Stijl

Iemand die je niet goed kent

Gedag zeggen

Haar blik vangen

Aarz’lend gaat mijn hand omhoog

Die wat haren voor mijn oog

Nog zou kunnen wegstrijken

Met een achteloos gebaar

Maar ze knipoogt

En ik zwaai

Ooit gaf ik een presentatie. Vóór mij was een collega aan de beurt. Ik kende haar niet zo goed. Ze was lang en had een mooie glimlach. Zij zat tegenover mij, aan de andere kant van de zaal. Naast mij zat een andere collega. Zij was hoogzwanger maar zou toch wat vertellen over haar nieuwe afdeling.

Wij allen hadden te horen gekregen dat het vooral ‘kort’ moest zijn. ‘Niet meer dan tien minuten’, was ons verteld. En het gehoor was sceptisch. Dat zagen en hoorden we voordat wij wat mochten zeggen.

‘Ik ben blij dat Roos eerst moet’, fluisterde ik mijn collega in het oor. Zij knikte. En wij gingen door met luisteren.

Toen Roos achter het spreekgestoelte plaatsnam en de powerpoint geïnstalleerd was startte zij met haar verhaal. Het ging over huisstijl. Dia’s met gekleurde letters buitelden over elkaar heen en zij vertelde daarover kort en bondig wat er over te vertellen viel. Binnen de tijd was zij klaar.

‘Heeft u misschien een vraag?’, vroeg zij. Haar lange haar schoof zij met een elegant gebaar uit haar gezicht. De muur van scepsis had zeker een vraag.

‘Hoeveel heeft dit gekost?’, was de vraag. Het woord ‘grapje’ werd niet aan de vraag toegevoegd maar dat dachten wij er allemaal zelf bij.

‘Weet u dat?’, was de vervolgvraag. Zij wist het. Bijna onmerkbaar knikte zij even naar de achterban voor bevestiging.

Ik weet niet meer precies wat het bedrag was. Maar het was lachwekkend weinig voor de professioneel vormgegeven letters en woorden waar wij jaren onze identiteit aan konden ontlenen en plezier van zouden hebben. Het antwoord kwam zo netjes, zo mooi getimed, zo zonder triomf.

En toen was ik aan de beurt. Achter de door Roos half afgebroken muur kon ik in de verte kijken. Ook ik was binnen de tijd klaar en beantwoordde netjes alle vragen.

Mijn zwangere collega sprak als laatste tot een gehoor dat oprecht geïnteresseerd luisterde en vragen stelde. Zij nam en kreeg meer tijd. De muur was gevallen.

En nu rest alleen nog de knipoog die we gaven aan elkaar, die avond over de mensen in de zaal heen, over die afgebroken muur.

Eén van ons drieën is er niet meer. Wij beklimmen nu zelf alle muurtjes.

Dag Roos.

Advertisements

Hommage

‘Enseigner, c’est ma vie’

Omdat ik ziek was las ik drie kranten op één dag. Eén krant las ik – onhandig in bed – op papier. De zachte, bijna vloeibare krantenflappen eindigden in ongelijke stukken met een scheve vouw in het midden. De andere kranten las ik, onderbroken door koortsdromen die afnamen en opkwamen als eb en vloed, op de iPad.

*

In de tweede krant viel mijn oog op een overlijdensadvertentie. Ik zag een bekende naam. Ik las door maar swipete terug. Boven de advertentie stond in schuine letters: ‘Enseigner, c’est ma vie’. Mijn grieperige hersens herinnerden zich dat woord – ‘enseigner’ – betekende dat niet ‘lesgeven’? Ik zocht het op. ‘Lesgeven’ was het. En toen wist ik het. Mevrouw de Buck was dood, mijn lerares Frans op de middelbare school.

*

Aan de advertentie kon ik zien dat deze met liefde was opgesteld. Ik las haar voornaam – die had ik nooit geweten – en haar bijnaam. Alsof zij een mens was, gewoon met familie, een huis, een leven. Voor mij was zij mijn juf. Mentor van klas 1 c, dat heette destijds klassenleraar. Ik herinner mijn teleurstelling dat wij haar kregen als klassenlerares. De andere leraren zagen er spannender uit. Jonger. Hipper. Baardjes, lang haar. Wijde jurken. Mevrouw de Buck droeg een rechte jurk tot boven de knie met een riempje om de taille. Zij had een smal, driehoekig gezicht. Ietsje vooruitstekende tanden, een kittige pas. 23 onzekere twaalfjarigen liepen in de zomer van 1974 achter haar aan naar lokaal 13.

*

Door de hoge ramen van lokaal 13 viel zonlicht als engelenglijbanen naar binnen. Wij stonden op de drempel van dat nieuwe leven zoals alleen twaalfjarigen dat kunnen. Onbevangen en leergierig. Mevrouw de Buck legde ons uit hoe wij onze agenda moesten gebruiken.

*

Ik had een Rijam-agenda met een onwillige kaft. We schreven het rooster in onze agenda’s op de pagina waarboven stond ‘Rooster’. Tijdens het schrijven drukte ik mijn rechterarm op de kaft om deze plat op tafel te krijgen. Met mijn linker-wijsvinger en duim hield ik de linkerkaft in bedwang. Geheimzinnige lokaalnummers, namen van leraren, het adres van de gymzaal in de stad, de uren gym in de zomer op een sportveld buiten de stad vulden de lijntjes op de witte, licht-gebogen pagina’s.

*

Daarna kregen wij een stencil met een plattegrond van de school. We vouwden het stencil netjes op, in een vierkantje, en schoven het in de agenda. ‘Goed bewaren’, adviseerde mevrouw de Buck ‘Hiermee kan je je weg vinden in de school.’

*

Mevrouw de Buck gaf Frans, in lokaal 13. Wij leerden heel veel woordjes. Op een dag klapte mevrouw de Buck het bord open met de Franse werkwoord-vervoeging. Thuis huilde ik. Ik snapte er niets van.

Een paar jaar later sprak ik voor mijn examen met mevrouw de Buck over ‘Les miserables’ en de schrijver Victor Hugo. Ik mocht er van alles over vertellen. Mevrouw de Bucks ogen glommen van plezier. Ik kreeg een 9.

*

‘Mevrouw de Buck, Ingrid, Itid, ook voor ons was u zorgzaam. Toen zag ik alleen dat riempje om uw ietwat uitdijende taille. Nu denk ik aan onze ontmoeting in de plaatselijke kroeg waar ik u tegenkwam met mijn eerste, echte vriendje. Het was nog geheim. U zat daar met mevrouw B., de juf Duits. In de kroeg…! Weet u nog wat u zei?

‘Ik wist dat jullie samen iets hadden, ik heb het gelezen in de Franse brief van Mark aan jou!’ Schalks keek u mijn geheime vriendje aan.

‘Mark vroeg in de brief die hij aan jou richtte ”Comment ca va avec Annelie?” En toen wist ik het!’ U en mevrouw B. lachten. Wij schoven bedeesd aan een ander tafeltje.

*

En nu bent u dood. ‘Na een liefdevolle verzorging in de Houttuinen.’ Ik had wel eens bij u langs kunnen gaan. Dan had ik het u gewoon kunnen zeggen.

*

Dank u wel mevrouw de Buck. Voor het mooie gesprek over Victor Hugo, de 9, uw milde lach in die kroeg.

En ik ken nog zoveel Franse woorden. Ook de werkwoorden kan ik vervoegen. Zonder tranen.

*

”Enseigner, c’etait votre vie”.

C’est vrai.’

***

Foto

                                                                            
Twee discjockey’s vullen de ruimte met loze praat. Hun stemmen gaan tegen elkaar in als pingpongballen van tafeltennissers die wild om zich heen slaan. Heel soms slaan ze een balletje over het net. 

Op een bordje voor mij staat in keurige letters:

Koffiepauze 10.30-10.45 uur

Lunchpauze 12.30-13.15 uur

Theepauze 15.00-15.15 uur.

                                                         *

Met een schuin oog kijk ik naar buiten door de glazen deur naar mijn auto. Deze staat netjes geparkeerd voor de bus waar ik zojuist inklom. Ik zit braaf op een bankje tegenover het bordje. Vaag hoor ik geluiden die van achter komen, mijn oren spitsen zich, ik hoor een lepeltje dat tikt tegen een kopje en zacht lachen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 13.13 uur. Mijn afspraak is om 13.25 uur. Dat is zo’n rare precieze tijd dat ik ervoor zorgde – geheel tegen mijn gewoonte in (‘Mam, jij bent altijd te laat’) – ruim voor 13.25 uur aanwezig te zijn.

                                                        *

Het erge is dat ik de afspraak die ik eigenlijk had – een paar weken geleden – geheel vergeten was. Het was de eerste maandag na terugkeer van onze reis naar China, dat leek mij handig. Ik was nog vrij en had dan alle tijd. De maandag ging voorbij en een paar dagen later dacht ik opeens aan de afspraak. Schuldbewust wilde ik bellen, uitleggen dat ik het vergeten was door mijn vakantie, maar het bandje verwees mij naar de site. Ja, de site. Dat ontsloeg mij van het maken van excuses. Ik maakte zelf een nieuwe afspraak via de site, vandaag om 13.25 uur op een plek die ik niet kende. Ik dacht dat het Haarlem-Noord was maar het bleek Schalkwijk te zijn. 

                                                       *

‘Het is daar bij dat winkelcentrumpje, vlakbij de Haarlemmerweg’, zei mijn man behulpzaam. Hij tuurde op het schermpje op zijn telefoon en ik verbaasde mij erover dat hij wist hoe dat werkte met het kaartje.

‘Zie je er tegenop?’, vroeg mijn zoon.

‘Ach, fijn is het niet’, antwoordde ik. Ik zei er niet bij dat ik er geen zin in had en er wel tegenop zag. Het doet ook pijn, nou ja, pijn, lekker is het niet. En het confronteert mij met dat waar ik liever niet aan denk. Mijn moeder, mijn schoonmoeder, mijn schoonzus. Ik denk aan de woorden van mijn broer: ‘Een bult zo groot als een tennisbal’ en ik zie de lieve Cootje voor mij in de zachte schemer van de ziekenhuiskamer. Ik ruik de lucht van ziekenhuis, adem het in. ‘Zorg je goed voor mijn zoon?’, vroeg ze. Een dag later was ze dood. 

                                                       *

Het is 13.15 uur. Ik hoor gestommel. Een dame van middelbare leeftijd neemt plaats achter het bureautje waarop het bordje met de pauzetijden staat. 

‘Goedemorgen’, zegt ze, ‘O nee, goedemiddag al.’

‘Goedemiddag’, zeg ik. Ik houd het ingevulde formulier zichtbaar vast en mijn rijbewijs trek ik uit het hoesje van mijn telefoon. Ik overhandig beide bewijsstukken van mijn komst en bestaan aan de dame. Achter haar staat een jong meisje. Ze lacht vriendelijk.

‘Uw huisarts heet dokter Prinsen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja’, zeg ik.

‘Weet u ook hoe de praktijk heet?’

‘Eeeh, nee’ en ik pijnig mijn hersens. Hoe heet de praktijk? 

‘Ik kom er bijna nooit’, zeg ik verontschuldigend.

‘Ik heb het al’, zegt de vrouw. Het meisje stapt naar voren en geeft mij een hand. 

‘U kunt zich hier omkleden, u doet de deur achter u op slot, alle bovenkleding mag uit.’  

                                                          *

Even later sta ik weer in het nauwe gangetje van de bus. ‘U krijgt binnen twee weken de uitslag’, zegt de dame vriendelijk. Met een raar soort opluchting verlaat ik de bus, loop het ijzeren trappetje af, naar mijn auto. 

                                                           *

‘Hoe ging het?’, informeerde mijn zoon ‘s avonds. Hij nam een hap pompoensoep. Zijn lippen kleurden een beetje oranje.

‘Ja, het ging’, zei ik. 

‘Wanneer krijg je de uitslag?’, vroeg mijn man.

‘Over twee weken’, zei ik. 

                                                            *

En dan kan ik het allemaal weer vergeten. Twee hele jaren lang.
                                                          ***

De wandeling

Zo nu en dan doen wij wat leuks. Zelf kom ik niet verder dan een goede film of lekker uit eten. Mijn man is origineler. Hij regelde een half jaar geleden een Ciske de Rat-wandeling. En nu is het zover. De wandeling start bij het Centraal Station in Amsterdam en staat onder leiding van gids Daan.
                     *

Als wij om 10.00 uur aan komen lopen staat het groepje wandelaars al klaar op de afgesproken plek voor het station. Twee oudere dames en een echtpaar met hun zoon van een jaar of 11. Daan start monter met de tocht. Wij lopen en lopen en we zien dat Amsterdam wordt belaagd door toeristen met rolkoffers.  

                        *

Ratelend als mijn vroegere rolschaatsen met loden wieltjes stuiteren de koffertjes over de keien: roze, grijze, zwarte, grote en kleine rolkoffers. Een andere plaag zijn de wietwolken die opstijgen uit shops op iedere hoek van de straat. Zoet- weeïge vlagen dringen mijn neusgaten in. Groepjes rondzwervende mannen maken het beeld van onze hoofdstad compleet: getatoeëerde Engelsen, ze lachen, slaan elkaar op de schouders en drinken om 10.30 uur ‘s ochtends potjes bier. ‘s Avonds zal daar nog meer bier, gelal en hoeren-begluren bij komen kijken, denk ik, gok ik zo. Holy moly.

                           *

Intussen volgen wij Daan. Hij wijst ons op Het Kolkje, waar de film uit 1955 begint met Ciske, zittend op de ijzeren reling voor het water. We staan even stil bij de ‘Strijk-en-waschinrichting’ van de lieve tante Jans en het huis in de jaren-vijftig-film van de vreselijke moeder die Ciske vermoordde. En in de Czaar Peter-buurt staat de school van Ciske uit de jaren-tachtig-film. 

                         *

Op de Magere Brug zingt gids Daan een lied uit de film met Danny de Munck. Of uit de musical. Ik staar – met mijn handen diep in de zakken van mijn jas – over het water richting de Stopera. Ik voel me lichtelijk gegeneerd terwijl Daan uit volle borst zingt: ‘Amsterdam, is poep op de stoep, haat in de straat…‘ Een aantal toeristen kijkt verbaasd-geamuseerd naar ons, groepje van zeven, dat de Ciske de Rat-wandeling doet. In mijn jaszak trilt opeens mijn telefoon. ‘Straks even kijken’, denk ik. Na het lied.

                          *

Als het lied gezongen is lopen we verder. De stad ligt intussen in de zon zo mooi te zijn dat het pijn doet aan mijn ogen. Holy moly. 
Ik haal de telefoon uit mijn jaszak en ik lees een bericht dat gaat over Trix, de stokoude vriendin van mijn vader met de onlangs geopereerde knie. Zij kwam twee weken geleden bij mijn vader langs met Indische ontbijtkoek: ‘Heerlijke koek! Neem vooral!’, zei mijn vader twee weken lang tegen mij. De koek – liefdevol door Trix in kleine plakjes gesneden – raakte maar niet op. 

                         *

De 92-jarige Trix werd vorige week opgenomen in een Gelders ziekenhuis met onbegrijpelijke maagklachten. Ik schreef een kaart, nam deze mee naar mijn vader en ik vroeg of hij ook een zinnetje wilde schrijven. ‘Het gaat niet goed met Trix’, vertelde ik. ‘Ze vindt het fantastisch als we haar een kaart sturen.’ Mijn vader tekende letter voor letter een paar beverige woordjes. Toen hij klaar was vroeg ik: ‘Zet je je naam er niet onder?’ 

‘O ja’, zei mijn vader. Hij keek mij aan. 

‘Ad’, zei ik, ‘A…D.’ En mijn vader tekende A…D. Nu stond er, bibberig en nauwelijks leesbaar: ‘Liefs, Ad.’

                         *

We lopen achter Daan aan, richting Artis. En ik lees op mijn telefoon:
Dag Annelie, ik wil je laten weten dat Trix rustig in het stadium van palliatieve sedatie is beland, dus geen contact  meer. Maar vooral dat jullie kaart op tijd kwam, dat ze er zo blij mee was en zeg je vader dat ze van oor tot oor glimlachte bij zijn boodschap. Ze wilde geen verdere behandeling meer. We hebben sterk de indruk dat ze na hun ontmoeting de rust had hiervoor te kiezen.’

                         *

Ooit paste vrijgezelle Trix belangeloos op onze kinderen. Ooit was zij haar grote liefde tegengekomen. Dat gebeurde zo’n twintig jaar geleden en haar grote liefde was mijn vader. Hij wilde wel wat vriendschap. Mondjesmaat gaf hij toe aan Trix’ vragen en uitnodigingen voor uitstapjes. Liefde, nee, dat voelde hij niet voor haar. En nu is alles over en uit. De koek is op. 

                         *

En ik loop en loop over de prachtige grachten, ik zie de pakhuizen, ik ruik Artis en ik denk aan Trix, mijn vader, aan oude mensen en al die dingen die voorbij gaan. 

                          *

Voor het huis in de Czaar Peterstraat waar Ciske woonde in de jaren tachtig-film zingt Daan een laatste lied:

Misschien dat ik ooit het geluk nog vind

Maar hoe, dat is een groot probleem

Had ik maar iemand om van te houden

Twee zachte armen om me heen

Die mij altijd beschermen zouden

Ik voel me zo verdomd alleen

                        *

Vaarwel Trix. Vaarwel.

                      ***

Verdwijnen

HERFST

De bomen roesten in het zieke licht

langs somber in zichzelf gekeerde grachten.

In wilde, stormdoorvlaagde regennachten

vertoont de maan een bleek, behuild gezicht
                          *

boven de lege straten, smalle schachten

waar in een onverbiddelijk gericht

de zomer langzaam voor het najaar zwicht,

terwijl de huizen op het einde wachten.

                         *

Tegen de morgen is de strijd beslecht.

Een vage geur van heimelijk bederven

heeft aan de moede wind zich vastgehecht.

                         *

Tussen een handvol dunne zonnescherven

heeft zich de zomer moeizaam neergelegd

om eenzaam en onopgemerkt te sterven.

                         ***

Hanny Michaelis (1922-2007)

Mijn vader verdwijnt. Zijn rolstoel groeit om hem heen als de hedera om onze schuttingpalen. Mijn vader verdwijnt in skai en staal. 

                        *

Vandaag draagt mijn vader zijn bordeaux-rode fleecetrui. De dieprode kleur past bij zijn getinte huid. Zo nu en dan zit hij in de zon op het balkon van het verzorgingshuis. Als een feniks herrijst mijn vader uit het woud van lukraak neergezette plastic stoelen met natte zittingen. Op het oranje balkontafeltje staat een asbak met peuken van alsmaar rokende verzorgers. Ook de asbak is nat. Peuken drijven als dode larven rond in regenwater.

                          *

‘Heerlijk, de zon’, zegt mijn vader daar op het balkon. En ik zie zijn huid langzaam kleuren. Rode wangen, een lichtbruine teint.

                          *

Toen ik zojuist zijn kamer binnenliep was hij weggedut. Zijn hoofd hangt licht voorover. De televisie staat aan.

                           *

Ik maak een beetje herrie, leg de post op zijn tafeltje, ritsel met de tas. Hij wordt wakker en kijkt op. ‘He, ben jij er?’, zegt hij.

‘Ja, zit je lekker televisie te kijken?’

Beiden weten we dat hij sliep. Maar dat is geen onderwerp van gesprek.

                           *

Na prietpraat en wat stiltes tussendoor heeft mijn vader opeens een verhaal. ‘Er was me een consternatie gisteren’, vertelt hij. ‘Iedereen was maar druk met mij. Ik kreeg zuurstof, mijn bloeddruk werd opgemeten, het was me wat.’ 

‘O ja, wat was er dan?’, vraag ik.

‘O, niks, er was niks’, antwoordt mijn vader.

                           *

Na enig doorzeuren kom ik erachter dat hij benauwd was. ‘Ik merkte er niets van’, zegt mijn vader. ‘Maar wat een consternatie…’ Hij lacht flauwtjes. Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Is het stoerigheid? Heeft hij echt geen last?  

                           *

Ik zit op zijn bed. Achter mij staat de televisie aan. Mijn vader zit voor mij en kijkt langs mij heen naar de beelden op t.v. 

                           *

‘Ik nam je schapenwollen deken mee’, zeg ik. ‘Je had het toch zo koud?’ Ik sta op en peuter de hoes open waar de deken in zit. De nooit-gebruikte deken liet hij zich ooit aansmeren door een gladde verkoper tijdens een senioren-uitje. Als ik de deken uit de hoes haal scheurt de hoes uit bij de rits. ‘Zonde’, zegt mijn vader.

‘Dat ding lag half te vergaan bovenop je kast pa’, zeg ik, ‘Geen wonder dat de hoes stuk gaat.’ Ik vlei de zachte deken op zijn bed. ‘Lekker toch?’, zeg ik en ik kijk hem aan.

‘Ja, hoor, lekker’, zegt hij. 

                            *

Mijn vader verdwijnt. Zijn gezicht verandert van glad en zacht naar dof en ingevallen. Zijn lichaam trekt zich samen als een in elkaar geduwde harmonica. Er komt geen muziek meer uit. Het stemt mij droevig.

                          *

‘Ik heb deze week nog gebeld met de Molenburg’, vertel ik. ‘De trajectbegeleidster gaf aan dat hier nog geen vaste kamer vrij is. In de Heemhaven is de wachttijd voor een kamer nog steeds zes tot negen maanden.’ Mijn vader reageert niet. ‘Het zou zo fijn zijn als we een kamer voor je kunnen inrichten met je eigen spullen.’ Ik praat tegen mijzelf. Ík zou het fijn vinden als hij tussen zijn eigen spullen leefde. Zijn eigen stoel, het tafeltje, de foto’s van zijn kleinkinderen, zijn Apple, het schilderijtje van de dessa. ‘Ik liep vorige week ook langs bij de client-begeleider van de Molenburg. Dinsdag komt hij met jou kennis maken. Misschien kan hij wat betekenen.’ Ík geloof er in. 

                          *

Mijn vader kijkt langs mij heen naar de beelden op t.v. Bijna is hij verdwenen in skai en staal. 

                         ***

De voorstelling

‘Over tien dagen mag ik naar huis.’ Dat zegt mijn vader. Hij draait bij het uitspreken van deze woorden zijn hoofd een beetje weg, hij kijkt mij niet aan.

‘O ja?, vraag ik, ‘Hoe weet je dat?’

‘Gewoon, dat weet ik’, antwoordt mijn vader.

De treurigheid grijpt mij vast als een spook in een zwarte nacht. 

                         *

‘Het moet wel veilig zijn, pa’, zeg ik,’ Ze zijn hier best streng. Je moet zelf in en uit bed kunnen…’

‘Dat kan ik’, zegt mijn vader ferm.

‘Lopen in huis, naar het toilet gaan, wassen, aankleden…’, vervolg ik.

‘Zometeen kan ik dat’, antwoordt mijn vader

Verdriet kruipt in mij als een leger mieren in een omgevallen jampot.

                          *

Door de kier naast het half dichtgetrokken gordijn tussen de twee kamers in zie ik de kamergenoot van mijn vader, Willem. Willem legt de hele dag puzzels met één arm. De andere arm heeft hij gebroken. Laatst vroeg Willem mij zijn boterham te smeren. Ik zat aan tafel in de gemeenschappelijke ruimte. Naast mij zat mijn vader. Twee lieve dames en Willem zaten tegenover mij. Verzorging was in geen velden of wegen te bekennen.

                       *

‘Natuurlijk kan ik een boterham smeren!’, zei ik opgewekt. ‘Wat wil je erop?’

Willem wees naar de boter. ‘Smeerkaas’, zei hij. 

‘Hij wil boter en smeerkaas’, legde de lieve dame tegenover mij uit.

‘Wit of bruin?’, vroeg ik.

Willem wees naar de zak met witte boterhammen. Ik pakte er één uit. De boterham hing slap naar beneden als een marionet waarvan de touwtjes plotseling gevierd worden. Boter, smeerkaas en ik sneed de boterham doormidden. ‘Zes stukken’, zei Willem. Ik sneed de boterham in zes stukken. Het mes was bot. Mijn vader naast mij at zijn twee boterhammen: één met kaas, één met jam. 

                         *

‘Je hebt een rustige kamergenoot’, zeg ik tegen mijn vader. Willem puzzelt maar door. Jammer is dat Willems televisie wel erg hard aan staat. 

‘Ja’, zegt mijn vader.

Opeens vliegt de grote deur – waar rolstoelen gemakkelijk doorheen passen – open. Er vliegt hier nooit een deur open. Mijn vader en ik kijken beiden verrast op. Een vrolijke vrouw komt binnen met in haar kielzog vier gehandicapte ouderen. Achter het rijtje sluit een rustige vrouw de deur. 

                        *

‘Ha, Willem!, knipoogt de vrolijke vrouw, ‘ Daar zijn we weer! We komen je halen voor een bakkie koffie.’

‘Hoe vin je mijn jas?’, vraagt een vrouw uit het rijtje. Ze brengt haar gezicht dicht bij dat van mij. Haar gezicht is wit en verkreukeld. Haar dikke lippen zijn vochtig. Smalle oogjes kijken mij wantrouwend aan.

‘Prachtig!’, zeg ik.

Ze doet een stap naar achter, haar bovenlijf helt achterover zodat we de jas goed kunnen zien.

‘Prachtig!’, zeg ik.

                       *

De groep neemt Willem mee. De televisie is uitgezet. De puzzel die bijna af is ligt er een beetje verloren bij. 
‘Zo, het is nu lekker stil, pa!’, zeg ik en we praten. Over de Olympische Spelen die bijna beginnen, over de krant die mijn vader nu gewoon krijgt, over het warme middageten, de kinderen, het werk.

                          *

Na krap een uur komt Willem terug, gevolgd door het rijtje medebewoners en de twee begeleidsters. Weer komt de vrouw uit het rijtje dicht bij mij staan.

‘Hoe heet jij?’ De woorden komen in staccato uit haar mond. Een spuugje hangt aan haar onderlip.

‘Annelie’, antwoord ik.

‘Annelies!?’

‘Nee, Annelie’

De vrouw wordt kwaad. De begeleidster trekt haar mee.

‘Zeg Willem maar gedag!’, roept de vrolijke vrouw, ‘Geef hem maar een high five!’

Een voor een strompelen Willems medebewoners naar hem toe voor een high five met Willems goede hand. Een bewoner vergist zich en geeft een high five aan de vrolijke vrouw. ‘Nee, Willem moet je hebben!’, schatert de vrolijke vrouw, en de gebochelde man schuifelt naar Willem toe voor een high five.

                         *

De vrolijke vrouw sluit met een zwaai het gordijn tussen de kamers in.

‘De voorstelling is afgelopen!’, roept ze. Ik moet lachen. Willems televisie staat weer aan.

                        *

Een kwartier na het intermezzo met het bezoek voor Willem ga ik ook weg. 

‘Je gaat zo het journaal kijken?’, vraag ik mijn vader.

‘Hoe laat is het?’ Mijn vader manoeuvreert zijn rolstoel richting de klok.

‘Bijna acht uur al’, constateert hij.

‘Morgenmiddag kom ik weer’, beloof ik. Mijn vader kijkt op.

‘Ik verheug mij altijd op je komst’, zegt hij.

De treurigheid grijpt mij vast als een spook in een zwarte nacht. Verdriet kruipt in mij als een leger mieren in een omgevallen jampot.

                           *

‘Ik vind het ook altijd leuk je te zien’, zeg ik en ik sluit voorzichtig de deur waar de rolstoelen zo gemakkelijk doorheen passen.

                         ***

  

  
                        

                           

Lichtheid van bestaan 


Heel lang geleden,

Toen elfjes bestonden, en een heks in een huisje van koek

En de wolven, die geitjes verslonden, mochten niet bij je oma op bezoek

Lang geleden,
Er zaten rovers in de struiken, en de prinsen waren allemaal heel knap

En de kater, droeg zijn pas gelakte laarzen, en een muiltje liet je achter op de trap

                         *

Heel lang geleden,

Werd je was gedaan door vogels en dan vlogen ze een strikje in je haar.

En de muizen, die zongen veel te schel, maar waren vriendjes stonden altijd voor je klaar.

Lang geleden,

Kon je niet slapen door de geest van een meisje in de hoek

Maar na een kusje van je moeder, ontsnapte je gewoon weer aan haar vloek **

                        *

Aan mijn linkerhand ontvouwt zich een Engels landschap van alle kleuren groen; lichtbruine koeien grazen gemoedelijk in de wind die langs mijn huid strijkt en langs hun gladde vel waarvan ik in gedachten de haartjes voel, tegen de draad in aaiend, korte en stugge haren, al strelend dwarrelen de vliegen die rond hun koppen zoemen weg. Achter het gras ligt een strook bos als in een sprookje met een kasteel, verborgen achter bomen, struiken en dorens.
                       *

Op het lege fietspad zig-zag ik tussen rood-wit geblokte paaltjes door. Ik zie een huis boven op een duintop, licht door de zon-gebleekt hout, de ramen kijken uit op het landschap van mijn jeugd. Ik fiets langs een camping in de duinpan, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                         *

Na vijftien keer het bericht ‘Alle medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft’ krijg ik het revalidatie-centrum aan de lijn.

‘Goedemiddag, u spreekt met Annelie Jonquiere, dochter van Ad Jonquiere. Mijn vader is gisteren teruggekomen vanuit het ziekenhuis. Hij heeft een abonnement op de krant. Tot nog toe ontving hij twee van de zes kranten. Vandaag kreeg hij er ook geen. Kunt u nagaan waar de krant gebleven is?’ Zo rustig en beleefd mogelijk stel ik mijn vraag. Ik merkte de afgelopen weken dat rust alleen je kan redden. En dan nog. Een aantal medewerkers van dit zorgcentrum schiet direct bij iedere vraag in de verdediging.

                         *

‘De kranten zijn weg, die zijn al naar boven.’

‘Toch kreeg mijn vader hem niet.’ 

                         *

Ik hoor de beverige stem van mijn vader die insprak op mijn voicemail. ‘Met mij, je vader. Ik werd pas om half tien geholpen. De krant kreeg ik niet en de t.v. doet het niet meer. De batterijen zijn opeens verdwenen uit de afstandsbediening. Wanneer kwam je ook al weer? Vanavond? Nou meis, dit was het. Je vader.’

                         *

Welke naam zei u?’, vraagt de dame van de receptie. 

Ik spel mijn vaders naam.

‘Nee, die naam staat er niet bij.’

Ik bewaar mijn kalmte.

‘Eh, o ja, wacht even, nu zie ik het. Ja, de krant heeft hij gekregen.’

‘Hij kreeg de krant niet vandaag, daarom bel ik u’, zeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat moet wel gebeurd zijn. Ik heb de kranten naar boven gestuurd.’

Ik geef het op.

                         *

‘Dan heb ik nog een vraag.’ Ik hoor een zucht twintig kilometer verderop.

Ik bewaar de rust.

‘De televisie van mijn vader doet het niet meer. De batterijen zijn uit de afstandsbediening gehaald. Kan iemand misschien voor nieuwe batterijen zorgen?’

                         *

Ik denk aan mijn vader. Vanaf vijf uur vanochtend lag hij wakker. Om half tien werd hij uit bed geholpen. Vierenhalf uur staren naar het plafond. 

                         *

‘Nee, dat doen wij niet’, antwoordt de dame van de receptie. ‘Daar moeten bewoners zelf voor zorgen.’ 

‘Voordat hij naar het ziekenhuis ging deed de afstandsbediening het nog’, probeer ik. ‘Hoe kan dat?’

‘Daar ga ik niet over’, antwoordt de dame bits, ‘Maar ik weet wel: voor batterijen zorgen wij niet. Dat moet u zelf doen’

‘De krant en televisie zijn de enige afleiding die hij heeft. Ik vind het erg dat hij nu weer de hele dag geen van beide heeft.’ Twintig kilometer verderop hoor ik niets meer. Het gesprek loopt ten einde. Er is niets wat ik kan doen. Ik moet er heen om iemand aan te spreken. Wie? Ik weet het niet. Het zomerregime zorgt ervoor dat de bezetting minimaal is. 

‘Ik zie hier niemand’, zoals mijn vader vertelt. En dat is zo. 

                        *

Ik fiets, zig-zaggend achterop het zitje naar het strand. Ik staar met mijn kinderogen omhoog. De ogen van mijn vader. Ik zie blauw en wit, langs mijn oren ruist de wind. We gaan de camping in de duinpan voorbij, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn vaders been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                       *

Heel lang geleden,

Was niets wat het leek, de bonen in de moestuin waren geld

En je gehaktbal, was een planeet, waar je heen vloog en verliefd werd op een held

Niemand ging dood dat bestond toen niet echt

Alleen als je oud was of lelijk of slecht

Dan werd je door pijlen uit bogen doorzeefd

Toen er nog lang en gelukkig werd geleefd

(…)

** Muziek en tekst: Christine de Boer (Yentl en de Boer)