Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Advertisements

Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Finale


Als een machtig zweefvliegtuig hangt boven de Griekse broccoli-bergen een roofvogel. Statig en stil zweeft hij door ons uitzicht. Uitzicht op een strookje zee tussen het groen van olijfbomen en het geel van bloeiende bloemen. Een zwart-witte vlinder landt naast mij op het strookje droge aarde waarin dennetjes staan. Nerveus trillen de vleugeltjes. Op en neer gaan ze, met kleine bewegingen.
                       *

Naast ons hoor ik de schoonmaakster van dit complex-met-vijf-huisjes het terras vegen. De bewoners – onze buren links – gingen zojuist op pad: hij met een hoedje tot over zijn ogen, beige broek en sokken in de sandalen. Zijn vrouw zag ik niet, ik hoorde haar alleen gisteren, toen ze naast ons zaten bij hun eigen zwembad, afgescheiden door de rij dennetjes.

‘Kom je ook zwemmen?’, vroeg ze als de man net lekker zat of ‘Ik lees eerst mijn boek uit dan kom ik’ als hij vroeg of ze kwam. Ik leer uit de conversaties dat de twee elkaar nog niet hun hele leven kennen. Zo ving ik op:

Hij; ‘Ik bel zo Max nog even.’

Zij: ‘Waarom?’ 

Hij: ‘Woensdag speelt Ajax en ik wil hem vragen hoe ik dat hier kan zien.’

Zij: ‘Is dat zo belangrijk dan?’ 

Hij: ‘Nou, ze spelen de finale Europa-leage.’

                          *

Ik hoor geen zucht maar kan het gezicht van de vrouw raden. 

Zij: ‘Ik wil niet pinnig doen maar we zijn nu op vakantie. Hebben we niets anders te doen?’

                         *

Ik twijfel of ik binnen in ons huisje muziek ga halen en oortjes waarmee ik mij kan afsluiten. Maar ik ben lui. Ik lig op het ligbedje met zo’n handig zonnekapje te lezen. Ik lees over de vader van Alfred Birney die de politionele acties in Indonesië voortzette door zijn vrouw en kinderen in Nederland zodanig te terroriseren dat de kinderen voor de puberteit uit huis geplaatst werden. Geen vrolijke kost. Wel goed geschreven. Muziek en zo’n boek lezen gaan voor mij niet samen.

                        *

Een citroenvlindertje fladdert vrolijk voor mijn neus en opeens is het stil. Mijn boek leg ik naast mij neer. Ik sluit mijn ogen en ik denk aan de roofvogel die als een drone het landschap beziet vanaf grote hoogten. Een vrouw op een ligbed met zonnekapje, een huisje, een zwembad, bergen vol broccoli, de zee. Geen vaders die hun kinderen vuistslagen verkopen, geen pinnige conversaties, geen, gewoon niks.

                         *

Vanavond gaan we eens op zoek naar een mogelijkheid Ajax-Manchester te zien, hier in Griekenland. Ik ken mijn man al jaren.

                      ***

Koker


Wanneer de tienduizend dingen gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn

Ts’ên Shên 岑參 (715-770)


Op de zolderkamer staan dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Op de strijkplank ligt een stapeltje schone was. Daarbovenop liggen twee deksels van schoenendozen ter ontmoediging van poes Saar die graag op schone, ongestreken was ligt. 

                           *

De kamer met het moeilijke want schuine wandje – verfraaid met liefdevol behang van vogels en bloemen en kleur – is een rommelkamer geworden. Ooit sliep onze dochter hier. Ze kan er nog wel slapen. Er staat een bed met daarop het dekbed met het dekbedovertrek-van-duizenden-bloemetjes. Maar ook zij beseft dat de jaren van weleer niet terugkeren. Zij slaapt er niet meer.

                            *

Naast het bed staat de koker met de as van mijn vader. De as verhuisde van het kantoortje naar de kamer met dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Ik denk dat de as zich thuis voelt in de oude kamer van de kleindochter. De rommel spreekt de as aan. Bij hem thuis was het ook rommelig. Een strijkplank in de zijkamer, een gammel bureau, dozen, een wasrek, ja, ik weet het zeker: die zolderkamer is een prima plek.

                             *

Er komt een dag dat de koker met as vertrekt. Op een mooie dag in juni maakt de as een korte reis in een fietstas. De fietster fietst voorzichtig – denkend aan de koker in haar tas – naar het strand, de zee. In de vroege ochtend verzamelen negen mensen zich met slaap-ogen aan de vloedlijn. Iemands broek en schoenen zullen nat worden. 

                            *

Als ik naar beneden loop van de zolderkamer, de trap af denk ik aan de maanden die zijn verstreken. De maanden zonder mijn vader. Maanden waarin ik niets kon vertellen, niets kon doen.

                            *

‘Maar volgend jaar/als jij in duizenden grijze stukjes/meegevoerd door stromingen/door het water bent opgenomen/opgelost als suikerkristallen in thee/dan zijn de dozen opgeruimd/de strijkplank ingeklapt/het wasrek verplaatst/Je herkent die kamer/dan niet meer terug/pa’

                          ***

Inclusief


Omdat het tijd werd voor een uitje boekte ik een hotel in het onderste stukje Nederland, linksonder, bijna in België. Daar, in het verre Zeeuws-Vlaanderen lag een hotel in een oud vestingstadje. Het eten was inclusief en dat had een teken moeten zijn.

                      *

Vroeger gingen wij naar Zeeuws- Vlaanderen met onze peuter en kleuter. De rit was net ver genoeg om onze zoon drie uur lang te horen huilen ondanks het feit dat zijn vader telkens het woedend-weggegooide speentje terugstopte in zijn mondje vol traan, snot en slijm.

                      *

Aangekomen in een dijkhuisje in Cadzand of slecht schoongemaakt arbeiders-huisje in het dorpje Retranchement vierden wij onze verregende vakanties. Wij zochten in weer en wind haaientandjes op het strand, zweetten in de zo dikwijls bezochte vlindertuin dat de vlinders ons herkenden en sjokten met vele Belgische stelletjes door het stadje Sluis met haar drogisterijen. 

                        *

‘Kijk, daar heb je de kleine zeemeermin’, wees onze dochter. Haar vingertje prikte naar de beeltenis van een pikante, roodharige dame op een gevel met een etalage waarin de seksspeeltjes hoog opgestapeld lagen. Dikke, Vlaamse mannen lieten steels hun oogje op de etalage vallen, hun arm stevig om de schouder van hun pronte vrouwen. 

                        *

We bewaarden mooie herinneringen aan Zeeland: bakkerij Leurgans, de vette klei natgeregend en omgeploegd als dikke hopen stront naast kaarsrechte wegen met knotwilgen aan weerszijden. Een land zo gestructureerd en symmetrisch dat zelfs ik de weg altijd kon vinden. 

                        *

We arriveerden in het hotel terwijl een schraal zonnetje de meeste zon-uren van Nederland probeerde waar te maken. Een stugge Zeeuw bij de receptie meldde ons dat we pas vanaf 15.00 uur konden inchecken. ‘Kunnen we onze koffertjes hier wel neerzetten?’, vroegen wij netjes. Dat kon. En wij reden verder, of eigenlijk, terug naar voorbijgaande jaren en herinneringen in zand, klei en zee.

                        *

Wij stuurden naar de huilende peuter- en kleuter-van-destijds fotootjes: van de speelgoedwinkel waar we de regenachtige dagen mee goedmaakten: ‘Zoek maar wat moois uit.’ Van Knokke met haar hoge appartementen en de Vlaamse chic met kleine hondjes aan dure riempjes. Van de prijzige kledingwinkel waar we toch gewoon kleren kochten. 

                         *

En daarna keerden we terug naar het hotel. We kregen een bandje om. De muziek stond hard. Het ging over de Zeeuwse kust. De barman gooide bij ieder glas all-inclusive-wijn de fles even op die hij dan speels overpakte in zijn andere hand. Een andere ober kwam de lege koffiekopjes halen zoevend op een zelfrijdend skate-board. Iedere avond hoorden wij de dame in het restaurant achter de plakkerige bar met gratis glazen bier en wijn vertellen dat ze uit Iran kwam. En tegen 22.30 uur zong iedereen mee met de muziek. Hard.

                        *

Morgen gaan we weer naar huis.    

                        ***

Stoplicht


(…)

‘Ik kom eraan, ik kom eraan

Zee, wind, oceaan

Ik kom eraan’

(…)

Uit: De vondeling van Ameland    

Tekst: Freek de Jonge                    

Muziek: Boudewijn de Groot

Op dit eiland is niet veel te doen. Geen stoplicht springt op groen. De natuur is overweldigend en stil. Blauwe lucht. Gele duinen. De koeien zijn zwart-wit. Op het eiland fietst iedereen op gebaande paden, geperste schelpenpaadjes langs duinen als wellustige rondingen, wuivend riet langs kwelders waarop vogels broeden. Zwermen vogels in de lucht, een slechtvalk op een paal. 
                           *

Het ontbreken van enig cultureel genoegen geeft een rust waarvan de jachtige randstedeling geen weet heeft. Fietsen naar rechts of naar links, we hebben beiden gedaan. In het restaurant langs de dorpsstraat brandt een vuur als het eeuwige vuur van de onbekende soldaat. Het lange wachten op de gerechten, het maakt niet uit, wij lezen ons boek. 

                          *

In ons hotel dat met grote woorden design hotel heet zijn jongeren de baas. Met of zonder oortjes in hun oren runnen zij het hotel. Iedere ochtend vraagt een meisje met blonde paardenstaart: ‘Wat is uw kamernummer?’ Gelukkig weten wij dat ons kamernummer 33 is. Daarna mogen wij gerust ontbijten. Een jongen met oortjes vult de glazenvoorraad aan, een meisje met bruine paardenstaart roert in de gietijzeren pan heel veel eieren tot roerei. 

                       *

Er is in de trendy ontbijtruimte genoeg te zien. Veel driekwart broeken en bermuda’s. Veel korte en pittige kapsels en veel, heel veel sokken in schoenen en sandalen. Het is wonderbaarlijk mooi weer op het eiland dus vandaar al dat korte. Wij behoren met onze lange broek tot de pessimistische minderheid. En dat breekt ons op als na de ochtendmist de zon meer en meer onversluierd schijnt. Dan wordt het warm en nat onder onze broek en plakken wij aan onze fietszadels vast. Want ook wij fietsen. Eergisteren naar links, gisteren naar rechts. Vandaag weten wij nog niet wat we gaan doen en overmorgen gaan we naar huis.

                       *

Het meisje met de paardenstaart kwijt zich serieus van haar taak: ‘Wat is uw kamernummer? horen wij voortdurend en iedereen weet het. Eén man vergist zich. Gelukkig kan zijn toegesnelde vrouw hem corrigeren: ‘Nee, niet 125, 43!’ Zegt ze. En volgens het paardenstaart-meisje klopt dat. Ik dacht er nog lang over na. 43 is toch heel wat anders dan 125. 

                            *

Gelukkig hoorde ik zojuist wat we vandaag gaan doen. ‘Er is hier een modelspoorlijn die we kunnen bezoeken’, zei mijn man zojuist. ‘Het is open van 13.30 uur tot 16.00 uur.’ Zijn ogen stralen als van toen hij nog een jongetje was. Wat wij tot 13.30 uur doen moeten wij nog bepalen. Ik vul nog maar een keer mijn smoothie bij. 

                           *

Als wij ‘s middags het gebouw van de modelspoorbaan vinden achter de dijk lezen wij ‘Er is hier veel techniek. Kinderen onder de 12 jaar geen toegang.’ Daarnaast hangt een verse print. ‘Gesloten van 21 september tot en met 6 oktober.’

                        ***

Hond


Als kleurrijke snoepjes hangen de vliegers van kite-surfers in de lucht. Bruinverbrande mannen en een enkele vrouw staan schuin op puntige plankjes, ze laten streepjes wit achter in het water als CO2-lijnen van vliegtuigen in de lucht. 

                          *

Een straffe wind waait over het eiland. Haren waaien voortdurend op en dat is wat je proeft, zilte sliertjes op je lippen als uiteengerafelde zoute dropveters. 

                         *

Flarden van gedachten, woorden en zinnen schuiven in mijn hoofd als letters van scrabble op houten houdertjes, voortdurend wisselende combinaties totdat het goede woord, de goede zin verschijnt. 

                         *

Ik zag een hondje met aan zijn halsband een groene waslijn. Een smal dier met een bruine rug. Ruwig haar en ogen die van de een naar de ander kijken. Hij snuffelt rond in de ruimte die de lijn hem toestaat. 
Zijn baasje – een vrouw, meisje nog – vraagt of ik het hondje wil hebben. De man van het lunchtentje lacht zijn tanden bloot: ‘It will cost you three crêpes en three coffee.’ De man heeft een stem als de zanger van The Elephant Song, zwaar en donker.

                           *

‘You have a beautiful voice’, zei ik de dag ervoor tegen hem. We aten een broodje daar, in het restaurantje aan de weg met in iedere hoek van het terras een stamgast. De man schrok en begreep het niet. ‘Your voice, it’s beautiful.’ Ik hoopte dat hij het snapte. En ja, ‘If the music goes to the right, my voice goes to the left. I can’t sing.’ Ik lachte. 

                         *

Op het strand wappert overal wat: een handdoek, de geschulpte randen van een parasol, een bikini-touwtje. Verderop ligt een eiland, ooit ontstaan uit gloeiend steen dat vanuit de aardholte naar boven stulpte als een puist op een gladde huid. In de kalme zee ligt het land, onbeweeglijk als een lang, geschubd dier. 

                           *

De hond kijkt naar mij. Zijn ogen flitsen niet meer weg van de een naar de ander. 

‘I found her, she needs vaccination, then you can take her’, vertelt het baasje, een meisje nog. Zij heeft lang, blond haar dat wappert in de wind. In haar hand ligt losjes het uiteinde van de groene waslijn.

                          *

Ik neem hem niet mee. De hond snuffelt rond in de ruimte die de lijn hem toestaat. Zijn stugge haren waaien schuin op in de wind. ‘Hij is een zij’, denk ik. En ik hoop dat ze verdampt in mijn gedachten als strepen in de zee, lijnen in de lucht.

                           

                         ***