Grijs

Door het raam zie ik een klant met daarachter kapster Kirsten. Bedrijvig beweegt zij met de schaar in de hand om de klant heen als een bij om een geurige bloem. Met de deurkruk in mijn hand wacht ik even. De kilte van de dichte mist legde een laagje druppels over mijn jas, mijn handschoenen, mijn haar. En voordat ik de deur van de zaak open ruik ik al de zoete geur van kapper, die mengeling van shampoo, föhn, afgeknipte haren en een vleugje koffie.

*

Tijdens het ophangen van mijn jas komt kapster Carola mij tegemoet, een slanke vrouw in een zwarte coltrui op een zwarte broek. Een kek schortje zit om haar middel geknoopt. ‘Die maak ik zelf’, vertelde zij een keer trots aan mij. ‘Gezellig toch?’ Carola vindt veel dingen gezellig.

*

Ik kom voor het knippen van mijn haar. Nou ja, eigenlijk meer voor het kleuren. Zo lang als de kapperszaak in dit dorp bestaat kom ik hier en de perioden tussen mijn bezoekjes in worden steeds korter. Dat komt door de grijze haren die ik tien jaar geleden zelf nog kon weghalen. Staande voor de spiegel, met duim en wijsvinger, een stevige greep op de dikke haar en een forse ruk. Het deed best zeer. ‘Ja, ze zijn stug en stevig, die grijze haren’, beaamde Carola destijds en zij legde mij uit waarom. Ik ben het vergeten. Het was iets met pigment.

*

Nu ben ik er weer. ‘Even een blaadje pakken’, zeg ik tegen Carola die mijn verfje gaat maken en ik loop met mijn kapperscape om richting de Libelle.

‘Dezelfde kleur?’ vraagt Carola en ik knik. Kirsten vraagt aan de vrouw naast mij of zij ‘Een roddeltje wil.’ Even spits ik mijn oren – voor roddeltjes ben ik altijd in – maar Kirsten bedoelt met een roddeltje het blad Privé of de Story. ‘Ja, doe maar’, zegt de klant van Kirsten. Carola roert in een potje mijn verf en Kirsten veegt de op de grond gevallen haren van de klant naast mij op.

*

Een vijfde vrouw zit in de hoek van de ruimte achter een tafel met flesjes nagellak. Haar lange, geblondeerde haren hangen futloos om haar brede gezicht. Dat is de nieuwe nagel-styliste die sinds kort in de zaak werkzaam is. ‘Heel gezellig’, volgens Carola.

*

Als mijn haren door Carola vakkundig zijn bewerkt met de verf die nog het meeste lijkt op stopverf, zet zij het wekkertje op 30 minuten en ik reik naar de Libelle die voor mij ligt op het plankje onder de spiegel. Dan wordt de nagel-styliste gebeld. Ze antwoordt met ‘Ja’ en ‘Wat vervelend’ op de stem die wij niet kunnen horen. Maar opeens horen wij de stem wel want de nagel-styliste zet haar telefoon op de luidspreker.

‘Ik ben het helemaal vergeten, maar ik zit ook zo in de stress’, horen wij.

‘Ik kijk even in de agenda’, zegt de styliste. ‘Nee, ik heb echt geen ander moment meer vrij.’

‘Nou, dat is jammer’, horen wij en daarna wordt het stil. Het gesprek wordt zonder luidspreker afgerond. Lusteloos hangt de styliste in haar stoel achter de vrolijke kleurtjes.

‘Gaat de afspraak niet door?’, vraag ik.

‘Nee, en ik heb me nog zo gehaast’, zucht de styliste, ‘En dit was een dubbele afspraak dus nu heb ik twee uur niets te doen.’ Ik kijk naar mijn hand, mijn vingers en nagels.

*

Onwennig zit ik even later met mijn stopverf-haren achter de flesjes, kwastjes en droog-apparaten voor nagels. ‘De lak blijft zeker drie weken zitten’, vertelt de styliste terwijl ze zachtjes mijn handen vastpakt, mijn nagels vijlt en de nagelriempjes voorzichtig naar achteren duwt. Ook vertelt ze dat ze sinds kort dit werk weer doet.

‘Ik had een eigen nagel-salon’, vertelt ze trots, ‘Tot het noodlot toesloeg’. Ze praat verder maar in mijn oren blijft Het Woord hangen. Als ze me vraagt om mijn andere hand vraag ik wat het noodlot inhield.

*

‘Mijn vriendin waarmee ik de zaak had is vermoord’, vertelt ze. ‘Haar ex-vriend die ze pas vier maanden kende heeft haar vermoord.’ Haar ogen dwalen weg. ‘Ze had een dochtertje van 8 en hij had ook een gezin’, gaat ze verder. ‘Maar dat is allemaal kapot. Hij zit in de cel, mijn vriendin is dood en de kinderen, ach…’

‘Waar woont haar dochter nu?’, vraag ik, ‘Bij haar vader?’

‘Eerst wel, maar ja, hij had ook een gezin met kleine kinderen, dat was wel wat druk voor haar, ze was natuurlijk lang alleen met haar moeder’. De ogen zijn nu heel ver weg. Teruggegleden in een donkere tijd.

‘Nu woont ze bij haar oma. ‘Haar ogen lichten op. ‘Dat is ook fijn voor oma, dan heeft zij weer een doel in haar leven.’

*

‘En, welke kleur wil je er zo op?, vraagt ze. Ze legt drie waaiers voor mij neer met alle kleuren van de regenboog.

‘Doe maar die rode’, zeg ik.

*

Ik kijk naar de stoel voor de spiegel met daaronder het plankje waarop mijn bril ligt, de lege kop koffie – met schuim als viezige zilt-vlokken op het strand, vastgeplakt aan het glas – het glimmende papiertje van het koekje dat ik gedachteloos in mijn koffie had gedoopt en had opgegeten. Het wekkertje. En de Libelle. Ongelezen.

*

Het alarm gaat af. Carola komt eraan en ik sta op. ‘Kom je bij deze wasbak zitten?’, vraagt Carola en ik neem plaats in de stoel onder de wasbak. Ik leg mijn hoofd in de uitsparing van de bak die koel aanvoelt. Een steeds warmer wordende straal water verwarmt mijn hoofd.

‘En?’, zegt Carola, ‘Je hebt ook je nagels laten doen?’ Ik steek mijn hand omhoog. ‘Nou, dat ziet er gezellig uit, zo voor de Kerst!’, roept Carola enthousiast. En ik wil knikken maar dat lukt niet. Mijn nek zit gevangen in die uitsparing. En ik sluit mijn ogen.

***

Advertisements

Foto

                                                                            
Twee discjockey’s vullen de ruimte met loze praat. Hun stemmen gaan tegen elkaar in als pingpongballen van tafeltennissers die wild om zich heen slaan. Heel soms slaan ze een balletje over het net. 

Op een bordje voor mij staat in keurige letters:

Koffiepauze 10.30-10.45 uur

Lunchpauze 12.30-13.15 uur

Theepauze 15.00-15.15 uur.

                                                         *

Met een schuin oog kijk ik naar buiten door de glazen deur naar mijn auto. Deze staat netjes geparkeerd voor de bus waar ik zojuist inklom. Ik zit braaf op een bankje tegenover het bordje. Vaag hoor ik geluiden die van achter komen, mijn oren spitsen zich, ik hoor een lepeltje dat tikt tegen een kopje en zacht lachen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 13.13 uur. Mijn afspraak is om 13.25 uur. Dat is zo’n rare precieze tijd dat ik ervoor zorgde – geheel tegen mijn gewoonte in (‘Mam, jij bent altijd te laat’) – ruim voor 13.25 uur aanwezig te zijn.

                                                        *

Het erge is dat ik de afspraak die ik eigenlijk had – een paar weken geleden – geheel vergeten was. Het was de eerste maandag na terugkeer van onze reis naar China, dat leek mij handig. Ik was nog vrij en had dan alle tijd. De maandag ging voorbij en een paar dagen later dacht ik opeens aan de afspraak. Schuldbewust wilde ik bellen, uitleggen dat ik het vergeten was door mijn vakantie, maar het bandje verwees mij naar de site. Ja, de site. Dat ontsloeg mij van het maken van excuses. Ik maakte zelf een nieuwe afspraak via de site, vandaag om 13.25 uur op een plek die ik niet kende. Ik dacht dat het Haarlem-Noord was maar het bleek Schalkwijk te zijn. 

                                                       *

‘Het is daar bij dat winkelcentrumpje, vlakbij de Haarlemmerweg’, zei mijn man behulpzaam. Hij tuurde op het schermpje op zijn telefoon en ik verbaasde mij erover dat hij wist hoe dat werkte met het kaartje.

‘Zie je er tegenop?’, vroeg mijn zoon.

‘Ach, fijn is het niet’, antwoordde ik. Ik zei er niet bij dat ik er geen zin in had en er wel tegenop zag. Het doet ook pijn, nou ja, pijn, lekker is het niet. En het confronteert mij met dat waar ik liever niet aan denk. Mijn moeder, mijn schoonmoeder, mijn schoonzus. Ik denk aan de woorden van mijn broer: ‘Een bult zo groot als een tennisbal’ en ik zie de lieve Cootje voor mij in de zachte schemer van de ziekenhuiskamer. Ik ruik de lucht van ziekenhuis, adem het in. ‘Zorg je goed voor mijn zoon?’, vroeg ze. Een dag later was ze dood. 

                                                       *

Het is 13.15 uur. Ik hoor gestommel. Een dame van middelbare leeftijd neemt plaats achter het bureautje waarop het bordje met de pauzetijden staat. 

‘Goedemorgen’, zegt ze, ‘O nee, goedemiddag al.’

‘Goedemiddag’, zeg ik. Ik houd het ingevulde formulier zichtbaar vast en mijn rijbewijs trek ik uit het hoesje van mijn telefoon. Ik overhandig beide bewijsstukken van mijn komst en bestaan aan de dame. Achter haar staat een jong meisje. Ze lacht vriendelijk.

‘Uw huisarts heet dokter Prinsen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja’, zeg ik.

‘Weet u ook hoe de praktijk heet?’

‘Eeeh, nee’ en ik pijnig mijn hersens. Hoe heet de praktijk? 

‘Ik kom er bijna nooit’, zeg ik verontschuldigend.

‘Ik heb het al’, zegt de vrouw. Het meisje stapt naar voren en geeft mij een hand. 

‘U kunt zich hier omkleden, u doet de deur achter u op slot, alle bovenkleding mag uit.’  

                                                          *

Even later sta ik weer in het nauwe gangetje van de bus. ‘U krijgt binnen twee weken de uitslag’, zegt de dame vriendelijk. Met een raar soort opluchting verlaat ik de bus, loop het ijzeren trappetje af, naar mijn auto. 

                                                           *

‘Hoe ging het?’, informeerde mijn zoon ‘s avonds. Hij nam een hap pompoensoep. Zijn lippen kleurden een beetje oranje.

‘Ja, het ging’, zei ik. 

‘Wanneer krijg je de uitslag?’, vroeg mijn man.

‘Over twee weken’, zei ik. 

                                                            *

En dan kan ik het allemaal weer vergeten. Twee hele jaren lang.
                                                          ***

Spijt 


‘Je weet het niet, je weet het niet.’ Ik loop achter de oude man aan. Waar is Riet? Meestal doet zij de deur open. Een dame van 85 met een bob-kapsel en zware bril. Klein van stuk. Kwikzilverig. ‘Jouw papa, he? Die mag ik zo graag!’ 

                        *

Nu loop ik achter haar man aan het huis binnen. Een oude-mensen-huis met kleden op de vloer, een vaasje op de tafel en foto’s in de vensterbank. Zware meubels met daartussen potten met planten. Het grote raam biedt uitzicht op het bos. ‘Ik noem het mijn voortuin’, zei hij ooit trots tegen mij. 

                         *

Hij schuifelt naar de zacht-leren bank in de erker en gaat zitten. Ik neem ook plaats op het puntje. 

‘Je weet het niet’, zegt hij nogmaals. En hij drukt mij een lichtgele kaart in mijn hand. Ik zie een bob-kapsel, een zware bril. 

‘Is ze overleden?’, vraag ik tegen beter weten in. En ik denk aan mijn man die een paar weken geleden zei ‘Moet je niet eens langsgaan?’ En mijn antwoord ‘Na onze vakantie ga ik.’

                          *

En nu is Rietje dood. De vriendin van mijn vader die hem altijd uitnodigde voor haar Indische rijsttafel. De wijn die haar man Daan voor mijn vader – die nooit dronk – tevoorschijn haalde uit de wijnkelder. ‘Ik neem altijd wel een glaasje’, vertelde mijn vader die niet durfde te weigeren. ‘Hij heeft er veel verstand van’, voegde hij er altijd bewonderend aan toe.

                       *

Tien maanden geleden schuifelden Rietje en Daan samen over het middenpad van de gedenkruimte naar de kist van mijn vader. Zij, die moeilijk liep – ‘Ik heb een klapvoet, lastig hoor!’ – hield Daan, die bijna niets zag door een voortschrijdende oogziekte – stevig vast. Een gekrompen echtpaar op weg naar weer een verdwenen vriend.

                          *

Ik zit naast Daan die vertelt over de operatie van Rietje en alles wat daarna misging. Haar optimisme ‘Laten we een paar weken naar de zon gaan’, afgewisseld door sombere buien: ‘Ik ga de pijp uit.’ 

                         *

‘Ik heb je nog gebeld maar ik kreeg heel iemand anders aan de lijn’, beweert de bijna blinde. Hij laat mij mijn telefoonnummer zien in het oude klappertje. Het klappertje heeft een stoffen omslag.

‘Dat is mijn nummer’, zeg ik. 

                          *

Maar Daan vertelt verder. Hij praat over Rietje, over zijn interessante werk-leven, over Trump, Indie, wijn. Hij praat en hij praat. Ik denk aan Rietje, ik probeer zijn verhalen te volgen en op de juiste momenten in te hummen. In mijn ooghoek zie ik de lichtgele kaart als een wazige vlek op tafel liggen. Daans verhaal wordt eenmaal onderbroken door zijn zoon die op deze dag het huis schoonmaakt. ‘Ze zorgen goed voor mij’, zegt Daan. 

                         *

Als de zoon na een tijd weer verschijnt stap ik op. Daan legt zijn hand op mijn schouder. Zijn ogen zijn vochtige streepjes. ‘Ze was erg op je gesteld’, zegt hij.

                         *

Buiten schijnt de zon. Daans voortuin – het bos achter de vijver – is nog uitbundig groen. Kroos ligt op het water. Ik fiets langs de vijver waar Rietje vorig jaar met de auto in terecht kwam ‘Geen idee hoe dat nu ging. Ik ben zo geschrokken!’ 

                             *

Ik wist het niet, ik wist het niet.

                            ***

Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Een warme dag


Er liggen plassen naast het zwembad van ons Griekse huisje. Niet van het plonzen in het zwembad want daarvoor is het water te koud. Op de warmste dag in Nederland regent het op Lefkas. Uit een van de plotseling opdoemende dikke wolken storten dikke druppels op het golfplaten dak van ons huisje. Het heeft iets gezelligs.

                        *

Zodra de plassen opdrogen en in de hete zon slinken alsof onzichtbaar keukenpapier het vocht rap opzuigt springt ons Duitse buurmeisje in het ijskoude water van hun zwembad. Haar dappere vader springt ook en samen maken ze plezier. Ik hoor de plons waarmee ze lachend in het water valt nadat haar vader haar hoog optilt en teruggooit.

                       *

Ook wij gooiden ooit kinderlijfjes hoog de lucht in die dan lachend terugplonsten in het water. Natte haren, warrig voor hun gezicht. De hand, waarmee ze de haarslierten naar achteren duwden en vroegen: ‘Nog een keer!?’ 

                       *

Die glibberige lijfjes droogden wij later af en koud vel vleide zich tegen het jouwe aan. Huid op huid. Koud op warm. Die lijfjes zijn lijven geworden, kippenvel krijgen we niet meer.

                       *

Het bijna-volwassen lijf belt ons met de vraag hoelang de lasagne in de oven moet en op welke stand. Ook wil hij weten waar de teken-tangetjes liggen ‘Want Moos heeft een teek. Ja, die heb ik niet ontdekt hoor, dat ontdekte S.’ S. is zijn vriendin die onze poezen liefdevol aait. 

                       *

Gisteravond lagen wij in ons Griekse bed toen de telefoon ging. 

‘Met mij, stoor ik?’

‘Nee hoor, we lagen net in bed’

(…)

Het blijft even stil en ik voel dat onze zoon op zijn horloge kijkt. Het is hier 22.30 uur. In Nederland is het een uur vroeger. Hij slikt van alles in en vraagt: ‘Zeg, welke fles rode wijn mag ik openmaken? J. en S. zijn hier en we willen wat drinken maar ik weet niet welke fles ik mag openmaken.’ J. en S. zijn vrienden die gezellig bij hem langskomen als wij er niet zijn.

‘O joh, dat maakt niet uit. Pak er maar een.’

Achter mij hoor ik zijn vader slaperig mompelen ‘Op het aanrecht staat een goede.’

‘Er staat nog een lekkere op het aanrecht’, herhaal ik. 

‘Oké, hoe is het verder?’ Ik zie zijn ogen gericht op de fles die hij open gaat maken. ‘Het gaat goed hoor, het is hier heerlijk!’ Mijn enthousiasme smoort in het (…) van onze zoon. Ik voel dat hij kijkt naar de fles rode wijn op het aanrecht. In zijn ooghoek zitten zijn vrienden.

‘Nou, prettige avond he?!’, zeg ik. ‘We zien elkaar zaterdag weer.’ 

‘Ja’, zegt hij. ‘Tot zaterdag!’ 

                    *

We worden nog maar een keer door hem gebeld. Over het zonnescherm dat niet meer omhooggaat. 

‘Ik bel wel even met de zaak van het scherm’, zeg ik, ‘Kan gebeuren joh. Het zal de motor wel zijn, dat gaat een keer stuk.’

‘Is goed, mam’, zegt hij mak, bezorgd om de reactie van zijn vader die niet houdt van kapotte zonneschermen. Ik bel met de leverancier.

‘Ik houd het kort want ik bel vanuit Griekenland.’ En ik leg uit wat er aan de hand is.

‘Geeft u maar het nummer van uw zoon, dan bel ik hem’, zegt de vriendelijke zonneschermenman. Ik app onze zoon dat hij gebeld wordt. Vier minuten later belt ons kind.

‘Mam, het was gewoon de stekker’, zegt hij beschaamd. ‘Ik had gefrituurd en dat wilde ik buiten doen. Toen heb ik de stekker van het scherm eruit gehaald en dat was ik vergeten.’ 

Ik lach. ‘Mooi dat dat het was! Tot gauw!’ 

                       *

Als ik neerleg denk ik aan de twee zachte lijfjes van toen. De lachende gezichten, het plezier, en de vele plonzen in het water. Naast ons hoor ik het buurmeisje. Ze lacht en springt weer in het zwembad. 

                        *

In de krant zie ik foto’s. Meisjes, ouders, vriendinnen. Een buurvrouw die de kinderen zou ophalen. Saffie Rose, Georgina en Olivia springen niet meer. Niet in koud water, niet in warm. Geen gelach, geen plons na het teruggooien van het kind in het zwembad, geen handdoek, geen opwarmend kindervel op ouderhuid.

                      *

De plassen naast het zwembad zijn weg. De zon schijnt. Het belooft weer een warme dag te worden.

                    ***