Ziek (2)

‘Mam, ik ben ziek’. Een heel warm kind schuift naast mij in bed. Een straalkachel, zoals vroeger, het doodzieke kind dat ons met zijn warmte en woelen nachten wakker hield.

‘Jezus Max’, zeg ik, ‘Wat ben je warm.’

We zijn in Frankrijk op de plek waar we eerder al eens waren. Een pittoresk bergdorp, gelardeerd met grijze keitjes, een schooltje waar de Franse vlag aan wappert en een winkeltje dat honing verkoopt.

‘s Ochtends lopen we de smalle en steile straatjes uit, het pad af naar de gondellift die ons naar het skidorp hierboven brengt. We zweven boven alpenweiden met kleurige bijenkasten die als vrolijke snoepjes tegen de bergwand zijn gestrooid en daarna ruige rotswanden met plukjes sneeuw.

Eenmaal boven sjokken we door de verse sneeuw naar onze ski’s in de kluisjes waarna het laatste deel van de ochtend-tocht begint. ‘Het zwaarste deel’, volgens mijn dochter die zuchtend haar ski’s op de schouders legt en met de tred van een bijzondere vogelsoort – de voeten in de zware skischoenen zorgvuldig afrollend – naar de lift loopt.

‘Ik ben echt ziek, ik heb zo’n hoofdpijn’, herhaalt mijn zoon. Ik voel zijn voorhoofd, dat gloeit van de koorts. ‘Ik pak paracetamol voor je’, zeg ik en ik wip snel het bed uit. Het donzen dekbed vlei ik zachtjes over dat warme jongenslijf. Ik doe de deur naar het balkon open, op een kier. Voor de frisse lucht.

Hij is en blijft doodziek. Iedere dag is er hoop. ‘Hoe gaat het?’

‘Niet goed’, zegt de zieke die de eerste dagen zo enthousiast op de ski’s stond. ‘Ik ga nog een keer naar boven’ en weg was hij. Het sneeuwde en sneeuwde, die eerste dagen. En nu is het stralend weer. Kaiserwetter in Frankrijk.

‘Misschien gaat het morgen beter’, zeggen wij. Maar het gaat niet beter. Alle dagen ligt hij in bed. Wij sturen hem foto’s van de gletsjer waar hij ook zo graag naar toe wilde. Halen croissants voor hem waar hij een, twee hapjes van neemt en we zetten kopjes thee. We maken citrosan en legen zijn prullenbak van wolken witte zakdoekjes. ‘Nu ben ik ook nog verkouden’, klinkt het zwakjes uit dat Franse bed. En wij schillen een sinaasappel die er net zo snel weer uitkomt als erin gaat. ‘Nu heb ik ook last van mijn maag’, en de hoop op skiën is langzamerhand vervlogen. De bruine ogen staan klein en dof in zijn gezicht.

‘Morgen, misschien gaat het dan beter’ zeggen wij.

Maar nee, alle stralende dagen is en blijft hij ziek. Ik kijk naar buiten. Het puntje van de berg gloeit in de avondzon als het uiteinde van een gloeiende sigaret.

‘Misschien krijg je het geld van zijn ski’s en de pas terug’, zegt mijn dochter. ‘Max heeft maar twee dagen geskied. In dat slechte weer en met al die sneeuw’, voegt ze eraan toe. Ze kijkt mij aan, haar ogen zo blauw als de Franse lucht.

‘Ik hoop dat hij morgen beter is’, zeg ik. En mij schiet een spreekwoord te binnen. Over de wens en de vader van de gedachte.

Advertisements

Gelukkig nieuwjaar

I was just sitting there doing ‘Getting better all the time’ and John just said in his laconic way, ‘It couldn’t get no worse,’ and I thought, Oh, brilliant! This is exactly why I love writing with John…

— Paul McCartney (1997)

Zo lamlendig als nu begon nog geen enkel nieuwjaar. Een plotseling opkomend gevoel van algehele zwakte, gevolgd door een propje in de keel dat maar niet doorgeslikt kon worden. De dag daarop kwam de pijn van de huid, ja, de griep en vermoeid sloot ik mijn ogen.

Het kwam niet goed uit. Fijne, lome dagen in het vooruitzicht met een visschoteltje en lauwwarme oliebollen met krenten en poedersuiker smeltend op zompig deeg. Nog even dat boek uitlezen en die laatste vijf sterren-film bezoeken. Ik berichtte de vriendin waarmee ik naar die laatste film van 2018 zou gaan dat ik ziek was.

‘Ik ben ook niet lekker’, appte ze. ‘Ik lig gaar op de bank.’

‘Wil jij naar de film Shoplifters?’, vroeg ik mijn man, net terug van werk en sporten. (‘Ik doe eerst wat lichtere oefeningen, dan een kwartier boksen, een half uur rennen en daarna nog fietsen.’) Ik keek hem aan vanuit bed, ik slikte het propje dat een balletje geworden was weg, maar dat triggerde een verscheurende hoestbui.

‘Dat klinkt niet goed’, zei hij, ‘Hebben wij nog hoestdrank?’ IJverig trok hij laatjes en kastjes open. Hij trok zijn jas aan en zei: ‘Ik haal hoestdrank, heb je verder nog wat nodig?’ Ik durfde niet nog een keer het balletje weg te slikken.

‘Nee’, knikte ik en ik liet mij zakken in het bed, mijn hoofd op het kussen. Met mijn voet duwde ik de kruik weg. Ik voelde de rubbels in het onderlaken, ontstaan door het alsmaar in bed liggen, het vele draaien, het bed omhoog en omlaag, ik moest het rechttrekken, dat laken.

‘Wil je een nieuwe?’, vroeg mijn man en hij wees op de kruik.

‘Nee’, zei ik.

Intussen vroeg onze dochter via WhatsApp wat wij gingen doen met Oud en Nieuw. Zelf reisde zij van China naar Thailand (‘We gaan naar Bangkok, fietsen naar de Birma spoorlijn, naar het natuurpark waar we olifanten kunnen wassen. Daarna gaan we naar Koh Samui.’) Ik appte dat ik ziek was. ‘Oh echt? Alweer? Je bent vaak ziek’, appte ze terug. Ik vond de kracht om haar te berichten dat ik de afgelopen twee jaar niet ziek geweest was. Daarna viel de conversatie stil.

Onze zoon kwam onverwacht langs.

‘Ik moet mijn onderzoek afronden en ik zit hier zo rustig’, kwam hij zeggen, nadat hij twee treden tegelijk nemend naar boven kwam.

‘Ben je ziek?’, informeerde hij. Ik knikte. ‘Wil je wat hebben?’, vroeg hij.

‘Ik zou wel wat fruit willen’, zei ik, vertederd door zijn goede zorgen. Even later bracht mijn man een volle bak fruit. Stukjes banaan, ananas en kwarten appels.

‘Wist jij dat hij kwam?’, vroeg mijn man.

‘Nee’, zei ik.

‘Vraag of hij met je meegaat naar die film’, opperde ik.

‘Wil je nog wat anders?’, vroeg mijn man. Ik dacht aan een nieuwe kruik. Het rechttrekken van dat onderlaken. Maar ik zei het niet.

‘Nee’, antwoordde ik.

‘Wel opeten he?’ en hij wees naar de bak met fruit.

‘Ja’, zei ik.

‘s Avonds ging onze zoon na het eten ‘Even langs bij J. en daarna ga ik met de bus terug naar Amsterdam.’

Toen hij weg was zei mijn man:

‘Heel gek, hij zei dat hij meeging naar die film en nu gaat hij weg.’

‘Ach, wat een slome’, zei ik, ‘Dat vergeet hij gewoon.’

‘Ik vraag E. wel’, zei mijn man en E. kon.

Daarna werd het Oud en Nieuw. Om 00.00 uur brak een pandemonium uit. Vanuit mijn bed zag ik door het raam sterrenwolken tegen de donkere hemel uiteenspatten, het siste en ratelde. Ik slikte en hoestte.

Vanaf nu wordt het alleen nog maar beter.

Doos

We stuurden een doos naar Shanghai. Een doos met chocopasta, shampoo, hockeyschoenen en een lippenstift. Een paar repen chocola, scheenbeschermers en dr. Martens-schoenen. Plus een Sinterklaasgedicht. De doos woog 6,78 kg en we plakten een enorm etiket erop met de naam van ons kind en haar adres in het Engels en Chinees. De hoekjes verstevigden we met bruin tape. De doos zou er 9-14 dagen over doen.

Er zijn 18 dagen verstreken. Om de dag scan ik de post.nl-bon met de QR-code en denk ik aan de vrolijke Frans in het tijdschriftenwinkeltje annex postkantoortje die beweerde dat ‘De Chinese post de meest punctuele ter wereld is.’

Magisch is wel het scannen van de QR-code; zodra je de camera boven de code houdt produceert de telefoon als een zelfdenkend wezentje een pop-upje met ‘Open post in safari.’ Als ik daarop klik komt het laatste nieuws van de doos in beeld. Deze is al een paar dagen geleden vrijgegeven door de Chinese douane.

Intussen loopt ons kind vrolijk door Shanghai en op andere plekken in China met poëtische namen als ‘Purple mountains’ en ‘China gate castle park’ rond op zomergympen. Ik maak me zorgen over die dr. Martens-schoenen en de glans-shampoo. Ik kijk eens op de site van post.nl. Ik ploeg mij door het woud van veelgestelde vragen ‘Bedoelt u dat?’ ‘Wilt u zus of zo?’ en pas na vijf minuten vind ik de klantenservice. Te bellen vanaf maandag en dat is jammer want nu is het zondag. Maar hé, ik kan via Twitter of Facebook met post.nl contact opnemen!

‘Onze collega’s bij Twitter en Facebook zitten voor je klaar!’ En dat is ook magisch, twitteren op zondag met post.nl!

Ik post een tweet (beleefde vraag) en nog één (track & trace-code). Het blijft angstvallig stil. Ik denk dat het misschien lunchpauze is voor de post.nl-er met twitterdienst.

En nu komt binnenkort een nichtje op bezoek bij ons kind in Shanghai.

‘Kan zij nog wat meenemen voor je?’ vragen wij haar.

‘Ik stuur zo een lijstje!’, stuurt ze terug, ‘Ik loop net naar het station van Nanjing.’

Even blijft het stil. Maar dan krijgt haar vader een bericht.

‘Maak even een foto van mijn kledingkast dan omcirkel ik wat ik nodig heb.’

Zuchtend gaat mijn man naar boven. Hij blijft drie kwartier weg. Daarna komt hij zuchtend naar beneden.

‘Zo, daar ben ik de hele tijd mee bezig geweest. ‘Nee, die broek niet, die zit kut.’ ‘Nee, dat shirt rechtsboven in de kast, nee, die niet!’

‘Ze wil ook een boek, weet jij waar dat boek is over Selma?’

Nu zucht ik.

Ik spiek op Twitter. Nog niks over de doos.

En dat is ook kut.

Retro

Na de film wil ik een kopje koffie. Ik sta hiervoor in een onduidelijke rij, eigenlijk meer een horizontale opstelling achter een hoge toonbank. Twee meisjes zetten kopjes thee en koffie. De koffiemachine maakt een hels lawaai.

‘We hebben gewone thee, earl grey, jasmijnthee, muntthee’, somt het ene meisje op.

‘Muntthee graag’, zegt de dame naast mij. Zij draagt een bontgebloemde sjaal over haar zwarte coltrui. Haar lippen zijn donkerrood gestift.

‘Heeft u ook tosti’s?’, vraagt de keurige dame.

‘Alleen een tosti met kaas, heel eenvoudig dus’, antwoordt het meisje enigszins verontschuldigend. Ik zie haar ongelakte nagels, netjes geknipt en gevijld. Witte maantjes. Haar ene hand houdt de glazen mok muntthee aan het oor vast. De ander ondersteunt. ‘Nee, dank u’, zegt de dame, ‘Ik houd het bij de thee.’

Als ik denk aan de beurt te zijn wordt een andere keurige dame geholpen. Ik ga eerst maar even de stad in.

Gisteren sprak ik onze dochter in China. Met de ontsteking aan haar voet ging het goed, ze liet het me zien. ‘Ik kan er net weer een beetje normaal op lopen’, zei ze. ‘Dus ik wacht nog even met die ingreep.’ Hier kon ik van alles tegenin brengen maar ik deed het niet.

‘Ik ben mijn lippenstift kwijt’, vertelde ze. ‘Die dure van Mac, retro. Ook heb ik mijn hockeyschoenen nodig en weet je hoe duur een pot Nutella hier is?’ Ze keek mij via FaceTime aan. In haar ogen zag ik het kind dat zij ooit was. ‘Nee’, antwoordde ik.

‘Wel 120 yuan’, zei ze, ‘15 euro!’

‘Zo’, zei ik.

‘En ik zou ook wel mijn dr. Martens-schoenen willen hebben’, ging ze voort, ‘Het is hier ijskoud.’

‘Ja, die durf ik niet op te sturen hoor’, zei ik. ‘Vorig jaar kwam dat pakket ook niet aan.’ En ik dacht aan al het gedoe rond het Sinterklaaspakket dat in de zomer na allerlei vergeefse Chinese omzwervingen weer bij ons thuis arriveerde.

‘Er zit nu hier een mannetje’, vertelde ons kind. ‘Hij neemt pakjes voor alle buurtbewoners aan, hij appt me als het er is.’ En ze lachte.

En nu loop ik in de stad. Een nieuwe Mac retro zit in mijn tas. Ik wil een kop koffie. Ik kies een zaak uit met kleine tafeltjes. Hier valt het niet op dat je alleen bent. Een jong meisje neemt de bestelling op.

‘Wat wilt u drinken?’, vraagt ze.

‘Ik wil graag een café latte’, zeg ik.

‘Anders nog iets?’, vraagt ze. En omdat het zo kaal staat – een kopje koffie – en omdat het lunchtijd is en omdat ik gek genoeg na al die jaren het niet kan laten iets bij te bestellen zeg ik: ‘Ja, doe maar een croissantje erbij.’

‘Een croissantje met boter en jam’, noteert het meisje. Ze is knap, ze heeft een rond gezicht, volle lippen. Haar jonge lijf in een strakke, zwarte broek met daarboven een soepelvallende wit-zijden bloes.

Ach, ik verheug mij op het croissantje met boter en jam. Het arriveert als ik mijn kopje koffie bijna op heb. De croissant ligt op een plankje. De jam glinstert in de zon. Ik peuter de zoute boter open. Een klein beetje boter en een tipje jam smeer ik op het puntje dat ik voorzichtig afsnijd. De croissant is koud en een beetje taai. Teleurgesteld eet ik het op. Het houten plankje laat ik – bezaaid met kruimels – achter.

Rauw

Ons kind in China is verkouden.

‘Dat komt door de vervuiling de afgelopen weken in Shanghai’, appt ze, ‘Daar ben ik nu achter. Iedereen hier is verkouden.’ Ik meen ooit gelezen te hebben dat een jaar wonen in een vervuilde miljoenenstad als Shanghai gelijk staat aan 20 jaar roken. ‘Ik draag nu een mondkapje’, appt ze.

Ook heeft ze een ontsteking aan haar voet.

‘Ik ben op weg naar Huangzhou’, lezen we. ‘Een heel mooie stad vlakbij Shanghai.’ We sturen terug ‘Veel plezier!’ en ‘Stuur wat foto’s!’ maar we maken ons zorgen om de voet. Daar heeft ze al weken last van. Vorige week bezocht ze een Amerikaanse arts. Hij gaf haar antibiotica en een zalf. Het consult kostte €170,-, direct te betalen. ‘Ik stond binnen een paar minuten buiten’, appte ze vrolijk. ‘Maar het wordt vergoed hoor!’ Hier schrijven wij brieven naar de verzekering, de alarmcentrale (die akkoord moet gaan) en we maken de €170 naar haar over.

‘Ik kan het geld helaas niet opnemen want mijn credit-card heeft de limiet bereikt en mijn bankpasje doet het niet meer. Nu kan ik geen geld storten op mijn Chinese rekening en niets meer betalen.’ Geld direct overmaken naar haar Chinese bankrekening kunnen wij niet.

‘Mam, dat kan niet, ze accepteren hier geen geld van buiten. Ik moet het handmatig storten.’ Ze leent nu van vrienden. ‘Maar daar kan ik niet eeuwig mee doorgaan, er moet een oplossing komen.’

Met een vriendelijke dame van het ING-kantoor bespreken we het probleem. Ons kind is er via mijn telefoon bij met een video-call op WeChat, de door de Chinese overheid toegestane app-service. Er zijn weinig mogelijkheden.

‘Ik mag het niet adviseren maar u kunt het beste uw credit-card naar haar opsturen.’ Dat lijkt me tricky, een credit-card opsturen naar China. Maar haar advies helpt: ik geef mijn credit-card mee aan een kennis die een bedrijf heeft in Shanghai.

Maar die voet. Ze stuurt een foto. We schrikken: de ontsteking woekert voort, het vlees is rood en rauw. Ik zie een blaar aan de zijkant. ‘Ja, het is erger geworden door die %^#$*zalf’, appt ze, ‘En van die pillen word ik ziek.’ We adviseren haar nu meer en snel actie te ondernemen.

‘Ik heb de arts op WeChat maar hij is nu aan het partyen’, en ze stuurt een foto van dokter Steven die Halloween viert met ‘former Health colleagues’. Ze lachen en heffen glazen rosé. Als ik de foto vergroot zie ik de profielfoto van dokter Steven, surfend op een enorme golf.

‘Dat schiet niet op’, app ik. ‘Je moet nu wat doen.’

‘Maandag contact ik hem’, en daarna horen we een tijdje niks.

‘s Nachts droom ik van geamputeerde ledematen en Halloween-maskers. ‘s Ochtends lees ik een bericht van dokter Steven, kennelijk stuurde ze hem ook de foto rauw vlees.

‘I’ve taken care of many of these and this is very unusual’, lees ik. ‘My excellent surgeon colleague is very happy to see you monday. His name is dr. Zhang Huo.’

We krijgen nog wat foto’s toegestuurd van onze dochter in Huangzhou. Een meer met treurende bomen, een prachtige zonsondergang.

‘Mooi!’ appen wij. Maar het gemoed is bezwaard.

Zacht

‘Waar Julia ook naar toe ging, haar dekentje ging mee. Het was haar kostbaarste bezit. Terwijl Julia steeds groter werd, werd haar dekentje almaar kleiner: er werd op gekauwd en over gelopen en het raakte versleten. Een flink stuk ging verloren onder de grasmaaier.’

Uit: Het rode wollen dekentje, Bob Grahame, Koos Meinderts

De poes staat voor het raam, ze wil naar binnen. Ze drentelt heen en en weer op de smalle bovenrand van de tuinbank. De houten bank slijt. Een plank zit los. En nog een. Misschien gaat ie nog één zomer mee.

De poes kijkt naar binnen, haar kop staat in een hoek van 45 graden ten opzichte van haar soepele lijfje. Ze miauwt. Ik loop naar de deur. Ze wringt zich langs mij heen.

Ik kijk naar buiten, naar de bank die zijn beste tijd heeft gehad. Naar het blad van de druif dat geel verkleurt, de druifjes zelf, verschrompelend aan knoestige takken. Boven de pergola steekt een witte roos uit. Een roos in oktober.

De poes wil naar boven. Ze draait haar lijfje en maakt misbaar.

‘Ze mag niet naar boven’, zegt mijn man. Hij zit op een stoel aan de tafel. Rechtop en de stoel goed aangeschoven want hij heeft last van zijn rug.

‘Ze mist Juul’, zeg ik en ik loop naar de gang, naar boven en doe de deur van haar kamer open. De poes wringt zich langs mij heen. Ze miauwt.

‘Mis je haar?’, vraag ik. De poes springt op het bed waar ik eerder al het dekentje op legde. Het zachte blauwe dekentje. Na 24 jaar nog steeds blauw en zacht. Zonder dekentje werd er niet geslapen. Ze nam het met satijnband-gezoomde hoekje tussen duim en wijsvinger, voelde de stof en sloot haar ogen.

Een keer bleef het dekentje na een logeerpartijtje achter in een ver huis. Het kind was ontroostbaar. Ze sliep niet, hoeveel zachte stofjes, handdoeken en zacht-wollen truien we haar ook aanreikten.

Nu vleit de poes zich op het dekentje neer. Haar lijfje gedraaid in een zachte komma. Ik loop naar beneden. Mijn man zit rechtop in zijn stoel aan de tafel. Zijn telefoon ligt voor hem.

‘Vanmiddag belt ze’, zegt hij.

Keet

Soms valt er even niet zo veel te vertellen. Het leven kabbelt voort, de kinderen gaan het huis uit en keren weer terug. Boemerangkinderen, je gooit ze weg en dan, opeens, zijn ze er weer. Gelaten vang je ze, suizend in de lucht, op.

‘Hoe gaat het?’, vraag ik onze dochter die om 9 uur ‘s ochtends woest tikkend op haar toetsenbord tekeer gaat met naast haar een uitgeprint document vol gele en roze markeringen. Aan de andere kant van de laptop ligt haar telefoon waarop continu berichten verschijnen, die mij zacht trillend afleiden van de ochtendkrant.

‘Goed’, zegt ze en ze tikt woedend verder, af en toe kijkend naar de prints en de telefoon.

Gisteren was onze zoon op bezoek met zijn vriendin. Hij woont sinds een paar weken in een kamer van een vriend die anderhalve maand weg is. Onlangs bezochten wij hem. Bij het bestijgen van de drie trappen – onze kinderen wonen altijd op bovenste etages als ze op kamers verblijven – werd de poezengeur doordringender. De vier jongens hebben een kat, een kitten is het nog. ‘Ze pist overal’, had onze zoon al somber gemeld. Het poesje heet Keet. Mijn man dacht Kate naar Kate Bush, ik dacht meer aan de hippe Amsterdams meisjesnaam, Keet. Zeker weten we het dus niet. Keet of Kate had ‘Gvd vanochtend op mijn bed gepist’ vertelde onze zoon. In het piepkleine keukentje ratelde de wasmachine met zijn beddengoed.

‘Op hoeveel graden was je het?’, informeerde mijn man.

‘40 graden’, antwoordde onze zoon. Mijn man adviseerde het beddengoed nogmaals te wassen maar dan op 90 graden.

We gingen zitten op de comfortabele bank die bijna de hele kamer in beslag nam.

‘Waar is Keet?’, vroeg ik.

‘Die zit onder de bank’, antwoordde onze zoon. We zagen haar niet.

‘Ze verdwijnt altijd als er wordt gezogen’, zei hij. Aha, hij had dus schoongemaakt.

‘Ja, ik heb ook achter de bank gezogen’, vertelde hij, ‘Daar was een soort van biotoop ontstaan.’ En hij lachte.

Onze zoon leidde ons rond. In zijn leen-slaapkamer paste precies een twijfelaar en een kast. ‘Zo, mooi hoor’, zeiden wij.

In een andere slaapkamer vloog een flinke zwerm vliegjes om de lamp, evenals in de huiskamer.

‘Ja ik weet niet hoe dat komt’, zei hij, ‘Ik deed het raam open en opeens waren er allemaal vliegjes in de kamer.’ Op het balkon stonden vier opgestapelde, lege kratjes. Voor de deur in het halletje stonden er ook vier. In de huiskamer, waar een grote televisie de ruimte domineerde, stond een vitrinekast te zoemen met blikjes bier erin. ‘Reuze handig’, vertelde ons kind, ‘Al maakt ie wel veel lawaai.’

Omdat hij bijna jarig was gaven we hem alvast cadeautjes. Hij was er erg bij mee. ‘Kom, zullen we wat gaan drinken?’, vroeg hij en we gingen wat drinken. Bij het steile trapje voor de deur vertelde hij dat een van zijn huisgenoten daar van afgevallen was. ‘Hij had een lichte hersenschudding’, lachte onze zoon. ‘De sukkel.’

Trots liep hij ons voor, de Amsterdamse straten door. Toen ik een aardig tentje aanwees zei hij dat dat een heel duur restaurantje was. ‘Verderop is een leuke’ zei hij, man van de wereld. Braaf liepen wij achter hem aan. Op een Amsterdamse stoep dronken wij café latte, spraken vader en zoon over voetbal en praatten wij over zijn laatste tentamens en de aanstaande reis naar Bolivia.

Op de terugweg liepen we langs een dierenwinkel. ‘O, wacht, ik moet even een kammetje halen voor Keet’, zei hij en we liepen het zaakje in. Een oudere dame was een stapel blikjes met kattenvoer aan het tellen. Wij wachtten tot zij klaar was. Het duurde even.

‘Heeft u een kam voor een kitten?’, vroeg onze zoon.

‘Nee’, zei de vrouw nors. ‘Wel voor een kat, daar zit namelijk geen verschil in.’

‘O’, zei onze zoon.

‘Heeft u misschien van die kleefrollen voor vliegjes?’, informeerde mijn man. Achteloos wees de vrouw naar achteren. ‘Als we die hebben liggen ze daar’ Voor de vorm keken we, ze lagen er niet.

Gelukkig was er nog een dierenwinkel in de buurt. Een aardige vrouw had een kleine poezenkam en kleefstrips voor vliegen.

‘Hoe kom je aan vliegen?’, vroeg ze. ‘Ligt er soms fruit in de kamer of iets anders zoets?’

‘Alleen een paar lege bierkratten op het balkon’, zei mijn zoon. De vrouw lachte en zei dat aan de hals van de flesjes zoet achterblijft waar vliegjes op af komen.

‘Dus misschien moet je de kratten wegbrengen’, adviseerde ze lief.

En nu was onze zoon weer even thuis. Over een dikke week vertrekt hij met zijn vriendin naar Bolivia.

Hoe is het met Keet?’, vroegen wij.

‘Ze pist nog steeds overal in huis’, vertelde hij. ‘Maar ik kan die kamer misschien huren vanaf 1 juli en daar blijven. Ik denk dat ik dat maar doe.’

‘Hoewel huur betaal je?’, informeerden wij.

‘550 euro inclusief’, zei hij.

‘Nou’, zeiden wij. ‘Doen!’ En we zeiden niets over een slaapkamer overvol met bed en kast, vliegjes rond de lamp, een beplast dekbed, een kitten onder de bank en een biotoop erachter.

‘Heb je Keet nog gekamd?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei hij. En zijn vriendin voegde eraan toe, ‘Het is een schatje.’

Net voor het acht uur journaal komt onze dochter thuis. Met in haar ene hand de tas met laptop, in de andere hand twee zakjes van de snackbar. Ze ziet er moe uit.

‘Hoe gaat het?’, vragen wij.

‘Goed’, zegt ze.

En zo kabbelt het leven voort.