De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***

De val


Het regent en regent op de op-een-na langste dag van het jaar. Een voortdurend neerkomen van nat en koud als een gordijn van stippellijntjes water. Ik rijd door plassen die met een woetsjj-geluid mijn auto naar rechts trekken. Ik draai flink bij om niet in de ringvaart te belanden.

                             *

Water en water om mij heen. Het tikken van de regen op het dak als het neerkomen van tranen op blik begeleidt de muziek in de auto.
En dan hoor ik een klein geluid. Een ander geluid, een licht getinkel. 

                         *

Zonder de vaart in te rijden kijk ik met een scheel oog naar het scherm op mijn telefoon. Het is de armband van mijn vader waarop gedrukt is, vier seconden lang. Op een parkeerplek naast het water bel ik de pratende armband. Mijn vader zegt: ‘Ik ben gevallen. Ik lig in de keuken.’

Het hart klopt in mijn keel, de regen komt gestaag neer: dikke druppels maken kringen in het water van de vaart.

‘Ik kom eraan, ik rijd nu terug’ en ik draai om. 

                           *

Het is dit keer geen geval van ophijsen en tegen elkaar zeggen hoeveel geluk mijn vader weer eens had. Dit keer is het menens. 
Natte ambulancebroeders tillen hem op. Zijn ogen zijn dicht. ‘Hiermee raakt hij een uur weg’, meldt de broeder, ‘Het schuiven en tillen zou te pijnlijk zijn. Dit is een heel zware verdoving.’ Het groen-gele jasje doet pijn aan mijn ogen. En ondanks de verdoving hoor ik hem – de brancard moet rechtop staan vanwege de lift – tranen vallen neer. 

                           *

Bij het weggaan uit de flat vergeet ik alles wat ertoe doet. De alarm-armband prop ik in mijn tas. Deze vind ik later. De armband was op zicht. Morgen stuur ik hem terug. Voorlopig hebben we hem niet meer nodig.
Als we ‘s avonds laat het ziekenhuis verlaten – zijn kamer kijkt uit op een volle parkeerplaats – kijken mijn oma’s ogen mij aan.

‘Bedankt dat je er was.’

                          *

Zwevend over waterplassen rijden we naar huis. In de flat is het bloed weg, het kussen dat achter zijn hoofd lag ligt naakt op bed. Het sloop neem ik mee. Misschien gaat het er nog uit, de vlek. 

                           ***

Een dagje aan het strand

  
Het is zo heerlijk onduidelijk wie iedereen is, wat de bezoekers hier doen, willen of denken. Op dit terras met veel dad-body’s, een bar inclusief barkeeper van zo’n jaar of zestien, met zeezoutchips en gratis te verkrijgen water met drijvende munt en citroen, te jonge meisjes met grote zonnebrillen, van alles is hier te zien.

                         *

Mij passeert een mokka-bruin jongetje met blond touwhaar, een felblauwe bermuda strak om zijn achtjarige billen, een piepjonge serveerster balanceert met haar blad vol glazen muntthee.

                         *

Achter mij zit een stelletje: hij van onbestemde leeftijd, zij begin twintig. Ze spreken Algemeen Beschaafd Nederlands, ze zeggen: ‘super!’ en ‘top!’ als de ice-tea respectievelijk het gestylede taartje worden gebracht.

                         *

Vroeger, en dan spreek ik over heel vroeger kwam ik hier ook wel eens. Zo ongelukkig als ik mij toen voelde voel ik mij nooit weer. Bij deze strandtent ontmoetten destijds de young & beautiful people elkaar. Als gevulde bak onzekerheid zat ik ertussen. Ongelukkig te zijn, in mijn ogen absoluut niet beautiful genoeg. 

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg, niet zeker genoeg. Ik werd alleen snel bruin. Dat was mijn enige pluspunt. 

                         *

Nu zit ik hier, na 35 jaar. Op het terras, – de relaxte muziek omhult mij en de onduidelijken -, zak ik weg op de loungebank, hang in twee kussens en zit ik alleen met mijn boek dolgelukkig te zijn. 

                           *

Tussen mijn donkerbruine haren glinsteren de grijze. De buik, goed gevuld deze zomer met van alles dat veel te lekker is, piept over het korte broekje heen. Wel is tie lekker bruin, de piepende buik.

                         *

Tegenover mij zit een klein meisje dat de kaart leest, op haar manier, – deze driejarige, – haar ijsje lekt gekleurde draden op haar strandjurkje. In haar bruine, korte haar steekt een roze speldje. Haar ouders knuffelen elkaar op de bank naast de mijne. Lief.

                         *

De muziek gaat harder, er staan twee gasten klaar achter twee hoge tafels met apparatuur, ongetwijfeld geht die party snel richtig los hier. De zon schijnt minder fel, verstopt zich achter streperige wolkjes.

                         *

Ik stap maar weer eens op. Ik pak mijn tijdschrift in, mijn boek, de iPhone en fiets naar huis.

                         *

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg en zeker niet jong genoeg maar gelukkig domweg gelukkig.

                       ***

Een dagje aan het strand

  
Het is zo heerlijk onduidelijk wie iedereen is, wat de bezoekers hier doen, willen of denken. Op dit terras met veel dad-body’s, een bar inclusief barkeeper van zo’n jaar of zestien, met zeezoutchips en gratis te verkrijgen water met drijvende munt en citroen, te jonge meisjes met grote zonnebrillen, van alles is hier te zien.

                         *

Mij passeert een mokka-bruin jongetje met blond touwhaar, een felblauwe bermuda strak om zijn achtjarige billen, een piepjonge serveerster balanceert met haar blad vol glazen muntthee.

                         *

Achter mij zit een stelletje: hij van onbestemde leeftijd, zij begin twintig. Ze spreken Algemeen Beschaafd Nederlands, ze zeggen: ‘super!’ en ‘top!’ als de ice-tea respectievelijk het gestylede taartje worden gebracht.

                         *

Vroeger, en dan spreek ik over heel vroeger kwam ik hier ook wel eens. Zo ongelukkig als ik mij toen voelde voel ik mij nooit weer. Bij deze strandtent ontmoetten destijds de young & beautiful people elkaar. Als gevulde bak onzekerheid zat ik ertussen. Ongelukkig te zijn, in mijn ogen absoluut niet beautiful genoeg. 

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg, niet zeker genoeg. Ik werd alleen snel bruin. Dat was mijn enige pluspunt. 

                         *

Nu zit ik hier, na 35 jaar. Op het terras, – de relaxte muziek omhult mij en de onduidelijken hier, – ik zak weg op de loungebank, hang in twee kussens, zit ik alleen met mijn boek dolgelukkig te zijn. 

                           *

Tussen mijn donkerbruine haren glinsteren de grijze. De buik, goed gevuld deze zomer met van alles dat veel te lekker is, piept over het korte broekje heen. Wel is tie lekker bruin, de piepende buik.

                         *

Tegenover mij zit een klein meisje dat de kaart leest, op haar manier, – deze driejarige, – haar ijsje lekt gekleurde draden op haar strandjurkje. In haar bruine, korte haar steekt een roze speldje. Haar ouders knuffelen elkaar op de bank naast de mijne. Lief.

                         *

De muziek gaat harder, er staan twee gasten klaar achter twee hoge tafels met apparatuur, ongetwijfeld geht die party snel richtig los hier. De zon schijnt minder fel, verstopt zich achter streperige wolkjes.

                         *

Ik stap maar weer eens op. Ik pak mijn tijdschrift in, mijn boek, de iPhone en fiets naar huis.

                         *

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg en zeker niet jong genoeg maar gelukkig domweg gelukkig.

                       ***

Dubbel dekbed

 Zondag begint de zomer. Ik lees het in de krant. Naast het weerbericht zie ik de kaart van Nederland overspoeld met wolkjes waaruit langwerpige regendruppels lekken. Bij sommige wolkjes is een zonnetje ingetekend dat er boven uit piept. Bij ons niet. Uit de wolkjes in het Westen valt alleen maar regen. 
                        *

Ik kijk naar buiten. De lucht is grijs, de rode geraniumkopjes staan parmantig rechtop. De roos heeft het nog nooit zo goed gedaan als dit jaar. Witte rozen en al die knoppen… De luis die zich laaft aan de tere rozenblaadjes spuit ik er regelmatig af met een harde straal water. 

                          *

Achter in de tuin zoekt het ooit zo piepkleine stekje pronkbonen, gekregen van een vriendin, aarzelend een weg omhoog over en door het gaas van het raamwerk tegen de schutting. Een regendruppel slaat zachtjes tegen de ruit. Een streepje nat op het raam als het spoor van een piepklein slakje. Het is zomer maar de verwarming staat aan, het vest is van boven gehaald, de warme laarzen behaaglijk aan de voeten.

                         *

De weken, de tijd gaan voorbij als het groepje fietsers dat ieder weekend langs de wegen schiet, de voorste rijder ‘voooooorrrrrrrr’ schreeuwend zodat jij, als argeloze hardloper, geschrokken van de weg gedrukt wordt door een groep te hard fietsende vijftigers met hun buikjes hangend boven het frame. 

                         *

Wat doe je op een zomeravond met de verwarming aan? Dan eet je patat met een eibal en kijk je naar ET. Extra Terrestrial. Het armzalige wezen, bruin en rimpelig, met het waterhoofd dat hij uitrekt als Lange Jan van de Efteling. De kindergezichten van Elliot en Gertie. De puber Michael. Het zachte roepen van Elliot, zittend in een tuinstoel buiten in het donker, wachtend op dat ‘iets’ in het schuurtje. ‘Mam?’ ‘Michael?’ Het schreeuwen dat je wil doen als het ‘iets’ tevoorschijn komt maar – als in een droom -gewoonweg niet lukt. 

                         *

De maffe ET: ‘is it a pig? He eats like a pig’ zoals de aanbiddelijke Gertie beweert. Het meisje met de twee hoge staartjes dat later als verslaafde actrice Drew Barrymore ettelijke keren in een afkickkliniek belandt.

                         *

Een scène die me al de keren daarvoor is ontgaan: Elliot en Michael zoeken in de schuur naar spullen voor E.T. waarmee hij kan bellen naar huis: ‘E.T., phone home…’ Zij stuiten op een oude mannenblouse. 

‘Papa’s oude klusblouse’, zegt Elliot. Ze snuffelen beiden aan de blouse.

‘Aqua Breeze’

‘Cool water’

‘Weet je nog hoe hij ons meenam naar de honkbalwedstrijden? En herinner je je nog de popcorngevechten in de bioscoop?’

‘Binnenkort zal hij ons wel weer meenemen.’

‘Yeah, right’, zegt Michael op vermoeide toon. In twee minuten zet Spielberg op onnavolgbare wijze, bijna achteloos, het drama neer van het gebroken gezin.

                         *

Het allermooiste: de eenwording van Elliot en E.T.: de symbiose. Elliot huilt, bij E.T. rolt een traan over de gerimpelde wang. ‘Elliot feels his feelings’, zoals broer Michael uitlegt aan de mannen in witte pakken die E.T. opspeuren en onderzoeken tot hij sterft. 

                        *

De dode E.T. die tot leven komt bij Elliot’s woorden:

‘I believe in you, all my life’ en ‘I love you.’

                         *

Het slot: de kinderen nemen afscheid van het kleine gerimpelde mannetje waar ze zoveel van houden. 
‘Come’: E.T.

‘Stay’: Elliot

‘Auch’: E.T., wijzend op zijn hart

‘Auch’: Elliot, wijzend op zijn hart.
Had ik destijds een E.T. gehad…

                         *

Het is donker buiten. Geen ster te zien. Regen in plaats van zonneschijn. Ik ga slapen. Onder het dubbele dekbed.
 

Monday, monday

IMG_4606-4.JPG
De ochtenden worden frisser. Grijze wolken jagen voorbij. Vocht hangt in de bermen langs de vaart. Ik zie de oude trekvaart, waarin spierwitte zwanen hun kop knus verbergen in hun veren. De hals sierlijk gebogen. Ze slapen. In de verte zie ik het kerktorentje van De Zilk. Een idyllisch tafereel.

Het doet me wat, de wisseling van seizoenen. Beetje treurig, van zomer naar herfst. Na de herfst hoop op echte kou. En dan het verwachtingsvolle voorjaar, op naar een warme zomer.

Vroeger las ik graag de boeken van A.M. De Jong. Merijntje Gijzen was het boek dat ik telkens opnieuw leende in de Haarlemse bibliotheek. Het lieve, dromerige Brabantse jongetje dat opgroeit tussen te veel broers en zussen. Wonderlijke, kleurrijke figuren als de sombere stroper ‘De Kruik’, de zwakzinnige Fons en de vrolijke zwerver ‘Flierefluiter’ kruisen Merijntjes pad. En ze leren hem het leven. De seizoenen spelen een belangrijke rol in het boek en ik glijd mee van de Brabantse winter met schaatsen en carnaval naar het frisse voorjaar en de hete zomers met zwaar veldwerk. Zilveruitjes oogsten bijvoorbeeld.

Het deel ‘De Grote Zomer’ staat symbool voor het volwassen worden van Merijntje. Zwervend met zijn vriend Flierefluiter door het Brabantse boerenland, filosofeert hij over God, leert hij de meisjes kennen en verandert de kindervriendschap met Flierefluiter in wederzijdse liefde en respect. De dood van Flierefluiter in ‘De Goede Dood’ is het einde van Merijntjes jeugd. Een onderschat boek is het. Het zal ook wel geen ‘echte literatuur’ zijn. Maar zo prachtig van inhoud, vorm en taal.

Fietsend door de velden van de Bollenstreek denk ik aan Merijntjes vlakke boerenland en de wisseling van de seizoenen. Friskoud is het nu. Herfstachtige regenbuien teisteren onze streek. Maar ik droom en leg vanmiddag mijn jas in de fietstas. De nazomerwarmte draagt me naar huis. De zwanen zijn wakker en strekken hun lange hals alsof ze me waarschuwen vooral uit hun buurt te blijven.

Het is maandag. Ik ga aan het werk met in gedachten De Grote Zomer. Bijna Voorbij.