Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Advertisements

Foto

                                                                            
Twee discjockey’s vullen de ruimte met loze praat. Hun stemmen gaan tegen elkaar in als pingpongballen van tafeltennissers die wild om zich heen slaan. Heel soms slaan ze een balletje over het net. 

Op een bordje voor mij staat in keurige letters:

Koffiepauze 10.30-10.45 uur

Lunchpauze 12.30-13.15 uur

Theepauze 15.00-15.15 uur.

                                                         *

Met een schuin oog kijk ik naar buiten door de glazen deur naar mijn auto. Deze staat netjes geparkeerd voor de bus waar ik zojuist inklom. Ik zit braaf op een bankje tegenover het bordje. Vaag hoor ik geluiden die van achter komen, mijn oren spitsen zich, ik hoor een lepeltje dat tikt tegen een kopje en zacht lachen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 13.13 uur. Mijn afspraak is om 13.25 uur. Dat is zo’n rare precieze tijd dat ik ervoor zorgde – geheel tegen mijn gewoonte in (‘Mam, jij bent altijd te laat’) – ruim voor 13.25 uur aanwezig te zijn.

                                                        *

Het erge is dat ik de afspraak die ik eigenlijk had – een paar weken geleden – geheel vergeten was. Het was de eerste maandag na terugkeer van onze reis naar China, dat leek mij handig. Ik was nog vrij en had dan alle tijd. De maandag ging voorbij en een paar dagen later dacht ik opeens aan de afspraak. Schuldbewust wilde ik bellen, uitleggen dat ik het vergeten was door mijn vakantie, maar het bandje verwees mij naar de site. Ja, de site. Dat ontsloeg mij van het maken van excuses. Ik maakte zelf een nieuwe afspraak via de site, vandaag om 13.25 uur op een plek die ik niet kende. Ik dacht dat het Haarlem-Noord was maar het bleek Schalkwijk te zijn. 

                                                       *

‘Het is daar bij dat winkelcentrumpje, vlakbij de Haarlemmerweg’, zei mijn man behulpzaam. Hij tuurde op het schermpje op zijn telefoon en ik verbaasde mij erover dat hij wist hoe dat werkte met het kaartje.

‘Zie je er tegenop?’, vroeg mijn zoon.

‘Ach, fijn is het niet’, antwoordde ik. Ik zei er niet bij dat ik er geen zin in had en er wel tegenop zag. Het doet ook pijn, nou ja, pijn, lekker is het niet. En het confronteert mij met dat waar ik liever niet aan denk. Mijn moeder, mijn schoonmoeder, mijn schoonzus. Ik denk aan de woorden van mijn broer: ‘Een bult zo groot als een tennisbal’ en ik zie de lieve Cootje voor mij in de zachte schemer van de ziekenhuiskamer. Ik ruik de lucht van ziekenhuis, adem het in. ‘Zorg je goed voor mijn zoon?’, vroeg ze. Een dag later was ze dood. 

                                                       *

Het is 13.15 uur. Ik hoor gestommel. Een dame van middelbare leeftijd neemt plaats achter het bureautje waarop het bordje met de pauzetijden staat. 

‘Goedemorgen’, zegt ze, ‘O nee, goedemiddag al.’

‘Goedemiddag’, zeg ik. Ik houd het ingevulde formulier zichtbaar vast en mijn rijbewijs trek ik uit het hoesje van mijn telefoon. Ik overhandig beide bewijsstukken van mijn komst en bestaan aan de dame. Achter haar staat een jong meisje. Ze lacht vriendelijk.

‘Uw huisarts heet dokter Prinsen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja’, zeg ik.

‘Weet u ook hoe de praktijk heet?’

‘Eeeh, nee’ en ik pijnig mijn hersens. Hoe heet de praktijk? 

‘Ik kom er bijna nooit’, zeg ik verontschuldigend.

‘Ik heb het al’, zegt de vrouw. Het meisje stapt naar voren en geeft mij een hand. 

‘U kunt zich hier omkleden, u doet de deur achter u op slot, alle bovenkleding mag uit.’  

                                                          *

Even later sta ik weer in het nauwe gangetje van de bus. ‘U krijgt binnen twee weken de uitslag’, zegt de dame vriendelijk. Met een raar soort opluchting verlaat ik de bus, loop het ijzeren trappetje af, naar mijn auto. 

                                                           *

‘Hoe ging het?’, informeerde mijn zoon ‘s avonds. Hij nam een hap pompoensoep. Zijn lippen kleurden een beetje oranje.

‘Ja, het ging’, zei ik. 

‘Wanneer krijg je de uitslag?’, vroeg mijn man.

‘Over twee weken’, zei ik. 

                                                            *

En dan kan ik het allemaal weer vergeten. Twee hele jaren lang.
                                                          ***

Broos


Langzaam wordt de arm weer van mij. Vier weken lang behoorde mijn arm toe aan de brace. Een ingewikkelde mitella van klittenband die ik kreeg van de verpleegkundige in het kelderziekenhuis van het bergdorp Les Deux Alpes. Ze vouwde de constructie – want dat was het – uit met achteloze gebaren van jarenlange ervaring. Ik keek benauwd toe. Zou ik kunnen onthouden hoe dat ding nu precies in elkaar zat? Ik nam me voor de brace voorlopig niet af te doen. Dan liep ik het minste risico te verdwalen in dat woud van klittenband.

                          *

De brace was vier weken lang mijn toegang tot de onveilige buitenwereld. Alle ogen trokken naar de blauwe constructie en men begreep dat daaronder iets niet klopte. Onwillekeurig hield men afstand en dat was fijn. De gekwetste schouder was intussen aan het werk: bloeduitstortingen die fijne draadjes trokken van bloedvaten, cellen die zich vermenigvuldigden, botdeeltjes die zich langzamerhand aan elkaar vasthechtten als de twee delen van het gebroken beeldje dat jarenlang – zorgvuldig door mijn vader gelijmd – op het dressoir stond van mijn ouders. Als je er vlakbij stond en goed keek zag je het: dat dunne breuklijntje, je pakte het kameeltje – want dat was het – niet meer op, zometeen viel het in twee stukken uiteen.

                          *

Het werden vier weken met zeeën van tijd voor, ja voor wat eigenlijk? Lezen bleek – nu er zoveel lege uren waren – minder aantrekkelijk dan lezen in krappe uurtjes tussen werken, eten, sporten en slapen door. Je kan ook niet de hele dag t.v. kijken, het ultieme symbool van nietsnutten en luiaards. 

                         *

Ik maakte iedere dag een ommetje en zag alle uithoeken van mijn slaperige dorp. Alleen mensen met honden maken ommetjes ontdekte ik. Ik zigzagde van de bibliotheek naar het weiland met schapen, van het bos met de grootste speeltuin van Nederland naar het stille landgoed van de inrichting voor verstandelijk gehandicapten. Ik zag niemand.

                      *

Vandaag maakte ik mijn eerste ommetje zonder brace. 

‘Zou je dat wel doen?’, vroeg mijn man, ‘Niemand ziet dat je wat aan je schouder hebt.’

Maar ik deed het. Het voelde bloot maar vrij. Als een gewoon mens liep ik door de stille straten, het verlaten stukje bos. Toen ik langs de tennisbaan liep riep een jongetje wat naar mij. Ik stond stil. ‘Mevrouw, kunt u mijn bal over het hek gooien?’, vroeg hij. Ik keek naar de bal. Het was een fluorescerende gele tennisbal. Hij lag in het gras. Ik keek naar het hek. Dat was minstens vijf meter hoog.

‘Ik heb mijn schouder gebroken, ik zou de bal wel willen teruggooien maar dat lukt mij niet’, zei ik. Het jongetje keek naar mij. Ik zag dat hij gewoon een mevrouw zag met twee armen. Ik liep door. Een beetje verslagen. 

                       *

Thuis lag de brace werkeloos op mijn bed als een stuk huid zonder lijf. ‘Yezz, but zis is zie best peenkiller’, aldus de Franse arts met walrus-snor toen ik vroeg of ik pijnstillers van hem kreeg. Hij wees naar de brace die snel en deskundig om mijn lijf werd aangebracht. Het was zo. Ik bewaar hem nog maar even, de brace.

                     ***

Kusje

De sneeuw glinsterde als duizend diamanten in de zomerzon. Maar het was nog geen zomer, hoogstens een beetje voorjaar. In de dennen die vroeger door zure regen werden geteisterd maar nu fier rechtop tegen de schuine bergwand stonden, floten vogels hun lied. We gingen naar de gletsjer. Het hoogste punt in deze regio van sneeuw, zon, bontgekleurde skiërs en snowboarders. 

                          *

‘Laten we eerst de Bellecombe doen, goed?’, vroeg ik mijn zoon. Hij vond het goed. Eerst de berg ‘Bellecombe’ af skiën om er een beetje in te komen. De spieren op te warmen. Ik verheugde mij op de Glacier, de gletsjer, het doel van vandaag. ‘Prachtige pistes daar’, volgens een van de hotelgasten. ‘Een geweldig uitzicht!’, aldus de hoteleigenaar. 

                        *

In een gelijkmatig ritme skieden wij de Bellecombe af, mijn zoon en ik, een rood-gemarkeerde berg. Lastig, maar niet te. ‘Eerder een blauwe, mam’, zei mijn zoon. Ja, eerder een blauwe. Gemakkelijk, glooiend, perfect voor een mooie cadans. 

                         *

‘Wat is voor jou nu het fijnste aan skiën?’ vroeg mijn zoon eerder, bij de lift, nadat we puffend en steunend een hele weg hadden afgelegd met zware schoenen aan onze voeten, ski’s op de schouders, stokken in de hand. Het zweet prikte onder de vele laagjes shirts, trui en jas. 

‘Boven aan de berg staan, de stilte om je heen en dan alleen het geluid van mijn ski’s horen’, antwoordde ik. 

‘Hoe poëtisch’, schamperde hij. 

‘Wat is het dan voor jou?’, vroeg ik. Ik keek naar hem. De helm en sjaal bedekten deels zijn gezicht. Half jongen, half man. Donkere stoppels schemerden onder het riempje om zijn kin. 

‘Het eten’, zei hij. En hij herhaalde dat later, toen wij pauzeerden op een zonovergoten terras. Zijn gezicht – lachend – boven een bord spaghetti bolognaise. 

‘Hoe prozaïsch’, dacht ik. 

                    *

In het goede ritme op de Bellecombe flitsten mijn stokken heen en weer. Mijn ogen gericht op de sneeuw. Onder mij zag ik anderen, boven mij wist ik mijn kind. 

                       *

En toen, de stok, kwam deze voor mijn ski? Struikelde ik als het ware over mijn eigen stok, mijn ski? Ik dook voorover, de ski’s vlogen uit en ik proefde sneeuw. En daarna, ik zat. Op de berg. ‘Ca va?’, riep iemand en ik zei dat het ging.

                       *

Mijn zoon zette de ski’s netjes voor mij klaar, naast mij, ik kon er zo weer in. ‘Gaat het?’, vroeg hij. Ik dacht na. Het ging – maar toch ook niet. Er verschoof telkens iets in mijn rechterarm. Ik hield deze vast met mijn linkerhand. ‘Ik geloof niet dat het gaat met die arm’, zei ik. 

                        *

Na een tocht die in mijn ogen altijd voor anderen was – de wieken van de helikopter, ze waaien alle sneeuw als stuifzand op – zat ik half op een bedje in de kleine kliniek. Ik kreeg een pijnstiller van een frêle verpleegkundige. Een arts met walrus-snor legde mij uit dat de schouder gebroken was. ‘Gelukkig’, dacht ik nog. ‘Dan heeft die hectische tocht naar beneden niet voor niks plaatsgevonden.’ De mens zit vol schaamte en misplaatste gedachten.

                        *

Daar was mijn zoon. Hij stak zijn hoofd om het half-dicht getrokken gordijn rond mijn bedje. Ik zat daar, ik droeg een operatie-hemd met een strikje in mijn nek. ‘Ik geef je nu eerst een kusje’, zei hij.

                    ***

De geitenhoeder

‘Ik ben een begrip in de straat.’ Mijn vader kijkt glazig naar de man tegenover hem. De spierwitte snor van mijn vaders kamergenoot in het ziekenhuis krult op bij zijn boude uitspraak.

‘Je ken wel zeggen dat ik een begrip in de búúrt ben. Iedereen kent mij. Ze missen me. “Waar is Piet?”, vragen ze.’

                         *

Mijn vader belandde onverwacht in het ziekenhuis; een longontsteking en vocht achter de longen veroorzaakte benauwdheid. Zo hevig dat de arts in het revalidatiecentrum besloot hem op te laten nemen. Met de ambulance reed mijn vader van het revalidatiecentrum naar het ziekenhuis, op een brancard die gedragen werd ‘door twee beren van kerels’, aldus mijn vader.

                         *

Nu, na een dag, lijken de antibiotica aan te slaan en heeft mijn vader in een andere kamer op een andere afdeling dan de dag ervoor een kamergenoot. Hij is overgebracht naar de afdeling Geriatrie. Het kostte mij twintig minuten om door een doolhof van klapdeuren, liften, gangen en kamers mijn vader te vinden. Als ik eindelijk kamer 1.06 vind en deze binnenloop zitten mijn vader en zijn kamergenoot tegenover elkaar. Een klein tafeltje staat tussen hen in. Op tafel staan twee hard-plastic bekers, half gevuld met water. De groene is van mijn vader. 

                         *

‘Je zit alweer op!?’, vraag ik verrast. En ik denk aan een dag geleden. 

Ja’, antwoordt mijn vader. 

‘Hoe gaat het?’, vraag ik.

‘Waar blijft Corrie eigenlijk?’, vraagt Piet opeens. Mijn vader en ik kijken naar Piet. Ook mijn dochter die op de rand van mijn vaders ziekenhuisbed zit – haar benen bungelend boven het zeil – kijkt hem aan.

                         *

‘Corrie? Is dat uw vrouw?’, vraag ik.

‘Ja, waar blijft ze?’

‘Het bezoekuur begint pas om drie uur. Mijn vader lag gisteravond nog ergens waar doorlopend bezoek was. Daarom ben ik nu hier. Uw vrouw komt vast wat later.’

‘Corrie laat zich niet leiden door bezoekuren’, beweert Piet. ‘Zij komt wanneer zij dat wil. Dat infuus mocht er ook allang uit. Om twee uur zeiden ze.’ Hij plukt aan het verband rond de infuusnaald op zijn hand.

‘Het is pas twaalf uur’, zeg ik en ik draai mij weer om naar mijn vader.

                        *

‘Heb je goed geslapen?’, vraag ik mijn vader.

‘Ja’, antwoordt hij.

‘Ik deed geen oog dicht vannacht’, begint Piet weer. ‘Wat een herrie was het op de gang! Vond u ook niet?’ Piet kijkt verwachtingsvol naar mijn vader.

‘Ik heb niets gehoord’, antwoordt mijn vader recalcitrant, ‘helemaal niets.’

                         *

Piet kijkt een beetje beteuterd, hij frummelt aan zijn infuus. Mijn dochter en ik, we proberen ons weer te richten op mijn vader, haar opa.

‘Wat heb je gegeten, opa?’, vraagt mijn kind. 

Mijn vader kijkt naar haar op. 

‘Ik had bietjes gekozen’, zegt Piet. ‘Maar het was niet te eten. Het eten is hier sowieso slecht.’

                        *

Piet is niet te stuiten. Hij start een verhaal over zijn vrouw Corrie en een geitenhoeder die teveel naar haar keek. ‘Ja, en dat pik ik niet, dus ik naar die vent toe…’

                           *

Het is pas twaalf uur. Mijn vader zit nog zeker drie lange uren tegenover Piet. De kamer is op twee bedden en het zitje na leeg. Hij heeft geen krant, geen tijdschrift, geen t.v. 

                          *

‘Pa, zal ik een krant voor je halen?, vraag ik, ‘Dan heb je wat te lezen.’ Mijn vader aarzelt.

‘Nee hoor, dat hoeft niet’, zegt hij na een korte stilte.

‘Opa, ik haal voor jou een krant’, zegt mijn dochter gedecideerd. ‘Beneden is een winkel.’ Ze wipt van het bed af. 

‘Ja, een krant’, zegt Piet, ‘Thuis heb ik ook de krant.’ 

                            *

‘Pa, vanmiddag komen Raymond en Max. Zij nemen de spullen mee die je nodig hebt. Ik ga nu weg. Julia komt zo nog even terug met de krant.’

Mijn vader knikt. ‘Bedankt voor je komst’, zegt hij.

‘Ja, ja’, antwoord ik, ‘Morgen ben ik er weer.’

‘Toch begrijp ik niet waar ze blijft’, mompelt Piet aan de overkant. ‘Ze zijn er altijd, mijn vrouw én dochter.’

                            *

Aan het einde van de middag keren mijn man en zoon terug uit het ziekenhuis.

‘Hoe ging het?’, vraag ik.

‘Ja goed’, antwoordt mijn man, ‘Maar wat is dat voor een man daar bij je vader op de kamer…Die man, trouwens die hele familie draaide zich voortdurend om en bemoeide zich met onze gesprekken.’
‘Ach, ja’, antwoord ik. 

                        *

Corrie was uiteindelijk dus toch gekomen. 

                          ***

De val


Het regent en regent op de op-een-na langste dag van het jaar. Een voortdurend neerkomen van nat en koud als een gordijn van stippellijntjes water. Ik rijd door plassen die met een woetsjj-geluid mijn auto naar rechts trekken. Ik draai flink bij om niet in de ringvaart te belanden.

                             *

Water en water om mij heen. Het tikken van de regen op het dak als het neerkomen van tranen op blik begeleidt de muziek in de auto.
En dan hoor ik een klein geluid. Een ander geluid, een licht getinkel. 

                         *

Zonder de vaart in te rijden kijk ik met een scheel oog naar het scherm op mijn telefoon. Het is de armband van mijn vader waarop gedrukt is, vier seconden lang. Op een parkeerplek naast het water bel ik de pratende armband. Mijn vader zegt: ‘Ik ben gevallen. Ik lig in de keuken.’

Het hart klopt in mijn keel, de regen komt gestaag neer: dikke druppels maken kringen in het water van de vaart.

‘Ik kom eraan, ik rijd nu terug’ en ik draai om. 

                           *

Het is dit keer geen geval van ophijsen en tegen elkaar zeggen hoeveel geluk mijn vader weer eens had. Dit keer is het menens. 
Natte ambulancebroeders tillen hem op. Zijn ogen zijn dicht. ‘Hiermee raakt hij een uur weg’, meldt de broeder, ‘Het schuiven en tillen zou te pijnlijk zijn. Dit is een heel zware verdoving.’ Het groen-gele jasje doet pijn aan mijn ogen. En ondanks de verdoving hoor ik hem – de brancard moet rechtop staan vanwege de lift – tranen vallen neer. 

                           *

Bij het weggaan uit de flat vergeet ik alles wat ertoe doet. De alarm-armband prop ik in mijn tas. Deze vind ik later. De armband was op zicht. Morgen stuur ik hem terug. Voorlopig hebben we hem niet meer nodig.
Als we ‘s avonds laat het ziekenhuis verlaten – zijn kamer kijkt uit op een volle parkeerplaats – kijken mijn oma’s ogen mij aan.

‘Bedankt dat je er was.’

                          *

Zwevend over waterplassen rijden we naar huis. In de flat is het bloed weg, het kussen dat achter zijn hoofd lag ligt naakt op bed. Het sloop neem ik mee. Misschien gaat het er nog uit, de vlek. 

                           ***

Halfvol

  

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato

de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht

ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo

ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht

                           *

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen

lig zacht te zingen antwoord op het licht

lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen

te zingen van het licht dat om en op mij ligt

                           *

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder

te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil

ik weet alleen het licht van wonder boven wonder

ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Hans Andreus (1926-1977)

De kortste dag van het jaar is daar. 21 december. De tijd van in het donker wakker worden, naar het werk rijden over zwarte wegen en weer terugkeren in de straat met onzichtbare, kale beukentakken was al eerder begonnen. Het sloop er gewoon in, de donkerte. En nu dreigt het vitamine D-tekort. De vitamine die het lichaam zelf aanmaakt door zonlicht. ‘Ik las onlangs dat vrouwen boven de 50 extra vitamine D nodig hebben’, beweerde mijn man laatst. 
                            *

Mijn man is vaak en graag met potjes vitaminen in de weer. Vroeger bezorgde hij de kinderen doorzichtige capsules naast hun bord die ze vol afgrijzen wegklokten met veel water of stilletjes lieten liggen onder de rand van hun bord. Dan lag na afloop van het ontbijt een doorzichtige capsule doorzichtig te zijn op tafel. Het gekke was dat de pil ondanks de doorzichtigheid niet de kleur van de tafel overnam. Hij lag daar als een wittig, kneedbaar raketje op tafel. De poes tikte er wel eens tegenaan. Dan rolde het raketje om zijn as op de grond waar het uiteindelijk – stoffig en plakkerig – werd opgezogen door onze hulp.

                             *

Nu zijn de kinderen groot. Zij dragen zorg voor hun eigen gezondheid. Onze bijdrage daarin beperkt zich tot het betalen van torenhoge ziektekosten-premies en het voldoen van onbegrijpelijke rekeningen en/of eigen bijdragen na apotheek- en/of tandartsbezoek. Die wij zuchtend en steunend overmaken, ons afvragend of wij deze nu wel of niet vergoed krijgen. Nooit overschrijden wij ons eigen risico met als gevolg dat we constant het gevoel hebben alles zelf te betalen. Wat nou, verzekerd?

                         *

Laatst nam onze dochter per ongeluk na het leren van een tentamen een stapel uitgepakte post – tussen haar aantekeningen terecht gekomen -mee van onze tafel. De jaarlijkse brief van onze ziektekostenverzekeraar zat ertussen. Bij het terugbezorgen ervan merkte ze op: ‘Wat betaal jij eigenlijk veel voor de ziektekosten! Dat wist ik helemaal niet.’ 

                         *

Ach, nee, ja, het is veel maar onvermijdelijk. Somber antwoord ik: ‘Zo’n verzekering is eigenlijk alleen echt handig als je in het ziekenhuis belandt en zware operaties of behandelingen moet ondergaan.’ En dan heb je er vrede mee, met de premie, de rekeningen, het eigen risico. Want laten we daar alsjeblieft niet terecht komen, in het ziekenhuis. En je bergt het stapeltje overzichten op in de map waarop staat ‘Ziektekosten’.

                           *

Tegenwoordig drukt mijn potjes-minnende man mij na het avondeten twee pilletjes in de hand. Kleine, witte, ronde. ‘Vitamine D’, zegt hij. En ik slik ze door met wat water uit de beker in zijn andere hand. Daarna kijken wij naar Breaking Bad. Naar ook een zorgzame man met een voorkeur voor verdergaande chemie dan een pilletje vitamine D. 

                           *

Het liefst maak ik vitamine D zelf aan. In de zon. Een prettige bijkomstigheid is dat je in de zon kan lezen en schrijven en je ogen dicht kan doen. Je kan dromen, eten, praten en zwijgen in de zon. Liggen, lopen en zelfs hardlopen is mogelijk, beschenen door de zon die het gezicht, het lijf en brein verwarmt als het straalkacheltje vroeger in onze koude badkamer. 

                             *

In de zon bruint de huid, het bloed stroomt sneller en tussendoor maakt je lichaam zelf de stofjes uit de witte pilletjes aan. Het is een wonder. Nu kunnen wij niet voortdurend op vakantie, naar de zon, wat jammer is maar onvermijdelijk.

                           *

Dus slik ik braaf mijn pilletjes, word ik wakker in het donker, ga ik in het donker naar het werk en kom ik in het donker thuis.

                           *

Het is wachten op 22 december: ‘dan gaan we weer de goede kant op’, zei gisteren mijn nog-niet-echte-maar-lieve schoonzoon. En zo is het. Het glas is altijd halfvol. Nog één dagje maar.

                        ***