stroomt sneller en tussendoor maakt je lichaam zelf de stofjes uit de witte pilletjes aan. Het is een wonder. Nu kunnen wij niet voortdurend op vakantie, naar de zon, wat jammer is maar onvermijdelijk.

                           *

Dus slik ik braaf mijn pilletjes, word ik wakker in het donker, ga ik in het donker naar het werk en kom ik in het donker thuis.

                           *

Het is wachten op 22 december: ‘dan gaan we weer de goede kant op’, zei gisteren mijn nog-niet-echte-maar-lieve schoonzoon. En zo is het. Het glas is altijd halfvol. Nog één dagje maar.

                        ***

Troost 

  
De tijd die voorbij vliegt als de windvlaag om het huis. De lijstjes voor ‘t heerlijk’ avondje die zich vullen. Door mijn oogharen heen kijk ik – vanuit het bed – tussen de gordijnspleet door of het winterochtendlicht al verschijnt. Steeds later licht, steeds vroeger donker. De krant die, later dan die-van-door-de-week, door onze brievenbus wordt geduwd. De brievenbus die kleppert. 

                            *

Nu ga ik eruit. Uit bed. Beneden hoor ik alle top 2000 nummers die – alsof het gisteren was – cliché grijsgedraaid worden. Het gepush van het nummer van Claudia de Breij, hè ja, en laten we ‘Imagine’ op 1 zetten. Alsof dat de wereld troost brengt.

                             *

Troost voor Hollande, die, groeiend in zijn rol als Vader des Vaderlands, alleen op een stoel zit. Het is koud op die enorme Franse binnenplaats. Het is de binnenplaats van ‘Hotel des Invalides’. Wrang is het dat op de eerste rij bedden en rolstoelen staan van werkelijke ‘invalides’. Gewonden van de aanslagen. Gehuld in dekens en zwarte lakens liggen of halfzitten zij. François Hollandes zwarte sjaal, netjes geknoopt over zijn spierwitte overhemd. Een klein detail. De hangende oogleden beroerd door een vinger achter brillenglas. Een klein gebaar.

                            *

En ik denk eraan dat hier, in Europa, 130 namen genoemd worden, kunnen worden. Tranen worden vergoten. Hoe zit dat in Beiroet? In Nigeria? Raqqa? Kennen we de namen van de slachtoffers daar, hoe heten de ontvoerde schoolmeisjes en waar zijn de door IS meegenomen yezidi-vrouwen? De verdronken vluchtelingen, wie zijn zij? Een jongetje dat op het strand lag kreeg een naam maar tot onze schande zijn wij deze vergeten. Hij lag op het zand en zijn schoentjes waren net zo klein als die van mijn peuter, 16 jaar geleden. Vandaag lees ik in een klein berichtje dat gisteren bij Bodrum twee kinderen verdronken, één en vier jaar oud.

                           *

Het waait. Langzaam warmt de kamer op. Op de radio spelen ze een spel, het gaat over David Bowie. ‘Een knappe man’, giechelt een vrouwenstem. De harde stem van de discjockey knalt erdoorheen. Telefoonstemmen van de spelers. Er wordt een kaartje voor iets gewonnen. Boven hoor ik gestommel. Er komt iemand naar beneden. 

                           *

‘Wat een licht hier.’ Ja, ik deed de lichten aan. Het was zo donker.

‘Heb je al wat gegeten?’

‘Ja, een cracker.’

Ik hoor de Nespresso kraken en de zoete koffiegeur verspreidt zich door de ruimte. De poes zet haar pootjes tegen het raam. Zij wil naar binnen.

                            *

Gisteren haalde ik ruim een kilo doorregen runderlappen. ‘Zal ik ze in blokjes snijden?’, vroeg de slageres.

‘Ja graag’, antwoordde ik.

‘Groot, middel of klein?’

‘Doet u maar middel.’

                            *

En het huis gaat vandaag geuren naar laurier, oregano, dubbelbier, appelstroop, zongedroogde tomaatreepjes en stoofvlees.

                            *

‘Neem jij appelstroop mee?’, vraag ik mijn man, ‘het liefste van die kleine cupjes, zo’n grote pot plakt voor eeuwig in de kast.’ Hij ruikt naar Chanel Antaeus, mijn man.

‘Lekker luchtje’, zeg ik.

‘Chanel’, antwoordt hij.

                               *

‘Ze hadden alleen maar deze enorme pot’, zegt mijn man bij terugkeer. Ik laat vier eetlepels eruitvloeien in een bakje en zet de pot in de kast. Met stroopdraden aan de buitenkant.

                              *

Ik ga maar eens wat gedichten schrijven.
                            ***

Echte mannen

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5268.jpg
Laatst kwam mijn vader op bezoek. Ik was jarig, dus hij zou rond 14.30 uur ‘s middags bij ons zijn. Er was diverse keren over gesproken en gebeld. 14.30 uur kwam hij. Voor een kopje thee met een taartje. Om 14.45 uur was hij er nog niet.

‘Ik bel hem wel’, zegt Max in zijn vrolijke, dikke wintervest. Maar opa neemt niet op.
‘Hij is vast onderweg’, zeg ik.

Zo’n vijf minuten later zie ik zijn auto onze straat inrijden. Hij parkeert net uit ons zicht. En het duurt lang voor we zijn grijze hoofd voor ons raam zien verschijnen. Alledrie staren we, zittend aan de eettafel, naar buiten. Nee, geen grijs hoofd.
‘Hij zal toch niet direct uit de auto op de grond gevallen zijn?’, vraag ik zo in het algemeen. Niemand antwoordt.

Ik loop naar het raam en ja, daar strompelt hij met zijn stok in zijn rechterhand over de straat. In zijn linkerhand draagt hij een bos bloemen. Ik zie opeens hoe klein hij is geworden. ‘Ik krimp’, zei hij laatst en nu zie ik het. Hij krimpt.

Licht gebogen loopt hij moeizaam de stoep op. Ik snel naar de deur. Op ons tuinpad liggen een paar ongelijke klinkertjes. Door de onzichtbare wortels van onze berkenboom komen wat tegels langzaam maar zeker omhoog. Voordat hij daarover een smak maakt, doe ik de deur open en ik loop hem tegemoet.

‘O, dat hoeft niet hoor!’, zegt hij als ik de bloemen overneem en hem bij de stokloze arm pak.
‘Er liggen hier een paar tegels scheef’ en ik wijs ze aan.
‘Ja, dat zie ik wel’, zegt mijn vader ongedurig en ik laat zijn arm maar weer los. De drempel, de mat, nog een drempel en ja, hij is binnen.

‘Gefeliciteerd’, zegt mijn vader. Hij klopt mijn man op de rug. Mijn zoon geeft hem lief een zoen.
‘Dag opa’, zegt hij.
‘Dag jongen’, zegt mijn vader.

Even later, als ik de boekenbon heb gekregen (‘ze weten nergens iets over e-boeken, niks weten ze in de winkels!’) en ik hem heb bedankt leg ik uit dat je met een gewone boekenbon bij Bol.com een e-book koopt. Daarna zet ik dat boek op mijn e-reader. Het is een vrij omslachtige procedure maar het kan.

‘Ik heb mijn rijbewijs gehaald, opa’, zegt mijn zoon.
‘Ja, geweldig,’ zegt opa en hij bekijkt het gloednieuwe, zachtroze pasje.
‘Wat sta je knullig op de foto’, zegt opa.

Mijn vader heeft de onhebbelijke gewoonte tegen zijn mannelijke kleinkinderen niet altijd aardig te doen. ‘Je haar is te lang’, hoorde mijn zoon al een paar keer. Of ‘doe eens goed je best op school.’ Deze opvoedkundige opmerkingen maakt hij ook tegen zijn andere kleinzoon. Deze is pas vijf jaar.

‘Hij gaat altijd huilen als ik wat tegen hem zeg’, vertelt mijn vader, ‘dan rent hij naar zijn kamertje en pas als je broer hem uitgebreid getroost heeft komt hij terug.’
‘Waarom doe je dat?’, vraag ik hem, ‘het is zo’n klein, lief mannetje. Dat is toch niet leuk.’ Mijn vader luistert niet naar wat ik zeg. Hij gaat gewoon door.
‘Ach, ben jij nu een man? zeg ik dan tegen hem. Echte mannen huilen niet.’

Mijn mannen aan tafel lachen als mijn vader zo’n beetje stoerig dit verhaal voor de zoveelste keer vertelt. Ik vind het niet leuk. En ik vind het raar. Hij heeft twee kleinzoons en allebei zijn het lieve, leuke jongens. Hij mag in zijn handjes knijpen met zulke kleinkinderen. En dat hij nog een tijdje met ze kan opleven. Het is een wonder.

Maar zo denkt mijn vader niet. Echte mannen huilen niet, ook al hebben ze net zo’n klein hartje als hijzelf. Dat Indische jongetje dat zich achter zijn oma of moeder verschool als er visite kwam. Of zich urenlang verstopte onder de tafel om maar niet vreemde mensen gedag te moeten zeggen.

Dinsdagochtend, nadat mijn vader aan mij verteld heeft dat het buiten 13 graden is, (‘dat kan ik zien op deze thermometer, die meet ook de buitentemperatuur!’) vertelt hij hoe koud hij het wel niet had in de strenge winter van 1939. Hij was als enige van het gezin op 17-jarige leeftijd met de boot naar Nederland gekomen om de HBS af te maken. Hij kwam in een opvanggezin in Heemstede terecht.

Op een onverwarmd kamertje bracht hij één van de koudste winters aller tijden door.
‘Je kon van de Crayenesterlaan helemaal naar het Spaarne schaatsen’, beweert mijn vader.
‘Het Spaarne stroomt, een rivier kan toch niet bevriezen?’, vraag ik.
‘Ja hoor, het Spaarne was echt bevroren’, houdt hij vol.

Ik zie het voor me. Die verlegen, donkere jongen, plotsklaps uit het warme Indie, overgeplant naar het ijskoude Nederland. Zo is mijn vader een echte man geworden. Harde smakken makend op het ijs achter het huis: ‘Ik heb wat scheuren veroorzaakt. Om de haverklap viel ik!’ Tja, echte mannen huilen niet. Ook al staan ze te wiebelen in de ijzige winterkou op te grote schaatsen en verlangen ze naar de veilige warmte van hun geboorteland.

Hij dacht op dat koude kamertje vast aan zijn lieve oma die hem jarenlang verzorgde. Nooit zag hij haar terug. Zijn gedachten moeten ook vaak naar zijn ouders en zijn broertje zijn uitgegaan. Hij zag ze pas na zeven lange jaren weer. Hij moet de overweldigende natuur, met zoveel tinten groen, de bonte dieren, de geuren en kleuren van dat prachtige land gemist hebben. Daar in dat kamertje, bij vreemden in huis, in het ijskoude Nederland.

Echte mannen huilen niet. Als ik wegga bij mijn vader valt mij opeens de krans op die hij aan de voordeur heeft hangen.
‘Hé, wat een mooie krans!’
‘Ja, vind je? Hij is een beetje kaal. Geen kleurige ballen zitten erin. Maar het zijn wel echte dennentakken.’ En hij tikt met zijn nagel tegen de krans.
‘Ik vind hem mooi met alleen de dennenappeltjes.’ En ik meen het.

Als ik wegloop zie ik op elke deur in de lange gang een krans. Het begint mij te dagen. Mijn vader past zich aan aan de heersende gebruiken. Hier, in deze flat, is dat een krans op de deur met Kerst. En dus heeft hij een krans. Aan de deur. Van verse dennentakken. Met dennenappeltjes.

Hij roept mij vanuit de deuropening na: ‘bedankt! Dat je er was.’
‘Ja, geen dank hoor. Tot donderdag!’. Ik kijk even om. Een donkere, iets gebogen oude heer onder een groene krans.

Een echte man, die vader van mij.

Nog net even niet

IMG_4793.PNG
Deze herfst
Deze herfst heb ik al eens eerder gezien.
Het eerste rillen van die tak daarginds
komt me bekend voor, die plotse wind
stond hier niet zo lang geleden ook al en zie:
hoe volmaakt valt de regen weer in herhaling.
Naar beneden en altijd raak.

Wat bedoelt u, andere bladeren? Waarom
zijn het dan dezelfde? Hoe springen ze dan
zo geroutineerd uit hun bomen? Waarom
haperen ze niet in hun val?
Ze hebben dit duidelijk al eerder gedaan,
ze kennen hun weg.

Maak mij niets wijs. Niets is ooit nieuw,
en zeker het einde niet.

Uit: ‘Wees gerust, maar niet hier’, 2011, Stijn Vranken.

Het is tien over acht. Maandagavond, 8 september. Buiten wordt het donker. Ik zie het aan binnen. Het schemert opeens. Contouren in de kamer vervagen. Het is pas tien over acht. En opeens besef ik: het wordt winter.

De kaarsen moeten worden gekocht. De verwarming moet aan.
Het dubbele dekbed moet in de hoes en de warme kleren in het zicht gehangen, gelegd.
Er moeten maillots worden gekocht, warme laarzen opgepoetst. Winterjassen, daar moeten we op uit, of voldoet de jas van vorig jaar?

We koesteren ons overdag nog even in de septemberzon, die onverwacht zomers en warm ons gezicht verwarmt. Kruipt de zon achter de wolken, dan is het akelig fris.

Iedereen twijfelt dezer dagen over de kledingkeuze: geen rokjesweer, dat is overdreven en veel te koud, ‘s ochtends op de fiets. Daarbij zijn de haartjes al weer schemerig zichtbaar en niet zorgvuldig verwijderd van de benen.

Waag je je nog wel in een jurk of rok, dan sta je wiebelend van de haast vroeg in de morgen in de badkuip nog gauw met de botte, veel te oude, ladyshave, te klungelen. In de ochtendschemering, zonder bril, is niet goed te zien of ze weg zijn. Op het werk zie je dat dat helaas niet zo is. En je hoopt dat het niemand opvalt. Die hardnekkige haar, links voor op het scheenbeen.

De sandalen, waar je zoveel moeite voor deed juist díe deze zomer te vinden, verdwijnen achter in de kast. Je zomerjurken verhuizen naar bovenin. De nieuwe, zachte, oranje, nauwelijks gedragen nog. De plompe, bont-gevoerde Australische lelijkerds, je zwarte UGGS, schuiven naar voren, evenals je fleece joggingpak. Ooit een koopje bij de Action. Nu je redding in de herfst- en wintertijd.

Je skibroek en warme ski-trui staren je aan, van achterin je kast. Een dikke handschoen valt van de stapel. O ja, jullie gaan gebruikt worden! Wacht nog maar even. In februari mogen jullie een week eruit. Iedere dag in zon en sneeuw. Sportief doen, daar, in de overweldigende, Oostenrijkse Alpen. ‘s Avonds nat en moe, een beetje uitgelubberd, uithangen op een vreemde, dikke radiator, die gloeiheet wordt. Naast de balkondeur, die de vrieskou mondjesmaat de kamer binnen laat stromen. IJle, pure berglucht, zo anders dan de zoute Noordzeemist thuis. Nog een paar maanden, dan is het zo ver.

Eerst nog wat weekjes modderen en twijfelen over t-shirt of trui. Broek of rok. Een paar dagen naar Maastricht. Samen naar de stad van herinnering. Je eerste baan. Je eerste alleen zijn. Limburg, met de glooiende heuvels, waarvan iedereen zegt: ‘het lijkt wel het buitenland.’ Maastricht op zondag, met keurig verzorgde dames en heren. On-Nederlandse kinderen in zondagse kleren met strakke scheidingen en natte, blonde vlechten.

Op het Vrijthof nippen aan koffie, met je vork snijd je een stukje vlaai, prikken en happen, een biertje ‘In den ouden Vogelstruys’. Een kaarsje opsteken in de kleine kapel van de Basiliek van Onze Lieve Vrouwe op dat andere, mooie plein. Het Onze Lieve Vrouweplein.

Een patatje zuurvlees bij Friture-Restaurant Reitz. Waar vroeger de ober met zwart, vet haar de slordig-grote porties frites voor je neerzette op het krappe tafeltje, achterin de zaak. Waar sommigen, vaak een wat dikker stel, gretig, een grote, zwarte pan mosselen aten. En wij dikke frites met lichtzurige mayonaise en zuurvlees. Een streling voor de zintuigen. Reitz.

Eerst dat alles en dan pas regen, wind, blaadjes, herfst, goot schoonmaken, kaarsen aan, boerenkool, kale beuken, kou en de Hollandse gezelligheid. Nu nog net even niet.

Schilderij ‘Herfst’, Leo Gestel (1881-1941). Uit: tentoonstelling ‘Lucht! In de Nederlandse kunst sinds 1850’, De Hallen, Haarlem