Alle dagen feest

 Gekleurde vlaggetjes bewegen in de wind. Kleurige vierkantjes en driehoekjes met kwastjes aan de onderkant. Sommigen hebben een ingenaaid spiegeltje in het midden of, nee, een beetje aan de onderkant.
                         *

De slinger als een geheugensteuntje voor de middag en avond ervoor. Met eten en drinken, gelach en gepraat, twee poezen die kroelend hun weg zoeken tussen aaigrage handen. 

                          *

Nu is het stil op het zoemen van de ijskast na. Koud geworden etensresten en overblijfselen liggen als kleine lijkjes naast elkaar in dozen, afgesloten met een onverbiddelijk deksel. Geur en kleur gestold in kou.

                          *

Voor mij liggen plastic glazen, half ingepakt nog in strak plastic folie. In een vrolijk met bloemetjes bezaaide slabak. Ik voel aan de plastic zak die er ook in ligt. Plastic vorkjes en messen rammelen op mijn op-en-neer-bewegen.

                         *

In de krant lees ik mooie verhalen van columnisten als Gerbrand Bakker en Marjolein van Heemstra. Zij schrijven over alledag. Kleine gebeurtenissen waar je met belangstelling kennis van neemt. Het regelen van een internet-aansluiting in Duitsland, de laatste borstvoeding van een boze baby. Wat doet je verder lezen? Het gewone, het dagelijkse dat mooi beschreven tot je komt. In letters, woorden en zinnen. Herkenning: een internetaansluiting in een nieuw huis. Altijd iets om tegenop te kijken. Hoe zal het aflopen bij Gerbrand, daar in zijn Duitse huis?

                       *

Een eisende baby die zijn moeder opeet, energie uit haar laat vloeien maar haar laat inslapen als hij nog een keer mag drinken. Bij haar. Onwillekeurig gaan de gedachten uit naar de eigen baby. Zacht en warm, op de gekste momenten van dag en nacht bij je. De baby van Marjolijn is zes maanden. Die van mij bijna achttien jaar.

                         *

Opeens tikken zachte druppels op het doek van de parasol. Ik red de klapstoelen, de friteuses, de barbecues en de krat met lege pilsflesjes. Ik til ze naar binnen, in de gang tegen de muur, op het aanrecht, lukraak in de schuur. Ik ben te laat voor de parasol. Het doek is al nat. Ook de vlaggetjes worden nat. 

                         *

Zachtjes bewegen ze in de wind. De natte vlaggetjes. Alle dagen feest.

                         ***

 

Werkdag

 ‘s Ochtends vroeg fiets ik door de Bollenstreek: twee potige mannen staan op het veld. Bruine stengels staan als rechtopstaande sigaren in een zanderige doos. Stengelresten, overgebleven van de tulpen van weleer. Rechte voren snijden het veld in reepjes. 
                       *

De potigste man doet aan de ander voor hoe je een krat tilt. Ik rijd te hard om te zien wat er precies in zit. De stengelrijtjes staan precies recht achter elkaar op het veld, zo ver je kijken kan, tot aan de einder. Even verderop trekt een tractor diepe voren in het veld. Een vrouw harkt in de showtuin blaadjes bij elkaar. 

                          *

Een vredig beeld. Een beeld dat doet denken aan eenvoud van bestaan: schoffelen, ploegen, zweten en tillen. Het leven teruggebracht tot aarde, vruchtbaar land, zaaien en oogsten. 

                       *

De tegenstelling met de wereld waar ik naar toe fiets van denken, computers, beleid, strategie en politiek is zo groot. Het is bijna niet voorstelbaar. Hoe overbrug je natuur en harde grond met snelle ICT en toekomstdenken?

                           *

De rit op de fiets ordent de gedachten tussen oude en nieuwe werelden. De wereld van Merijntje Gijzen en de wereld van Whatsapp. Honderd jaar exponentiële groei veranderde het beeld, ons leven.

                           *

Een huis, wit geschilderd, staat minstens een eeuw lang als een geruststellend icoon in het kale land. De verbinding met nu wordt gelegd door het bord ‘Te koop’. Onrust maakt zich van mij meester. Te koop. Bij wie? Welke makelaar? Ik zal zo eens kijken op internet. Hoe veel, hoe duur, wat zou ons huis opbrengen?

                          *

Het hoofd gaat aan het werk. Het lijf trapt stug door. Langs de velden. De horizon met de trein. Erboven zweeft schuin een vliegtuig. Streep aan de hemel. Bruin zijn de velden. Bruin.

                             *

Ik denk aan het zwoegen. De arbeid. Het verplaatsen van de arbeid van hand naar hoofd. En waar is het hart? Het gevoel, de schoonheid van de natuur, de ontroering: het groen, de schoffelende mens, de zwetende arbeider op zandgrond. Tegenover het denken: kantoorgrijs, de tikkende medewerker, taai overleg aan ovalen tafels.

                           *

De wereld verandert en toch: iets blijft over van voorbije tijden. De pracht van een veld, de schreeuw van een ekster, de zwoegende mens.

                           *

Zomaar een ochtend. Woensdag. Werkdag. 

                         ***

Schietgebedje

 ‘Ik zou graag wat harder rijden maar dat kan niet. Er rijdt een goederentrein voor ons.’ Een grinnik gaat door de volle treincoupé. Zo’n mededeling van een machinist hoorden we nooit eerder.
                         *

De trein van 17.57 uur uit Amsterdam naar Haarlem vertrekt op tijd. Hij zit vol met mensen die de vorige trein –  die nooit kwam – wilden nemen. Er is weer wat mis op het spoor. Gedoe bij Dordrecht en Den Haag Hollands Spoor. Een bovenleiding? Ik kan het bericht hierover niet goed verstaan.

                           *

Naast mij zit een vrouw van onbestemde leeftijd iets knapperigs op te lepelen uit een kartonnen beker. Sluik, blond haar, piekjes in de nek. Een pantersjaaltje om en een panterportemonneetje op het linkerdijbeen. Ze knarst er lekker op los. Zij is, na het lepelen, druk bezig op haar telefoon, net als ik. Ik met mailen, appen, voicemail afluisteren en dit stukje tikken. Wat zij doet weet ik niet. 

                          *

Ik was op de heenweg weer eens te optimistisch en schatte de reistijd van Lisse naar Amsterdam te krap in. Op mijn nieuwe elektrische fiets racete ik van Lisse naar Heemstede, mij onderweg bedenkend dat, wilde ik op tijd arriveren, ik beter in Hillegom op de trein kon stappen. 

                         *

Mijn boodschapjes (waaronder overheerlijke lasagne en een bakje mango) achterlatend in de fietstas en de gloednieuwe fiets al schietgebeddend aan een paal vastklinkend, ren ik naar perron 1 van het hippe Hillegomse station.

                         *

Ik kan tien minuten op adem komen. Samen met een skate-boarder-met-skate-board wacht ik op de trein naar Heemstede. Tevreden kijk ik door het raampje naar de snelheid van de trein. Kale bollenvelden zoeven voorbij. Het was een heel goede beslissing. Zo snel kan ik niet fietsen naar Heemstede, ook niet op mijn elektrische fiets.

                         *

In Heemstede wip ik de trein uit maar ik wip net zo hard weer terug dezelfde trein in. Er is weer eens wat mis met het spoor en net op tijd heb ik het in de gaten. Twee oudere dames, die ook op het laatste moment meewillen, kijken mij beteuterd door de glazen van de treindeur aan. Ze zijn te laat.

                         *

‘Tja, snel beslissen is een kunst!’ zegt een arrogante medereiziger, man van rond de veertig in sportief outfitje met petje. 

‘In Haarlem gaat er sowieso wel een trein naar Amsterdam’, beweert de veertiger, duidelijk tevreden met zijn snelle besluit ook weer in te stappen in deze trein. Ik denk aan de twee beteuterde dames. Sneu.

                         *

In Haarlem komt de trein naar Amsterdam aan op perron 3 zie ik op de handige, maar niet meer helemaal betrouwbare, reis-app van de NS. De sportieve veertiger zie ik staan op 4. Opeens ziet hij dat 3 toch slimmer is, hij zet een sprintje in. En daar zitten we weer. In de trein naar Amsterdam Centraal.

                        *

De terugreis is ook een spannend gebeuren met langzaam rijden vanwege een goederentrein voor ons, een trein die eerder dan aangegeven en verwacht uit Haarlem vertrekt en al met al nader ik vroeger dan ik dacht mijn fiets met de lasagne in de fietstas. En de mango. Ik hoop dat alles er nog staat. 

                         *

Toch maar weer een schietgebedje…

                         *

Reikhalzend kijk ik uit naar mijn nieuwe fiets aan de paal. En ja! Hij staat er! Als een kind zo blij fiets ik naar huis.

                       *

En de lasagne? Heerlijk was tie.

                     ***

 

Vaderdag

 Het treetje geraniums in mijn linkerhand scheurt terwijl ik balanceer met vier plastic zakjes in mijn rechterhand, de autosleutels in mijn mond. De zakjes zet ik voorzichtig op straat: het zijn potten met plantjes. In de vierde zak zit een zak potaarde. Zo’n sleutel smaakt bitter. En ik wist niet dat zo’n hardplastic treetje met plantjes kan scheuren.
                       *

Het gescheurde treetje zet ik achter de auto op straat en ik besluit dan maar twee keer heen en weer te lopen. Twee deuren verder in de flat en ik zet de zakjes wederom voorzichtig neer op de plavuizen onderin het trappenhuis. Ik loop terug en haal het treetje geraniums. De twee trappen op met het treetje en de vier zakjes lukt wonderwel. Voor de derde keer zet ik de zakjes voorzichtig neer en ik open de voordeur van mijn vader’s flat.

                         *

‘Hallo’, roep ik en ik pak alles weer voorzichtig op. Het ruikt in de flat naar aangebrand eten.

‘Wat ruikt het hier naar aangebrand eten, ben je het pannetje melk vergeten?’, vraag ik. Ik sta in de hal met al mijn spullen. Waar is mijn vader? Ik kijk achter de kapstok en ja, daar staat hij, vooroverbogen over een openstaande verhuisdoos.

                        *

Hij kijkt op: hij ziet bruin van het balkonzonnetje, zijn haar lijkt witter te worden. Langzaam en licht gebogen loopt hij op mij af.

‘Had je zelf al bloemetjes gehaald?’, vraag ik terwijl ik denk aan mijn potten thuis die ik zelf dan maar vul met de vaderdagplantjes.

‘Nee hoor!’, antwoordt mijn vader blij verrast. ‘Leuk zeg!’

‘Het zijn heel goede en mooie geraniums’, zeg ik, ‘ik heb deze zelf ook. Ze zijn zo mooi dieprood en ze zijn echt stevig!’ 

                         *

Vroeger gaf ik geen snars om bloemetjes. Maar met het klimmen der jaren vul ik met steeds meer plezier onze potten en hang ik fuchsia’s op aan de pergola. Ondanks het stemmetje in mijn hoofd dat mij beticht van verregaande burgerlijkheid. Geraniums in een pot. Dieper kan je niet zinken.

                         *

Maar het stemmetje weet niet dat de dieprode bloemen in potten mij doen denken aan Rob: ooit zo trots met zijn volle potten op het terras van zijn tuin. Ik herinner mij de mooie foto tussen de bloemen, van bovenaf genomen. Was het zijn trouwfoto? Een uitnodiging? Ik weet het niet meer. Maar als ik dieprode geraniums zie denk ik aan hem. 

                         *

Mijn vader gaf vroeger ook geen snars om bloemen. Het was mijn moeder die altijd in de weer was met plantjes, de Intratuin en de ‘potjesmarkt’. Mijn vader liep bloedsjagrijnig achter mijn verzamelende moeder aan om de potjes en plantjes te dragen. Mijn moeder redderde thuis met gieters en potaarde, zij dompelde de plantjes wekelijks in emmers water. Daarna liet ze ze uitlekken op een pannen-onderzettertje in de gootsteen.

                          *

Nu behandelt mijn vader zijn bescheiden bloemen- en plantenverzameling met de aandacht en zorg die ik vroeger nooit bij hem zag. In zijn plantenbakken staan zielig wat uitgebloeide lente-plantjes. Daarom kocht ik de rode geraniums. Ook kocht ik drie kleurrijke plantjes met bijpassende pot. Hij houdt van kleur. 

                         *

‘Ik zet ze zo wel in de bak.’ Maar dat hoeft natuurlijk niet. ‘Dat doe ik zelf.’, beslist hij. Ook goed. 

                         *

Hij neemt plaats op zijn stoel bij het raam en voor het eerst sinds al die jaren vergeet hij de koffie voor mij.

‘Ik pak even wat water’, zeg ik, ‘blijf lekker zitten.’

‘O, zet dan gelijk het koffie-apparaat even aan.’ En dat is ook voor het eerst. Altijd hijst hij zich uit zijn stoel, hoe ik ook tegenstribbel, voor het koffiezetten voor mij. Er is iets veranderd.

                         *

‘Hoe komt het dat het hier zo ruikt naar iets aangebrands?’, vraag ik met mijn koffie in de hand, teruglopend naar de huiskamer.

‘Ik was laatst het pannetje macaroni vergeten’, zegt mijn vader, ‘alles was zwart, de pan, de kookplaat, alles! Ruik je het nog dan?’

‘Was je even weggelopen?’, vraag ik.

Betrapt kijkt hij mij aan: ‘ja, ik ging even wat anders doen. Ik ben toen dat pannetje helemaal vergeten.’

‘Ik loop zelf nooit weg pa’, vertel ik,’misschien moet je er bijblijven al duurt het lang voordat iets kookt. Kennelijk vergeet je het.’

‘Ja, ik vergeet het gewoon’, zegt mijn vader. 

‘Ruik je het ook niet?’, vraag ik en terwijl ik het vraag realiseer ik mij dat ik het antwoord al ken. Hij vertelde het mij onlangs.

‘Nee, zo gek, ik ruik de laatste tijd niets meer.’ Ik onthoud mij van verder commentaar. Maar verontrustend is het. En gevaarlijk.

                         *

Thuisgekomen vertelt mijn dochter na mijn verhaal dat dit al de derde keer is dat hij een pan vergeet. 

‘Er komt een tijd dat hij magnetronmaaltijden moet gaan opwarmen’, bedenk ik mij hardop. ‘Zo’n magnetron stopt tenminste.’

‘Dat belletje van de magnetron hoort hij ook niet’, zegt mijn kind.

‘Nu ja, dan wordt zijn eten koud, maar de flat staat niet in brand.’

                         *

Ik vind het moeilijk. Ik wil niet betuttelen. Verbieden, je eigen vader, dat gaat niet. Beter gezegd, ik kan het niet. Maar hoe moet het dan wel? Ik heb geen idee. Ik ga er maar eens over nadenken. Over koken door een 93-jarige. Over autorijden van een 93-jarige. Over dozen sjouwen door een 93-jarige. 

                         *

‘Ik sleepte zelf deze doos uit de berging’ vertelt hij trots. ‘Dit vond ik allemaal.’ Zijn kantoortje staat vol met potjes met spijkertjes zonder deksel. Handige krammetjes voor het vastzetten van kabels. Vijf soorten plakband. In de doos zie ik een oude tl-lamp. Een zaagblad (‘deze mag zeker niet weg’) en onbestemde stukjes hout.  

‘Die deksels van de potjes moeten ook in deze doos zitten…’ Bij het bukken om de deksels te zoeken valt hij bijna voorover met zijn neus op de houtjes en de kapotte tl-lamp.

                         *

Ik heb het goede cadeau gegeven. De hobby met de plantjes is nog het minst gevaarlijk. Laat hij zich daar alsjeblieft op richten.

                         *

Vaderdag. Bezorgde kinderen-dag.

                       ***
 

Dude

 En opeens schijnt de zon. De zee achter glas – in kozijnen gevat als naast elkaar hangende schilderijtjes -schittert. Vlaggen wapperen in de wind. De smaak en geur van zout, zilt. 
                         *

Als ik mijn ogen sluit zie ik het kleine meisje, donkerharig, met haar tengere lijf op het strand. Ze wijst. ‘Kijk daar!’ Haar vinger wijst naar iets. Iets op het strand. Papa? De man van het strandpaviljoen: ‘jouw ogen zijn zwart als drop, het zijn dropjes.’ Het meisje knikt van ‘nee.’ Haar ogen zijn geen dropjes. Ze droomt ervan. Dropjes van ogen die je opeet. De forse strandman maakt haar bang.

                         *

De huiswijn ‘deze is lekker fruitig!’ is zowaar fruitig. De eigenaar van deze nieuwe strandtent is een tja, dropje…Ik schat hem zo’n jaar of twintig, vijfentwintig. Bruin, halflang haar, gebruind gezicht, mooie lach. Hij ziet een oudere vrouw, ook met bruin haar en een gebruind gezicht. Door haar haren glinstert iets grijs. De vrouw nam haar tas mee, een grote gele, en een boek. Zij vraagt om het wifi-wachtwoord. Zij tikt en tikt.

‘Is de wijn lekker?’, vraagt hij.

‘Heerlijk! Inderdaad fruitig, ik heb een goede keus gemaakt!’ zegt zij en hij lacht zijn mooie lach.

                         *

Naast mij zit een oudere heer met een boek. Zijn zwarte zonnebril staat op zijn voorhoofd, de pootjes drukken zijn grijze haren plat. De haren plakken, zijn vet of ingevet. Je ziet duidelijk de sporen van een kam. 

                          *

Rechts van mij zitten twee oudere heren. Zij spreken Duits. Het gaat over presentatoren die oud geworden zijn. Over Haarlem, Heemstede, zelfs het woord ‘Kerklaan’ valt. Beiden zijn kaal. Het lijken keurige heren, misschien wel heren van de herenliefde. Dit is het naaktstrand: FKK zoals de Duitsers dat noemen. Het lijkt wel een terroristische beweging: FKK. Maar het betekent naaktstrand. 

                          *

Het is geen weer voor naakt. Het trekt wel -geklede- heren aan, dit deel van het strand. Verderop zitten twee jonge mannen in geanimeerd gesprek. Op het strand loopt een slanke jongen, een rode rugzak op zijn rug. Hij loopt langzaam. Doelloos. Zou hij op zoek zijn naar contact, de liefde? Of verbeeld ik mij dat? De kale heer met blauwe kabeltrui staat opeens op: ‘mein Liebchen’, zegt hij. De andere kale heer volgt. Ze vinden elkaar lief.

                          *

Ik nip van mijn glas fruitige wijn. Het wordt koud. De zon is weg. Een wittig rondje achter grijs. Ik stap zo maar weer eens op. Geen letter gelezen in mijn boek. Genipt, gekeken, geluisterd en geschreven. Zo mooi kan het leven zijn.

                          *

Waar is de dude van deze tent? Ik wil nog een keer die lach zien. En denken aan mijn strandvriend voor een nacht. Ik weet niet meer zijn naam. Hij leek op de jongen met het bruine haar, de lieve lach. Ik had mijn eindexamen gehaald en we sliepen in een van de strandtenten hier vlakbij. Zand tussen de slaapzak. Bijna niet slapen. Zo warm en plakkerig. Er gebeurde niet veel. Maar de plaknacht is in mijn oude hoofd opgeslagen.

                          *

Ik stap zo op mijn fiets. Mijn nieuwe fiets. En ik voel mij de koning te rijk. Net als op mijn veertiende verjaardag. Toen kreeg ik een paarse Sparta. Nu een blauwe Koga en niks krijgen, zelf betaald.

                         *

De oudere dame met donker haar, glinstergrijs ertussen op een blauwe fiets. Zij moet nog even wennen: de fiets is een elektrische fiets. Een oudewijvenfiets. In de fietstas zit een gele tas en een dik boek. In haar maag een prikkel van een fruitige huiswijn. 

                         *

Bij het teruglopen naar mijn fiets zie ik een kleurrijke vlag naast de strandtent. De regenboogvlag van de liefde. Hoe passend.

                      ***

 

Dubbel dekbed

 Zondag begint de zomer. Ik lees het in de krant. Naast het weerbericht zie ik de kaart van Nederland overspoeld met wolkjes waaruit langwerpige regendruppels lekken. Bij sommige wolkjes is een zonnetje ingetekend dat er boven uit piept. Bij ons niet. Uit de wolkjes in het Westen valt alleen maar regen. 
                        *

Ik kijk naar buiten. De lucht is grijs, de rode geraniumkopjes staan parmantig rechtop. De roos heeft het nog nooit zo goed gedaan als dit jaar. Witte rozen en al die knoppen… De luis die zich laaft aan de tere rozenblaadjes spuit ik er regelmatig af met een harde straal water. 

                          *

Achter in de tuin zoekt het ooit zo piepkleine stekje pronkbonen, gekregen van een vriendin, aarzelend een weg omhoog over en door het gaas van het raamwerk tegen de schutting. Een regendruppel slaat zachtjes tegen de ruit. Een streepje nat op het raam als het spoor van een piepklein slakje. Het is zomer maar de verwarming staat aan, het vest is van boven gehaald, de warme laarzen behaaglijk aan de voeten.

                         *

De weken, de tijd gaan voorbij als het groepje fietsers dat ieder weekend langs de wegen schiet, de voorste rijder ‘voooooorrrrrrrr’ schreeuwend zodat jij, als argeloze hardloper, geschrokken van de weg gedrukt wordt door een groep te hard fietsende vijftigers met hun buikjes hangend boven het frame. 

                         *

Wat doe je op een zomeravond met de verwarming aan? Dan eet je patat met een eibal en kijk je naar ET. Extra Terrestrial. Het armzalige wezen, bruin en rimpelig, met het waterhoofd dat hij uitrekt als Lange Jan van de Efteling. De kindergezichten van Elliot en Gertie. De puber Michael. Het zachte roepen van Elliot, zittend in een tuinstoel buiten in het donker, wachtend op dat ‘iets’ in het schuurtje. ‘Mam?’ ‘Michael?’ Het schreeuwen dat je wil doen als het ‘iets’ tevoorschijn komt maar – als in een droom -gewoonweg niet lukt. 

                         *

De maffe ET: ‘is it a pig? He eats like a pig’ zoals de aanbiddelijke Gertie beweert. Het meisje met de twee hoge staartjes dat later als verslaafde actrice Drew Barrymore ettelijke keren in een afkickkliniek belandt.

                         *

Een scène die me al de keren daarvoor is ontgaan: Elliot en Michael zoeken in de schuur naar spullen voor E.T. waarmee hij kan bellen naar huis: ‘E.T., phone home…’ Zij stuiten op een oude mannenblouse. 

‘Papa’s oude klusblouse’, zegt Elliot. Ze snuffelen beiden aan de blouse.

‘Aqua Breeze’

‘Cool water’

‘Weet je nog hoe hij ons meenam naar de honkbalwedstrijden? En herinner je je nog de popcorngevechten in de bioscoop?’

‘Binnenkort zal hij ons wel weer meenemen.’

‘Yeah, right’, zegt Michael op vermoeide toon. In twee minuten zet Spielberg op onnavolgbare wijze, bijna achteloos, het drama neer van het gebroken gezin.

                         *

Het allermooiste: de eenwording van Elliot en E.T.: de symbiose. Elliot huilt, bij E.T. rolt een traan over de gerimpelde wang. ‘Elliot feels his feelings’, zoals broer Michael uitlegt aan de mannen in witte pakken die E.T. opspeuren en onderzoeken tot hij sterft. 

                        *

De dode E.T. die tot leven komt bij Elliot’s woorden:

‘I believe in you, all my life’ en ‘I love you.’

                         *

Het slot: de kinderen nemen afscheid van het kleine gerimpelde mannetje waar ze zoveel van houden. 
‘Come’: E.T.

‘Stay’: Elliot

‘Auch’: E.T., wijzend op zijn hart

‘Auch’: Elliot, wijzend op zijn hart.
Had ik destijds een E.T. gehad…

                         *

Het is donker buiten. Geen ster te zien. Regen in plaats van zonneschijn. Ik ga slapen. Onder het dubbele dekbed.
 

Stilleven

 De lucht hangt grijs boven de bomen. Na de warme dag van gisteren waait koelte naar binnen. Kranten liggen op bed, geen gang vandaag naar het fitness-zaaltje. Na een week dichtgeknepen keel en druk achter het hoofd is de malaise toegeslagen en blijf ik liggen. Ik krijg ontbijt op bed: vers brood met kaas, thee, een ei en drie gedroogde abrikozen liggen op een rond bord. Een stilleven van aandacht en zorg.
                             *

Vanochtend om een uur of vier knarste de voordeur open. Onze zoon kwam thuis. Zijn eindexamen achter de rug. Geslaagd. Na het verlossende telefoontje zakte hij door de knieën als een voetballer die tijdens de WK-finale het winnende doelpunt scoort. Zo blij dat mijn hele-week-al-dichtgeknepen keel zich geheel sloot. 

                           *

Jaren van crèche en school vlogen door mijn hoofd: van het koortsige kind (‘kunt u Max ophalen, hij is niet lekker’), de betraande dreumes achter glas, beteuterde peuter, schoolkind met buikpijn, naar scholier met frisse tegenzin. De tijd is voorbij. 

                             *

Het tikt op de ramen, regendruppels vallen uit de lucht. Koelte waait door de kier van de deur. De planten in de tuin juichen. 

                           *

Over drie weken is hij volwassen. Ik kijk op whatsapp en zie dat hij om 3.28 uur erop keek. Half vier vanochtend. Toen knarste het slot van de deur en kwam hij thuis. De avonden en nachten rijgen zich aaneen: feesten, uitgaan, eten, vieren, vrijheid en plezier. 

                           *

Hij gaat in pak naar een sjiek restaurant op uitnodiging van een geslaagde vriend. ‘We krijgen een wijnarrangement bij het eten.’ Ik kijk hem aan. Man in pak. Zijn witte overhemd met het bovenste knoopje open. De heel slanke taille, heren- schoenen. 

                          *

‘Heerlijk jongen’, zeg ik. En jammergenoeg slik ik niet in dat wijn zwaar kan vallen en anders voelt dan een biertje. Dat is het lijntje van de moeder naar de koortsige baby, de betraande dreumes, beteuterde peuter, schoolkind met buikpijn. Hier staat geen scholier maar bijna-volwassene.

                           *

‘Ik ga.’

‘Kus?’

Ik krijg de kus en voel het zachte vel van de wang.

                         *

‘Veel plezier!’

                         *

Het ontbijt is op. De kranten liggen op bed. De lucht hangt grijs boven de bomen. De keel staat wat meer open. De druk achter het hoofd duurt voort. Het regent niet meer. Ik ga er uit.