Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Advertisements

De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***

Een warme dag


Er liggen plassen naast het zwembad van ons Griekse huisje. Niet van het plonzen in het zwembad want daarvoor is het water te koud. Op de warmste dag in Nederland regent het op Lefkas. Uit een van de plotseling opdoemende dikke wolken storten dikke druppels op het golfplaten dak van ons huisje. Het heeft iets gezelligs.

                        *

Zodra de plassen opdrogen en in de hete zon slinken alsof onzichtbaar keukenpapier het vocht rap opzuigt springt ons Duitse buurmeisje in het ijskoude water van hun zwembad. Haar dappere vader springt ook en samen maken ze plezier. Ik hoor de plons waarmee ze lachend in het water valt nadat haar vader haar hoog optilt en teruggooit.

                       *

Ook wij gooiden ooit kinderlijfjes hoog de lucht in die dan lachend terugplonsten in het water. Natte haren, warrig voor hun gezicht. De hand, waarmee ze de haarslierten naar achteren duwden en vroegen: ‘Nog een keer!?’ 

                       *

Die glibberige lijfjes droogden wij later af en koud vel vleide zich tegen het jouwe aan. Huid op huid. Koud op warm. Die lijfjes zijn lijven geworden, kippenvel krijgen we niet meer.

                       *

Het bijna-volwassen lijf belt ons met de vraag hoelang de lasagne in de oven moet en op welke stand. Ook wil hij weten waar de teken-tangetjes liggen ‘Want Moos heeft een teek. Ja, die heb ik niet ontdekt hoor, dat ontdekte S.’ S. is zijn vriendin die onze poezen liefdevol aait. 

                       *

Gisteravond lagen wij in ons Griekse bed toen de telefoon ging. 

‘Met mij, stoor ik?’

‘Nee hoor, we lagen net in bed’

(…)

Het blijft even stil en ik voel dat onze zoon op zijn horloge kijkt. Het is hier 22.30 uur. In Nederland is het een uur vroeger. Hij slikt van alles in en vraagt: ‘Zeg, welke fles rode wijn mag ik openmaken? J. en S. zijn hier en we willen wat drinken maar ik weet niet welke fles ik mag openmaken.’ J. en S. zijn vrienden die gezellig bij hem langskomen als wij er niet zijn.

‘O joh, dat maakt niet uit. Pak er maar een.’

Achter mij hoor ik zijn vader slaperig mompelen ‘Op het aanrecht staat een goede.’

‘Er staat nog een lekkere op het aanrecht’, herhaal ik. 

‘Oké, hoe is het verder?’ Ik zie zijn ogen gericht op de fles die hij open gaat maken. ‘Het gaat goed hoor, het is hier heerlijk!’ Mijn enthousiasme smoort in het (…) van onze zoon. Ik voel dat hij kijkt naar de fles rode wijn op het aanrecht. In zijn ooghoek zitten zijn vrienden.

‘Nou, prettige avond he?!’, zeg ik. ‘We zien elkaar zaterdag weer.’ 

‘Ja’, zegt hij. ‘Tot zaterdag!’ 

                    *

We worden nog maar een keer door hem gebeld. Over het zonnescherm dat niet meer omhooggaat. 

‘Ik bel wel even met de zaak van het scherm’, zeg ik, ‘Kan gebeuren joh. Het zal de motor wel zijn, dat gaat een keer stuk.’

‘Is goed, mam’, zegt hij mak, bezorgd om de reactie van zijn vader die niet houdt van kapotte zonneschermen. Ik bel met de leverancier.

‘Ik houd het kort want ik bel vanuit Griekenland.’ En ik leg uit wat er aan de hand is.

‘Geeft u maar het nummer van uw zoon, dan bel ik hem’, zegt de vriendelijke zonneschermenman. Ik app onze zoon dat hij gebeld wordt. Vier minuten later belt ons kind.

‘Mam, het was gewoon de stekker’, zegt hij beschaamd. ‘Ik had gefrituurd en dat wilde ik buiten doen. Toen heb ik de stekker van het scherm eruit gehaald en dat was ik vergeten.’ 

Ik lach. ‘Mooi dat dat het was! Tot gauw!’ 

                       *

Als ik neerleg denk ik aan de twee zachte lijfjes van toen. De lachende gezichten, het plezier, en de vele plonzen in het water. Naast ons hoor ik het buurmeisje. Ze lacht en springt weer in het zwembad. 

                        *

In de krant zie ik foto’s. Meisjes, ouders, vriendinnen. Een buurvrouw die de kinderen zou ophalen. Saffie Rose, Georgina en Olivia springen niet meer. Niet in koud water, niet in warm. Geen gelach, geen plons na het teruggooien van het kind in het zwembad, geen handdoek, geen opwarmend kindervel op ouderhuid.

                      *

De plassen naast het zwembad zijn weg. De zon schijnt. Het belooft weer een warme dag te worden.

                    ***

Verdwijnen

HERFST

De bomen roesten in het zieke licht

langs somber in zichzelf gekeerde grachten.

In wilde, stormdoorvlaagde regennachten

vertoont de maan een bleek, behuild gezicht
                          *

boven de lege straten, smalle schachten

waar in een onverbiddelijk gericht

de zomer langzaam voor het najaar zwicht,

terwijl de huizen op het einde wachten.

                         *

Tegen de morgen is de strijd beslecht.

Een vage geur van heimelijk bederven

heeft aan de moede wind zich vastgehecht.

                         *

Tussen een handvol dunne zonnescherven

heeft zich de zomer moeizaam neergelegd

om eenzaam en onopgemerkt te sterven.

                         ***

Hanny Michaelis (1922-2007)

Mijn vader verdwijnt. Zijn rolstoel groeit om hem heen als de hedera om onze schuttingpalen. Mijn vader verdwijnt in skai en staal. 

                        *

Vandaag draagt mijn vader zijn bordeaux-rode fleecetrui. De dieprode kleur past bij zijn getinte huid. Zo nu en dan zit hij in de zon op het balkon van het verzorgingshuis. Als een feniks herrijst mijn vader uit het woud van lukraak neergezette plastic stoelen met natte zittingen. Op het oranje balkontafeltje staat een asbak met peuken van alsmaar rokende verzorgers. Ook de asbak is nat. Peuken drijven als dode larven rond in regenwater.

                          *

‘Heerlijk, de zon’, zegt mijn vader daar op het balkon. En ik zie zijn huid langzaam kleuren. Rode wangen, een lichtbruine teint.

                          *

Toen ik zojuist zijn kamer binnenliep was hij weggedut. Zijn hoofd hangt licht voorover. De televisie staat aan.

                           *

Ik maak een beetje herrie, leg de post op zijn tafeltje, ritsel met de tas. Hij wordt wakker en kijkt op. ‘He, ben jij er?’, zegt hij.

‘Ja, zit je lekker televisie te kijken?’

Beiden weten we dat hij sliep. Maar dat is geen onderwerp van gesprek.

                           *

Na prietpraat en wat stiltes tussendoor heeft mijn vader opeens een verhaal. ‘Er was me een consternatie gisteren’, vertelt hij. ‘Iedereen was maar druk met mij. Ik kreeg zuurstof, mijn bloeddruk werd opgemeten, het was me wat.’ 

‘O ja, wat was er dan?’, vraag ik.

‘O, niks, er was niks’, antwoordt mijn vader.

                           *

Na enig doorzeuren kom ik erachter dat hij benauwd was. ‘Ik merkte er niets van’, zegt mijn vader. ‘Maar wat een consternatie…’ Hij lacht flauwtjes. Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Is het stoerigheid? Heeft hij echt geen last?  

                           *

Ik zit op zijn bed. Achter mij staat de televisie aan. Mijn vader zit voor mij en kijkt langs mij heen naar de beelden op t.v. 

                           *

‘Ik nam je schapenwollen deken mee’, zeg ik. ‘Je had het toch zo koud?’ Ik sta op en peuter de hoes open waar de deken in zit. De nooit-gebruikte deken liet hij zich ooit aansmeren door een gladde verkoper tijdens een senioren-uitje. Als ik de deken uit de hoes haal scheurt de hoes uit bij de rits. ‘Zonde’, zegt mijn vader.

‘Dat ding lag half te vergaan bovenop je kast pa’, zeg ik, ‘Geen wonder dat de hoes stuk gaat.’ Ik vlei de zachte deken op zijn bed. ‘Lekker toch?’, zeg ik en ik kijk hem aan.

‘Ja, hoor, lekker’, zegt hij. 

                            *

Mijn vader verdwijnt. Zijn gezicht verandert van glad en zacht naar dof en ingevallen. Zijn lichaam trekt zich samen als een in elkaar geduwde harmonica. Er komt geen muziek meer uit. Het stemt mij droevig.

                          *

‘Ik heb deze week nog gebeld met de Molenburg’, vertel ik. ‘De trajectbegeleidster gaf aan dat hier nog geen vaste kamer vrij is. In de Heemhaven is de wachttijd voor een kamer nog steeds zes tot negen maanden.’ Mijn vader reageert niet. ‘Het zou zo fijn zijn als we een kamer voor je kunnen inrichten met je eigen spullen.’ Ik praat tegen mijzelf. Ík zou het fijn vinden als hij tussen zijn eigen spullen leefde. Zijn eigen stoel, het tafeltje, de foto’s van zijn kleinkinderen, zijn Apple, het schilderijtje van de dessa. ‘Ik liep vorige week ook langs bij de client-begeleider van de Molenburg. Dinsdag komt hij met jou kennis maken. Misschien kan hij wat betekenen.’ Ík geloof er in. 

                          *

Mijn vader kijkt langs mij heen naar de beelden op t.v. Bijna is hij verdwenen in skai en staal. 

                         ***

Grapje


Boven de ingang van het verpleeghuis hangt in ronde, rode letters de naam, Molenburg. In het raam rechts boven de letters staan twee orchideeën. Het is het raam van mijn vader. Als ik goed kijk zie ik dat de tere, witte blaadjes er allemaal afgevallen zijn. 

                     *

Op dit tijdstip – het is vroeg in de middag – hoef ik geen code met een # in te drukken om binnen te komen. Nee, ik loop gewoon de wijkende schuifdeuren door, de gang in met de geur van net uitgedeeld eten en een vleugje kappersparfum van de kleine kapsalon naast de ingang. 

                     *

In de salon hangen drie droogkappen schuin omhoog aan de muur als satellieten wachtend op hun lancering naar de ruimte. Ik sluit even mijn ogen: het zijn de kappen waaronder mijn moeder 50 jaar geleden de Libelle zat te lezen met in haar blonde haar de dikke, ruwe krullers strak vastgezet met een plastic pin. Vlak daarna – als alles droog, uitgehaald en doorgekamd was – was mijn moeder een mevrouw.

                       *

Ik groet netjes de persoon achter de receptie en loop door naar de lift. Ik moet naar de eerste etage. Liever neem ik de trap maar ik heb geen idee waar deze zich bevindt. Uit het Grand Café klinkt samenzang van bibberige stemmen met een montere gitaar. 

                       *

Als ik kamer 102 binnenloop zie ik mijn vader zitten in de rolstoel voor het hoge bed. Het gordijn waarmee de kamer in tweeën gedeeld wordt is halfdicht. 

                         *

‘Ha pa, daar ben ik weer!’, zeg ik. 

Hij is blij. Ik zie het aan zijn ogen. 

‘Hoe gaat het?’, vraag ik.

‘Goed hoor’, zegt mijn vader. 

‘Het is prachtig weer, zullen we even naar buiten gaan?’, vraag ik. Mijn vader kwam vier weken niet buiten. Zijn huid is slap en grauw. 

‘Ja, leuk’, zegt hij. ‘Moet ik geen jas aan?’ 

‘Nee, dat hoeft niet, het is heerlijk buiten.’

                         *

In de gang komen we verzorgster Ingrid tegen. Ingrid rent de hele dag van kamer naar kamer. Zij ‘doet dit werk al haar hele leven.’ Ingrid is stoer en zij maakt graag grapjes. De tweede dag dat mijn vader opgenomen was in dit huis – vijf dagen na zijn heupoperatie – moest hij uit de rolstoel in bed worden geholpen. Ik ging maar even plassen. Bij terugkomst zei Ingrid dat mijn vader nog niet de Vierdaagse ging lopen. Ik zag mijn vader liggen in bed. De schouders omhoog getrokken, zijn gezicht nietig en klein in het kussen.

                          *

‘Hij is al 94 jaar’, zei ik, ‘En vijf dagen geleden geopereerd. Ik vind het een wonder dat hij nu al zit en zo lang uit bed kan.’ Ingrid vertelde dat naast mijn vader een vrouw van 101 verbleef. ‘En zij gaat al weer naar huis volgende week.’ Mijn vader verschrompelde in zijn hoge bed. Ik zei niets. 

                         *

‘Ik neem mijn vader mee naar buiten’, zeg ik als ik Ingrid op de gang tegenkom. Zij steekt haar duim omhoog.
Zodra we buiten zijn zegt mijn vader: ‘Heerlijk, de zon zo op mijn gezicht.’

En ja, het is heerlijk, de zon schijnt, er waait een zacht windje. Ik manoeuvreer de rolstoel de stoep op. 

‘Zullen we naar het park lopen?’, vraag ik.

Mijn vader vindt het best. ‘Als het niet te zwaar is voor jou’, antwoordt hij. Het is niet te zwaar. We lopen door een onbekende wijk, het zomergroen, opgefleurd door de regen van de afgelopen weken, doet pijn aan de ogen. De lucht is blauw met spierwitte wolken, het is de lucht van Hollandse meesters. Ik adem diep in. 

                         *

Achterin het park is een uitspanning. Ik stel voor wat te drinken.

‘Als je tijd hebt hoor’, zegt mijn vader.

Ik heb tijd. We zitten aan een tafel en ik hoop dat mijn vader zich weer een mens voelt. Een mens in de zon op een terras. 

                         *

‘Heerlijk’, zegt mijn vader, ‘Zo de zon op mijn gezicht.’

En ja, het is heerlijk. Wolken als wattenbollen jagen achter elkaar aan in de blauwe hemel. Het terras kijkt uit op een plas. Boten liggen aangemeerd aan de steiger. We zitten in een schilderij van Ruisdael, Weissenbruch. We drinken thee. De wangen van mijn vader kleuren langzaam rood.

                         *

‘Heb je het niet te warm?’, vraag ik.

‘Nee, het is heerlijk zo’, antwoordt mijn vader. En hij sluit zijn ogen.
Als we terugkomen in het verpleeghuis loop ik met de rolstoel naar het Grand Café. ‘Kijk, hier kunnen we ook eens wat gaan drinken’, zeg ik. Mijn vader staart naar binnen. Een man met gitaar tokkelt liedjes, Hollandse liedjes. Een vrolijke dame enthousiasmeert het groepje bewoners dat aan de tafeltjes zit. ‘Alle duifjes op de dam…’, zingt de vrolijke dame. Een paar bibberstemmen zingen mee. 

                         *

Als we terugkomen op de kamer zit ik nog even tegenover hem. ‘Het was heerlijk’, zegt mijn vader, ‘Heerlijk zo de zon op je gezicht.’

                         *

Ingrid rent naar binnen. Zij reddert wat met mijn vaders kamergenoot en snelt weer weg. Geen tijd voor een grapje. We staren haar beiden woordeloos na.

                      ***

De stad

  
 
Het Spaarne

Het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt voorbij.

                            *

Voorbij de stad waar niets meer wordt geladen,

er liggen voor de waag geen schepen meer.

Ze varen door want de bolders en de kaden

hebben plaatsgemaakt voor het verkeer.

                              *

En het Spaarne stroomt…

Zoals het steeds voorbij zal blijven stromen.

Het water gaat, wat blijft is de rivier.

En wat er ook voor andere tijden komen,

hij stroomt voorbij en blijft toch altijd hier.

                                 *

Het Spaarne stroomt…

Het Spaarne stroomt…

Voorbij de brug, voorbij de laatste huizen,

voorbij de werven en het stoomgemaal.

                              *

Het Spaarne stroomt, maar niet voorbij de sluizen,

het eindigt naamloos in een zijkanaal.
                          ***

Lennaert Nijgh (1945-2002)

Drie kussens steken boven de tuinbank uit. Ze staan fier rechtop en absorberen de zonnestralen met hun diepzwarte kleur. De poes kruipt op het kussen dat op de bank ligt. Hij krult zich op en zijn ogen gaan dicht. Het leven is verrukkuluk.
                         *

Vanochtend op de fiets was het snoeikoud: de aan mijzelf cadeau gegeven peperdure handschoenen hielden de snijdende wind niet helemaal tegen en mijn vingertopjes werden koud onder het zwarte bont dat zo haar best deed.

                         *

De tocht ging naar mijn geboortestad, Haarlem. In de veronderstelling dat ik daar ooit weer wil wonen fietsten we naar een appartement, gecreëerd in een voormalig RK-ziekenhuis. Het ziekenhuis waarin ons oudste kind geboren is, waar we een kaarsje in de kapel opstaken om de weeën te bespoedigen en waar een gezond, piepklein meisje werd geboren met een rood, rimpelig huidje en blond haar. 

Het kaarsje had niet zo goed geholpen maar de weeën- opwekkende middelen die langzaam uit de infuuszak door een doorzichtige slang mijn hand in druppelden deden hun werk. 

                           *

Met wangen, rood en ruwig door 12 kilometer noordenwind, komen we aan bij het nieuwbouwcomplex. Strak aaneengesloten staan de hoge en lage gebouwen tussen gifgroene gazons aan rechte straatjes haaks op elkaar. In de verte schittert het water van het Spaarne, het veroorzaakt goud-glinsterende vlekjes in onze ogen. We zetten onze fietsen in de stevige fietsenklemmen, in ieder straatje staat een rij klemmen, stil en recht als solide soldaten in het gelid.

                            *

Aan onze rechterhand zien we in onze ooghoeken het bordje ‘Open huis.’ Maar we zijn te vroeg. ‘Zullen we een rondje lopen?’, vraag ik en we lopen een rondje.

Aan het water ligt een mooie kade: de rivier glimt en glanst en stroomt langzaam langs de kademuren. Je ziet de stroom niet, maar je weet: er moet een stroming zijn, het is een rivier en rivieren stromen.

                           *

Het appartement hebben we gauw gezien: mooi, maar te klein en geen buitenruimte. ‘Leuk voor een persoon’, zegt mijn man. En ik ben het met hem eens. ‘Wel een persoon die €289.000,- kan betalen en dan heb je nog niet eens een garage erbij. Een garage kost €25.000,- extra’, zeg ik.

‘Zullen we nog even doorfietsen naar de stad?’, en dat doen we. 

                             *

Het is vroeg en de stad is stil. De fietsenstalling oogt leeg, is net open: vanaf 11.00 uur geopend staat met wit krijt geschreven op een bord. Van een 2 is een 1 gemaakt. Ooit was de stalling dus pas om 12.00 uur open. 

                             *

De stad is mooi, de zon schijnt en de wind lijkt hier minder guur. We eten een broodje, drinken koffie, bladeren in boeken en bekijken etalages. Bij de ecologische supermarkt kopen we frietaardappelen – de lekkerste – verse basilicum, tomaat en een bolletje Mozzarella. ‘Ik neem nog een pak mosselen mee en wat coquilles’, zeg ik tegen mijn man. Maar hij is op zoek naar het brood. Vanavond komt het rooiige baby’tje van weleer eten. 

                              *

We eten mosselen met frites en een knapperig stokbrood. ‘Even een kwartiertje op 200 graden in de oven, daarna een kwartier laten afkoelen. Dan heb je het knapperigste brood dat je ooit hebt gegeten’, zegt de aardige man in het Spaanse delicatessen-winkeltje.

‘Doet u ook maar een ons Spaanse ham, welke kan u ons aanbevelen?’ De man straalt en wijst ons op drie hammen. We kiezen de ‘hartige, pikante.’ 

                              *

Als we thuiskomen na weer een gure tocht zit ons jongste kind op de bank buiten in de zon. We pakken de boodschappen uit, het eten, de verse krant. Even later zit ik op de bank in de zon. Het is warm en stil. Naast mij krult de poes zich op en sluit zijn ogen.

                             *

Ooit gaan we in de stad wonen. Ooit.

                             ***

Halfvol

  

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato

de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht

ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo

ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht

                           *

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen

lig zacht te zingen antwoord op het licht

lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen

te zingen van het licht dat om en op mij ligt

                           *

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder

te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil

ik weet alleen het licht van wonder boven wonder

ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Hans Andreus (1926-1977)

De kortste dag van het jaar is daar. 21 december. De tijd van in het donker wakker worden, naar het werk rijden over zwarte wegen en weer terugkeren in de straat met onzichtbare, kale beukentakken was al eerder begonnen. Het sloop er gewoon in, de donkerte. En nu dreigt het vitamine D-tekort. De vitamine die het lichaam zelf aanmaakt door zonlicht. ‘Ik las onlangs dat vrouwen boven de 50 extra vitamine D nodig hebben’, beweerde mijn man laatst. 
                            *

Mijn man is vaak en graag met potjes vitaminen in de weer. Vroeger bezorgde hij de kinderen doorzichtige capsules naast hun bord die ze vol afgrijzen wegklokten met veel water of stilletjes lieten liggen onder de rand van hun bord. Dan lag na afloop van het ontbijt een doorzichtige capsule doorzichtig te zijn op tafel. Het gekke was dat de pil ondanks de doorzichtigheid niet de kleur van de tafel overnam. Hij lag daar als een wittig, kneedbaar raketje op tafel. De poes tikte er wel eens tegenaan. Dan rolde het raketje om zijn as op de grond waar het uiteindelijk – stoffig en plakkerig – werd opgezogen door onze hulp.

                             *

Nu zijn de kinderen groot. Zij dragen zorg voor hun eigen gezondheid. Onze bijdrage daarin beperkt zich tot het betalen van torenhoge ziektekosten-premies en het voldoen van onbegrijpelijke rekeningen en/of eigen bijdragen na apotheek- en/of tandartsbezoek. Die wij zuchtend en steunend overmaken, ons afvragend of wij deze nu wel of niet vergoed krijgen. Nooit overschrijden wij ons eigen risico met als gevolg dat we constant het gevoel hebben alles zelf te betalen. Wat nou, verzekerd?

                         *

Laatst nam onze dochter per ongeluk na het leren van een tentamen een stapel uitgepakte post – tussen haar aantekeningen terecht gekomen -mee van onze tafel. De jaarlijkse brief van onze ziektekostenverzekeraar zat ertussen. Bij het terugbezorgen ervan merkte ze op: ‘Wat betaal jij eigenlijk veel voor de ziektekosten! Dat wist ik helemaal niet.’ 

                         *

Ach, nee, ja, het is veel maar onvermijdelijk. Somber antwoord ik: ‘Zo’n verzekering is eigenlijk alleen echt handig als je in het ziekenhuis belandt en zware operaties of behandelingen moet ondergaan.’ En dan heb je er vrede mee, met de premie, de rekeningen, het eigen risico. Want laten we daar alsjeblieft niet terecht komen, in het ziekenhuis. En je bergt het stapeltje overzichten op in de map waarop staat ‘Ziektekosten’.

                           *

Tegenwoordig drukt mijn potjes-minnende man mij na het avondeten twee pilletjes in de hand. Kleine, witte, ronde. ‘Vitamine D’, zegt hij. En ik slik ze door met wat water uit de beker in zijn andere hand. Daarna kijken wij naar Breaking Bad. Naar ook een zorgzame man met een voorkeur voor verdergaande chemie dan een pilletje vitamine D. 

                           *

Het liefst maak ik vitamine D zelf aan. In de zon. Een prettige bijkomstigheid is dat je in de zon kan lezen en schrijven en je ogen dicht kan doen. Je kan dromen, eten, praten en zwijgen in de zon. Liggen, lopen en zelfs hardlopen is mogelijk, beschenen door de zon die het gezicht, het lijf en brein verwarmt als het straalkacheltje vroeger in onze koude badkamer. 

                             *

In de zon bruint de huid, het bloed stroomt sneller en tussendoor maakt je lichaam zelf de stofjes uit de witte pilletjes aan. Het is een wonder. Nu kunnen wij niet voortdurend op vakantie, naar de zon, wat jammer is maar onvermijdelijk.

                           *

Dus slik ik braaf mijn pilletjes, word ik wakker in het donker, ga ik in het donker naar het werk en kom ik in het donker thuis.

                           *

Het is wachten op 22 december: ‘dan gaan we weer de goede kant op’, zei gisteren mijn nog-niet-echte-maar-lieve schoonzoon. En zo is het. Het glas is altijd halfvol. Nog één dagje maar.

                        ***