Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Een lieve stad


Bij ons in huis staan opeens twee zwarte laarsjes. Halfhoog zijn ze, maat 35, hooguit 36. Ze staan fier rechtop. De laarsjes zijn van onze dochter.

‘Ik werk tot en met vandaag’, zei mijn dochter zaterdagochtend, ‘Dan kan ik volgende week nog even rustig aan doen.’

‘Ja, prima’, zei ik.

‘Kan je al mijn gespaarde geld voor China binnenkort aan mij overmaken?’, vroeg ze

‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik.

‘Mooi’, zei ze en ze ging naar beneden. 

                         *

Ik vind zodirect in de badkamer een paar lange, blonde haren, dacht ik slaperig. Ik droomde die nacht over haar. Dat ze haar vliegtuig in Guilin, een stad in Zuid-China, miste ‘Daar moet ik al om 5.00 uur ‘ s ochtends zijn als ik terugkom uit Yangshuo, hoe ga ik dat regelen?’, zei ze onlangs, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ik weet het ook niet. Wel weet ik dat ik wakker lag van de gedachte dat zij daar liep, ‘s ochtends vroeg in die Zuid-Chinese stad met zoveel inwoners, Chinese karakters, Chinese klanken, niemand die Engels spreekt. Ik moet uiteindelijk weer ingeslapen zijn ondanks de harde wind die onze slaapkamerdeur deed piepen en de gordijnen liet opwaaien, zachtjes als de ruisende rokken van een pirouettes-draaiende dame. 

                    *

Onze dochter vertrekt over een week naar China. Ze gaat daar een half jaar studeren maar eerst nog even reizen. In haar eentje. Met treinen, vliegtuigen en taxi’s. Naar miljoenen-steden, grillige gebergten, meren, rivieren en pandaberen. 

‘Ik ben daar toch een paar weken te vroeg, ik heb tijd zat om te reizen’, zegt ze. Samen zoeken we hostels, boeken we vliegtuigen, sturen we kopieën op van haar paspoort naar Chinese dames die in steenkolen-Engels mailtjes sturen met verzoeken om meer informatie. ‘Klopt dat wel?’, vraag ik mijn dochter. ‘Ja, ik krijg van mijn verhuurder ook dat soort vage mails’, zegt ze. En we sturen de paspoortgegevens maar door aan Chinese dames die Sue of Nikki heten.

                        *

‘Zullen we nog een keer naar de Dubuffet-tentoonstelling in het Stedelijk Museum gaan?’, vraagt mijn man.

‘Ja’, zeg ik, ‘Dinsdag ben ik vrij.’ 

                      *

‘Ons huis is per 1 augustus onderverhuurd, dus ik kom nog een weekje naar huis’, meldde onze dochter een tijdje geleden. Dus kwam ze thuis. Met acht dozen, zeven volle tassen, een koffer en een reistas. 

‘Ik ga mee naar de tentoonstelling van Dubuffet’, zegt ze. 

‘We kunnen met de auto, die zetten we dan in de Apollolaan’, stel ik voor. ‘Dat doe ik ook altijd als ik Barry bezoek. Dat gaat prima. Ruim plek, het is vlakbij het Museumplein en parkeren daar kost € 3,- per uur.’ 

‘O prima’, zegt mijn man, ‘Dan lopen we daar vandaan naar het Stedelijk.’ 

                          *

Op de Apollolaan zijn veel lege plekken. Ik parkeer de auto, ik activeer de handige parkeer-app en we lopen richting het Museumplein. Op de Apollolaan staan in de middenberm sculpturen, het is een beeldenroute, Art Zuid. En we zien Rudi Fuchs. Langzaam steekt hij over bij het zebrapad. Een zwarte bloes draagt hij en een zwarte, hoog opgetrokken broek die om zijn bolle buik spant. Wilde, grijze krullen. Een oude man. ‘Daar loopt de oud-directeur van het Stedelijk Museum’, zeg ik tegen mijn dochter.

‘He, wat?’, zegt zij en ze kijkt een man na op een opoefiets.

‘Nee, de man die nu oversteekt’, wijs ik haar op de gebogen, oude heer.

‘O’, zegt ze.

                        *

De tentoonstelling van Dubuffet is klein maar prachtig. In de tuin van het Rijksmuseum staan ook nog een paar sculpturen van Dubuffet. We wisten niet dat er een tuin was bij het Rijksmuseum. Maar die is er: met een fontein vol spelende kinderen, een vijver met lelies, perkjes gevuld met kleurrijke bloemen en stukjes gras met beelden van Dubuffet. Langzaam lopen we terug door Amsterdam- Zuid, via de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat. Langs het Hilton. 

                      *

‘De auto staat daar’, zeg ik en ik wijs naar een omhoogstaande, ijzeren knoop in de middenberm. Een sculptuur. Maar de auto staat er niet. 

‘Hier stond hij’, zeg ik en ik wijs naar de lege plek. Achter de lege plek staat een auto die wordt opgeladen. Een geel snoer kringelt van de auto naar een laadpaal. 

‘Ik weet het zeker’, herhaal ik, ‘Hier stond ie.’ Verbouwereerd staren we alledrie naar de lege plek. 

‘Gestolen?’, vraagt mijn dochter. 

‘Ja, ik denk gestolen’, zeg ik. Een piepklein autootje draait om ons heen. Het raampje gaat open.

‘You parked here?’, vraagt een donkere man, zijn elleboog ligt op de onderrand van het raampje. 

‘Yes’, stamel ik.

‘He was moved a while ago’, zegt de man. ‘This place is for electric cars’, vertelt de man en hij wijst op de lege plek en de auto die achter ons staat met de gele draad. ‘I didn’t know this was also a place for electric cars.’ zeg ik. Woede maakt zich van mij meester.

                        *

‘Wat doen we nu?’, vraagt mijn man.

‘We bellen parkeer-beheer’, zeg ik. De Amerikaan zet zijn mini-autootje op de stoep voor zijn huis. 

‘I live here, if you need anything, I’m in the house.’ 

‘Thank you’, zeggen we. Verslagen nemen we plaats op een bankje in de tussenberm van de Apollolaan. Met uitzicht op de ijzeren knoop.

                          *

Een dame van de gemeente Amsterdam die ik aan de telefoon krijg vertelt me dat onze auto is weggesleept en op de Daniël Goedkoopstraat 9 staat.

‘Goedkoopstraat?’, herhaal ik, ‘Is dat in Zuid?’

‘Ja, ergens in Suid’, zegt de vrouw. ‘U moet dat maar efe opsoeke op uw telefoon. De kosten bedragen trouwens €373.’ 

‘€373?’, herhaal ik.

‘Ja, €373, dat sijn de kosten voor het wegslepen. Dese moet u direct betalen.’ 

‘Maar ik heb het niet gezien, die plek, dat deze voor een elektrische auto was. Er waren zat parkeerplekken op de Apollolaan. Ik had best ergens anders kunnen staan. En ik heb de parkeer-app aangezet.’ 

‘Tja, toch mag u daar niet staan’, zegt de vrouw. Het gesprek is afgelopen. ‘Fijne dag’, wenst ze ons toe.

                         *

We nemen de tram, de metro en lopen over een desolaat bedrijventerrein waar parkeerbeheer huist. Een flinke dame achter een beveiligde balie beaamt dat het wegslepen van onze auto ‘belachelijk’ is. Maar dat in heel Amsterdam alle verkeerd geparkeerde auto’s worden weggesleept. 

‘Dat is het beleid mevrouw.’ Ik pin €373,-. 

‘Amsterdam is toch een iets minder lieve stad dan meneer van der Laan laatst op televisie vertelde’, zeg ik. 

                         *

Thuis staan de zwarte, halfhoge laarsjes midden in de kamer. Over een paar dagen gaat onze dochter weg. Naar China. Voor haar rechtenstudie. ‘Mam, ik zoek de jurisprudentie op.’ Ze tikt driftig op haar computer. 

‘Morgen schrijf ik een brief en daarna kan jij die in jouw woorden overschrijven. Daar kan je dan mee in bezwaar gaan.’ Ik kijk naar de laarsjes en die ene lange blonde haar op de rand van het tafelblad. Ik pak de haar op en laat deze langzaam op de vloer vallen.

                          *

Ik zal haar missen.

                          ***

Over


Het is zomer. De dag die het jaar in tweeën snijdt is alweer voorbij. De tijd vliegt. Het schijnt iets te zijn in het brein waardoor deze voorbijsnelt. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië. Maar nee. Kerst is een half jaar geleden, acht maanden geleden stierf mijn vader en Indonesië bezochten we in 2014, eeh, nee, 2013.
                          *

Het is zomer. De laatste tentamens zijn gemaakt en proefwerkweken zijn gestart. Bijna komt de voortsnellende tijd knarsend als een roestige locomotief op hete rails tot stilstand in sissende worstjes op de barbecue, rosé op een terras en fietsen naar het werk door de kale bollenvelden met je mond dicht vanwege de vliegjes.

                        *

‘Ik heb een voldoende voor Politicologie’, meldde onze zoon eergisteravond, tussen neus en lippen door.

‘O, mooi!’, zeiden wij.

‘Zijn jullie nu niet blij?’, vroeg de zoon.

Dat zijn we. Echt wel. Hij gaat over naar het tweede jaar. 58 van de 60 eerstejaars HBO-punten zijn binnen. 

                      *

‘Mijn P ga ik niet halen’, mompelde hij een paar weken geleden, ook tussen neus en lippen door. P staat voor propedeuse, het eerste behaalde studiejaar. We hadden het over de universiteit. Zijn vriendin maakt volgend schooljaar de overstap van het HBO naar de universiteit en gezien zoons geringe zichtbare inzet versus verrassende ruime voldoendes kregen we het erover. Over een overstap. Misschien. Hoeft niet. Maar kan. Eventueel.

                       *

Bekwaam smoorde hij het idee van een overstap naar de universiteit met de melding dat hij zijn ‘P niet ging halen omdat x zich niet aan de afspraak had gehouden met dat ene onderzoek en er niks van had gebakken.’

‘Wat raar dat jij niet een voldoende kan halen’, meende ik, ‘Als een ander het niet goed doet.’ 

‘Tja, dat heb je met al die groepsopdrachten’, zei de zoon, kauwend op een stuk tosti nadat hij deze met een geconcentreerde blik gedoopt had in een flinke plas curry. 

‘Toch gek. Kan je daar niet eens achteraan gaan? Een gesprek met je mentor?’ Onverschillig keek hij naar zijn bord met curry-strepen die als bruin-rode riviertjes over het bord kronkelden. 

                        *

‘Nee, eh, je moet het gewoon halen’. De tosti was bijna op.

‘Nou, ik vind het raar en jammer. Nu haal je je propedeuse niet door iemand anders..of eh, had je er zelf ook een aandeel in?’

                         *

Hij keek mij aan. Met overbekende ogen. 

‘Ik heb het zelf ook niet goed gedaan’, zei hij. En ik dacht opeens aan het kind dat altijd een van zijn twee wantjes verloor. Hoe boos ik daarover kon zijn. Hoe zijn hoofd naar beneden boog. Tranen druppelden uit bruine ogen. 

                       *

‘Jammer’, zei ik nu en daar lieten we het bij. Gisteren verloor hij zijn wantje. Vandaag haalde hij net niet zijn propedeuse.

                        *

‘Maar ik ben wel over naar het tweede jaar’, grijnsde hij, ‘Ben je niet blij?’ Ik zag een mond vol kruimels, zachte draden gesmolten kaas en bruin-rode saus.

                        *

‘Ja, ik ben blij’, zei ik. Ik keek naar buiten. De hortensia stond in bloei. Witte bollen in het groen. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië en vroeger verloor hij altijd dat ene wantje. 

                         *

Nu is het zomer. Is hij over naar het tweede jaar. En ik ben blij.    

                       ***

De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***

Mikado

Meteen had ik moeten opschrijven hoe het was, hoe het is. Maar de dagen vielen over elkaar heen als mikadostokjes op een gladde tafel: niet van elkaar te peuteren zonder de lichtste beweging. Dus liet ik ze maar liggen, de over elkaar getuimelde houtjes. 

                        *

Uit alle hoeken en gaten dwarrelden kaarten, berichten, telefoontjes, zoveel liefde en hartelijkheid als een mens maar kan verdragen. Was ik zelf ook zo attent en meelevend? Ik nam me voor dat altijd te zijn, vanaf nu, meteen, direct. 

                         *

De dood van mijn vader ritste de jas van mijn jeugd in één ruk open. De zelfgebreide trui van mijn moeder zat onder die jas: een precies-gebreide trui, witte figuurtjes erin verweven als dartele vlinders in een onbedorven lichtblauwe lucht. Maar onder de trui zweette ik in mijn witte hemdje met kanten bandjes: de trui kriebelde, was te warm, de dwingende liefde drong door tot in de vezels van dat hemdje, mijn huid, zo via de bloedbaan het hart in.

                       *

Met het afscheid van mijn vader zei ik ook haar gedag, dat wat ik nooit had kunnen doen. Via mijn oude vader – zijn hijgen deed mijn adem stokken – zei ik gedag, dag, dag, dag, mama. 

                       *

Ik was elke keer áf: bij het optillen van de dagen als stokjes bewoog toch elke keer er weer één. Dan wachtte ik. Ik keek het draaiboek van de plechtigheid na, sorteerde de foto’s, zwart-wit van weleer, kleur van vroeger en nu. Mijn kind zei: ‘Ik ken opa alleen met grijs haar, hier heeft hij zwarte haren’. En verbaasd keek ik opnieuw naar de foto’s, naar het zwarte, gladde haar, op zijn plaats gehouden met vet. Een jonge, slanke man met hoop en verwachting in zijn ogen. Bruine ogen achter ronde brillenglazen. Verlegen ogen, fluwelig bruin als die van een paard in de wei, onbedorven, zoekend naar contact.

                          *

De lichte jaren, gelardeerd met de klanken van bandrecorder en pick-up, beverige 8-millimeter-filmpjes van jong en jeugd, kinderstemmen en plezier. Daarna de donkere jaren in het grote huis met al die kamers waar ‘s nachts in mijn dromen zwarte vleermuizen rondspookten die overdag opeens verdwenen waren. Ik keek dan uit het raam, over de bomen naar het spoor. Je kon altijd weg met de trein, reizen naar iets vers, iets warms, iets van vroeger of later.

                          *

Tussen de klanken door van zachte vioolmuziek op de lichte zondagen rook ik de geuren uit de rantangs van mijn tantes en oma. De kruidige geuren kriebelden mijn neus in, beweeglijke kinderen krioelden door elkaar in de nauwe gangen van het Haagse huis van een van de vele tantes.

                       *

Niks geen zuilengalerij met de koel-marmeren vloer waarop de schommelstoel lichtjes bewoog nadat mijn oma deze had verlaten om in de pannen te roeren en te ruiken, te snoepen van al het lekkers dat de kok klaarmaakte. Ik zie haar loom schuifelen door het huis, de statige Soendanese met de mooie, bruine ogen als van een paard in de desa op zoek naar contact.

                         *

Mijn opa in zijn witte kostuum komt aanlopen en twee jongetjes op blote voeten rennen op hem af. Hij tilt ze een voor een op en drukt de smalle lichamen tegen zijn koele pak. Daaronder zit de hitte van de dag, de tropenzon, het harde werken op het land. Mijn oma schenkt uit een kan koele limonade en plaatst de bekers op het rotan tafeltje met de ronde glasplaat. De beelden in sepia vertellen hun verhaal van vrijheid, blote voeten, kruidige geuren, groen in alle kleuren en warmte zo veilig en vertrouwd als de holte van je moeders arm.                    

                          *

De week van de mikado-stokjes is voorbij, warme sepia-tijden, de zacht-oranje kleuren van de jaren zestig en later de koele bergen en die lichtblauwe trui met witte figuurtjes als dartele vlinders in een onbedorven lichtblauwe lucht. Het laatste stokje ligt op tafel. Ik ben aan de beurt, pak het op en ik tel ze. Ik heb gewonnen.

                       ***

Tonio

Na een slopende opruimdag in het huis van mijn vader zet ik wat foto’s van het dressoir dat mijn ouders ooit kochten – het was een rib uit hun lijf eind jaren ’50 – op Marktplaats. Het bruine, houten dressoir met de glanzende greepjes die zo mooi een rechthoekje vormen als de kastjes en laatjes gesloten zijn. Het dressoir is nog ouder dan ik. 
                         *

Ik zie de foto van mij, jarige Job, trots en blij met mijn buik vooruit en een papieren kroon op het hoofd. ‘Drie jaar!’ staat op de rand van de kroon. Ik draag hetzelfde bloesje als de pop achter mij, Tonio. Mijn moeder kleedde Tonio aan zoals ze mij aankleedde: een rood-wit geblokte bloes met paarlemoeren knoopjes, een kobaltblauwe tuinbroek van ribbeltjes stof. Alle kleertjes gemaakt door de vaardige handen van mijn moeder. Slanke, handige handen. Ik was Tonio, Tonio was mij. 

                         *

Ik sta op de foto voor het donkerbruine dressoir. Achter mij staan mijn cadeautjes: Tonio, een bromtol en…Ik graaf in mijn geheugen: wat stond er nog meer? Maar het enige dat ik zie is mijn gelukkige gezichtje, glimmend van blijdschap. Drie jaar! 

                         *

Het beetje speuren naar een bedrag voor het oude dressoir leverde niets op dus ik doe maar wat. Ik plaats drie foto’s bij de advertentie: ‘Mooi en gaaf dressoir van Pastoe’ en ik wacht af. Binnen een minuut gaat mijn telefoon:

‘Ik zie dat u een dressoir van Pastoe te koop heeft. Ik wil dat graag kopen, u krijgt de vraagprijs van mij.’ Ik wimpel de man – die stevig aandringt – af. Bieden moeten ze. Zo werkt dat toch op Marktplaats? 

‘Ik wacht nog even af’, zeg ik, ‘De advertentie staat er nog geen minuut op.’ De man geeft niet op maar ik heb er genoeg van en ik noteer zijn nummer. ‘U belt mij wel terug?!’, dringt de man aan, ‘Ik wil het dressoir graag van u kopen.’ Ik beloof terug te bellen. 

                         *

Zodra het gesprek is afgelopen belt de volgende en de volgende. Ik word sufgebeld over het dressoir en ik ruik onraad. Heb ik het verkeerd ingeschat? Vraag ik te weinig? Ik speur tussen de telefoontjes door op internet naar dressoirs van Pastoe. Het dressoir is ontworpen door Cees Braakman en behoort tot de Japanse serie. Het zegt mij niets. En weer gaat de telefoon.

‘Waarom zet je dan ook je telefoonnummer op Marktplaats?’ informeert mijn echtgenoot narrig. 

‘Dat doe ik altijd’, antwoord ik. 

‘Heel onverstandig’, mompelt de narrige en hij duikt weg in de voorkamer om muziek te luisteren, dan hoort hij mijn telefoon niet meer. 

                          *

Na een uur haal ik de advertentie weg. Ik word gek van het gebel. En ik ben er inmiddels achter dat het dressoir met de zwart-glanzende greepjes een collector’s item is en tenminste drie keer zoveel waard is als mijn vraagprijs.

                        *

Met in mijn achterhoofd Tonio en de verjaardagskroon bel ik mijn dochter. ‘Jij hebt zeker geen plaats he, voor het dressoir van opa?’ En ik vertel over het dressoir van Pastoe (Japanse serie), de waarde en het gebel. 

‘Mam, nee, dat krijgen we niet hier naar boven,’ zegt ze. ‘En’, vervolgt ze spijtig, ‘Het is ook echt te groot voor deze ruimte.’ En dat is zo. De zolderetage is mooi en licht maar het dressoir is 2.20 meter breed. Nee, dat gaat niet. Ik zucht en kijk naar ons eigen dressoir. Ooit kochten wij dat bij De Kasstoor in Amsterdam, een rib uit ons nog jonge lijf. Maar ik ben gehecht aan dit dressoir. Het dressoir waar de cadeautjes van onze kinderen op stonden, het dressoir waarop het buffet van ons kerstdiner werd uitgestald, waar de glazen, salades en lekkere hapjes op staan bij feesten en partijen. Ons dressoir.

                           *

En ik bel met Visavu dat retro design meubelen verkoopt. ‘Ik heb zeker belangstelling voor het dressoir!’ zegt Judith van Visavu enthousiast en ze biedt een mooi bedrag. Ik weet dat ze meer zal krijgen voor het dressoir nadat ze het alleen maar even wat oppoetst met een beetje teak-olie. Maar het kan me niet schelen.

                           *

Ik verkoop het bruine dressoir met de zwartglanzende greepjes die zo mooi een rechthoekje vormen als de kastjes en laatjes gesloten zijn en hiermee verkoop ik mijn jeugd, mijn van blijdschap glimmende gezichtje, Tonio, de kleertjes die mijn moeder maakte met haar slanke, blanke vingers. Vaarwel Tonio, vaarwel driejarige, vaarwel vroeger. En bijna laat ik een traantje. Bijna. 

                        ***

Vakantie (3)


Ruimtevaarder
‘Meester Frank, ik kom waarschijnlijk morgen niet naar school

En ook overmorgen zal wat moeilijk zijn

En evenmin de week die komt, ja zelfs de maand die volgt

De kans dat ik nog ooit verschijn is eigenlijk klein

‘t Is niet omdat, meester Frank, u mij zo vaak straft

En mij één keer zelfs domkop heeft genoemd

Nee, ‘t is alleen iets hier vanbinnen, ‘t heeft geen zin dat ik ontken

Meester Frank, ik voel… dat ik een ruimtevaarder ben…’ **

Op dit Spaanse eiland mag de regen geen naam hebben. De regen die valt komt als een verdwaald streepje nat neer op de rug van mijn hand. Op dit eiland ter hoogte van Afrika schijnt gewoonlijk de zon onbarmhartig alles aan gort. 

                       *

Zand, steen en een palmboom met puntige, rechtopstaande bladeren als de opgekamde haren van een punker zijn hier natuur. En de zee, de zee is hier van azuur, blauw, groen met hier en daar een verraderlijke rots als een inktvlek in een aquarel van alle kleuren blauw.

                       *

Als de kranten uitgelezen zijn, de bikini aangetrokken is, het ontbijt gegeten, dwarrelen gedachten en beslommeringen omhoog vanuit een onduidelijke diepte als de luchtbelletjes in het bubbelbad waar we hier de beschikking over hebben. 

                         *

Niemand vraagt waar ik aan denk en dat is fijn. Als mensen dat vragen is het niet zozeer om het antwoord te horen dan wel om te bevestigen dat ze er zijn, ik ben er ook nog, ik, ik. Nu kan ik vrijuit de gedachten binnen laten komen en gaan, niemand die het hoort, het interessant vindt, er iets van weet noch wat van wil weten.

                         *

Naast mij op het strand staat een jongetje. Hij wacht. Zijn vader is kite-surfer. De gebruinde man draagt een zwarte cowboy-hoed. Langs de zijkanten van de hoed hangen twee leren veters, losjes geknoopt onder zijn kin. Zijn kite, een zwart-rode, liet hij zojuist leeglopen. Ik wist niet dat er lucht in zo’n vlieger geblazen werd. Maar het is zo. Pffffjjjieeeeooo, klinkt het, en dan ligt de eens zo opbollende, levende kite als een dode, leeggelopen ballon op het zand. 

                         *

De man gespt zijn opgerolde kite in een soort rugzak om zijn middel. Alles zit strak ingestopt, ook zijn spieren zitten vast onder strak vel als gehaktsliertjes onder het strakgespannen plastic vloei uit de Dino-supermarkt.

                          *

En ooit, ver weg, was ik dat jongetje. Ik wist ook niet waar naar toe, waarom en hoezo. Maar dat gaf niks. Ik sjokte achter mijn vader en moeder aan zoals dit jongetje doet. Schriel en bruin. En misschien ook wel liever ruimtevaarder. De aarde zien vanuit de ruimte als een langzaam ronddraaiende, blauwe ballon. Ver weg van alles.

                        *

‘Oh en voor ik het vergeet, Linda van slagerij Van Gool

Komt waarschijnlijk ook niet meer naar school.’ 

** Uit: Lof der waanzin van Kommil Foo (Raf en Mich Walschaerts)
                        ***