Tussentijd


Lieve critici, ik vrees

dat ik geen doel of doelgerichte

lijn in de loop der jaren lees

van mijn duizenden gedichten.

                     *

Ik blijf een ventje dat maar schrijft

en nauwelijks wil weten

of zijn bekladdering beklijft

of gretig wordt vergeten.

(…)

Leo Vroman (1915-2014)
Uit: ‘Daar’, 2011.

Het is tussentijd, de tijd tussen de kerstdagen en het nieuwe jaar. De tijd waarin men vraagt: ‘Ben je vrij?’ of wenkbrauwen ophalend: ‘Werk jij tussen Kerst en Oud en Nieuw?’ 
                      *

Soms werk ik in de tussentijd, soms niet. De weken voor en na Kerst waren vroeger enerverend en omgeven door onmin, zwijgen en ziek zijn. De ruzie om de grootte van de kerstboom was het startsein voor de feestdagen. Mijn moeder wilde in ons hoge herenhuis een grote boom, mijn vader, – die het ding moest halen en later opruimde, wilde een kleinere. Wij kinderen werden altijd ziek zodat we eindigden met een mini-kerstboom op de slaapkamer van onze ouders. Hoe de kleine, versierde boom daar kwam herinner ik mij niet meer. Het zal mijn moeders idee geweest zijn die mijn vader zuchtend uitvoerde. Ik was verdwenen in snot en slijm en stak mijn hoofd onder de polyester lakens en oranje sprei van mijn ouders bed. De grote boom stond treurig en majestueus in de statige woonkamer. 

                        *

Hier is het stil. Vredig kan je het noemen. Geen onmin, snot noch slijm. Het is tussentijd. Tijd om na te denken. Twee en een half jaar geleden begon ik met dit blog, gewoon leuk, uitproberen of het wat was, of ik het nog kon, schrijven. En het ging. Vele verhaaltjes later ging mijn vader dood. Hij was een dankbaar onderwerp van de verhalen dit jaar. Of hij het wist? Nee, ik denk het niet. 

                        *

Mijn kinderen zijn groot. Soms schreef ik over hen. Ze vonden het goed. Mijn man stuurde ik de blogjes toe en hij reageerde: ‘mooi’, ‘goed’, šŸ™‚ Trouwe lezers heb ik en dat is fijn. Opdoemende duimpjes ‘s ochtends, van Helene, Annemarie, Loes, Carina, Danielle, Michael…Ook collega’s schoten mij aan. ‘Mooi geschreven!’ en dan was de dag goed. Dank jullie wel. 

                        *

Nu ga ik op zoek naar het Grote Verhaal. Structuur, opbouw, vallen, opstaan. Maar ik ga het proberen. De tijd voor de blogjes wend ik aan voor het Grotere, Onzegbare en Moeilijke. Een boek? Wie weet. Ik ga het proberen. En misschien schrijf ik tussendoor nog een klein verhaal. Om te oefenen, voor een duimpje, een oplichtend rood bolletje.

                         *

Tussentijd is het en zal het zijn. 

                       ***

Advertisements

Scheur


Het huis van mijn vader is leeg. In de gang hangt een lucht van niet-doorgespoelde douche. Een geur van verrotte aarde die in je neus blijft hangen als de gore uitlaat-lucht in je auto van een oud barrel dat vĆ³Ć³r je rijdt. Ik sprenkel wat schoonmaakmiddel op de tegels en ik zet de douche aan. De rotte geur vermengt zich met de frisheid van limoenen. 

                           *

In de woning strekt een zee van zandkleurig marmoleum zich als een gladde woestijn voor mij uit en ik wandel over de vlakte naar de ramen in de woonkamer. Ze zijn vies. Zwart fijnstof hecht zich aan het glas. Lichtjes van auto’s en vrachtwagens bibberen door de schemer van de namiddag en bewegen zich over de rotonde als slangetjes Dinkey-Toys, de kleine autootjes waar mijn broertje vroeger altijd mee speelde. Hij had er zelfs een lichtblauw koffertje van plastic voor, met zo’n gespje. Daar zaten de autootjes netjes geordend in. De randen van het koffertje krulden een beetje om van het vele gebruik, het open en dichtdoen. 

                           *

In de keuken staan nog wat schoonmaakspullen: een stofzuiger, een stoffer en blik met kleine puntjes aarde aan de uiteinden van de stoffer, geranium-aarde van het balkon. Een paar vieze doeken hangen slap over de rand van een oranje afwasteiltje. 

                           *

Het is koud. Het wachten is op de man die de laatste inspectie van de flat uitvoert. Daarna komen de ‘potentiĆ«le huurders’, zoals de dame van de vastgoed- en verhuur-maatschappij ze noemt. ‘Zij willen misschien de vloer overnemen, de gordijnen, de rol-gordijntjes en de luxaflex’, aldus de dame. Ik staar naar de gordijnen die in zachte plooien voor het raam naar beneden vallen. Geheel tegen zijn gewoonte in kocht mijn vader – zonder eerst alle consumentengidsen uit te pluizen – alles voor de nieuwe flat bij een gerenommeerde woning-inrichting-zaak. Ik nam hem daar mee naar toe. ‘Je mag nu wel eens iets goeds voor jezelf kopen’, had ik hem gezegd. En: ‘Deze zaak verleent goede service. Als er wat is kan je ze altijd bellen en komen ze direct.’ Met mijn kreupele vader – hij brak een paar maanden voor de koop van de vloer zijn eerste heup – hobbelde ik de gerenommeerde zaak binnen. Een verkoper schoot op ons af. 

                          *

Na veel wikken en wegen koos mijn vader een zandkleurige vloer, roomwitte gordijnen, twee rolgordijntjes-op-maat en een luxaflex voor de slaapkamer. Het was een rib uit zijn lijf. Hij streelde met zijn vinger over de staal van de vloer: ‘Heb ik nu de goede kleur gekozen?’, aarzelde hij. En ik bevestigde dat het de goede kleur was. ‘En fijn zo’n gladde vloer, pa, dan kan je niet meer vallen. Gemakkelijk schoon te maken ook.’ Hij zuchtte en zwichtte. 

                         *

Ik zit voorzichtig in de koude vensterbank, bang dat deze op het laatste moment nog zal doorbuigen. Ik wacht en het wordt donkerder buiten. Het is koud. Ik ril.

Misschien is het toch beter de verwarming aan te zetten, dat voelt behaaglijker en wellicht leidt dat tot een goede stemming onder de potentiĆ«le huurders. Ik draai de verwarming open in de kamer en het naastgelegen kamertje. 

Bijna direct voel ik warmte de kamers binnen stromen en ik denk eraan hoe mijn vader hier zat, al die zondagen, kijkend naar Buitenhof en dat ik tegen de verwarming aan ging staan, de palmen van mijn handen eraan warmend waarop mijn vader binnenkwam met koffie, een appel in partjes en een geroosterde boterham. 

‘Wat is het hier toch heerlijk warm!’, merkte ik dan op. Waarop mijn vader zei dat het kwam doordat ‘s ochtends de zon in de flat scheen en dat hij daardoor bijna altijd pas ‘s middags de verwarming hoefde aan te zetten.

                       *

De bel gaat. Ik loop naar de telefoon in de gang, druk op het spreek-knopje, daarna op het open-de-deur-knopje. Vaag hoor ik door de hoorn beneden in de hal de zoemer van de deur. Ik wacht in het halletje van de flat en ik ruik nog maar een klein zweempje aarde-geur. De inspectie kan beginnen.

                        *

Een energieke dertiger met een beugel – ‘Ik ben Benno’ – loopt de flat door, betast de muren, kijkt naar de woestijn die ik zo netjes heb gezogen. 

‘De spullen in de keuken nemen we nog mee’, zeg ik, die een beetje verloren achter hem aanloop. Benno knikt, schrijft iets op papier dat op een houten plankje bevestigd is. Hij wrijft met zijn hand over de keukenkastjes. Een grote scheur loopt over het fineer van het bovenkastje van links-beneden naar rechts-boven. ‘Was dit al?’, vraagt Benno. ‘Geen idee’, antwoord ik, ‘Maar mijn vader kon er niet eens bij en heeft zeker niet deze scheur veroorzaakt.’ Benno knikt en schrijft weer iets op. Mijn oog valt op de plint van de keuken. Tussen de deur en het oventje lag het hoofd van mijn vader. Bij zijn tweede val was hij daar tegenaan gekomen. En nu zie ik heel vaag drie donkerrode streepjes op de beige muur-tegels. Ik post mezelf tegen de plint in de hoek. 

‘Bent u het rooster tegengekomen van de magnetron?’, vraagt Benno, ‘Zo’n rooster op pootjes?’ ‘Nee’, zeg ik. En ik denk aan al die vuilniszakken en dozen vol met keuken-rotzooi. Benno schrijft.

                         *

‘Het ziet er verder netjes uit’, zegt Benno genadig. En toen ging de bel. Het zijn de potentiĆ«le huurders. Twee jonge mensen uit Zwolle. 

‘Mijn vriendin heeft een baan gekregen hier, in het ziekenhuis’, verklaart de jongen. Hij heeft een open gezicht met grote, groene ogen. Het meisje draagt een legging in warme laarsjes. Ze lacht verlegen. ‘Mogen we wat foto’s maken?’, vraagt de jongen. En dat mag. 

‘Mogen we er nog even over nadenken?’, vraagt de jongen. Benno kijkt bedenkelijk. Dat kan eigenlijk niet. 

‘En mevrouw wil ook graag weten of jullie de vloer overnemen anders moet deze er nog uit’, zegt Benno streng. 

‘Als we het huren willen we de vloer graag overnemen’, zegt de jongen. ‘Maar we hebben nog twee andere bezichtigingen.’ Benno aarzelt. ‘OkĆ©’, zegt hij narrig. ‘Dan krijgen jullie de tijd tot maandag vijf uur.’ 

Hij krabbelt wat op een blaadje en geeft het aan de jongen. ‘Voor die tijd moeten we het weten. Anders redt mevrouw het niet de vloer er op tijd uit te halen.’

                        *

Benno beent weg. Ik laat de potentiĆ«le huurders de bergingen zien, boven en beneden. ‘Is het strand dichtbij?’, vraagt het meisje.

‘O ja, dat is twintig minuutjes fietsen’, antwoord ik. 

                        *

Maandag om vijf uur krijg ik een belletje. Ze huren het. We worden het eens over de vloer, de roomwitte gordijnen, de rolgordijnen en de luxaflex. Ik ontvang een berichtje op mijn telefoon: ‘Kunnen we elkaar vinden in ā‚¬ 80,-?’ Ik tik terug: ‘Ja, is goed’. En hiermee verkoop ik mijn vaders rib en eindigt het avontuur door de woestijn met de zon die ‘s ochtends zo lekker scheen, de behaaglijke middagwarmte en het lichte bewegen van de roomwitte gordijnen door de onzichtbare, zich omhoogwerkende stroom van warme lucht langs het koele glas.
                       ***

Plantje

Dance Me to the End of Love

(…)

Dance me to the end of love
Dance me to the end of love
Dance me to the end of love

Leonard Cohen (1934-2016)
                          

‘Ik vind Gerbrand Bakker een geweldige schrijver’, zeg ik als ik zijn wekelijkse stukje heb gelezen in de krant.

‘Ik vind het helemaal niks’, zegt mijn man.

En dat begrijp ik niet. Hoe Bakker schrijft dat hij wandelt met zijn hond, kraanvogels ziet overvliegen en nog een groep lager vliegende kraanvogels en dat die vogels na een beetje passen, meten en door elkaar heen fladderen samen doorvliegen naar het zuiden.

                       *

Gerbrands nieuwe hond – met de geweldige naam Joop – blaft niet als de vogels weg zijn. En Gerbrand Bakker vindt dat jammer, het had zo mooi gepast in zijn stukje. Ik glimlach. Ik zie hem lopen met de niet-blaffende Joop en de vogels die over het dal in de Eifel vliegen in van dat grijze gehaktballenweer. Van dat weer dat wij ook hier hebben. Weer als een deken van grauw vocht.

                            *

Verderop in de krant lees ik een interview met Rutger Bregman. Rutger is 28 jaar en hij heeft al vier boeken geschreven. Hij citeert – als het over de liefde gaat – zijn moeder: ‘Ik word eigenlijk van iedereen moe, behalve van je vader.’ En ook dat is geweldig, zo’n definitie van liefde. 

                      *

En ik kijk naar mijn man die na het ontbijt stofzuigt – hij kondigde dat vĆ³Ć³r het ontbijt reeds aan – en daarna alle was die wij laten liggen naar boven meeneemt en het maakt niet uit dat ik zeg dat ik zo een kerstboom koop waar weer rotzooi van komt, hij zuigt. Wel laat hij de stofzuiger liggen voor na de komst van de boom. Dan zuigt hij weer. Hij vraagt of ik nog wat heb voor de bonte was. En ik word er niet moe van.

                       *

En als ik vertel dat ik zaterdagochtend op het t.v.-tje van het fitness-apparaat een interview met de schrijfster A.S. Byatt zag dan weet hij wie dat is. ‘Vorige week werd er veel over haar geschreven in de krant’, zegt hij. En dat is zo.

‘Het is jammer dat ik niet de rust heb gewoon overdag eens te lezen’, verzucht ik en ook dat begrijpt hij. Hij las afgelopen donderdag overdag op de bank een boek maar greep toch vaak naar ‘dat ding’. Daar bedoelt hij de telefoon mee waar ik ook niet vanaf kan blijven.

                        *

Ook wordt hij niet moe van mij als ik zeg dat het plantje in de vensterbank zo leuk bloeit en ik vraag hoe we eigenlijk aan dat plantje komen. ‘Jezus, mam,’ zegt mijn zoon, ‘Dat heeft hij echt al een keer uitgebreid verteld.’ En opeens herinner ik mij dat mijn man dat vertelde. Het plantje waarmee hij op de foto stond in een boekje dat een kunstproject was met allemaal mensen met plantjes in hun handen. Dit was het plantje dat hij vast had. ‘Het bloeit nu zo mooi’, zeg ik. Maar ook dat scheen mijn man al een paar keer gezegd te hebben.

                          *

En zo gaat het, met het leven, de liefde. Soms raken sporen elkaar als twee zwermen vogels die over elkaar heen vliegen en met een beetje passen en meten en wat tijd samen doorvliegen naar het zuiden.

                         ***

Tijd


Hieromtrent

(…)

In een verzonnen of net even te hardop gedroomde

werkelijkheid valt een wonderlijke gloed over alles, de tijd moet

de tegengestelde richting zijn ingeslagen

om op deze vroege ochtend verzeild te raken

waardoor dadelijk het vermoeden rijst

dat het verleden onveranderlijk synchroon met ons loopt –

(…)

Hans Tentije

De afgelopen weken is er van alles verwaarloosd. Man, kinderen, gezondheid, sporten. Maar vorige week vrijdag stond ik tijdens een verlaten lunch-uur opeens wat onwennig op mijn schaatsen. Alle schoolklassen van de ochtend waren weg. Die van de middag waren onderweg. Een paar oude heren zoefden aan mijn linkerhand voorbij. Je kan het lang doen, schaatsen, zag ik aan die taaie mannetjes. 
                         *

Voorzichtig zakte ik een beetje door de knieƫn en ik strekte mijn rechter- en daarna mijn linkervoet schuin naar voren over het ijs. Mijn blik was gericht op de ijsvloer die glom en spiegelde als een glasplaat. Er was een tijd dat ik het ijs te glad vond. Met andere woorden, er kroop een onbedwingbare angst in mijn hoofd voor het ijs. Als een lintworm kronkelde de angst door mijn brein, terwijl het lichaam best wist wat het moest doen. Door de knieƫn, je rechtervoet en daarna je linkervoet naar voren steken.

                          *

En het ging goed, die afgelopen vrijdag op het ijs. Het was alsof de lintworm een dutje deed, de onbedwingbare angst een ommetje maakte. En al schaatsend vielen de weken weg. 

                          *

Al zwierend en rondjes tellend verloor de tijd betekenis en kwam er een mechaniek op gang van in elkaar grijpende radertjes als in een high-tech koekjesfabriek. Bewegen als automatisme, van links naar rechts, in het ritme van voortgaan op ijs.

                         *

En nadat gedachten zich die vrijdag verloren in regelmatige slagen kwam tijdens de koffie er zomaar eentje op. Dat ik dit jaar ik Ć©Ć©n gedicht minder schrijf.

                       ***