Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Advertisements

Little fish

              


Our mission                                       

To be a source of inspiration for guests, through the beauty of our surroundings, the quality of our service, and the sustainability of our business practices *

De lantarens aan de oever van de rivier de Yulong floepen aan. Ook verlichten lampion-achtige lampen het restaurant. Het ruizen van watervalletjes in de rivier begeleiden de tropische avond en vormen samen met het lieflijke geluid van krekels een mierzoet orkestje. Een roze-omrande wolk hangt intussen roerloos tussen twee bergtoppen in. Even later schijnt een maantje als een helwit banaantje in de pikzwarte lucht. 

                        *

Een Chinese serveerster plaatst naast onze tafel aan de rivier een schoteltje met wierook. Dat verdrijft de insecten die onzichtbaar maar ongetwijfeld in groten getale azen op onze onbedekte armen en benen. 

Ze zijn vriendelijk, de jonge meisjes die hier werken. En ze spreken allemaal Engels.

                         *

In de kamer lees ik in de informatie- map waar de vriendelijkheid van de jonge Chinese meisjes vandaan komt. Dit hotel, ooit gestart door een Amerikaanse ontwerper met een paar bedden, een balie en een telefoon groeide uit tot een eco-resort met bamboe-meubels, zonne-panelen, gezonde voeding en inzet van lokale jongeren als hotelmedewerkers die moeten bijdragen aan deze ‘model tourism facility’.

                        *

In het informatieboekje van het hotel – met een bamboe-omslag – staan de visie, missie en kernwaarden van de ‘Mountain retreat family’. De visie luidt: ‘To be consistently recognized as a model tourism facility in China by offering superior value and an authentic experience to guests. Our work results in the prosperity of Yangshuo by creating opportunities for local people, and a deeper appreciation for their culture and history for all who visit us.’ 

                        *

Het lukt ze goed, betekenis geven aan de visie. De locatie, het geweldige plekje aan de rivier waarop bamboe-vlotten met Chinese toeristen onder gekleurde parasolletjes langzaam voorbijdrijven, draagt zeker hieraan bij. Maar de meiden doen ook heel erg hun best. 

                        *

Bij de receptie vraagt een Franse dame of ze haar glas mag meenemen naar de kamer. Het gezicht van het jonge meisje achter de balie – ongetwijfeld pas ingelijfd bij de ‘family’ – staat op ‘nee’. Haar supervisor grijpt snel in: 

‘Yes, of course!’, roept ze vrolijk. Het nieuwe meisje kijkt beteuterd. Nog niet helemaal gewend aan de ‘vision’ en ‘core values’ van de Mountain retreat family. De supervisor heet ‘Little fish’ lees ik in het bamboe-boekje. Geweldig.                

                        *

Dat het ook anders kan bewijst ons volgende hotel dat in de regio met de grootste rijstvelden ter wereld ligt, Ping’an. Alle gezichten hier staan op nors. Niemand spreekt Engels, we gokken hoe laat het onverschillig- neergesmeten ontbijtbuffet begint. Ze zouden wat kunnen opsteken van Little Fish. En ik denk aan de slogan achterop de zwarte t-shirts van de Mountain-retreat-meiden: ‘Be inspired’. 

                         ***

*http://www.yangshuomountainretreat.com/mb/community/our-family.htm

Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Over


Het is zomer. De dag die het jaar in tweeën snijdt is alweer voorbij. De tijd vliegt. Het schijnt iets te zijn in het brein waardoor deze voorbijsnelt. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië. Maar nee. Kerst is een half jaar geleden, acht maanden geleden stierf mijn vader en Indonesië bezochten we in 2014, eeh, nee, 2013.
                          *

Het is zomer. De laatste tentamens zijn gemaakt en proefwerkweken zijn gestart. Bijna komt de voortsnellende tijd knarsend als een roestige locomotief op hete rails tot stilstand in sissende worstjes op de barbecue, rosé op een terras en fietsen naar het werk door de kale bollenvelden met je mond dicht vanwege de vliegjes.

                        *

‘Ik heb een voldoende voor Politicologie’, meldde onze zoon eergisteravond, tussen neus en lippen door.

‘O, mooi!’, zeiden wij.

‘Zijn jullie nu niet blij?’, vroeg de zoon.

Dat zijn we. Echt wel. Hij gaat over naar het tweede jaar. 58 van de 60 eerstejaars HBO-punten zijn binnen. 

                      *

‘Mijn P ga ik niet halen’, mompelde hij een paar weken geleden, ook tussen neus en lippen door. P staat voor propedeuse, het eerste behaalde studiejaar. We hadden het over de universiteit. Zijn vriendin maakt volgend schooljaar de overstap van het HBO naar de universiteit en gezien zoons geringe zichtbare inzet versus verrassende ruime voldoendes kregen we het erover. Over een overstap. Misschien. Hoeft niet. Maar kan. Eventueel.

                       *

Bekwaam smoorde hij het idee van een overstap naar de universiteit met de melding dat hij zijn ‘P niet ging halen omdat x zich niet aan de afspraak had gehouden met dat ene onderzoek en er niks van had gebakken.’

‘Wat raar dat jij niet een voldoende kan halen’, meende ik, ‘Als een ander het niet goed doet.’ 

‘Tja, dat heb je met al die groepsopdrachten’, zei de zoon, kauwend op een stuk tosti nadat hij deze met een geconcentreerde blik gedoopt had in een flinke plas curry. 

‘Toch gek. Kan je daar niet eens achteraan gaan? Een gesprek met je mentor?’ Onverschillig keek hij naar zijn bord met curry-strepen die als bruin-rode riviertjes over het bord kronkelden. 

                        *

‘Nee, eh, je moet het gewoon halen’. De tosti was bijna op.

‘Nou, ik vind het raar en jammer. Nu haal je je propedeuse niet door iemand anders..of eh, had je er zelf ook een aandeel in?’

                         *

Hij keek mij aan. Met overbekende ogen. 

‘Ik heb het zelf ook niet goed gedaan’, zei hij. En ik dacht opeens aan het kind dat altijd een van zijn twee wantjes verloor. Hoe boos ik daarover kon zijn. Hoe zijn hoofd naar beneden boog. Tranen druppelden uit bruine ogen. 

                       *

‘Jammer’, zei ik nu en daar lieten we het bij. Gisteren verloor hij zijn wantje. Vandaag haalde hij net niet zijn propedeuse.

                        *

‘Maar ik ben wel over naar het tweede jaar’, grijnsde hij, ‘Ben je niet blij?’ Ik zag een mond vol kruimels, zachte draden gesmolten kaas en bruin-rode saus.

                        *

‘Ja, ik ben blij’, zei ik. Ik keek naar buiten. De hortensia stond in bloei. Witte bollen in het groen. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië en vroeger verloor hij altijd dat ene wantje. 

                         *

Nu is het zomer. Is hij over naar het tweede jaar. En ik ben blij.    

                       ***

Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Mataglap

  

Vrijdag moest ik naar Den-Haag. En opeens realiseerde ik mij dat Zoetermeer vlakbij Den-Haag ligt. In Zoetermeer staat de barkruk van mijn vader die hij ooit uitleende aan zijn nicht Toetie. ‘Daar kon ze tijdens het koken even op gaan zitten. Maar nu wil ik de kruk terug.’ 
                             *

Nicht Toetie verblijft in een woon-zorgcentrum in Zoetermeer. 

‘Je moet daar allerlei codes intoetsen’, aldus mijn vader, ‘Anders lopen ze weg. De verzorgers vertellen gewoon de code aan je hoor, – ‘2002’ was de code- de bewoners vergeten dit toch meteen.’ 

Hoe vreselijk kan het leven eindigen? Nou, zo dus: achter een code wonen die iedereen weet en jij niet onthoudt.

                             *

Ik vraag aan mijn vader of de kruk bij zijn nicht staat, zoals hij had afgesproken met haar zoon.

‘Ja, de kruk staat daar. Maar ik kon hem niet meenemen, met de stok in mijn ene hand en…’ Ik onderbreek hem en dring aan:

‘Maar heb je de kruk daar zien staan?’

‘Eh, nee, ze heeft een grote kamer, die heb ik wel gezien.’

‘Maar stond jouw kruk daar?’

                             *

Dat weet mijn vader niet. Of niet meer. 

‘Nou, dan bel ik haar zoon wel op. Heb je zijn nummer?’

Mijn vader staat op, loopt naar de andere kamer en rommelt in een stapel papieren op zijn bureautje. 

                             *

‘Ja, hier heb ik het!’ Mijn vader schuifelt de zitkamer in en houdt een papiertje in zijn vrije hand. ‘Het lag op de grond, vandaar dat ik het niet zo snel vond.’ Ik noteer het telefoonnummer van de onbekende achterneef. Dat is vast een van de springerige jongetjes die ik vroeger wel eens tegen ben gekomen op een selamatan van de Indische tak van de familie. 

                             *

Ik bel de achterneef en spreek zijn voicemail in. Ik sms hem en stuur een app. Het is kort dag en ik hoor niks. ‘s Avonds krijg ik eindelijk een appje. ‘Annelie, mijn moeder zit in WZH-Oosterheem in kamer 3.41. De stoel staat in haar kamer links achter de plant.’ 

                             *

Vrijdag reis ik af naar Zoetermeer. Eindeloos dwaal ik rond in blokken nieuwbouw. De navigatie heeft het zoeken opgegeven. De Florence Nightingalelaan eindigt in het niets. Op de navigatie dan. Na twee rondjes om de verkeerde wijk heen en drie keer vragen vind ik het woon-zorgcentrum. Het ligt verstopt tussen een expeditie-ruimte en een winkelcentrum. Alle gebouwen zijn bruin. Nieuw baksteenbruin.

                             *

Er is geen receptie in het woon-zorgcentrum. Ik neem de lift naar de derde verdieping, een gokje gebaseerd op de 3 van kamer 3.41. Ik beland in een gang. Glimmend linoleum blinkt me tegemoet. Ik kijk naar rechts en zie door een raam bewoners in een kring bij elkaar zitten. De deur is dicht. Naast de deur hangt een bordje. ‘Huiskamer 3.0’ lees ik. Een verzorgster ziet mij turen door het glas en komt naar me toe. ‘Ik ben op zoek naar kamer 3.41, naar mevrouw J.’, zeg ik. 

                           *

De aardige dame wijst naar rechts. ‘Dan loopt u deze gang uit en aan het einde gaat u naar links. Daar vindt u net zo’n huiskamer als hier en daar is mevrouw J.’ 

Ik loop de gang uit, sla linksaf en ik stuit op een dichte deur met ernaast een rechthoekje met cijfertoetsen. De code, wat is de code? Ik denk aan het gesprek met mijn vader. 2002, ja, dat is de code. Ik toets de cijfers in en duw de deur open. Deze blijft dicht. Nog een keer toets ik de code in en duw. Niks. Geen beweging. Een drietal schoonmakers achter de deur kijkt mij glazig aan.

                           *

Ik loop weer terug. De aardige dame ziet mij en komt eraan. 

‘De deur is dicht, ik heb een code nodig.’ De dame loop mee, drukt 2002 in en #. 

‘Na 2002 een hekje, dan gaat de deur open.’ 

‘Hartelijk dank!’, zeg ik en ik loop de volgende gang in. Langs de schoonmakers. 

‘Goedemorgen’, zeg ik. ‘Goedemorgen’, zeggen ze in koor terug. Hun ogen prikken in mijn rug. Daar is de volgende huiskamer, identiek aan de vorige. 

                           *

Grove, lichthouten stoelen, een stevige tafel. Bewoners om de tafel. Twee verzorgsters daar omheen. Ik realiseer me opeens dat ik niet weet hoe mijn tante eruit ziet. 

‘Haar kamer ligt naast de huiskamer. Een grote kamer is het!’ Ik hoor de stem van mijn vader, loop een stukje verder en kijk naar het bordje naast de deur: 3.41. Onder het bordje hangt een foto: mevrouw J. Ik zie een dame met een rond gezicht en wit haar. Een bloempotkapsel. Ik loop terug naar de huiskamer en stap naar binnen.

                             *

De verzorgsters kijken mij hartelijk aan. Ik kijk rond en zie mijn tante. Voor haar ligt een bord op tafel met twee witte boterhammen. 

‘Ik kom voor mevrouw J. Ik ben de dochter van Ad Jonquiere.’ Tante Toetie kijkt mij verschrikt aan. 

‘Ad, Addy’, verduidelijk ik. 

‘Ja, die ken ik’, zegt ze aarzelend. 

‘Ik ben zijn dochter, Annelie.’

                            *

‘Wat gezellig, mevrouw J.!’, roept de verzorgster vrolijk. ‘Nu u familie op bezoek krijgt is het misschien leuk dat u even naar uw kamer gaat. Dan eet u zo wel een broodje.’ Tante Toetie heeft net zo’n rond gezicht als mijn vader. Dezelfde kleur huid. Bruin. Grote, bruine ogen. De ogen van mijn oma zie ik. Mijn vaders ogen. 

                             *

‘Nee hoor, dat hoeft niet’, zeg ik gauw. ‘Mijn tante kent mij alleen van toen ik zo klein was.’ En ik houd mijn linkerhand zo’n 1.20 meter boven de glimvloer. Mijn grootte van 45 jaar geleden.

                               *

Opgelucht zegt tante Toetie: ‘Ja, dat weet ik niet meer, zo lang geleden!’ En ze voegt eraan toe: ‘En zeker nu niet meer, nu ik een beetje mataglap ben.’ Ik hoor de zelfspot, de tongval. De Indische dikke letter l.  

‘Ik kom alleen even een kruk van mijn vader ophalen die in uw kamer staat.’ Ik geef tante Toetie een hand en in een klap ben ik terug in de geur van kerrie telor, pisang goreng en nasi rames. De hand is zacht en warm. Het is mijn oma’s hand, de hand van mijn vader.

                             *

‘Ik haal de kruk op uit uw kamer dan kunt u lekker uw broodje eten’, zeg ik. Toetie kijkt naar de twee onbelegde boterhammen op het plastic bord. Ze steken iets uit over de rand.

‘Eet smakelijk allemaal!’, zeg ik en vijf, zes paar oude ogen kijken mij aan. Niemand zegt wat. De verzorgsters zijn weer begonnen met redderen. ‘Dag mevrouw!’, zeggen ze beiden.

                             *

Ik loop naar kamer 3.41. In de hoek staat een plant. Daarachter zie ik de kruk. Bij het raam staat een ziekenhuisbed met een kleurig sprei erop. Op de houten kast zie ik het portret van een oudere man. Dat zal mijn overleden oom zijn. Ik herken hem niet. Snel loop ik weg. De deur uit, de gang in, de code, 2002 #, de lift en ik sta buiten. De zon schijnt in de Florence Nightingalelaan.

                             *

Als ik mijn vader bel en hem vertel dat ik zijn kruk heb opgehaald is hij blij. 

‘Heb je gezien hoe groot haar kamer is?’, vraagt hij.

Ik geef geen antwoord. Ik zie alleen de ogen van mijn oma. En twee witte boterhammen. Met niks.

                         ***

Afscheid

Is afscheid nemen – zo
Alles nog eenmaal – en alsof
‘t voor het eerste was – en zien
Een beetje pijn omdat ‘t mooi is en voorbij is
(…)

Maria Dermout (1888, 1962)
                         ***
Vanwege het grote succes treedt Diederik van Vleuten nogmaals op met zijn theaterstuk ‘Daar werd wat groots verricht.’ Een vertelling over Diederik’s oudoom Jan die werd geboren in het voormalig Nederlands-Indie. De lovende recensies van destijds en een tip van een goede vriendin lokt ons naar het voor ons onbekende theater in Noordwijk, de Muze.
                         *
De gemiddelde leeftijd van het theaterpubliek schat ik op een jaar of zestig. Overwegend grijs, bebrild en sportief gekleed. Lieve dames in een rood hesje met een bijkleurend sjaaltje staan, vier op een rij, klaar om de jassen in ontvangst te nemen. De sfeer is rustig en beschaafd. Tot aan het opengaan van de zaal zijn wij de jongsten, echter een minuut voor tijd arriveert in de zaal een gezin met twee pubers.
                          *
Wij zitten op zachte stoelen, zo zacht dat je lichaam comfortabel naar achteren helt. Rij G, stoel 19 en 20. Het is een fijne plek, zo recht voor het het podium, geen hoofden voor mij, die het zicht belemmeren. Ik kijk naar het eenvoudige decor met enkele rekwisieten: een piano, een tafeltje, een dekenkist met ijzeren beslag (he, deze had mijn vader vroeger ook, zo’n loodzware kist. De kist stond bij ons op zolder met de verkleedkleren en de hoge hakken-schoenen van mijn oma en moeder erin. Het rook altijd een beetje muf als we de kist openmaakten, ook de kleren roken stoffig, maar toch, we speelden erin en voelden ons een deftige dame met dito jurk en sjieke hakken, waar we voortdurend mee rondzwikten, daar op onze enorme zolder.)
                      *
Op de achtergrond van het toneel hangt een enorme kaart van Indie, Oost-Indie, ik kijk en kijk: Sumatra, Java, Bali, Lombok, daar waren wij ooit. In mijn hoofd maak ik het rijtje af: Soemba, Soembawa, Flores, Timor. Ik ken dat rijtje van het prachtige lied van Don Quishocking:
‘Het moet er allemaal nog zijn
De deur, de bomen en het plein
De grote heg
Alleen die mooie lichte plaat
Waarop een kleine desa staat
Is misschien weg
Bali, Lombok, Soemba, Soembawa,
Floris, Timor enzovoort’
(Willem Wilmink, 1936-2003)
                      *
En nog voordat Diederik van Vleuten het podium betreedt ben ik in Indonesië, het land waarin ik niet geboren ben. Maar wel het geboorteland van mijn overgroot-ouders, grootouders en vader. Het land, zwanger van geur en kleur, overweldigend qua schoonheid met overvolle straten op de markt in Bandoeng, rijen scooters en auto’s, waar je je gewoon met de hand vooruitgestoken doorheen moet waden. Een vaardigheid waar we tijdens onze vakantie zeer bedreven in worden. De menigte voertuigen wijkt als een zwerm lawaaierige vogels, even uiteen en sluit zich achter jou, de oversteker.
                        *
Diederik neemt ons meer dan twee uur lang mee naar het land van zijn familie, overgroot-ouders, grootouders en vader. Oom Jan was de broer van Diederik’s opa. De hele geschiedenis voltrok zich aan het leven van deze oudoom en ik herken de verhalen van mijn familie.
Mijn jonge vader, die de Tweede Wereldoorlog doorbrengt in het koude Nederland bij een onbekend gastgezin, moederziel alleen. Mijn vader zei onlangs: ‘Dikkert nam mij er vaak mee op uit en dat vond ik erg leuk’ Dikkert was de bijnaam van zijn gastvader. Op mijn vraag ‘Wat deed je met hem?’, antwoordde hij: ‘ik ging met hem vissen, achter het huis, daar was een vaart. Ook voeren we soms met een bootje naar het Spaarne, de Mooie Nel op. En we wandelden samen met de hond, gek was ik op dat dier.’ En ik zie het voor me: de verlegen 17-jarige, bleek van de kou en eenzaamheid, met bril, knuffelend met de hond. Ik zeg niets, maar ik denk: ‘deze hond was zijn troost. Gaf zijn verlangen naar de warmte van zijn geliefde oma en haar weelderige tuin, waarin hij met ‘blote kakkies’ ronddwaalde, weer.’  En mijn vader vertelt hoe ontroostbaar hij was toen de hond stierf. ‘Het was midden in de oorlog en we spaarden speciaal eten op voor hem. Toch was hij op een dag dood. Dat deed me wel wat.’ Ik zie het aan zijn ogen. Met de laatste eenvoudige zin verwoordt hij het onzegbare verdriet dat hij gehad heeft bij de dood van zijn troostdier.
                      *
Diederik vertelt over de reacties in Nederland op oom Jan’s terugkeer uit de Jappenkampen, die hij op wonderbaarlijke wijze overleefde, evenals zijn geliefde Aukje. ‘Jullie hadden daar tenminste nog een zonnetje.’ En oom Jan zweeg, overweldigd door de gruwelen die de Europese Joden waren aangedaan en de afwerende reacties op zijn verhaal.
                       *
Ik denk aan mijn opa en oma. ‘Zij zitten met dit stralende weer altijd binnen in het donker’, klaagde mijn moeder als we er ‘s zomers heen gingen. ‘Altijd die luxaflex naar beneden en helemaal dicht.’ Als ik mijn ogen dicht doe en denk aan de hitte in Indonesië, het belang van koele huizen, geen zon in het huis, buiten is het warm genoeg, begrijp ik de donkerte van oma en opa.
                           *
In mijn herinnering waren ze zacht en lief: zacht, de buik van opa met een mooie horlogeketting waar ik graag mee frummelde. Lief, het dikke lijf van mijn oma met haar zachte, zilverwitte haar en glimlach. Nooit vertelden zij over ‘hun oorlog’, nooit hoorde ik iets over kampen, honger, hitte en uitputting. Het enige dat ik er van weet is dat mijn vader ze na de oorlog in de chaotische Bersiap-tijd vond, berooid en broodmager. ‘Er was niet veel over van mijn broer, hij was vel over been.’
                       *
Op het toneel eindigt Diederik met de wijze waarop oom Jan zijn memoires, vier cahiers, naar Diederik’s vader bracht op Kerstavond. ‘Op de bonnefooi, dus wij waren niet thuis. Waarom had oom Jan ons niet gebeld?’ Later vertelt een Indische heer aan Diederik dat op de bonnefooi ergens naar toe gaan getuigde van bescheidenheid en respect. Kondigde je je bezoek aan in Indie dan werd er gekookt en sloofden de gastheer en gastvrouw zich uit om het de gast naar de zin te maken. Dat vond Jan niet nodig. Dus bracht hij zijn levenswerk ‘zomaar’ bij zijn neef langs.
                        *
De vertelling is klaar. Diederik draait zich om, staat met zijn rug naar het publiek en hij salueert naar de grote kaart met de archipel. En dat wat nooit gebeurt, gebeurt: zonder het te willen rolt een traan uit mijn oog en nog een en nog een. Om het gemis, het verdriet, het onbegrip. Alles wat ook mijn familie ooit ten deel viel.
(…)
En dat oude woord –
gij zult liefhebben ‘t land
waar gij niet zijn zult.

Maria Dermout
                        ***