Foto

                                                                            
Twee discjockey’s vullen de ruimte met loze praat. Hun stemmen gaan tegen elkaar in als pingpongballen van tafeltennissers die wild om zich heen slaan. Heel soms slaan ze een balletje over het net. 

Op een bordje voor mij staat in keurige letters:

Koffiepauze 10.30-10.45 uur

Lunchpauze 12.30-13.15 uur

Theepauze 15.00-15.15 uur.

                                                         *

Met een schuin oog kijk ik naar buiten door de glazen deur naar mijn auto. Deze staat netjes geparkeerd voor de bus waar ik zojuist inklom. Ik zit braaf op een bankje tegenover het bordje. Vaag hoor ik geluiden die van achter komen, mijn oren spitsen zich, ik hoor een lepeltje dat tikt tegen een kopje en zacht lachen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 13.13 uur. Mijn afspraak is om 13.25 uur. Dat is zo’n rare precieze tijd dat ik ervoor zorgde – geheel tegen mijn gewoonte in (‘Mam, jij bent altijd te laat’) – ruim voor 13.25 uur aanwezig te zijn.

                                                        *

Het erge is dat ik de afspraak die ik eigenlijk had – een paar weken geleden – geheel vergeten was. Het was de eerste maandag na terugkeer van onze reis naar China, dat leek mij handig. Ik was nog vrij en had dan alle tijd. De maandag ging voorbij en een paar dagen later dacht ik opeens aan de afspraak. Schuldbewust wilde ik bellen, uitleggen dat ik het vergeten was door mijn vakantie, maar het bandje verwees mij naar de site. Ja, de site. Dat ontsloeg mij van het maken van excuses. Ik maakte zelf een nieuwe afspraak via de site, vandaag om 13.25 uur op een plek die ik niet kende. Ik dacht dat het Haarlem-Noord was maar het bleek Schalkwijk te zijn. 

                                                       *

‘Het is daar bij dat winkelcentrumpje, vlakbij de Haarlemmerweg’, zei mijn man behulpzaam. Hij tuurde op het schermpje op zijn telefoon en ik verbaasde mij erover dat hij wist hoe dat werkte met het kaartje.

‘Zie je er tegenop?’, vroeg mijn zoon.

‘Ach, fijn is het niet’, antwoordde ik. Ik zei er niet bij dat ik er geen zin in had en er wel tegenop zag. Het doet ook pijn, nou ja, pijn, lekker is het niet. En het confronteert mij met dat waar ik liever niet aan denk. Mijn moeder, mijn schoonmoeder, mijn schoonzus. Ik denk aan de woorden van mijn broer: ‘Een bult zo groot als een tennisbal’ en ik zie de lieve Cootje voor mij in de zachte schemer van de ziekenhuiskamer. Ik ruik de lucht van ziekenhuis, adem het in. ‘Zorg je goed voor mijn zoon?’, vroeg ze. Een dag later was ze dood. 

                                                       *

Het is 13.15 uur. Ik hoor gestommel. Een dame van middelbare leeftijd neemt plaats achter het bureautje waarop het bordje met de pauzetijden staat. 

‘Goedemorgen’, zegt ze, ‘O nee, goedemiddag al.’

‘Goedemiddag’, zeg ik. Ik houd het ingevulde formulier zichtbaar vast en mijn rijbewijs trek ik uit het hoesje van mijn telefoon. Ik overhandig beide bewijsstukken van mijn komst en bestaan aan de dame. Achter haar staat een jong meisje. Ze lacht vriendelijk.

‘Uw huisarts heet dokter Prinsen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja’, zeg ik.

‘Weet u ook hoe de praktijk heet?’

‘Eeeh, nee’ en ik pijnig mijn hersens. Hoe heet de praktijk? 

‘Ik kom er bijna nooit’, zeg ik verontschuldigend.

‘Ik heb het al’, zegt de vrouw. Het meisje stapt naar voren en geeft mij een hand. 

‘U kunt zich hier omkleden, u doet de deur achter u op slot, alle bovenkleding mag uit.’  

                                                          *

Even later sta ik weer in het nauwe gangetje van de bus. ‘U krijgt binnen twee weken de uitslag’, zegt de dame vriendelijk. Met een raar soort opluchting verlaat ik de bus, loop het ijzeren trappetje af, naar mijn auto. 

                                                           *

‘Hoe ging het?’, informeerde mijn zoon ‘s avonds. Hij nam een hap pompoensoep. Zijn lippen kleurden een beetje oranje.

‘Ja, het ging’, zei ik. 

‘Wanneer krijg je de uitslag?’, vroeg mijn man.

‘Over twee weken’, zei ik. 

                                                            *

En dan kan ik het allemaal weer vergeten. Twee hele jaren lang.
                                                          ***

Advertisements

Spijt 


‘Je weet het niet, je weet het niet.’ Ik loop achter de oude man aan. Waar is Riet? Meestal doet zij de deur open. Een dame van 85 met een bob-kapsel en zware bril. Klein van stuk. Kwikzilverig. ‘Jouw papa, he? Die mag ik zo graag!’ 

                        *

Nu loop ik achter haar man aan het huis binnen. Een oude-mensen-huis met kleden op de vloer, een vaasje op de tafel en foto’s in de vensterbank. Zware meubels met daartussen potten met planten. Het grote raam biedt uitzicht op het bos. ‘Ik noem het mijn voortuin’, zei hij ooit trots tegen mij. 

                         *

Hij schuifelt naar de zacht-leren bank in de erker en gaat zitten. Ik neem ook plaats op het puntje. 

‘Je weet het niet’, zegt hij nogmaals. En hij drukt mij een lichtgele kaart in mijn hand. Ik zie een bob-kapsel, een zware bril. 

‘Is ze overleden?’, vraag ik tegen beter weten in. En ik denk aan mijn man die een paar weken geleden zei ‘Moet je niet eens langsgaan?’ En mijn antwoord ‘Na onze vakantie ga ik.’

                          *

En nu is Rietje dood. De vriendin van mijn vader die hem altijd uitnodigde voor haar Indische rijsttafel. De wijn die haar man Daan voor mijn vader – die nooit dronk – tevoorschijn haalde uit de wijnkelder. ‘Ik neem altijd wel een glaasje’, vertelde mijn vader die niet durfde te weigeren. ‘Hij heeft er veel verstand van’, voegde hij er altijd bewonderend aan toe.

                       *

Tien maanden geleden schuifelden Rietje en Daan samen over het middenpad van de gedenkruimte naar de kist van mijn vader. Zij, die moeilijk liep – ‘Ik heb een klapvoet, lastig hoor!’ – hield Daan, die bijna niets zag door een voortschrijdende oogziekte – stevig vast. Een gekrompen echtpaar op weg naar weer een verdwenen vriend.

                          *

Ik zit naast Daan die vertelt over de operatie van Rietje en alles wat daarna misging. Haar optimisme ‘Laten we een paar weken naar de zon gaan’, afgewisseld door sombere buien: ‘Ik ga de pijp uit.’ 

                         *

‘Ik heb je nog gebeld maar ik kreeg heel iemand anders aan de lijn’, beweert de bijna blinde. Hij laat mij mijn telefoonnummer zien in het oude klappertje. Het klappertje heeft een stoffen omslag.

‘Dat is mijn nummer’, zeg ik. 

                          *

Maar Daan vertelt verder. Hij praat over Rietje, over zijn interessante werk-leven, over Trump, Indie, wijn. Hij praat en hij praat. Ik denk aan Rietje, ik probeer zijn verhalen te volgen en op de juiste momenten in te hummen. In mijn ooghoek zie ik de lichtgele kaart als een wazige vlek op tafel liggen. Daans verhaal wordt eenmaal onderbroken door zijn zoon die op deze dag het huis schoonmaakt. ‘Ze zorgen goed voor mij’, zegt Daan. 

                         *

Als de zoon na een tijd weer verschijnt stap ik op. Daan legt zijn hand op mijn schouder. Zijn ogen zijn vochtige streepjes. ‘Ze was erg op je gesteld’, zegt hij.

                         *

Buiten schijnt de zon. Daans voortuin – het bos achter de vijver – is nog uitbundig groen. Kroos ligt op het water. Ik fiets langs de vijver waar Rietje vorig jaar met de auto in terecht kwam ‘Geen idee hoe dat nu ging. Ik ben zo geschrokken!’ 

                             *

Ik wist het niet, ik wist het niet.

                            ***

Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Gehaktballetje


Een heer met een krulsnor en een vrouw met Reebok-wandelschoenen zitten schuin tegenover mij in de koele wachtruimte van Schiphol. Ik draag dezelfde schoenen als de vrouw. Reebok, zwarte wandelschoenen en zo te zien ook maat 38. De schoenen lijken op gympen, daarom kocht ik ze. Ze zagen er niet al te erg uit. 

                         *

De Reebok-vrouw maakt oogcontact met de heer tegenover haar. Een pluizige kring lichtgrijs haar zweeft als een halo rond zijn voorhoofd en slapen en eindigt van achteren gek genoeg in een paardenstaartje. Een zwart elastiekje houdt het staartje op zijn plaats.
                      *

‘U reist ook met SAWADEE?’, vraagt de vrouw met mijn schoenen aan de man. 

‘Ja’, zegt het paardenstaartje. 

Aan zijn rugtas, die naast mij in een stoel staat, hangt een kaartje waarop staat: SAWADEE. 

‘Je haalt ze er gelijk uit’, glundert de vrouw. Haar man naast haar knikt. Zijn grijze snor beweegt lichtjes mee, de puntjes zijn mooi gekruld. Ik zie zijn dikke duim en wijsvinger ‘s ochtends de snor zorgvuldig krullen. Mijn vingers bewegen met deze gedachte mee; duim tegen wijsvinger, een beetje vet ertussen en draaien maar.

                       *

De Reebok-dame pakt haar telefoon.

‘O God’, zegt mijn man, ‘Ze zal toch niet gelijk een WhatsApp-groep aanmaken?’ Maar dat doet ze. Resoluut tikken haar vingers op de telefoon. Naast haar komt een dame zitten met grijs, kortgeknipt haar. Zij is ook op reis met SAWADEE. Deze dame draagt echte wandelschoenen: hoge beige, met rood-witte veters door koperen lusjes, strak aangetrokken. Haar man zit schuin tegenover haar. Schutterig staat hij op en schudt zijn mede-SAWADEEERS de hand. ‘Leo’, zegt hij.

                        *

‘Hij lijkt op opaatje’, fluister ik in mijn man’s oor, ‘je weet wel, opaatje met de filmcamera.’ Ooit maakten wij een groepsreis door Israël. In de groep zat opaatje. Hij droeg een camera van ontzagwekkend formaat op zijn schouder. Alles en iedereen filmde hij. 

                        *

Onze medereizigers, waarvan velen een Christelijke achtergrond hadden, wisten alles van de bijbel en het bijbelse landschap waar wij doorheen reisden. Een Duitse leraar in onze groep sprak Jezus’ Bergrede uit. We hoorden de woorden en staarden naar de rode heuvels rondom ons. 

                       *

Tijdens de reis bezochten we ook Yad Vashem, het Israëlische Holocaustmuseum. Met betraande ogen verlieten we de herdenkingsruimte waarin we de namen van vermoorde kinderen hoorden. Benjamin Blitz, Jetje Israëls, Aaron Stern. Met op de muren om ons heen foto’s van de kinderen, levensgroot geprojecteerd.

‘Dat viel een beetje tegen, he?’, hoorden we iemand zeggen terwijl wij als hulpeloze drenkelingen, overmand door verdriet, tegen een warm rotsblok hingen.

                        *

Vandaag reizen wij naar China. Met een heleboel Chinezen en een paar Nederlandse baby-boomers die vanaf nu verenigd zijn in de SAWADEE-app-groep.

‘De reisleiding is nog niet bekend’, hoor ik de Reebok-mevrouw spijtig zeggen. Ze had de groep graag compleet gemaakt. Haar steile, bruin-geverfde bob-kapsel valt naar voren als zij licht vooroverbuigt en op haar schermpje tuurt als een ekster naar een zojuist door een  ander leeggeroofd sieradendoosje. 

                   *

Even later zitten we in het vliegtuig. We hebben de stoelen 35 A en B. Ik zit aan het raam. Als we een eindje op weg zijn zie ik opeens een lichtje links van mij in de donkere nacht. Een ander vliegtuig? Nee, het is het lichtje op de vleugel van ons vliegtuig. Ik kijk de donkerte in en ik volg het lichtje. Een lantaarntje in de nacht. Heel even denk ik aan de MH17 en het laatste appje dat we vlak voor vertrek van onze zoon ontvingen: ‘Sms-en of appen jullie mij als je er bent?’

                            *

De Chinese buurman van mijn man op stoel 35 C peutert in zijn neus. Zijn purkje dropt hij naast zich in het gangpad, vlak voordat de opgewekte stewardessen met de maaltijdkar verschijnen. 

‘Doet u mij maar de hutspot met gehaktballetjes’, zeg ik. 

                         ***

Ongelukje 



Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wij maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
 

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

 

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale 

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –


Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

                      *

‘s Avonds laat hoorde ik boven een stem en een vloek. De stem die door een telefoon sprak was van mijn man. De vloek ook. Ik had geen zin in de stem noch in de vloek. Ik nestelde mij op de bank voor de tweede helft van de avond en ik keek naar de film Room. 

                       *

Ooit zag ik deze film over een jonge vrouw – door Old Nick opgesloten in een schuur – in de bioscoop. Old Nick kwam zo nu en dan langs. Dan verstopte Joy haar vijfjarige zoon Jack in Wardrobe. Jack keek stiekem door de paneeldeurtjes naar zijn moeder, zag de contouren van Old Nick en telde de piepjes die het bed met zijn moeder en Old Nick erin maakte. Als Old Nick weg was tilde zijn moeder Jack weer over naar haar bed. Samen sliepen ze. Totdat het licht van Dakraam hen wekte.

                        *

Ik weet niet waarom ik voor de tweede keer naar deze wondermooie maar gruwelijke film keek. Waren het de ogen van Jack? De blik van zijn moeder? De dreiging van Old Nick? Angst die we allemaal wel eens voelen al is het maar in onze dromen? Ik zat op de bank met onder beide handen een poes. Tijdens het kijken frummelde ik in hun vacht en draaide ik krulletjes in het zachte haar. Ze vonden het best, spinden zelfs.

                       *

Daarna ging ik slapen. En ik droomde van een huizenruil en de benauwenis van de onvoorstelbaar slechte ruil van ons huis met een krappe studentenflat. 

                        *

‘s Ochtends vertelde mijn man mij over de vloek.

‘Max belde gisteravond dat hij met mijn auto een aanrijding had in een parkeergarage in Amsterdam.’

‘Misschien is het wel goed dat hij nu zo’n ongelukje heeft’, vervolgde hij. ‘Daar schrikt hij misschien van en rijdt daarna weer voorzichtiger.’

                          *

Ik knikte. Dat zou kunnen. En ik dacht aan mijn eerste ongelukje met mijn vaders auto. Mijn vader reageerde nauwelijks op de schade en mijn trillende benen. ‘Het kan gebeuren’, zei hij. Het is alweer zo lang geleden. Ik wilde nog vragen aan mijn man: ‘Vloekte je tijdens of na het gesprek met Max?’ Maar ik liet het zitten.

                        *

Onze zoon kwam ‘s ochtends vroeg thuis. Aangenaam verrast door zijn laconieke ouders. Van schrik vergat hij zijn ochtend-humeur. Opgewekt ontbeet hij met ons mee.

                        *

Ik dacht nog even aan mijn droom en de benauwenis van de huizenruil en die aftandse een-kamerflat. Ik wilde het vertellen maar ik liet het zitten. Het leek onbelangrijk.

                        ***

  

KL 897


Een vliegje in de herfst, 

vliegt tussen de takken van een berk- 

geur van bladeren, 

natte aarde- 

en tussen die takken is niets 

en tussen die en die, 

het vliegje denkt misschien: 

de spin is een verzinsel, het eerste web 

moet nog worden uitgevonden! 

Het wordt donker, 

de maan komt op, 

oud bos, 

slingerende paden, nauwelijks lanen, 

de moed om te verdwalen 

bijna gemist. 

Toon Tellegen 

Vannacht droomde ik over mijn moeder. Wij aten in een chic restaurant naast het station. Nooit at ik met mijn moeder in een chic restaurant naast het station. Mijn zoon kwam ook in de droom voor, hij was nog klein. Mijn moeder is dood, verloren uit hart en oog. Mijn zoon is groot.
                         *

Ik kijk naar boven. Er is veel hemel. Nazomerwarmte valt neer als een warme doek over een kil aanrecht. 

                         *

Spinnen die leep wachten in hun draden op schokkerig-bewegende vliegjes en muggen. Een draad spant zich vlak boven mijn hoofd alsof het mij de weg wil versperren en mij zal doorklieven als stiekem gespannen ijzerdraad op een stille landweg.

                          *

Over een paar dagen vliegen wij weg van dit alles. Ik weet niet goed wat ik moet verwachten, wat gek is want ik heb het reisplan goed bestudeerd. Beijing, Chengdu, Guilin, Yangshuo, Ping’an, Shanghai. Het doet mij denken aan de rijtjes die wij vroeger uit het hoofd leerden en waarvan we maar moesten raden wat het betekende. Mit, nach, nebst, samt – het was iets met een derde naamval.

                       *

De reis is iets met onze dochter. Zij is daar nu, in het abstracte China waar zij haar eigen lijn trekt. Wij trekken parallel aan haar lijn een paar streepjes en vertrekken daarna weer. 

                      *

Warme lucht met opgezogen vuil en stof zal daar op ons neerslaan. Volgens ons kind zijn er slangen en wilde honden in de bergen. De bergen hebben rare vormen en zijn bebost. Als harige pukkels steken ze uit in het dromerige landschap. Over spinnen hoorde ik haar niet. 

                       *

Nieuwe dromen vormen zich in ons onnavolgbare brein. Dromen over levende dochters en grote zonen, – uit het oog, in het hart.

                    ***

Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***