Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Koker


Wanneer de tienduizend dingen gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn

Ts’ên Shên 岑參 (715-770)


Op de zolderkamer staan dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Op de strijkplank ligt een stapeltje schone was. Daarbovenop liggen twee deksels van schoenendozen ter ontmoediging van poes Saar die graag op schone, ongestreken was ligt. 

                           *

De kamer met het moeilijke want schuine wandje – verfraaid met liefdevol behang van vogels en bloemen en kleur – is een rommelkamer geworden. Ooit sliep onze dochter hier. Ze kan er nog wel slapen. Er staat een bed met daarop het dekbed met het dekbedovertrek-van-duizenden-bloemetjes. Maar ook zij beseft dat de jaren van weleer niet terugkeren. Zij slaapt er niet meer.

                            *

Naast het bed staat de koker met de as van mijn vader. De as verhuisde van het kantoortje naar de kamer met dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Ik denk dat de as zich thuis voelt in de oude kamer van de kleindochter. De rommel spreekt de as aan. Bij hem thuis was het ook rommelig. Een strijkplank in de zijkamer, een gammel bureau, dozen, een wasrek, ja, ik weet het zeker: die zolderkamer is een prima plek.

                             *

Er komt een dag dat de koker met as vertrekt. Op een mooie dag in juni maakt de as een korte reis in een fietstas. De fietster fietst voorzichtig – denkend aan de koker in haar tas – naar het strand, de zee. In de vroege ochtend verzamelen negen mensen zich met slaap-ogen aan de vloedlijn. Iemands broek en schoenen zullen nat worden. 

                            *

Als ik naar beneden loop van de zolderkamer, de trap af denk ik aan de maanden die zijn verstreken. De maanden zonder mijn vader. Maanden waarin ik niets kon vertellen, niets kon doen.

                            *

‘Maar volgend jaar/als jij in duizenden grijze stukjes/meegevoerd door stromingen/door het water bent opgenomen/opgelost als suikerkristallen in thee/dan zijn de dozen opgeruimd/de strijkplank ingeklapt/het wasrek verplaatst/Je herkent die kamer/dan niet meer terug/pa’

                          ***

Referentienummer 


Mijn broer stuurde mij een machtigingsformulier toe. Hiermee kan ik de as van mijn vader ophalen. Op het formulier staat: ‘Relatie van de overledene’ met daarachter op het stippellijntje in het handschrift van mijn broer ‘Dochter’. Ik tik het telefoonnummer onderaan het formulier in op mijn telefoon.

                       *

‘Met begraafplaats en crematorium Westerveld, goedemorgen, met Monique’

‘Goedemorgen, u spreekt met Annelie Jonquiere. Ik wil graag een afspraak maken om de as van mijn vader op te halen.’

‘Wanneer had u in gedachten?’, vraagt Monique vriendelijk. Op de achtergrond hoor ik mensen praten, telefoons gaan over. Het is een bedrijf.

‘Ik zou dinsdag kunnen langskomen of vrijdagmiddag’, antwoord ik.

‘Dat is kort dag’, zegt Monique. ‘U moet weten, wij hebben een strakke planning. Wat is het referentienummer?’

‘Referentienummer?’, vraag ik, ‘O, u bedoelt…, eh, ja, ik heb mijn telefoon nu in de hand en ik kan niet tegelijk het formulier opzoeken. Als u even wacht kijk ik even.’ Monique wil wel even wachten. 

                         *

Ik priegel op mijn telefoon naar de mail van mijn broer met dat machtigingsformulier. Nummer? Waar staat een nummer?

Ik tik het groene balkje op mijn beeldscherm aan en keer hiermee terug naar het gesprek.
‘D207845’, zeg ik. ‘Dat is het referentienummer.’

Monique tikt het nummer in. Ik hoor vinnige tikken op een toetsenbord.

‘Dat is de heer P.J. Arnoldi’, zegt Monique.

‘Nee, hè, dat klopt niet’, zeg ik. En ik denk intussen allerlei slechtigheid.

‘Wanneer is uw vader gecremeerd?’ informeert Monique.

‘Eh…’ 

                       *

Ik keer terug naar de avond van 4 november. Ik loop in de verlaten gang van de revalidatie-afdeling, ik hoor mijn vaders diepe ademhalen. Het laken zit strak om zijn borst. Ik pak zijn hand eronder, nog warm en droog. Wanneer was de crematie? Ik denk, tel de dagen en zeg: ’11 november was de crematie.’

Monique tikt maar ze komt er niet uit.

                       *

‘Heeft u nog even?’, vraag ik.

Als een kind dat voor de tweede keer een verkeerd antwoord gaf op een niet al te moeilijke som keer ik terug naar het formulier.
‘D207854’, zeg ik. ‘Dat is het juiste referentienummer. Ik draaide per ongeluk…’

‘Dat is de heer A.S. Jonquiere’, constateert Monique.

‘Ja’, antwoord ik opgelucht. ‘Dat is hem.’
‘Ik heb nog een gaatje op dinsdagmiddag 14.30 uur’, zegt Monique.

‘Ja, dat kan’, antwoord ik. En ik denk aan alle dinsdagen, 14.30 uur. Dan was ik al weer thuis nadat ik hem bezocht had met twee verse haringen. Dan hadden we wat gepraat, koffie gedronken en was ik teruggefietst naar huis. Dan zette ik een kop thee, pakte ik mijn laptop en werkte ik nog wat mails weg. Dan wipte de poes op tafel en aaide ik haar met mijn linkerhand.

                    *

‘U had het over een machtigingsformulier? Maar dat ontvingen wij nog niet.’

‘Ja, dat heb ik. Moet ik dat aan u toesturen?’ Dat moet.
Het gesprek loopt ten einde. 

Dinsdag haal ik dat wat over is van mijn vader op. Om 14.30 uur. Nadat ik het machtigingsformulier verstuur. Uiteraard. Met het referentienummer.
‘U kunt zich melden bij het huisje met de rode dakpannen, direct bij de ingang’, vertelt Monique. En dat klinkt bijna leuk. Een huisje als in een sprookje van Hans en Grietje. 

                          *

Als ik even later in mijn agenda kijk zie ik dat mijn vader niet op 11 maar op 10 november werd gecremeerd. Als nummer D207854. Maar dat ga ik niet onthouden.

                     ***

Een goed gesprek


‘Mis jij opa?’ Mijn zoon en ik zitten in de auto. We rijden ergens naar toe. Weerloos zit ik daar, mijn handen geklemd om het stuur. Ik tuur door de koude voorruit naar verre verten. Huizen links en rechts schieten aan ons voorbij, een park, bomen, kaal als lege kapstokken na een feestje.
                     *

Eerder al vonden belangrijke gesprekken in de auto plaats. Voor ons uitkijkend – rijdend door een eindeloos polderlandschap – bespraken mijn man en ik ons huwelijk ‘We zouden eens kunnen gaan trouwen?’ en een paar jaar later op de terugweg van Frankrijk naar Nederland bedachten we de naam van ons oudste kind ‘Ja, dat klinkt goed, Julia, naar de lieve, Russische tolken in Suzdal en de zus van Sebastian in Brideshead Revisited.’ We proefden de klank, prevelden de naam in alle talen en het klopte.

                        *

Het was mijn dochter die op de achterbank van de auto vertelde dat er ‘slechte rekengroepjes’ in de klas waren ‘en een slecht taalgroepje, maar daar zit ik niet in’ en dat was de druppel die ons deed besluiten de kinderen naar een school te laten gaan waar ze sommen op het plein huppelden, verfden, viltten en geen leerlingen diskwalificeerden. 

                        *

En nu de vraag of ik mijn vader mis. Ja, ik beken, ik mis hem en de vraag van mijn kind werpt mij terug op de dinsdagen met koffie en appelpartjes, de zondagen met Buitenhof en geroosterde boterham met zorgvuldig uitgesmeerde halvarine en plakjes kaas. Verhalen over oude kennissen, sport en werk. Onderwerpen van gesprek die er niet waren, over vroeger, oude koeien, die we met rust lieten. Liever praten over reizen, de politiek, de kinderen. 

                      *

En rijdend van dorp naar dorp schiet mijn hoofd vol door de vraag of ik hem mis, mijn vader. Ik zie de tere orchidee in de vensterbank van zijn kamer in het verzorgingshuis, het zware lijf, stil in het hoge bed. Het laken strak om zijn borst, zijn handen. En ik bedenk mij hoe mooi het is dat mijn zoon deze vraag stelt. Niet bang voor verdriet, geen angst voor emotie. Ik kan nog wat van hem leren.

                        *

‘Ja, ik mis opa’, zeg ik.

                       ***

Sneeuw

Op de dag voordat de sneeuw valt fietsen mijn man en ik naar de stad. De kou die ik guur noem maar mijn man koud dringt door tot mijn huid. Ik draag een fijne maar te dunne broek. 

                         *

We brengen eerst wat boeken terug naar de bibliotheek. ‘Ga je mee naar binnen?’, vraag ik aan de man die wel leest maar geen boeken uit de bibliotheek leent. ‘Ja’, zegt hij, ‘ik moet even opwarmen.’ In het oude schoolgebouw waarin de dorpsbibliotheek is gevestigd is het warm. Moeders met dik-aangeklede kinderen staan boeken af te stempelen al is de stempel vervangen door een modern systeem met een glad vlak waar je de boeken op schuift. Daarna hoop je dat de titel op een scherm verschijnt. Als alle titels met een vinkje op het scherm staan druk je op een groene button waar einde op staat. Het geeft soms wat gedoe maar meestal werkt het en nu is er nog maar één bibliothecaresse nodig. 

                          *

Ik heb met boeken wat mijn moeder had met lapjes-van-de-markt en wat anderen hebben met tassen, schoenen of postzegels. Boeken dwingen mij tot kijken, kopen, verzamelen. Met een schuin oog kijk ik naar de plank waarop de boeken staan die teruggebracht zijn door de moeders met kinderen. Misschien zit er iets bij. Ik spreek mijzelf intussen streng toe want naast mijn bed liggen twee stapeltjes boeken die ik nog moet lezen. Twee bibliotheek-boeken en zes gekochte dan wel gekregen boeken. Mijn man die mij inmiddels kent staat bij de deur van de bibliotheek naar de gang. Zijn lichaam staat op weggaan. Dus we gaan. 

                         *

Het vervolg van de tocht naar de stad doet onze gezichten verstrakken. De vingerkootjes in het bont van de leren handschoenen voelen langzamerhand dood aan. Ik trek ze voorzichtig in de handschoen terug naar de warme holte van mijn hand zonder de macht over het fietsstuur te verliezen. Twee verstrakte vijftigers op de fiets op de dag voordat de sneeuw valt.

                         *

Het doel van de tocht is een film waar ik heen wil. Ik zag dat de film deze week voor het laatst draait in de stad. Het liefste bezoek ik met iemand films en nu strikte ik mijn man die ik ‘s ochtends op zijn werk een berichtje stuurde met de vraag of hij meewilde. En omdat hij niet altijd nee kan zeggen wilde hij mee. 

                         *

In de bioscoop die Filmschuur heet maar een architectonisch hoogstandje is tussen de oude huizen in het rosse randje van de binnenstad wemelt het van de vijftigers. De film is uitverkocht. En ondanks dat wij op rij 2 zitten, de film twee uur en zestien minuten duurt, de zaal vol zit en het buiten koud is verdwijnen ongemakken, verglijdt de tijd en nemen de beelden ons mee naar een onwerkelijke locatie (Boekarest), een carrière-dochter (die met haar gekwetste teennagel stoïcijns op hoge hakken loopt) en een ontregelende vader (met fopgebit). 

                     *

En laat u niet ontmoedigen door bovenstaande gegevens, dat deden wij ook niet. In een wereld vol geweld en gevaar is deze film er één van liefde, herinnering, troost en hoop. Gewoon gaan: Toni Erdmann. 

                         *

En…het gíng sneeuwen. 

                       ***

Tussentijd


Lieve critici, ik vrees

dat ik geen doel of doelgerichte

lijn in de loop der jaren lees

van mijn duizenden gedichten.

                     *

Ik blijf een ventje dat maar schrijft

en nauwelijks wil weten

of zijn bekladdering beklijft

of gretig wordt vergeten.

(…)

Leo Vroman (1915-2014)
Uit: ‘Daar’, 2011.

Het is tussentijd, de tijd tussen de kerstdagen en het nieuwe jaar. De tijd waarin men vraagt: ‘Ben je vrij?’ of wenkbrauwen ophalend: ‘Werk jij tussen Kerst en Oud en Nieuw?’ 
                      *

Soms werk ik in de tussentijd, soms niet. De weken voor en na Kerst waren vroeger enerverend en omgeven door onmin, zwijgen en ziek zijn. De ruzie om de grootte van de kerstboom was het startsein voor de feestdagen. Mijn moeder wilde in ons hoge herenhuis een grote boom, mijn vader, – die het ding moest halen en later opruimde, wilde een kleinere. Wij kinderen werden altijd ziek zodat we eindigden met een mini-kerstboom op de slaapkamer van onze ouders. Hoe de kleine, versierde boom daar kwam herinner ik mij niet meer. Het zal mijn moeders idee geweest zijn die mijn vader zuchtend uitvoerde. Ik was verdwenen in snot en slijm en stak mijn hoofd onder de polyester lakens en oranje sprei van mijn ouders bed. De grote boom stond treurig en majestueus in de statige woonkamer. 

                        *

Hier is het stil. Vredig kan je het noemen. Geen onmin, snot noch slijm. Het is tussentijd. Tijd om na te denken. Twee en een half jaar geleden begon ik met dit blog, gewoon leuk, uitproberen of het wat was, of ik het nog kon, schrijven. En het ging. Vele verhaaltjes later ging mijn vader dood. Hij was een dankbaar onderwerp van de verhalen dit jaar. Of hij het wist? Nee, ik denk het niet. 

                        *

Mijn kinderen zijn groot. Soms schreef ik over hen. Ze vonden het goed. Mijn man stuurde ik de blogjes toe en hij reageerde: ‘mooi’, ‘goed’, 🙂 Trouwe lezers heb ik en dat is fijn. Opdoemende duimpjes ‘s ochtends, van Helene, Annemarie, Loes, Carina, Danielle, Michael…Ook collega’s schoten mij aan. ‘Mooi geschreven!’ en dan was de dag goed. Dank jullie wel. 

                        *

Nu ga ik op zoek naar het Grote Verhaal. Structuur, opbouw, vallen, opstaan. Maar ik ga het proberen. De tijd voor de blogjes wend ik aan voor het Grotere, Onzegbare en Moeilijke. Een boek? Wie weet. Ik ga het proberen. En misschien schrijf ik tussendoor nog een klein verhaal. Om te oefenen, voor een duimpje, een oplichtend rood bolletje.

                         *

Tussentijd is het en zal het zijn. 

                       ***