Windig

‘Vandaag is het een beetje te windig’.

De wonderschone serveerster die niet beseft dat deze zin het begin van een gedicht is zet de ijskoude glazen water voor ons neer. Ze lacht haar wonderschone lach.

De golven slaan naast mij neer op de rotsen, we drinken een te duur drankje op een terras naast de Caribische zee. De hordes Amerikanen die als sliertjes uitgeknepen puistjes over de opperhuid van de stad kronkelen hebben dit plekje nog niet gevonden. Dit te windige plekje in de zon op het eiland Curacao.

Inderdaad waait alles op tafel weg. We fixeren servetjes en petjes met het bolvormige vaasje waarin wat groens en roods ligt. Wij knijpen onze ogen dicht tegen de zon. En langzamerhand voel ik mijn hoofd vollopen met zwaarte en snot.

Natuurlijk komt dat door de verschillen tussen warm en koud. ‘s Nachts blaast de airco een scherpe luchtstroom over ons heen, ‘s ochtends zitten wij met de voeten in het aangeharkte, koele zand met de tropenzon in ons gezicht. In de gehuurde auto blaast een mechanische wind ons tegemoet. Even later liggen wij van top tot teen ingesmeerd in de schaduw van een parasol het warm te hebben.

We koelen af in de turquoise zee. Snorkelen, kijken naar gekleurde visjes. Ik zie alleen maar witte, heel doorschijnende. Ze zwenken linksaf. Schieten langs mij heen, onder mij door. Wier dwarrelt door het heldere water. Ik hoor mijn adem.

De zwaarte kan komen door het museum dat we bezochten. Een weldoener knapte het huizen- en binnenplaatscomplex – waarin vroeger slaven werden verhandeld – op. In nauwe doorgangetjes en koele ruimten komt de Afrikaanse geschiedenis naar ons toe met als toegift een tentoonstelling over de slavernij. Ik sta in de nagebouwde scheepsromp en zie de planken met verroeste boeien en ketens. Ik bekijk de schaarse foto’s van wanhopige mensen. Ik zie een beeld van twee vrouwen, de een legt troostend haar hand op de schouder van de ander.

Mijn hoofd zit vol snot.

‘Anders ga je zo even zwemmen’, oppert mijn man. ‘Dan komt het los.’ Los? De zwaarte in mijn hoofd, het snot, niets komt los.

‘Was alles naar wens?’, vraagt het meisje van de wind ons. Ze is mooi en lief. Ze lacht.

‘Het was heerlijk’, zeggen wij.

***

Old pirates, yes, they rob I;

Sold I to the merchant ships,

Minutes after they took I

From the bottomless pit.

But my hand was made strong

By the ‘and of the Almighty.

We forward in this generation

Triumphantly.

Won’t you help to sing

This songs of freedom

‘Cause all I ever have:

Redemption songs;

Redemption songs.

Redemption song,

Bob Marley (1945-1981)

Advertisements

One happy island

Portret van een meisje met strohoed, Paula Modersohn-Becker (1876-1907)

Op Goede Vrijdag staan er plotseling gekleurde tentjes op het strand. Kleine en grote tenten, partytenten, het is een grote tentenshow op dit ‘One happy island’; van Baby Beach tot en met Malmok Beach, van Rodgers Beach tot en met Arashi Beach, overal bivakkeren gezinnen op het strand.

De Duitse eigenaar van ons huisje vertelt in bijna-perfect Nederlands over het ene weekend per jaar waarin Arubanen op het strand mogen kamperen. En dat is met Pasen. ‘Zo krijgen Arubaanse kinderen feeling met hun gezin en het eiland’, vult zijn vrouw Denise aan, een zin waarover ik lang nadenk.

Denise en haar man wonen in het huis naast ons huisje. Hun huis lijkt op het Indische huis van mijn overgroot-oma: een marmeren, open voorgalerij waar de tropenwind doorheen waait met daarachter – een beetje verborgen – de keuken en slaapkamers.

‘U spreekt goed Nederlands’, zegt mijn man.

‘Tja, wij voeren jarenlang met onze onze boot door Nederland’, vertelt Denise. Haar door zon en zee geteisterde haar valt schuin over haar gebruinde gezicht. Haar ogen zijn felblauw als het zeewater aan de overkant van de weg. Denise wijst ons de kussens en strandstoeltjes ‘Pak deze gerust als je naar het strand gaat!’

Ze loopt voor ons uit om het stukje eigen strand te wijzen waar wij zomaar mogen gaan liggen. Kitesurfers scheren over de golven, de zon trekt een witte baan in het water. In de verte zien wij vissersboten en een paar grote zeeschepen. Ik knijp mijn ogen dicht tegen het felle licht.

Later op de middag loopt Denise weer langs ons huisje.

‘Sorry dat ik steeds langsloop maar het is zo warm…’ Zij zucht en wrijft haar hand door het haar. ‘En omlopen kost mij zoveel energie…’ Op het buitentafeltje ligt mijn boek. Denise doet een stap naar voren, ze leunt op de stoel die op ons terrasje staat.

‘Wat is dit voor een boek?’, vraagt ze nieuwsgierig. Het boek is van Ivo Weyel. Het gaat over zijn Joodse vader wiens dagboeken over de onderduik-periode hij vond. Ivo wist niets van het oorlogsverleden van zijn vader. Door de dagboeken leert hij zijn inmiddels overleden vader kennen. Ik vertel Duitse Denise kort waar het boek over gaat. Tot mijn ergernis trek ik een oneigenlijke parallel met een andere oorlog. ‘Twee generaties Syrische kinderen zullen last van hun oorlog houden’, zeg ik. Denise bekijkt het boek, bladert het wat door en zegt dat zij een dutje gaat doen. ‘Het is zo warm’, zucht ze en ze loopt haar marmeren huis in.

En opeens weet ik wat mij bevreemdt aan het strandkamperen en ‘de feeling die Arubaanse kinderen dit weekend daardoor krijgen met hun gezin en het eiland.’ De hele warme dag door zitten alle volwassenen op hun plastic stoeltjes te eten, te drinken en te kletsen. De kinderen scharrelen wat rond tussen de tenten. De zee ligt hier vol stenen, pootje baden of in het water spelen kan hier niet. Doelloos zwerven de kinderen rond, zij laten het hete zand door hun vingers lopen. Luide muziek komt uit de door hun ouders meegebrachte boxen. De volwassenen zitten. Geen ouder speelt met zijn kind.

De vader van Ivo Weyel was een lieve man. Hij speelde met zijn zoon, over de oorlog sprak hij niet om zijn kind daarmee niet te belasten. Wat weet Denise hier van? En ach, wat kan mij het schelen? Wij liggen op een bedje in de zon en knijpen onze ogen dicht. ‘One happy island’ it is.

Laat los

Op de voorkant van het vorige-week-weekend-katern Tijd van Trouw staat ‘Papa en mama doen het wel’ Laat dat volwassen kind eens los. Het katern ligt open en bloot op tafel.

Mijn man en ik kijken elkaar aan. Hij deed zojuist de was van ons allen. De uithuiswonende dochter woont weer thuis. De zoon is nooit weggeweest. Ik keek een ‘plan van aanpak’ na, nadat ik – eerlijk is eerlijk – dat zelf aan mijn zoon had aangeboden.

‘Het gaat om een fictief plan hoor’, zei hij achteloos tijdens het door zijn vader en mij voorbereide ontbijt. Toen had ik alle puntjes al op de i gezet.

Laatst fietste ik met onze dochter naar het station. Voor wij vertrokken rende zij drie keer naar boven, voor de sleutel, voor de zooltjes in haar laarzen en voor iets wat ik niet hoorde.

‘Nu kom ik te laat!’, hoorde ik wel, boven haar roffelende voeten uit. Zelf stond ik al vijf minuten met de deurklink van de achterdeur in mijn hand.

In mijn mond lag bestorven: ‘Heb je je portemonnee en OV-kaart?’ maar ik zei niks. Per slot van rekening woonde ze eerder ruim drie jaar op zichzelf waarvan een half jaar in China.

‘Die redt zich prima’, vertelden wij trots en verbaasd aan wie er maar naar vroeg.

Bij het station scheidden onze wegen. Zij ging met studiegenoten naar Den-Haag, ik fietste naar Zandvoort. Het zonnetje scheen, ik zocht bij een strandtent een plekje in de zon, uit de kille wind. De tent was nog niet helemaal af. Losse planken lagen hier en daar op het zand. Bolle kussens waren schijnbaar lukraak op stoelen en bankjes gegooid. Golven spoelden af en aan, ik volgde met mijn ogen de lijnen van schuimend wit op blauwgroen die als oneindige krijtstrepen op een schoolbord het einde van de winter markeerden.

Een vrolijke jongen serveerde mij koffie.

‘U zit zo heerlijk hier!’, zei hij en ik beaamde het. Ik sloot mijn ogen en dacht aan mijn boek in het tasje naast mij. Dat ging ik lezen, in de zon, met achter mij kussens die roken naar nieuw.

In mijn tasje lag ook mijn telefoon. Ik pakte het op. Drie telefoontjes en meerdere WhatsApp-berichten met vraagtekens lichtten op. Mijn dochter. Ik zuchtte en belde.

‘Ja, ik zit nu in de bus’, hoorde ik. ‘Ik was mijn portemonnee en OV vergeten.’

‘O, en nu?’, vroeg ik.

‘Ik kwam erachter dat ik op mijn telefoon een treinkaartje kon kopen en nu zit ik in de bus dankzij de chauffeur die mij liet meerijden zonder kaartje.’

‘Zo, dat is vriendelijk’, zei ik.

‘Ja, en ik leen wel wat geld voor de terugweg van een van mijn klasgenoten.’

‘Dat is dan mooi opgelost’, antwoordde ik.

‘Nou, doehoei! Tot morgen he?! Vanavond eet en logeer ik bij S.’

Ik dacht aan het eten voor vier in de ijskast. En aan de niet opgegeten restjes pasta, stoofvlees en curry van de laatste tijd.

‘Oké, tot morgen’, zei ik.

‘Ik had het toch moeten vragen, van die portemonnee en OV’, dacht ik en ik blies een kuiltje in mijn koud geworden koffie.

We laten ze binnenkort los. Echt.

Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Finale


Als een machtig zweefvliegtuig hangt boven de Griekse broccoli-bergen een roofvogel. Statig en stil zweeft hij door ons uitzicht. Uitzicht op een strookje zee tussen het groen van olijfbomen en het geel van bloeiende bloemen. Een zwart-witte vlinder landt naast mij op het strookje droge aarde waarin dennetjes staan. Nerveus trillen de vleugeltjes. Op en neer gaan ze, met kleine bewegingen.
                       *

Naast ons hoor ik de schoonmaakster van dit complex-met-vijf-huisjes het terras vegen. De bewoners – onze buren links – gingen zojuist op pad: hij met een hoedje tot over zijn ogen, beige broek en sokken in de sandalen. Zijn vrouw zag ik niet, ik hoorde haar alleen gisteren, toen ze naast ons zaten bij hun eigen zwembad, afgescheiden door de rij dennetjes.

‘Kom je ook zwemmen?’, vroeg ze als de man net lekker zat of ‘Ik lees eerst mijn boek uit dan kom ik’ als hij vroeg of ze kwam. Ik leer uit de conversaties dat de twee elkaar nog niet hun hele leven kennen. Zo ving ik op:

Hij; ‘Ik bel zo Max nog even.’

Zij: ‘Waarom?’ 

Hij: ‘Woensdag speelt Ajax en ik wil hem vragen hoe ik dat hier kan zien.’

Zij: ‘Is dat zo belangrijk dan?’ 

Hij: ‘Nou, ze spelen de finale Europa-leage.’

                          *

Ik hoor geen zucht maar kan het gezicht van de vrouw raden. 

Zij: ‘Ik wil niet pinnig doen maar we zijn nu op vakantie. Hebben we niets anders te doen?’

                         *

Ik twijfel of ik binnen in ons huisje muziek ga halen en oortjes waarmee ik mij kan afsluiten. Maar ik ben lui. Ik lig op het ligbedje met zo’n handig zonnekapje te lezen. Ik lees over de vader van Alfred Birney die de politionele acties in Indonesië voortzette door zijn vrouw en kinderen in Nederland zodanig te terroriseren dat de kinderen voor de puberteit uit huis geplaatst werden. Geen vrolijke kost. Wel goed geschreven. Muziek en zo’n boek lezen gaan voor mij niet samen.

                        *

Een citroenvlindertje fladdert vrolijk voor mijn neus en opeens is het stil. Mijn boek leg ik naast mij neer. Ik sluit mijn ogen en ik denk aan de roofvogel die als een drone het landschap beziet vanaf grote hoogten. Een vrouw op een ligbed met zonnekapje, een huisje, een zwembad, bergen vol broccoli, de zee. Geen vaders die hun kinderen vuistslagen verkopen, geen pinnige conversaties, geen, gewoon niks.

                         *

Vanavond gaan we eens op zoek naar een mogelijkheid Ajax-Manchester te zien, hier in Griekenland. Ik ken mijn man al jaren.

                      ***

Koker


Wanneer de tienduizend dingen gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn

Ts’ên Shên 岑參 (715-770)


Op de zolderkamer staan dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Op de strijkplank ligt een stapeltje schone was. Daarbovenop liggen twee deksels van schoenendozen ter ontmoediging van poes Saar die graag op schone, ongestreken was ligt. 

                           *

De kamer met het moeilijke want schuine wandje – verfraaid met liefdevol behang van vogels en bloemen en kleur – is een rommelkamer geworden. Ooit sliep onze dochter hier. Ze kan er nog wel slapen. Er staat een bed met daarop het dekbed met het dekbedovertrek-van-duizenden-bloemetjes. Maar ook zij beseft dat de jaren van weleer niet terugkeren. Zij slaapt er niet meer.

                            *

Naast het bed staat de koker met de as van mijn vader. De as verhuisde van het kantoortje naar de kamer met dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Ik denk dat de as zich thuis voelt in de oude kamer van de kleindochter. De rommel spreekt de as aan. Bij hem thuis was het ook rommelig. Een strijkplank in de zijkamer, een gammel bureau, dozen, een wasrek, ja, ik weet het zeker: die zolderkamer is een prima plek.

                             *

Er komt een dag dat de koker met as vertrekt. Op een mooie dag in juni maakt de as een korte reis in een fietstas. De fietster fietst voorzichtig – denkend aan de koker in haar tas – naar het strand, de zee. In de vroege ochtend verzamelen negen mensen zich met slaap-ogen aan de vloedlijn. Iemands broek en schoenen zullen nat worden. 

                            *

Als ik naar beneden loop van de zolderkamer, de trap af denk ik aan de maanden die zijn verstreken. De maanden zonder mijn vader. Maanden waarin ik niets kon vertellen, niets kon doen.

                            *

‘Maar volgend jaar/als jij in duizenden grijze stukjes/meegevoerd door stromingen/door het water bent opgenomen/opgelost als suikerkristallen in thee/dan zijn de dozen opgeruimd/de strijkplank ingeklapt/het wasrek verplaatst/Je herkent die kamer/dan niet meer terug/pa’

                          ***