Zonder titel

Henry Heerup (1907-1993)

Heen naar Utrecht Centraal

Boven de huizen van de stad lichtten de daken op. De stralen van de zon piepten onder de wolken vandaan. Wolken die Iemand tekende boven de met liniaal getrokken streep. Zoals een kind de lucht tekent. Streep met wolk.

*

Ook was er een kanaal met water waar dampen als vochtige vlokken boven zweefden. In de verte stond een toren in de steigers.

Omdat mijn telefoon niet goed was opgeladen keek ik tijdens de treinreis naar buiten. En dat was wat ik zag.

*

In de trein was het druk maar iedereen had een plek. Alle hoofden bogen zich over schermpjes. Witte kabeltjes hingen uit oren en sloten alles en iedereen uit.

Drie mensen praatten wel.

‘Kijk, hier woonde tante Dientje’, wijst een oma haar kleinkind.

‘Ik ben jouw dochter’, zegt het kind.

‘Kleindochter’, verbetert opa.

‘O ja, kleindochter’, zegt het kind.

‘En hier woonden wij vroeger’, wijst oma. Het rijtje huizen glijdt voorbij.

‘Dat is wel heel lang geleden.’

We zijn er.

*

Terug naar huis

Het was druk op het perron. En het werd dringen en een beetje duwen voor een plek. Ik zat in het gangetje met naast mij een vrouw en een tas. Telkens als de jongen die naast mij stond plaats maakte voor een passant kwam zijn rugtas tegen mijn gezicht aan.

‘O, sorry’, zei hij.

Toen hij ging bellen hoorde ik vette w’s en rollende r-en.

‘Yo, dat is die eerstvolgende stationnetje’, zei hij.

‘De Sierstraat, voor jou is dat halte Lelylaan, man’, vervolgde hij.

‘Een kwartiertje max’, eindigde hij het gesprek.

*

Toen keek ik door het raam naar buiten. Rode strepen vielen schuin door het schemerige lichtblauw uit de hemel. En ik wist niet waarom maar er stonden tranen in mijn ogen.

*

‘s Avonds kwam er echt een traan. Dat kwam door de laatste zin in het boek dat ik las. Van een moeder over de liefde voor haar kinderen en dat ook zo graag hadden willen horen: ‘Ik altijd van jullie.’

***

Advertisements

Foto

                                                                            
Twee discjockey’s vullen de ruimte met loze praat. Hun stemmen gaan tegen elkaar in als pingpongballen van tafeltennissers die wild om zich heen slaan. Heel soms slaan ze een balletje over het net. 

Op een bordje voor mij staat in keurige letters:

Koffiepauze 10.30-10.45 uur

Lunchpauze 12.30-13.15 uur

Theepauze 15.00-15.15 uur.

                                                         *

Met een schuin oog kijk ik naar buiten door de glazen deur naar mijn auto. Deze staat netjes geparkeerd voor de bus waar ik zojuist inklom. Ik zit braaf op een bankje tegenover het bordje. Vaag hoor ik geluiden die van achter komen, mijn oren spitsen zich, ik hoor een lepeltje dat tikt tegen een kopje en zacht lachen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 13.13 uur. Mijn afspraak is om 13.25 uur. Dat is zo’n rare precieze tijd dat ik ervoor zorgde – geheel tegen mijn gewoonte in (‘Mam, jij bent altijd te laat’) – ruim voor 13.25 uur aanwezig te zijn.

                                                        *

Het erge is dat ik de afspraak die ik eigenlijk had – een paar weken geleden – geheel vergeten was. Het was de eerste maandag na terugkeer van onze reis naar China, dat leek mij handig. Ik was nog vrij en had dan alle tijd. De maandag ging voorbij en een paar dagen later dacht ik opeens aan de afspraak. Schuldbewust wilde ik bellen, uitleggen dat ik het vergeten was door mijn vakantie, maar het bandje verwees mij naar de site. Ja, de site. Dat ontsloeg mij van het maken van excuses. Ik maakte zelf een nieuwe afspraak via de site, vandaag om 13.25 uur op een plek die ik niet kende. Ik dacht dat het Haarlem-Noord was maar het bleek Schalkwijk te zijn. 

                                                       *

‘Het is daar bij dat winkelcentrumpje, vlakbij de Haarlemmerweg’, zei mijn man behulpzaam. Hij tuurde op het schermpje op zijn telefoon en ik verbaasde mij erover dat hij wist hoe dat werkte met het kaartje.

‘Zie je er tegenop?’, vroeg mijn zoon.

‘Ach, fijn is het niet’, antwoordde ik. Ik zei er niet bij dat ik er geen zin in had en er wel tegenop zag. Het doet ook pijn, nou ja, pijn, lekker is het niet. En het confronteert mij met dat waar ik liever niet aan denk. Mijn moeder, mijn schoonmoeder, mijn schoonzus. Ik denk aan de woorden van mijn broer: ‘Een bult zo groot als een tennisbal’ en ik zie de lieve Cootje voor mij in de zachte schemer van de ziekenhuiskamer. Ik ruik de lucht van ziekenhuis, adem het in. ‘Zorg je goed voor mijn zoon?’, vroeg ze. Een dag later was ze dood. 

                                                       *

Het is 13.15 uur. Ik hoor gestommel. Een dame van middelbare leeftijd neemt plaats achter het bureautje waarop het bordje met de pauzetijden staat. 

‘Goedemorgen’, zegt ze, ‘O nee, goedemiddag al.’

‘Goedemiddag’, zeg ik. Ik houd het ingevulde formulier zichtbaar vast en mijn rijbewijs trek ik uit het hoesje van mijn telefoon. Ik overhandig beide bewijsstukken van mijn komst en bestaan aan de dame. Achter haar staat een jong meisje. Ze lacht vriendelijk.

‘Uw huisarts heet dokter Prinsen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja’, zeg ik.

‘Weet u ook hoe de praktijk heet?’

‘Eeeh, nee’ en ik pijnig mijn hersens. Hoe heet de praktijk? 

‘Ik kom er bijna nooit’, zeg ik verontschuldigend.

‘Ik heb het al’, zegt de vrouw. Het meisje stapt naar voren en geeft mij een hand. 

‘U kunt zich hier omkleden, u doet de deur achter u op slot, alle bovenkleding mag uit.’  

                                                          *

Even later sta ik weer in het nauwe gangetje van de bus. ‘U krijgt binnen twee weken de uitslag’, zegt de dame vriendelijk. Met een raar soort opluchting verlaat ik de bus, loop het ijzeren trappetje af, naar mijn auto. 

                                                           *

‘Hoe ging het?’, informeerde mijn zoon ‘s avonds. Hij nam een hap pompoensoep. Zijn lippen kleurden een beetje oranje.

‘Ja, het ging’, zei ik. 

‘Wanneer krijg je de uitslag?’, vroeg mijn man.

‘Over twee weken’, zei ik. 

                                                            *

En dan kan ik het allemaal weer vergeten. Twee hele jaren lang.
                                                          ***

Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Little fish

              


Our mission                                       

To be a source of inspiration for guests, through the beauty of our surroundings, the quality of our service, and the sustainability of our business practices *

De lantarens aan de oever van de rivier de Yulong floepen aan. Ook verlichten lampion-achtige lampen het restaurant. Het ruizen van watervalletjes in de rivier begeleiden de tropische avond en vormen samen met het lieflijke geluid van krekels een mierzoet orkestje. Een roze-omrande wolk hangt intussen roerloos tussen twee bergtoppen in. Even later schijnt een maantje als een helwit banaantje in de pikzwarte lucht. 

                        *

Een Chinese serveerster plaatst naast onze tafel aan de rivier een schoteltje met wierook. Dat verdrijft de insecten die onzichtbaar maar ongetwijfeld in groten getale azen op onze onbedekte armen en benen. 

Ze zijn vriendelijk, de jonge meisjes die hier werken. En ze spreken allemaal Engels.

                         *

In de kamer lees ik in de informatie- map waar de vriendelijkheid van de jonge Chinese meisjes vandaan komt. Dit hotel, ooit gestart door een Amerikaanse ontwerper met een paar bedden, een balie en een telefoon groeide uit tot een eco-resort met bamboe-meubels, zonne-panelen, gezonde voeding en inzet van lokale jongeren als hotelmedewerkers die moeten bijdragen aan deze ‘model tourism facility’.

                        *

In het informatieboekje van het hotel – met een bamboe-omslag – staan de visie, missie en kernwaarden van de ‘Mountain retreat family’. De visie luidt: ‘To be consistently recognized as a model tourism facility in China by offering superior value and an authentic experience to guests. Our work results in the prosperity of Yangshuo by creating opportunities for local people, and a deeper appreciation for their culture and history for all who visit us.’ 

                        *

Het lukt ze goed, betekenis geven aan de visie. De locatie, het geweldige plekje aan de rivier waarop bamboe-vlotten met Chinese toeristen onder gekleurde parasolletjes langzaam voorbijdrijven, draagt zeker hieraan bij. Maar de meiden doen ook heel erg hun best. 

                        *

Bij de receptie vraagt een Franse dame of ze haar glas mag meenemen naar de kamer. Het gezicht van het jonge meisje achter de balie – ongetwijfeld pas ingelijfd bij de ‘family’ – staat op ‘nee’. Haar supervisor grijpt snel in: 

‘Yes, of course!’, roept ze vrolijk. Het nieuwe meisje kijkt beteuterd. Nog niet helemaal gewend aan de ‘vision’ en ‘core values’ van de Mountain retreat family. De supervisor heet ‘Little fish’ lees ik in het bamboe-boekje. Geweldig.                

                        *

Dat het ook anders kan bewijst ons volgende hotel dat in de regio met de grootste rijstvelden ter wereld ligt, Ping’an. Alle gezichten hier staan op nors. Niemand spreekt Engels, we gokken hoe laat het onverschillig- neergesmeten ontbijtbuffet begint. Ze zouden wat kunnen opsteken van Little Fish. En ik denk aan de slogan achterop de zwarte t-shirts van de Mountain-retreat-meiden: ‘Be inspired’. 

                         ***

*http://www.yangshuomountainretreat.com/mb/community/our-family.htm

Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Over


Het is zomer. De dag die het jaar in tweeën snijdt is alweer voorbij. De tijd vliegt. Het schijnt iets te zijn in het brein waardoor deze voorbijsnelt. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië. Maar nee. Kerst is een half jaar geleden, acht maanden geleden stierf mijn vader en Indonesië bezochten we in 2014, eeh, nee, 2013.
                          *

Het is zomer. De laatste tentamens zijn gemaakt en proefwerkweken zijn gestart. Bijna komt de voortsnellende tijd knarsend als een roestige locomotief op hete rails tot stilstand in sissende worstjes op de barbecue, rosé op een terras en fietsen naar het werk door de kale bollenvelden met je mond dicht vanwege de vliegjes.

                        *

‘Ik heb een voldoende voor Politicologie’, meldde onze zoon eergisteravond, tussen neus en lippen door.

‘O, mooi!’, zeiden wij.

‘Zijn jullie nu niet blij?’, vroeg de zoon.

Dat zijn we. Echt wel. Hij gaat over naar het tweede jaar. 58 van de 60 eerstejaars HBO-punten zijn binnen. 

                      *

‘Mijn P ga ik niet halen’, mompelde hij een paar weken geleden, ook tussen neus en lippen door. P staat voor propedeuse, het eerste behaalde studiejaar. We hadden het over de universiteit. Zijn vriendin maakt volgend schooljaar de overstap van het HBO naar de universiteit en gezien zoons geringe zichtbare inzet versus verrassende ruime voldoendes kregen we het erover. Over een overstap. Misschien. Hoeft niet. Maar kan. Eventueel.

                       *

Bekwaam smoorde hij het idee van een overstap naar de universiteit met de melding dat hij zijn ‘P niet ging halen omdat x zich niet aan de afspraak had gehouden met dat ene onderzoek en er niks van had gebakken.’

‘Wat raar dat jij niet een voldoende kan halen’, meende ik, ‘Als een ander het niet goed doet.’ 

‘Tja, dat heb je met al die groepsopdrachten’, zei de zoon, kauwend op een stuk tosti nadat hij deze met een geconcentreerde blik gedoopt had in een flinke plas curry. 

‘Toch gek. Kan je daar niet eens achteraan gaan? Een gesprek met je mentor?’ Onverschillig keek hij naar zijn bord met curry-strepen die als bruin-rode riviertjes over het bord kronkelden. 

                        *

‘Nee, eh, je moet het gewoon halen’. De tosti was bijna op.

‘Nou, ik vind het raar en jammer. Nu haal je je propedeuse niet door iemand anders..of eh, had je er zelf ook een aandeel in?’

                         *

Hij keek mij aan. Met overbekende ogen. 

‘Ik heb het zelf ook niet goed gedaan’, zei hij. En ik dacht opeens aan het kind dat altijd een van zijn twee wantjes verloor. Hoe boos ik daarover kon zijn. Hoe zijn hoofd naar beneden boog. Tranen druppelden uit bruine ogen. 

                       *

‘Jammer’, zei ik nu en daar lieten we het bij. Gisteren verloor hij zijn wantje. Vandaag haalde hij net niet zijn propedeuse.

                        *

‘Maar ik ben wel over naar het tweede jaar’, grijnsde hij, ‘Ben je niet blij?’ Ik zag een mond vol kruimels, zachte draden gesmolten kaas en bruin-rode saus.

                        *

‘Ja, ik ben blij’, zei ik. Ik keek naar buiten. De hortensia stond in bloei. Witte bollen in het groen. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië en vroeger verloor hij altijd dat ene wantje. 

                         *

Nu is het zomer. Is hij over naar het tweede jaar. En ik ben blij.    

                       ***

Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***