Abrace me

Omhels me dan, omhels me dan,
je weet dat ik niet zonder kan
Maar als ik dan toch zonder moet,
verlos me dan.

Abrace-me, abrace-me e beija-me, deseja-me
Aperte-me berm forte contra ti.
Abrace-me, abrace-me e beija-me, deseja-me
E deixa-me um pouco morrer por ti

Fernando Lameirinhas

Er was eens een meisje. Ze was stil, koud en klein, zo klein, maar ze had een naam die klonk als het zachte zoemen van een bijtje op een zwoele zomeravond, Zoë.

Haar moeder leefde verder, kreeg een zoon en genoot van het leven dat natuurlijk niet voortdurend alleen maar leuk was. En altijd was er dat kleine meisje, Zoë.

Trots op haar zoon die opgroeide tot een man, het vinden van een nieuwe liefde, sporten, lachen, koken, dansen, werken, genieten van het schattige hondje dat ze ophaalde uit een of ander mediterraan land. Een grappige krullenbol. Haar kleine meisje had dit hondje ook vast lief gevonden. Zoë.

Opeens kwam er een kink in de kabel, de kink die kanker heet. We zagen haar nog een keer voorbijkomen als figurant, de oude moeder van Willem Holleeder in de serie ‘Judas’. Trots maar vol ironie deelde ze de foto ‘Als je knipperde met je ogen heb je me niet gezien.’ Maar toch, ze was in beeld geweest als mama van Willem, de mama van Zoë.

Het werd stil. Geen foto’s meer van sportwedstrijden, pruttelend stoofvlees, vakanties en figurantenrollen. Uit navraag bleek dat ze ziek was. Er was hoop, altijd hoop, al is het leven soms grillig en wreed. Denk maar aan dat kleine bijtje, Zoë.

Ik wilde haar een berichtje sturen, maar hoe doe je dat aan iemand die je oppervlakkig kent? Ooit hadden we kort contact gehad over het hondje, een grapje gemaakt. Ik had foto’s geliked van sportprestaties, een kaarsjes uitblazend kind, een hartje bij het jaarlijkse berichtje over dat kleine, maar nooit vergeten meisje, Zoë.

Ik schreef en zij antwoordde dat alle berichtjes haar steunden. Ze ondertekende met twee kusjes van lippenstift. Ik stuurde haar nog een kort berichtje en zij eindigde met twee hartjes, een roze pulserende en een paarse. Haar berichtjes staan in mijn telefoon alsof ik haar zo terug kan schrijven. Maar dat kan niet want Zoë kreeg deze week haar mama terug.

Dag Mariska.

Advertisements

ZEN

Zon en zee. Zomer. Zilt. Zomaar wat namen van strandtenten in het vissersdorp Katwijk. ‘Kijk, zo stonden de vrouwen te wachten op hun man’, wijst een vrouw haar kind. Het kind op kaplaarzen danst voorbij het bord. ‘Vrouwen in de zeereep’ lees ik in het voorbijgaan, een groep stoere vissersvrouwen tuurt over de zee, een vissersschip met geel zeil vaart in de branding, in de rechterbovenhoek zie ik nog drie gele zeilen.

De echte zee wiegt zachtjes rollend heen en weer. Wolkjes hangen in perfecte rijtjes erboven. Zoals een kind ze tekent, een rechte streep met daarboven witwollige bollinkjes. Diepe groeven zijn in het zand getrokken met regelmatige patronen erin van zware bandensporen. Mijn gympjes zakken weg in de tussenliggende dijken van zand.

Ik ben op weg naar de strandtent waar yogalessen gegeven worden. Bewegen op de zondagochtend in plaats van lamlendig in bed blijven liggen of alle kranten doornemen aan tafel in het ochtendzonnetje. Na enige aarzeling ging ik op weg, net op tijd om de tent te vinden waar ik ‘Heerlijk ZEN de dag kon beginnen met uitzicht op de Noordzee.’

Ik weet zeker dat de hippe tent links van de parkeergarage ligt. Speurend zoek ik naar de juiste naam, Zomer, Zilt, Zon en zee, nee, ik zoek Zand. Het kerkklokje slaat tien heldere slagen. De aanvangstijd van de les. Geheel onZEN ploeg ik voort door de diepe voren van tractoren en graafmachines. Het is hoog water. Een Duitse vader schept een geul in het natte zand. Zijn kinderen roepen verrukt ‘Papi, guck mal!’ En dat in deze gure wind, om tien uur ‘s ochtends.

Het wandelt raar op het strand met een plastic tas in de hand. In de tas zit een opgerolde handdoek voor de yoga, ‘Matjes zijn voorhanden’ las ik op de site van Zand. Ik dacht dat een eigen handdoek wel van pas kon komen. Mijn hand met het tasje wordt koud.

Ik wandel op het strand. Met in mijn gympjes een toenemende hoeveelheid schurend zand. De enige wandelaars hier hebben een hond. Een flinke herder ligt in vecht- of speelhouding op het natte zand. Zijn baas die stoïcijns doorloopt heeft een plastic zakje in zijn hand. Daar zit geen handdoek in.

Ik kijk naar de zee, de branding en denk aan de as van mijn vader die we ooit, op een moeizaam tot stand gekomen afspraak op net zo’n kille zondag als vandaag, uitstrooiden over zee. Rillend stonden mijn broer en ik in het water, goed kijkend waar de wind vandaan kwam. Zijn kinderen stonden stilletjes naast hun vader. Die van mij – geen zin in dat koude water – keken toe op het strand. Zou een flintertje as hier nog in de branding worden rondgespoeld?

Na een flinke wandeling ontdek ik dat Zand de laatste strandtent rechts van de parkeergarage is. Na een struikel over een zanddijk beland ik op het terras. Ik loop langs de serre waarin de yogales gegeven wordt. Vier dames op matjes heffen hun benen. Ik neem plaats op het terras en bestel een café latte, de wind weg, de zon in mijn gezicht.

Ik denk er nog even over na, over die les.

Visjes

Victorieplein

Soms loop ik ‘s nachts naar het Victorieplein,

Als kind heb ik daar namelijk gewoond.

Aan vaders hand zijn zoon te zijn,

Op moeders schoot te zijn beloond.

*

Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,

De vrieskou in mijn jas laat dringen,

Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,

Terwijl ik roerloos in de deurpost sta

*

Om thuis te komen. En zo simpel is de gang

Om tot dit moeilijk inzicht te geraken:

Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang

*

Naar iemand die nooit kon bestaan:

Een jongetje dat alles goed zou maken –

De tijd die stilstond en hem liet begaan. 

Ischa Meijer (1943-1995)

Zo’n 14 peuters drommen om ons heen. Ze dragen allen kleurrijke hoofddoekjes, de leidsters klappen zachtjes in hun handen en zeggen: ‘Shhhjj’. De kinderen worden stil. Enkelen hangen over de stenen rand van de fontein in de lobby van ons hotel in Tel Aviv. We zitten op een bankje naast de fontein die alsmaar klatert met een kopje koffie en ik blader in het boekje van de ANWB over Tel Aviv.

Een peuter, kleiner en molliger dan de rest, kan de visjes niet zien. Hij probeert zijn lijfje tussen de anderen te dringen maar het lukt niet. Pas als de leidster de andere kleintjes maant tot vertrek kijkt hij snel over de rand het water in. Maar voorbij is het moment. Hij wordt met zachte, maar dwingende hand in het rijtje gemaand en braaf lopen de peuters de lobby uit, de stoep op, in ganzenpas achter de juffen aan.

Zo snel als ze kwamen zo rap zijn ze weer weg. De fontein klatert, het ANWB-boekje ligt open op mijn schoot.

‘Ik wil nog wel naar Jeruzalem’, zegt mijn zoon. ‘Is dat ver?’

‘Een uur met de bus’, antwoord ik.

‘Maar hier is ook nog veel te zien’, brengt mijn man in.

‘Ach, als hij dat wil, ik ga wel informeren of het lastig is.’ Ik loop naar de receptie. Het is niet lastig.

‘Bus 5 of 61 naar het busstation en dan bus 480. Het is een uurtje rijden naar Jeruzalem’, zegt de receptionist.

Even later zitten we in de bus, niet al te veel denkend aan de aanslagen die we ooit zagen op dit soort bussen en de onrust die gisteravond plotseling ontstond in Gaza.

‘Nu we in Jeruzalem zijn kunnen we ook naar Yad Vashem gaan’, opper ik na onze wandeling door de oude stad en bezoek aan de Klaagmuur. Ooit bezochten mijn man en ik het Holocaust-museum in Jeruzalem. Het maakte op ons een onuitwisbare indruk.

‘Ja, dat wil ik wel’, zegt onze zoon. We nemen een taxi naar Mount Herzl. Door de zigzaggende betonnen gang van het museum lopen we langs huiveringwekkende getuigenissen, films, foto’s en voorwerpen. Aan het einde van de gang kijken we door een glazen wand uit op de heuvels van Jeruzalem en de lucht, witte wolken tussen blauw. Stilletjes lopen we naar buiten.

‘Ik wil graag nog naar het kindermonument’, zeg ik. Hier wordt een kaarsje door spiegelende wanden in de donkere ruimte ontelbare keren vermenigvuld. Ik houd mijn hand vast aan de koele reling. Namen van vermoorde, Joodse kinderen weerklinken in de ruimte: ‘David Solomon, 14 years old, Bjelorus – Nathaniel Isaac, 8 years old, Poland – Henrietta de Haas, 2 jaars old, Belgium.’ Anderhalf miljoen namen, anderhalfmiljoen flakkerende vlammetjes.

Buiten in de open lucht denk ik aan de 14 peuters van vanochtend.

‘Volgende keer sta je vooraan, mollig jongetje met het turquoise shirtje en het gele hoofddoekje, volgende keer zie je de vissen. Kijk, een oranje, een witte en daar, zie je die kleine, Simon Perel, 3 jaar oud, Tel Aviv?’

Cursus

Ooit volgde ik een schrijfcursus. Daarvoor reisde ik naar Den Haag met een bal in mijn buik. In de hal van het Letterkundig Museum werd ik pas echt zenuwachtig. Wat als het niks was? Wat als ik door de mand viel? Wat als het rare mensen waren?

Het liefste had ik mijn jas aangehouden en was ik teruggegaan. Maar ik hing mijn jas op aan een haakje in de garderobe.

‘U komt voor de cursus?’, vroeg het meisje achter de kassa van de museumwinkel. Ik knikte.

‘Dan gaat u deze deur door, de trap naar beneden en dan is het de derde deur rechts achter in het gangetje.’ Schoorvoetend vervolgde ik mijn weg. De deur door, de trap af, het gangetje in, de derde deur rechts.

Het was alsof ik in een doolhof belandde, het doolhof der letteren. De trap was van ijzer, de muren waren wit. In het voorbijgaan zag ik foto’s van schrijvers, vanuit de ruimte beneden klonken kinderstemmen. Dat was het Kinderboekenmuseum met die half-open kamertjes, ruimtelijke hommages aan kinderboekenschrijvers. Het mooiste kamertje was van schrijver en tekenaar Siep Postuma. Zijn hondje Rintje was groot op de wand getekend. Maar Siep was dood. ‘Ik ken het zwart maar kies het licht’, zei Siep eens in een interview. Toen hij 54 jaar was koos hij voor zwart.

In de ruimte achter de derde deur hadden zich een paar mensen verzameld. Allen wilden ze schrijven en daarvoor kwamen ze acht zaterdagmiddagen bij elkaar.

‘Pak gerust wat thee of koffie’, zei de docent die ik netjes een hand had gegeven. Ik pakte thee. Morste een beetje met het lekkende zakje dat ik op een schoteltje legde. Drie druppels vielen uiteen op de witte tafel. Nadat ik er met mijn vinger overheen veegde werden het langgerekte vlekken. Volgens mij zag niemand het. Ik nam geen koekje want ik wilde geen mond vol kruimels als mij iets gevraagd zou worden.

Ik weet niet of we elkaar een hand gaven. Of een voorstelrondje deden. Ik denk dat laatste. Er was een journalist. Een filmer. Een eigenaar van een adviesbureau. Een blinde dame met een hond die direct zei de hond niet te aaien. ‘Ze is aan het werk voor mij en ze mag niet worden aangehaald.’

‘We schrijven deze periode allen een afgerond verhaal’, begon de docent. De docent sprak over perspectief, stijl, opbouw.

De acht zaterdagen bleken oases in de woestijn van het leven van alledag. Zo ontstond het verhaal van de papegaai, het verhaal over een meisje dat door een korenveld rende en het verhaal van Rebecca, achtergelaten in haar kinderstoel op een Amsterdamse woonboot. We werden er stil van. De schrijfster vertelde dat het in het echt nog erger was waarop de docent vertelde dat je de realiteit soms moest afzwakken om geloofwaardig te blijven.

Onbevangen, niet gehinderd door regels, redacteuren en verkoopcijfers schreven en schaafden wij aan ons verhaal. Wij lazen mee met de ander. Wij hielpen elkaar en slepen elkaars teksten fijn.

‘Ik ben een Rotterdamse en ik hoop dat je het niet erg vindt als ik rechtstreeks ben’, zei de journalist. ‘Maar als je die clichés eruit haalt dan wordt de alinea beter.’ In de trein terug haalde ik de clichés eruit en de tekst werd beter.

Na acht zaterdagen waren onze verhalen af. Onze docent glom. ‘De verhalen zijn allen publicabel’, zei ze. We keken elkaar aan. We waren niet door de mand gevallen.

Stijl

Iemand die je niet goed kent

Gedag zeggen

Haar blik vangen

Aarz’lend gaat mijn hand omhoog

Die wat haren voor mijn oog

Nog zou kunnen wegstrijken

Met een achteloos gebaar

Maar ze knipoogt

En ik zwaai

Ooit gaf ik een presentatie. Vóór mij was een collega aan de beurt. Ik kende haar niet zo goed. Ze was lang en had een mooie glimlach. Zij zat tegenover mij, aan de andere kant van de zaal. Naast mij zat een andere collega. Zij was hoogzwanger maar zou toch wat vertellen over haar nieuwe afdeling.

Wij allen hadden te horen gekregen dat het vooral ‘kort’ moest zijn. ‘Niet meer dan tien minuten’, was ons verteld. En het gehoor was sceptisch. Dat zagen en hoorden we voordat wij wat mochten zeggen.

‘Ik ben blij dat Roos eerst moet’, fluisterde ik mijn collega in het oor. Zij knikte. En wij gingen door met luisteren.

Toen Roos achter het spreekgestoelte plaatsnam en de powerpoint geïnstalleerd was startte zij met haar verhaal. Het ging over huisstijl. Dia’s met gekleurde letters buitelden over elkaar heen en zij vertelde daarover kort en bondig wat er over te vertellen viel. Binnen de tijd was zij klaar.

‘Heeft u misschien een vraag?’, vroeg zij. Haar lange haar schoof zij met een elegant gebaar uit haar gezicht. De muur van scepsis had zeker een vraag.

‘Hoeveel heeft dit gekost?’, was de vraag. Het woord ‘grapje’ werd niet aan de vraag toegevoegd maar dat dachten wij er allemaal zelf bij.

‘Weet u dat?’, was de vervolgvraag. Zij wist het. Bijna onmerkbaar knikte zij even naar de achterban voor bevestiging.

Ik weet niet meer precies wat het bedrag was. Maar het was lachwekkend weinig voor de professioneel vormgegeven letters en woorden waar wij jaren onze identiteit aan konden ontlenen en plezier van zouden hebben. Het antwoord kwam zo netjes, zo mooi getimed, zo zonder triomf.

En toen was ik aan de beurt. Achter de door Roos half afgebroken muur kon ik in de verte kijken. Ook ik was binnen de tijd klaar en beantwoordde netjes alle vragen.

Mijn zwangere collega sprak als laatste tot een gehoor dat oprecht geïnteresseerd luisterde en vragen stelde. Zij nam en kreeg meer tijd. De muur was gevallen.

En nu rest alleen nog de knipoog die we gaven aan elkaar, die avond over de mensen in de zaal heen, over die afgebroken muur.

Eén van ons drieën is er niet meer. Wij beklimmen nu zelf alle muurtjes.

Dag Roos.

Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Hommage

‘Enseigner, c’est ma vie’

Omdat ik ziek was las ik drie kranten op één dag. Eén krant las ik – onhandig in bed – op papier. De zachte, bijna vloeibare krantenflappen eindigden in ongelijke stukken met een scheve vouw in het midden. De andere kranten las ik, onderbroken door koortsdromen die afnamen en opkwamen als eb en vloed, op de iPad.

*

In de tweede krant viel mijn oog op een overlijdensadvertentie. Ik zag een bekende naam. Ik las door maar swipete terug. Boven de advertentie stond in schuine letters: ‘Enseigner, c’est ma vie’. Mijn grieperige hersens herinnerden zich dat woord – ‘enseigner’ – betekende dat niet ‘lesgeven’? Ik zocht het op. ‘Lesgeven’ was het. En toen wist ik het. Mevrouw de Buck was dood, mijn lerares Frans op de middelbare school.

*

Aan de advertentie kon ik zien dat deze met liefde was opgesteld. Ik las haar voornaam – die had ik nooit geweten – en haar bijnaam. Alsof zij een mens was, gewoon met familie, een huis, een leven. Voor mij was zij mijn juf. Mentor van klas 1 c, dat heette destijds klassenleraar. Ik herinner mijn teleurstelling dat wij haar kregen als klassenlerares. De andere leraren zagen er spannender uit. Jonger. Hipper. Baardjes, lang haar. Wijde jurken. Mevrouw de Buck droeg een rechte jurk tot boven de knie met een riempje om de taille. Zij had een smal, driehoekig gezicht. Ietsje vooruitstekende tanden, een kittige pas. 23 onzekere twaalfjarigen liepen in de zomer van 1974 achter haar aan naar lokaal 13.

*

Door de hoge ramen van lokaal 13 viel zonlicht als engelenglijbanen naar binnen. Wij stonden op de drempel van dat nieuwe leven zoals alleen twaalfjarigen dat kunnen. Onbevangen en leergierig. Mevrouw de Buck legde ons uit hoe wij onze agenda moesten gebruiken.

*

Ik had een Rijam-agenda met een onwillige kaft. We schreven het rooster in onze agenda’s op de pagina waarboven stond ‘Rooster’. Tijdens het schrijven drukte ik mijn rechterarm op de kaft om deze plat op tafel te krijgen. Met mijn linker-wijsvinger en duim hield ik de linkerkaft in bedwang. Geheimzinnige lokaalnummers, namen van leraren, het adres van de gymzaal in de stad, de uren gym in de zomer op een sportveld buiten de stad vulden de lijntjes op de witte, licht-gebogen pagina’s.

*

Daarna kregen wij een stencil met een plattegrond van de school. We vouwden het stencil netjes op, in een vierkantje, en schoven het in de agenda. ‘Goed bewaren’, adviseerde mevrouw de Buck ‘Hiermee kan je je weg vinden in de school.’

*

Mevrouw de Buck gaf Frans, in lokaal 13. Wij leerden heel veel woordjes. Op een dag klapte mevrouw de Buck het bord open met de Franse werkwoord-vervoeging. Thuis huilde ik. Ik snapte er niets van.

Een paar jaar later sprak ik voor mijn examen met mevrouw de Buck over ‘Les miserables’ en de schrijver Victor Hugo. Ik mocht er van alles over vertellen. Mevrouw de Bucks ogen glommen van plezier. Ik kreeg een 9.

*

‘Mevrouw de Buck, Ingrid, Itid, ook voor ons was u zorgzaam. Toen zag ik alleen dat riempje om uw ietwat uitdijende taille. Nu denk ik aan onze ontmoeting in de plaatselijke kroeg waar ik u tegenkwam met mijn eerste, echte vriendje. Het was nog geheim. U zat daar met mevrouw B., de juf Duits. In de kroeg…! Weet u nog wat u zei?

‘Ik wist dat jullie samen iets hadden, ik heb het gelezen in de Franse brief van Mark aan jou!’ Schalks keek u mijn geheime vriendje aan.

‘Mark vroeg in de brief die hij aan jou richtte ”Comment ca va avec Annelie?” En toen wist ik het!’ U en mevrouw B. lachten. Wij schoven bedeesd aan een ander tafeltje.

*

En nu bent u dood. ‘Na een liefdevolle verzorging in de Houttuinen.’ Ik had wel eens bij u langs kunnen gaan. Dan had ik het u gewoon kunnen zeggen.

*

Dank u wel mevrouw de Buck. Voor het mooie gesprek over Victor Hugo, de 9, uw milde lach in die kroeg.

En ik ken nog zoveel Franse woorden. Ook de werkwoorden kan ik vervoegen. Zonder tranen.

*

”Enseigner, c’etait votre vie”.

C’est vrai.’

***