Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Een warme dag


Er liggen plassen naast het zwembad van ons Griekse huisje. Niet van het plonzen in het zwembad want daarvoor is het water te koud. Op de warmste dag in Nederland regent het op Lefkas. Uit een van de plotseling opdoemende dikke wolken storten dikke druppels op het golfplaten dak van ons huisje. Het heeft iets gezelligs.

                        *

Zodra de plassen opdrogen en in de hete zon slinken alsof onzichtbaar keukenpapier het vocht rap opzuigt springt ons Duitse buurmeisje in het ijskoude water van hun zwembad. Haar dappere vader springt ook en samen maken ze plezier. Ik hoor de plons waarmee ze lachend in het water valt nadat haar vader haar hoog optilt en teruggooit.

                       *

Ook wij gooiden ooit kinderlijfjes hoog de lucht in die dan lachend terugplonsten in het water. Natte haren, warrig voor hun gezicht. De hand, waarmee ze de haarslierten naar achteren duwden en vroegen: ‘Nog een keer!?’ 

                       *

Die glibberige lijfjes droogden wij later af en koud vel vleide zich tegen het jouwe aan. Huid op huid. Koud op warm. Die lijfjes zijn lijven geworden, kippenvel krijgen we niet meer.

                       *

Het bijna-volwassen lijf belt ons met de vraag hoelang de lasagne in de oven moet en op welke stand. Ook wil hij weten waar de teken-tangetjes liggen ‘Want Moos heeft een teek. Ja, die heb ik niet ontdekt hoor, dat ontdekte S.’ S. is zijn vriendin die onze poezen liefdevol aait. 

                       *

Gisteravond lagen wij in ons Griekse bed toen de telefoon ging. 

‘Met mij, stoor ik?’

‘Nee hoor, we lagen net in bed’

(…)

Het blijft even stil en ik voel dat onze zoon op zijn horloge kijkt. Het is hier 22.30 uur. In Nederland is het een uur vroeger. Hij slikt van alles in en vraagt: ‘Zeg, welke fles rode wijn mag ik openmaken? J. en S. zijn hier en we willen wat drinken maar ik weet niet welke fles ik mag openmaken.’ J. en S. zijn vrienden die gezellig bij hem langskomen als wij er niet zijn.

‘O joh, dat maakt niet uit. Pak er maar een.’

Achter mij hoor ik zijn vader slaperig mompelen ‘Op het aanrecht staat een goede.’

‘Er staat nog een lekkere op het aanrecht’, herhaal ik. 

‘Oké, hoe is het verder?’ Ik zie zijn ogen gericht op de fles die hij open gaat maken. ‘Het gaat goed hoor, het is hier heerlijk!’ Mijn enthousiasme smoort in het (…) van onze zoon. Ik voel dat hij kijkt naar de fles rode wijn op het aanrecht. In zijn ooghoek zitten zijn vrienden.

‘Nou, prettige avond he?!’, zeg ik. ‘We zien elkaar zaterdag weer.’ 

‘Ja’, zegt hij. ‘Tot zaterdag!’ 

                    *

We worden nog maar een keer door hem gebeld. Over het zonnescherm dat niet meer omhooggaat. 

‘Ik bel wel even met de zaak van het scherm’, zeg ik, ‘Kan gebeuren joh. Het zal de motor wel zijn, dat gaat een keer stuk.’

‘Is goed, mam’, zegt hij mak, bezorgd om de reactie van zijn vader die niet houdt van kapotte zonneschermen. Ik bel met de leverancier.

‘Ik houd het kort want ik bel vanuit Griekenland.’ En ik leg uit wat er aan de hand is.

‘Geeft u maar het nummer van uw zoon, dan bel ik hem’, zegt de vriendelijke zonneschermenman. Ik app onze zoon dat hij gebeld wordt. Vier minuten later belt ons kind.

‘Mam, het was gewoon de stekker’, zegt hij beschaamd. ‘Ik had gefrituurd en dat wilde ik buiten doen. Toen heb ik de stekker van het scherm eruit gehaald en dat was ik vergeten.’ 

Ik lach. ‘Mooi dat dat het was! Tot gauw!’ 

                       *

Als ik neerleg denk ik aan de twee zachte lijfjes van toen. De lachende gezichten, het plezier, en de vele plonzen in het water. Naast ons hoor ik het buurmeisje. Ze lacht en springt weer in het zwembad. 

                        *

In de krant zie ik foto’s. Meisjes, ouders, vriendinnen. Een buurvrouw die de kinderen zou ophalen. Saffie Rose, Georgina en Olivia springen niet meer. Niet in koud water, niet in warm. Geen gelach, geen plons na het teruggooien van het kind in het zwembad, geen handdoek, geen opwarmend kindervel op ouderhuid.

                      *

De plassen naast het zwembad zijn weg. De zon schijnt. Het belooft weer een warme dag te worden.

                    ***

Koker


Wanneer de tienduizend dingen gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn

Ts’ên Shên 岑參 (715-770)


Op de zolderkamer staan dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Op de strijkplank ligt een stapeltje schone was. Daarbovenop liggen twee deksels van schoenendozen ter ontmoediging van poes Saar die graag op schone, ongestreken was ligt. 

                           *

De kamer met het moeilijke want schuine wandje – verfraaid met liefdevol behang van vogels en bloemen en kleur – is een rommelkamer geworden. Ooit sliep onze dochter hier. Ze kan er nog wel slapen. Er staat een bed met daarop het dekbed met het dekbedovertrek-van-duizenden-bloemetjes. Maar ook zij beseft dat de jaren van weleer niet terugkeren. Zij slaapt er niet meer.

                            *

Naast het bed staat de koker met de as van mijn vader. De as verhuisde van het kantoortje naar de kamer met dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Ik denk dat de as zich thuis voelt in de oude kamer van de kleindochter. De rommel spreekt de as aan. Bij hem thuis was het ook rommelig. Een strijkplank in de zijkamer, een gammel bureau, dozen, een wasrek, ja, ik weet het zeker: die zolderkamer is een prima plek.

                             *

Er komt een dag dat de koker met as vertrekt. Op een mooie dag in juni maakt de as een korte reis in een fietstas. De fietster fietst voorzichtig – denkend aan de koker in haar tas – naar het strand, de zee. In de vroege ochtend verzamelen negen mensen zich met slaap-ogen aan de vloedlijn. Iemands broek en schoenen zullen nat worden. 

                            *

Als ik naar beneden loop van de zolderkamer, de trap af denk ik aan de maanden die zijn verstreken. De maanden zonder mijn vader. Maanden waarin ik niets kon vertellen, niets kon doen.

                            *

‘Maar volgend jaar/als jij in duizenden grijze stukjes/meegevoerd door stromingen/door het water bent opgenomen/opgelost als suikerkristallen in thee/dan zijn de dozen opgeruimd/de strijkplank ingeklapt/het wasrek verplaatst/Je herkent die kamer/dan niet meer terug/pa’

                          ***

De voltooiing 


Ik zoek het woord

Onmachtig is onze taal,

haar toon plotseling – armzalig.

Met alle kracht van mijn gedachten,

zoek ik dat ene woord –

maar kan het niet vinden.

Het lukt me niet.

Wislawa Szymborska (1923-2012)

De zon scheen, de hemel lichtte blauwig op. Wolkenflarden als langgerekte rookslierten versierden het blauw. En het was warm, 11 graden. Niet zo koud en somber als de dag waarop we afscheid namen van mijn vader. Toen keken we fronsend naar boven: zou het gaan regenen? Het ging niet regenen. 

                         *

Op deze warme februari-dag haal ik de as mijn vader op. In de auto luister ik naar Franse chansons, gezongen door Wende Snijders, op haar manier, – poëtisch en rauw, zacht en hard. Het is – geloof ik – dat wat ik voel.

                        *

Mijn vader, fietsend met zijn vrienden naar Parijs. Enkele herinneringen, rauw als wondjes met geel-witte randjes om de korst. Even pulken en het ettert. Zachter de laatste jaren en boterzacht de laatste dagen met zijn handen open op zijn schoot en zijn lijf, ineengedoken in de stoel tussen het bed en het tafeltje met die onsamenhangende brij van spullen: een week-agenda, de t.v.-gids, een puzzelboekje, scheerspiegel, een doos met watten, plastic handschoentjes. Alsof zijn leven al in losse brokjes uiteen gevallen was. 

                        *

Hard was de kist waar ik mijn hand op legde de laatste keer, die avond waarop vrienden en kennissen kwamen om afscheid te nemen. In de ruimte die vol liep en rook naar natte jas.  

                        *

Ik draai de auto het crematorium-terrein op. Het is druk. Groepjes mensen lopen richting de afscheidsruimte. Een man in een zwarte jas regelt de bezoekerstroom. Het is alsof het Keukenhof-seizoen al weer begonnen is. Ik doe mijn raampje open. ‘Ik kom de as van mijn vader halen’ zeg ik en met een armzwaai word ik doorgelaten.

                          *

In mijn ooghoek zie ik de menigte bij de afscheidsruimte groeien. Ik ben nieuwsgierig maar ik kom de as van mijn vader halen. Bij de balie van het huisje met het rode dak meld ik mij. 

‘Het is druk’, zeg ik. De receptionist kijkt naar buiten en zegt: ‘We hebben een afscheid van een jong meisje, erg triest. We verwachten wel 700 bezoekers.’ Hij leidt mij een schemerige ruimte binnen. Ik neem plaats aan een ronde tafel. 

‘Wilt u wat drinken?’, vraagt hij en dat wil ik. Ik krijg thee met een koekje. ‘Mijn collega komt zo bij u’, zegt hij en hij sluit zachtjes de deur. 

                         *

Ik drink mijn thee, doop het spritsje erin. Zacht-zoete kruimels smelten op mijn tong. Een dame komt binnen en geeft mij een hand. 

‘Had mijn collega verteld dat de as van uw vader daar staat?’ Ik volg haar blik en ik zie een koker op een halfrond tafeltje staan. Een bibberig waxinelichtje staat ernaast. ‘Nee, dat had hij niet gezegd’, antwoord ik. De dame gaat zitten en ik zet mijn handtekening op een aantal papieren. 

‘Ik zal u nu de koker laten zien’, zegt ze. ‘Hier ziet u het plaatje met het nummer, dat correspondeert met het nummer op deze brief.’ Ik staar naar het nummer, de koker, het flikkerende lichtje werpt bevende schaduwen op de muur. 

                         *

‘Ik plak de koker dicht’, gaat de vrouw verder, ‘Wilt u de as zien?’

‘Ja’, zeg ik.

Voorzichtig trekt ze de deksel draaiend omhoog. Ik ga staan.

‘Het is gewoon grijs’, zegt ze. En ik zie fijn, grijs as als het zwart-witte-poederdrop van vroeger dat je van je natte vinger likte. 

‘Het weegt al met al 2 à 3 kilogram’, zegt de dame. ‘Ik zeg altijd: ‘Men keert weer terug naar zijn geboortegewicht’. 

                         *

‘Mijn vader had nog zijn horloge om, mag ik vragen of dat er ook in zit?’, vraag ik.

‘Ja, natuurlijk mag u dat vragen, ehh, het klinkt gek maar het metaal dat achterblijft filteren we en halen we eruit.’ 

‘O’, zeg ik. 

‘Wordt iedereen eigenlijk direct na het afscheid gecremeerd?’, vraag ik. 

‘Ja, in de regel wel’, vertelt de dame, ‘U kunt ervan uitgaan dat – als u met uw gasten in de koffiekamer bent voor de condoleance – het lichaam gecremeerd wordt.’

‘O’, zeg ik.

                         *

Als ik met de koker in een langwerpige tas naar buiten loop komen twee volkswagenbusjes aangereden met hartjes en ‘Love’ erop gespoten in zachte hippie-kleurtjes. Daarachter rijdt een sliert lage, open autootjes die ik ken van het surf-eiland Fuerteventura. Daar sjezen de autootjes over de zand-en lavavlakten. Toeristen zitten erin, met sjaals om hun mond vanwege opstuivend stof en zand.

                         *

De busjes en autootjes staan stil voor de grote menigte. Ik zie meisjes met bloemen in hun armen.

                        *

Thuisgekomen zet ik de tas met as op de grond naast de tafel. ‘Het lijkt wel een fles wijn’, zegt mijn man. Als ik vertel over de menigte mensen, het jonge meisje en de hippie-busjes zegt hij: ‘Ik las laatst een advertentie over een jong meisje dat overleed.’ 

                         *

Ik zoek de advertentie op en ik vind een kleurrijk bericht over de dood van een meisje. Ze werd vijftien jaar. Er is een condoleance-pagina op Facebook aangemaakt. Ik zie een plaatje van een meisje met een surfplank op haar hoofd. ‘Gone surfing’.

                         *

Ik kijk naar de tas met de koker die op een fles wijn lijkt. En ik denk aan de ouders van het meisje die zo in de koffiekamer staan. 

                        ***

Referentienummer 


Mijn broer stuurde mij een machtigingsformulier toe. Hiermee kan ik de as van mijn vader ophalen. Op het formulier staat: ‘Relatie van de overledene’ met daarachter op het stippellijntje in het handschrift van mijn broer ‘Dochter’. Ik tik het telefoonnummer onderaan het formulier in op mijn telefoon.

                       *

‘Met begraafplaats en crematorium Westerveld, goedemorgen, met Monique’

‘Goedemorgen, u spreekt met Annelie Jonquiere. Ik wil graag een afspraak maken om de as van mijn vader op te halen.’

‘Wanneer had u in gedachten?’, vraagt Monique vriendelijk. Op de achtergrond hoor ik mensen praten, telefoons gaan over. Het is een bedrijf.

‘Ik zou dinsdag kunnen langskomen of vrijdagmiddag’, antwoord ik.

‘Dat is kort dag’, zegt Monique. ‘U moet weten, wij hebben een strakke planning. Wat is het referentienummer?’

‘Referentienummer?’, vraag ik, ‘O, u bedoelt…, eh, ja, ik heb mijn telefoon nu in de hand en ik kan niet tegelijk het formulier opzoeken. Als u even wacht kijk ik even.’ Monique wil wel even wachten. 

                         *

Ik priegel op mijn telefoon naar de mail van mijn broer met dat machtigingsformulier. Nummer? Waar staat een nummer?

Ik tik het groene balkje op mijn beeldscherm aan en keer hiermee terug naar het gesprek.
‘D207845’, zeg ik. ‘Dat is het referentienummer.’

Monique tikt het nummer in. Ik hoor vinnige tikken op een toetsenbord.

‘Dat is de heer P.J. Arnoldi’, zegt Monique.

‘Nee, hè, dat klopt niet’, zeg ik. En ik denk intussen allerlei slechtigheid.

‘Wanneer is uw vader gecremeerd?’ informeert Monique.

‘Eh…’ 

                       *

Ik keer terug naar de avond van 4 november. Ik loop in de verlaten gang van de revalidatie-afdeling, ik hoor mijn vaders diepe ademhalen. Het laken zit strak om zijn borst. Ik pak zijn hand eronder, nog warm en droog. Wanneer was de crematie? Ik denk, tel de dagen en zeg: ’11 november was de crematie.’

Monique tikt maar ze komt er niet uit.

                       *

‘Heeft u nog even?’, vraag ik.

Als een kind dat voor de tweede keer een verkeerd antwoord gaf op een niet al te moeilijke som keer ik terug naar het formulier.
‘D207854’, zeg ik. ‘Dat is het juiste referentienummer. Ik draaide per ongeluk…’

‘Dat is de heer A.S. Jonquiere’, constateert Monique.

‘Ja’, antwoord ik opgelucht. ‘Dat is hem.’
‘Ik heb nog een gaatje op dinsdagmiddag 14.30 uur’, zegt Monique.

‘Ja, dat kan’, antwoord ik. En ik denk aan alle dinsdagen, 14.30 uur. Dan was ik al weer thuis nadat ik hem bezocht had met twee verse haringen. Dan hadden we wat gepraat, koffie gedronken en was ik teruggefietst naar huis. Dan zette ik een kop thee, pakte ik mijn laptop en werkte ik nog wat mails weg. Dan wipte de poes op tafel en aaide ik haar met mijn linkerhand.

                    *

‘U had het over een machtigingsformulier? Maar dat ontvingen wij nog niet.’

‘Ja, dat heb ik. Moet ik dat aan u toesturen?’ Dat moet.
Het gesprek loopt ten einde. 

Dinsdag haal ik dat wat over is van mijn vader op. Om 14.30 uur. Nadat ik het machtigingsformulier verstuur. Uiteraard. Met het referentienummer.
‘U kunt zich melden bij het huisje met de rode dakpannen, direct bij de ingang’, vertelt Monique. En dat klinkt bijna leuk. Een huisje als in een sprookje van Hans en Grietje. 

                          *

Als ik even later in mijn agenda kijk zie ik dat mijn vader niet op 11 maar op 10 november werd gecremeerd. Als nummer D207854. Maar dat ga ik niet onthouden.

                     ***