Keet

Soms valt er even niet zo veel te vertellen. Het leven kabbelt voort, de kinderen gaan het huis uit en keren weer terug. Boemerangkinderen, je gooit ze weg en dan, opeens, zijn ze er weer. Gelaten vang je ze, suizend in de lucht, op.

‘Hoe gaat het?’, vraag ik onze dochter die om 9 uur ‘s ochtends woest tikkend op haar toetsenbord tekeer gaat met naast haar een uitgeprint document vol gele en roze markeringen. Aan de andere kant van de laptop ligt haar telefoon waarop continu berichten verschijnen, die mij zacht trillend afleiden van de ochtendkrant.

‘Goed’, zegt ze en ze tikt woedend verder, af en toe kijkend naar de prints en de telefoon.

Gisteren was onze zoon op bezoek met zijn vriendin. Hij woont sinds een paar weken in een kamer van een vriend die anderhalve maand weg is. Onlangs bezochten wij hem. Bij het bestijgen van de drie trappen – onze kinderen wonen altijd op bovenste etages als ze op kamers verblijven – werd de poezengeur doordringender. De vier jongens hebben een kat, een kitten is het nog. ‘Ze pist overal’, had onze zoon al somber gemeld. Het poesje heet Keet. Mijn man dacht Kate naar Kate Bush, ik dacht meer aan de hippe Amsterdams meisjesnaam, Keet. Zeker weten we het dus niet. Keet of Kate had ‘Gvd vanochtend op mijn bed gepist’ vertelde onze zoon. In het piepkleine keukentje ratelde de wasmachine met zijn beddengoed.

‘Op hoeveel graden was je het?’, informeerde mijn man.

‘40 graden’, antwoordde onze zoon. Mijn man adviseerde het beddengoed nogmaals te wassen maar dan op 90 graden.

We gingen zitten op de comfortabele bank die bijna de hele kamer in beslag nam.

‘Waar is Keet?’, vroeg ik.

‘Die zit onder de bank’, antwoordde onze zoon. We zagen haar niet.

‘Ze verdwijnt altijd als er wordt gezogen’, zei hij. Aha, hij had dus schoongemaakt.

‘Ja, ik heb ook achter de bank gezogen’, vertelde hij, ‘Daar was een soort van biotoop ontstaan.’ En hij lachte.

Onze zoon leidde ons rond. In zijn leen-slaapkamer paste precies een twijfelaar en een kast. ‘Zo, mooi hoor’, zeiden wij.

In een andere slaapkamer vloog een flinke zwerm vliegjes om de lamp, evenals in de huiskamer.

‘Ja ik weet niet hoe dat komt’, zei hij, ‘Ik deed het raam open en opeens waren er allemaal vliegjes in de kamer.’ Op het balkon stonden vier opgestapelde, lege kratjes. Voor de deur in het halletje stonden er ook vier. In de huiskamer, waar een grote televisie de ruimte domineerde, stond een vitrinekast te zoemen met blikjes bier erin. ‘Reuze handig’, vertelde ons kind, ‘Al maakt ie wel veel lawaai.’

Omdat hij bijna jarig was gaven we hem alvast cadeautjes. Hij was er erg bij mee. ‘Kom, zullen we wat gaan drinken?’, vroeg hij en we gingen wat drinken. Bij het steile trapje voor de deur vertelde hij dat een van zijn huisgenoten daar van afgevallen was. ‘Hij had een lichte hersenschudding’, lachte onze zoon. ‘De sukkel.’

Trots liep hij ons voor, de Amsterdamse straten door. Toen ik een aardig tentje aanwees zei hij dat dat een heel duur restaurantje was. ‘Verderop is een leuke’ zei hij, man van de wereld. Braaf liepen wij achter hem aan. Op een Amsterdamse stoep dronken wij café latte, spraken vader en zoon over voetbal en praatten wij over zijn laatste tentamens en de aanstaande reis naar Bolivia.

Op de terugweg liepen we langs een dierenwinkel. ‘O, wacht, ik moet even een kammetje halen voor Keet’, zei hij en we liepen het zaakje in. Een oudere dame was een stapel blikjes met kattenvoer aan het tellen. Wij wachtten tot zij klaar was. Het duurde even.

‘Heeft u een kam voor een kitten?’, vroeg onze zoon.

‘Nee’, zei de vrouw nors. ‘Wel voor een kat, daar zit namelijk geen verschil in.’

‘O’, zei onze zoon.

‘Heeft u misschien van die kleefrollen voor vliegjes?’, informeerde mijn man. Achteloos wees de vrouw naar achteren. ‘Als we die hebben liggen ze daar’ Voor de vorm keken we, ze lagen er niet.

Gelukkig was er nog een dierenwinkel in de buurt. Een aardige vrouw had een kleine poezenkam en kleefstrips voor vliegen.

‘Hoe kom je aan vliegen?’, vroeg ze. ‘Ligt er soms fruit in de kamer of iets anders zoets?’

‘Alleen een paar lege bierkratten op het balkon’, zei mijn zoon. De vrouw lachte en zei dat aan de hals van de flesjes zoet achterblijft waar vliegjes op af komen.

‘Dus misschien moet je de kratten wegbrengen’, adviseerde ze lief.

En nu was onze zoon weer even thuis. Over een dikke week vertrekt hij met zijn vriendin naar Bolivia.

Hoe is het met Keet?’, vroegen wij.

‘Ze pist nog steeds overal in huis’, vertelde hij. ‘Maar ik kan die kamer misschien huren vanaf 1 juli en daar blijven. Ik denk dat ik dat maar doe.’

‘Hoewel huur betaal je?’, informeerden wij.

‘550 euro inclusief’, zei hij.

‘Nou’, zeiden wij. ‘Doen!’ En we zeiden niets over een slaapkamer overvol met bed en kast, vliegjes rond de lamp, een beplast dekbed, een kitten onder de bank en een biotoop erachter.

‘Heb je Keet nog gekamd?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei hij. En zijn vriendin voegde eraan toe, ‘Het is een schatje.’

Net voor het acht uur journaal komt onze dochter thuis. Met in haar ene hand de tas met laptop, in de andere hand twee zakjes van de snackbar. Ze ziet er moe uit.

‘Hoe gaat het?’, vragen wij.

‘Goed’, zegt ze.

En zo kabbelt het leven voort.

Advertisements

Nu Even Niet

Wieringerwaard,

Klei en gras en wind

Het weiland van sloot tot sloot in kaart

Ook voor wie hier woont

‘t Wordt nooit gewoon

De Wieringerwaard

Wolken, wit en wijds

Bij molen De Hoop

Antiek te koop

En voor de rivier

Staart Potters stier

Naar Wieringerwaard

Rob de Nijs

(tekst Jan Rot, muziek Jacques Revaux)

Kaarsrechte wegen staan haaks op elkaar en het land is verdeeld in precieze rechthoeken alsof Iemand ooit met veel plezier de geodriehoek hanteerde. Alle hoeken op 90 graden. Recht. En. Duidelijk.

Ik rijd door de polder op zoek naar rust en ruimte. Een droom van vrijstaand wonen met uitzicht op veranderende wolkenluchten, sappig groen met een zwart-witte waas van koeien, wol-wattige schapen en mekkerende lammetjes.

Thuis bleven drie familieleden verstomd achter.

‘Weet je hoe lang je erover doet om daar te komen met het openbaar vervoer?’, vroeg mijn dochter.

‘Als jullie dat willen moet je het doen’, zei mijn zoon. ‘Zelf zou ik graag later hier wonen’, vulde hij aan. En hij keek om zich heen in zijn huis, ons huis nu.

Mijn man zei niets. Hij heeft ook de droom van rust en ruimte. Alleen gaat dit te snel. En ik? Ik moet van mijn onrust af, mijn verliefdheid op dit huis, dat uitzicht, die werkkamer.

Ik draai na de kruising van twee kaarsrechte wegen een oprit op. Het grind knarst zacht onder de wielen van mijn auto. Door de voorruit zie ik achter het huis een vrouw staan. Twee nieuwsgierige meisjesgezichten steken hun hoofd om het hoekje van de woning. De vrouw heeft een hond aan een lijn. Als ik uitstap loopt ze me tegemoet. ‘Ik wacht op de makelaar’, zegt ze.

‘Ja, ik ook, zeg ik, ‘Jaag ik jullie nu het huis uit?’

‘Ik blijf liever niet bij een bezichtiging’, antwoordt de vrouw.

‘Nee, dat snap ik,’ zeg ik en ik vraag: ‘Wonen jullie hier allang?’

‘Wij komen uit Amsterdam. Wij wilden de kinderen rustig laten opgroeien, zonder wachtlijsten voor scholen en zwemlessen.’

‘Tja, dat snap ik’, zeg ik weer.

Ik heb nog 100 vragen aan haar maar het lijkt me niet gepast deze te stellen. We staan bij elkaar als twee onwennige pubers op hun eerste schooldag.

‘Ik zag dat hier een servicepunt is van de bibliotheek’, merk ik op, ‘En er is een Spar’.

De vrouw kijkt mij aan. ‘Er is ook een mooi zwembad’, zegt ze.

‘Blijven jullie hier wel in de buurt wonen als het huis verkocht is?’ vraag ik nieuwsgierig.

‘Ja’, zegt de vrouw en ze kijkt op haar horloge, ‘We zouden niet meer kunnen wennen aan een stad als Amsterdam. Kijk, daar is de makelaar.’ Een bebrilde dertiger hupt uit de auto die hij naast het huis parkeert. ‘Hier is de sleutel’, zegt de vrouw en ze zegt mij gedag. Zijzelf, de hond en kinderen stappen in de auto en ze rijdt weg.

‘Zo, laten we eerst hier maar even gaan zitten’, zegt de makelaar.

We zitten op twee gemakkelijke stoelen achter de woning. Ik kijk uit over groen land, in de verte glinsteren rode tulpen. De zon schijnt. Beukenheggetjes verdelen de brede tuin in, ja, weer rechthoeken.

‘Het is een mooie dag’, zegt de makelaar. ‘Kom, laten we kijken. Het huis is met veel liefde opgeknapt.’ En we lopen door het huis van de vrouw met de hond.

Het stadje vlakbij, de kust met het dorp dat zo lijkt op het Zeeuwse dorp waar we ooit vakantie vierden, de ruimte en rust, geen wachtlijsten en een ‘actief verenigingsleven’, dit alles spookt op de terugweg door mijn hoofd.

Ik kijk voortdurend op het klokje hoe lang het rijden is. Lang.

‘Wij werken beiden in de buurt waar wij wonen’, vertelde ik de makelaar. ‘En het is een eind rijden.’

‘Hier is ook werk’, zei hij en ‘Waar krijg je deze ruimte?’

Thuis won de realiteit het van de droom. En ik probeer maar niet meer te denken aan die poes op de gekleurde poef in de werkkamer, het glinsterende veld met rode tulpen en het gras dat daar toch echt groener is.

Het pleidooi

Op de deur van het lokaal hangt een plakkaat. ‘Stilte a.u.b. i.v.m. pleitoefening’.

We staan in het halletje voor het lokaal. Een groepje studenten staat om het hoekje, ze wiebelen nerveus op de hakken van hun schoenen. Ze lachen en zeggen ‘Ik heb liever drie tentamens dan dit’ en ‘Ik had dit nooit verwacht’.

Onze dochter ziet ons en loopt op ons af.

‘Ik ben als laatste aan de beurt’, zegt ze. ‘Maar jullie kunnen luisteren naar het tweede groepje. Daarna kom ik.’

Er staat nog een ouderpaar in het halletje. Als we het lokaal in mogen valt het plakkaat van de deur. De vrouw van het andere paar pakt het op en drukt het tegen de deur. Nu hangt het plakkaat scheef. De plakbandjes zijn stoffig en kleven nauwelijks meer.

We luisteren naar een fictieve rechtszaak over hulp bij zelfdoding. Drie in toga gehulde rechters geven het woord aan een jongen met baardstoppels, onwennig staand voor het katheder in een geleende toga. Hij neemt de rol van officier van justitie op zich. Op het whiteboard achter de rechters hangt een A-4-tje met een afbeelding van de koning. De jongen start zijn betoog. En ik herken het verhaal.

De dag ervoor oefende onze dochter haar officier-van-justitierol met mij.

‘Mijn verhaal moet echt binnen tien minuten klaar zijn en klok het alsjeblieft met de stopwatch-functie’, instrueerde ze mij. Ik zat op bed. Zij stond achter de strijkplank. Rechts op de strijkplank lag een stapel ongestreken kleding. In het ijzeren mandje links hing de strijkbout. Na twee keer oefenen, schrappen en timen en een maal de slappe lach duurde het betoog acht minuten en tien seconden.

Willem-Alexander staart mij aan; de afbeelding is geplastificeerd dus de koning glimt een beetje. De middelste rechter interrumpeert twee maal het betoog van de jongen. Rustig beantwoordt hij de vragen. Zijn rechter-gymschoen wipt op en neer. Het randje van de toga beweegt licht mee. De zoom is afgezet met glanzend-zwart biaisband. Ik sterf intussen duizend doden.

‘Nu ben ik wel zenuwachtig’, vertelde mijn dochter mij in het halletje. ‘Je moet ook onverwacht vragen beantwoorden en elkaar van repliek dienen.’

Na het betoog van een meisje dat als advocaat een paar keer haar tekst kwijt raakt schuifelen we achter elkaar het lokaal uit. De deur gaat dicht. ‘Nu beraadslagen ze’, legt mijn kind mij uit. Ze trekt de leen-toga aan. De mouwen zijn zeker twintig centimeter te lang.

‘Wacht, ik vouw ze om’, zeg ik, ‘Anders kan je je notitie niet eens uitdelen.’

En daar staat ze. Achter het katheder. Ze deelt haar pleitnota uit aan de drie rechters en haar mede-student die de advocatenrol op zich neemt. Ze schenkt een bekertje water in. Haar hand trilt niet. En dan start het strijkplank-requisitoir. Twee keer krijgt ze een vraag. Ze beantwoordt deze gedecideerd. Ze haalt het Heringa-arrest aan. Ze eist negen maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk voor hulp bij zelfdoding. ‘Er is een maatschappelijke en politieke discussie gaande over euthanasie en voltooid leven, maar het is aan de wetgever om de wet aan te passen. Zo lang dat niet gebeurt hanteren wij de nu geldende wetgeving.’

En Willem zag dat het goed was.

Laat los

Op de voorkant van het vorige-week-weekend-katern Tijd van Trouw staat ‘Papa en mama doen het wel’ Laat dat volwassen kind eens los. Het katern ligt open en bloot op tafel.

Mijn man en ik kijken elkaar aan. Hij deed zojuist de was van ons allen. De uithuiswonende dochter woont weer thuis. De zoon is nooit weggeweest. Ik keek een ‘plan van aanpak’ na, nadat ik – eerlijk is eerlijk – dat zelf aan mijn zoon had aangeboden.

‘Het gaat om een fictief plan hoor’, zei hij achteloos tijdens het door zijn vader en mij voorbereide ontbijt. Toen had ik alle puntjes al op de i gezet.

Laatst fietste ik met onze dochter naar het station. Voor wij vertrokken rende zij drie keer naar boven, voor de sleutel, voor de zooltjes in haar laarzen en voor iets wat ik niet hoorde.

‘Nu kom ik te laat!’, hoorde ik wel, boven haar roffelende voeten uit. Zelf stond ik al vijf minuten met de deurklink van de achterdeur in mijn hand.

In mijn mond lag bestorven: ‘Heb je je portemonnee en OV-kaart?’ maar ik zei niks. Per slot van rekening woonde ze eerder ruim drie jaar op zichzelf waarvan een half jaar in China.

‘Die redt zich prima’, vertelden wij trots en verbaasd aan wie er maar naar vroeg.

Bij het station scheidden onze wegen. Zij ging met studiegenoten naar Den-Haag, ik fietste naar Zandvoort. Het zonnetje scheen, ik zocht bij een strandtent een plekje in de zon, uit de kille wind. De tent was nog niet helemaal af. Losse planken lagen hier en daar op het zand. Bolle kussens waren schijnbaar lukraak op stoelen en bankjes gegooid. Golven spoelden af en aan, ik volgde met mijn ogen de lijnen van schuimend wit op blauwgroen die als oneindige krijtstrepen op een schoolbord het einde van de winter markeerden.

Een vrolijke jongen serveerde mij koffie.

‘U zit zo heerlijk hier!’, zei hij en ik beaamde het. Ik sloot mijn ogen en dacht aan mijn boek in het tasje naast mij. Dat ging ik lezen, in de zon, met achter mij kussens die roken naar nieuw.

In mijn tasje lag ook mijn telefoon. Ik pakte het op. Drie telefoontjes en meerdere WhatsApp-berichten met vraagtekens lichtten op. Mijn dochter. Ik zuchtte en belde.

‘Ja, ik zit nu in de bus’, hoorde ik. ‘Ik was mijn portemonnee en OV vergeten.’

‘O, en nu?’, vroeg ik.

‘Ik kwam erachter dat ik op mijn telefoon een treinkaartje kon kopen en nu zit ik in de bus dankzij de chauffeur die mij liet meerijden zonder kaartje.’

‘Zo, dat is vriendelijk’, zei ik.

‘Ja, en ik leen wel wat geld voor de terugweg van een van mijn klasgenoten.’

‘Dat is dan mooi opgelost’, antwoordde ik.

‘Nou, doehoei! Tot morgen he?! Vanavond eet en logeer ik bij S.’

Ik dacht aan het eten voor vier in de ijskast. En aan de niet opgegeten restjes pasta, stoofvlees en curry van de laatste tijd.

‘Oké, tot morgen’, zei ik.

‘Ik had het toch moeten vragen, van die portemonnee en OV’, dacht ik en ik blies een kuiltje in mijn koud geworden koffie.

We laten ze binnenkort los. Echt.

Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Het bureau

Toen ik begon te schrijven

Woonde ik in een dorp

Met vuilwit zonlicht in mijn mond

Alom vrede

Ik trapte naar de zon

En wist niet hoe te leven

(…)

Uit: Slordig met geluk door Menno Wigman (1966-2018)

Weer is een dichter dood. Kind van de jaren tachtig, een gymnasiumleerling met liefde voor taal en een leraar Nederlands die dat zag. Het zijn bekende flarden herinnering. Alleen wist ik na enig trappen naar de zon wél hoe te leven. Zoals gisteren, toen we op zoek gingen naar een bureau.

*

Onze dochter huist sinds een week weer in de kamer die ooit haar kinderkamer was. Voordat zij kwam ruimde ik haar kamer op. Ik verplaatste dozen, stofte de bovenkant van de kledingkast die jarenlang niet beroerd was. Plukken grijs kleefden aan mijn doekje als plakkerige asresten van verbrande kinderjaren. Ik heette met iedere veeg over een plank mijn terugkerende kind welkom. De beer die ze van opa kreeg plaatste ik op het voeten-eind van het zorgvuldig opgemaakte meisjesbed. Met domme ogen keek hij mij aan.

*

‘Eigenlijk heb ik een bureau nodig’, zei ons kind een tijdje later, peinzend rondkijkend in haar schone kamer.

Omdat ze geen nieuw bureau wilde – ‘Dat kost mij weer €70,-‘ – stelde ik voor naar een tweedehands-winkel in de buurt te gaan.

*

‘Zo, het is druk hier’, constateerde mijn kind bij het binnenstappen van de magazijn-achtige ruimte. Pensionado’s snuffelden rond, vrijwilligers in blauwe fleece-truien liepen af en aan met dozen en sorteerden alle ingeleverde waar.

*

Achter de kasten met boeken en tafels vol prullen stuitten we op een houten bureautje met drie laden. Op iedere la zat een ronde knop.

‘Die wil ik’, zei mijn kind, ‘Kijk, mam, hij kost maar €12,50.’

*

‘Kunnen de poten eraf geschroefd worden?’, vroeg ik aan niemand in het bijzonder en ik dook onder het bureaublad. Vier ijzeren plaatjes met onwrikbare schroeven – onder iedere poot één, – lachten mij uit.

‘Nee, dat wordt niks’, zei ik. ‘Laten we vragen of ze het kunnen bezorgen.’

*

Een aardige jongen vertelde ons dat de dag-coördinator ‘Nog even in gesprek was.’ ‘Kijkt u rustig rond’, zei hij vriendelijk. Ook hij droeg een blauwe fleece-trui.

We keken rond. Een corpulente dame nam plaats op een rode bureaustoel. De stoel zakte met een diepe zucht tien centimeter naar beneden. Onverstoorbaar zat de vrouw daar, middenin de ruimte, op de rode bureaustoel. Toen ze uitgerust was kwam de stoel langzaam omhoog. Met het hydraulisch systeem was niks mis.

*

Ik vroeg mijn dochter die klaar was met rondkijken of zij geen bureaustoel nodig had. Ik wees haar op de flexibele rode.

‘Nee, dat is een afschuwelijk-lelijk ding’, zei ze. En toen zag ik het ook.

*

De jonge vrijwilliger kwam na tien minuten aanlopen met de dag-coördinator. Wij hoorden haar al van verre aankomen. Een zwaar-doorrookte stem snelde op de eigenaresse vooruit, over de rotan-stoelen, langs de boekenkasten, onder de tafels met prullaria door.

‘Om welk bureautje gaat het?’, hoorden wij haar aan de jongen vragen. De stem hoorde bij een tanige, zonnebank-bruine dame. Diepe rimpels verdeelden haar gezicht in kabbelende golfjes.

‘Is het mogelijk dit bureau te laten bezorgen?’, vroeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat kan’, zei de vrouw. Ze keek mij aan. ‘Dat kost €15,-‘ Ik zag dat ze maar wat zei. De jongen keek haar verbaasd aan, maar richtte snel zijn blik op de betonnen vloer.

‘Kunnen we het bureau reserveren? We moeten opmeten of het past in de draai van de trap.’

‘O, u woont klein?’, vroeg de doorrookte stem.

‘Ja, de trap maakt een flinke draai’, antwoordde ik.

‘Aan reserveren beginnen we niet’, zei de vrouw op ferme toon. ‘Daar hebben we heel slechte ervaringen mee.’

Een beetje sip verlieten we het magazijn.

‘Ik vind het een leuk bureau’, zei mijn kind.

‘Vraag papa of hij het trapgat op wil meten’, adviseerde ik haar. En dat deed ze.

‘Het past!’, zei ze. En we keerden terug. We stuitten direct op de jonge vrijwilliger.

‘We willen het kopen’, zei ik en ik wees op het bureau.

‘Een moment alstublieft’, zei hij, ‘De dag-coördinator regelt de verkoop.’

*

Na het invullen van wat papierwerk en een afspraak voor de bezorging liep de doorrookte stem met ons mee naar de kassa.

‘Reken jij €22,50 af met deze klant?’, riep ze tegen een oudere dame bij de kassa.

‘Mam, ze vergist zich met de bezorgkosten’, zei mijn kind, toen we naar buiten liepen. ‘Nu betalen we maar €10,- bezorgkosten in plaats van €15,-.

Heel gelukkig reden wij naar huis.

Wetend hoe te leven.

***

Grijs

Door het raam zie ik een klant met daarachter kapster Kirsten. Bedrijvig beweegt zij met de schaar in de hand om de klant heen als een bij om een geurige bloem. Met de deurkruk in mijn hand wacht ik even. De kilte van de dichte mist legde een laagje druppels over mijn jas, mijn handschoenen, mijn haar. En voordat ik de deur van de zaak open ruik ik al de zoete geur van kapper, die mengeling van shampoo, föhn, afgeknipte haren en een vleugje koffie.

*

Tijdens het ophangen van mijn jas komt kapster Carola mij tegemoet, een slanke vrouw in een zwarte coltrui op een zwarte broek. Een kek schortje zit om haar middel geknoopt. ‘Die maak ik zelf’, vertelde zij een keer trots aan mij. ‘Gezellig toch?’ Carola vindt veel dingen gezellig.

*

Ik kom voor het knippen van mijn haar. Nou ja, eigenlijk meer voor het kleuren. Zo lang als de kapperszaak in dit dorp bestaat kom ik hier en de perioden tussen mijn bezoekjes in worden steeds korter. Dat komt door de grijze haren die ik tien jaar geleden zelf nog kon weghalen. Staande voor de spiegel, met duim en wijsvinger, een stevige greep op de dikke haar en een forse ruk. Het deed best zeer. ‘Ja, ze zijn stug en stevig, die grijze haren’, beaamde Carola destijds en zij legde mij uit waarom. Ik ben het vergeten. Het was iets met pigment.

*

Nu ben ik er weer. ‘Even een blaadje pakken’, zeg ik tegen Carola die mijn verfje gaat maken en ik loop met mijn kapperscape om richting de Libelle.

‘Dezelfde kleur?’ vraagt Carola en ik knik. Kirsten vraagt aan de vrouw naast mij of zij ‘Een roddeltje wil.’ Even spits ik mijn oren – voor roddeltjes ben ik altijd in – maar Kirsten bedoelt met een roddeltje het blad Privé of de Story. ‘Ja, doe maar’, zegt de klant van Kirsten. Carola roert in een potje mijn verf en Kirsten veegt de op de grond gevallen haren van de klant naast mij op.

*

Een vijfde vrouw zit in de hoek van de ruimte achter een tafel met flesjes nagellak. Haar lange, geblondeerde haren hangen futloos om haar brede gezicht. Dat is de nieuwe nagel-styliste die sinds kort in de zaak werkzaam is. ‘Heel gezellig’, volgens Carola.

*

Als mijn haren door Carola vakkundig zijn bewerkt met de verf die nog het meeste lijkt op stopverf, zet zij het wekkertje op 30 minuten en ik reik naar de Libelle die voor mij ligt op het plankje onder de spiegel. Dan wordt de nagel-styliste gebeld. Ze antwoordt met ‘Ja’ en ‘Wat vervelend’ op de stem die wij niet kunnen horen. Maar opeens horen wij de stem wel want de nagel-styliste zet haar telefoon op de luidspreker.

‘Ik ben het helemaal vergeten, maar ik zit ook zo in de stress’, horen wij.

‘Ik kijk even in de agenda’, zegt de styliste. ‘Nee, ik heb echt geen ander moment meer vrij.’

‘Nou, dat is jammer’, horen wij en daarna wordt het stil. Het gesprek wordt zonder luidspreker afgerond. Lusteloos hangt de styliste in haar stoel achter de vrolijke kleurtjes.

‘Gaat de afspraak niet door?’, vraag ik.

‘Nee, en ik heb me nog zo gehaast’, zucht de styliste, ‘En dit was een dubbele afspraak dus nu heb ik twee uur niets te doen.’ Ik kijk naar mijn hand, mijn vingers en nagels.

*

Onwennig zit ik even later met mijn stopverf-haren achter de flesjes, kwastjes en droog-apparaten voor nagels. ‘De lak blijft zeker drie weken zitten’, vertelt de styliste terwijl ze zachtjes mijn handen vastpakt, mijn nagels vijlt en de nagelriempjes voorzichtig naar achteren duwt. Ook vertelt ze dat ze sinds kort dit werk weer doet.

‘Ik had een eigen nagel-salon’, vertelt ze trots, ‘Tot het noodlot toesloeg’. Ze praat verder maar in mijn oren blijft Het Woord hangen. Als ze me vraagt om mijn andere hand vraag ik wat het noodlot inhield.

*

‘Mijn vriendin waarmee ik de zaak had is vermoord’, vertelt ze. ‘Haar ex-vriend die ze pas vier maanden kende heeft haar vermoord.’ Haar ogen dwalen weg. ‘Ze had een dochtertje van 8 en hij had ook een gezin’, gaat ze verder. ‘Maar dat is allemaal kapot. Hij zit in de cel, mijn vriendin is dood en de kinderen, ach…’

‘Waar woont haar dochter nu?’, vraag ik, ‘Bij haar vader?’

‘Eerst wel, maar ja, hij had ook een gezin met kleine kinderen, dat was wel wat druk voor haar, ze was natuurlijk lang alleen met haar moeder’. De ogen zijn nu heel ver weg. Teruggegleden in een donkere tijd.

‘Nu woont ze bij haar oma. ‘Haar ogen lichten op. ‘Dat is ook fijn voor oma, dan heeft zij weer een doel in haar leven.’

*

‘En, welke kleur wil je er zo op?, vraagt ze. Ze legt drie waaiers voor mij neer met alle kleuren van de regenboog.

‘Doe maar die rode’, zeg ik.

*

Ik kijk naar de stoel voor de spiegel met daaronder het plankje waarop mijn bril ligt, de lege kop koffie – met schuim als viezige zilt-vlokken op het strand, vastgeplakt aan het glas – het glimmende papiertje van het koekje dat ik gedachteloos in mijn koffie had gedoopt en had opgegeten. Het wekkertje. En de Libelle. Ongelezen.

*

Het alarm gaat af. Carola komt eraan en ik sta op. ‘Kom je bij deze wasbak zitten?’, vraagt Carola en ik neem plaats in de stoel onder de wasbak. Ik leg mijn hoofd in de uitsparing van de bak die koel aanvoelt. Een steeds warmer wordende straal water verwarmt mijn hoofd.

‘En?’, zegt Carola, ‘Je hebt ook je nagels laten doen?’ Ik steek mijn hand omhoog. ‘Nou, dat ziet er gezellig uit, zo voor de Kerst!’, roept Carola enthousiast. En ik wil knikken maar dat lukt niet. Mijn nek zit gevangen in die uitsparing. En ik sluit mijn ogen.

***