De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***

Koker


Wanneer de tienduizend dingen gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn

Ts’ên Shên 岑參 (715-770)


Op de zolderkamer staan dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Op de strijkplank ligt een stapeltje schone was. Daarbovenop liggen twee deksels van schoenendozen ter ontmoediging van poes Saar die graag op schone, ongestreken was ligt. 

                           *

De kamer met het moeilijke want schuine wandje – verfraaid met liefdevol behang van vogels en bloemen en kleur – is een rommelkamer geworden. Ooit sliep onze dochter hier. Ze kan er nog wel slapen. Er staat een bed met daarop het dekbed met het dekbedovertrek-van-duizenden-bloemetjes. Maar ook zij beseft dat de jaren van weleer niet terugkeren. Zij slaapt er niet meer.

                            *

Naast het bed staat de koker met de as van mijn vader. De as verhuisde van het kantoortje naar de kamer met dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Ik denk dat de as zich thuis voelt in de oude kamer van de kleindochter. De rommel spreekt de as aan. Bij hem thuis was het ook rommelig. Een strijkplank in de zijkamer, een gammel bureau, dozen, een wasrek, ja, ik weet het zeker: die zolderkamer is een prima plek.

                             *

Er komt een dag dat de koker met as vertrekt. Op een mooie dag in juni maakt de as een korte reis in een fietstas. De fietster fietst voorzichtig – denkend aan de koker in haar tas – naar het strand, de zee. In de vroege ochtend verzamelen negen mensen zich met slaap-ogen aan de vloedlijn. Iemands broek en schoenen zullen nat worden. 

                            *

Als ik naar beneden loop van de zolderkamer, de trap af denk ik aan de maanden die zijn verstreken. De maanden zonder mijn vader. Maanden waarin ik niets kon vertellen, niets kon doen.

                            *

‘Maar volgend jaar/als jij in duizenden grijze stukjes/meegevoerd door stromingen/door het water bent opgenomen/opgelost als suikerkristallen in thee/dan zijn de dozen opgeruimd/de strijkplank ingeklapt/het wasrek verplaatst/Je herkent die kamer/dan niet meer terug/pa’

                          ***

Sneeuw

Op de dag voordat de sneeuw valt fietsen mijn man en ik naar de stad. De kou die ik guur noem maar mijn man koud dringt door tot mijn huid. Ik draag een fijne maar te dunne broek. 

                         *

We brengen eerst wat boeken terug naar de bibliotheek. ‘Ga je mee naar binnen?’, vraag ik aan de man die wel leest maar geen boeken uit de bibliotheek leent. ‘Ja’, zegt hij, ‘ik moet even opwarmen.’ In het oude schoolgebouw waarin de dorpsbibliotheek is gevestigd is het warm. Moeders met dik-aangeklede kinderen staan boeken af te stempelen al is de stempel vervangen door een modern systeem met een glad vlak waar je de boeken op schuift. Daarna hoop je dat de titel op een scherm verschijnt. Als alle titels met een vinkje op het scherm staan druk je op een groene button waar einde op staat. Het geeft soms wat gedoe maar meestal werkt het en nu is er nog maar één bibliothecaresse nodig. 

                          *

Ik heb met boeken wat mijn moeder had met lapjes-van-de-markt en wat anderen hebben met tassen, schoenen of postzegels. Boeken dwingen mij tot kijken, kopen, verzamelen. Met een schuin oog kijk ik naar de plank waarop de boeken staan die teruggebracht zijn door de moeders met kinderen. Misschien zit er iets bij. Ik spreek mijzelf intussen streng toe want naast mijn bed liggen twee stapeltjes boeken die ik nog moet lezen. Twee bibliotheek-boeken en zes gekochte dan wel gekregen boeken. Mijn man die mij inmiddels kent staat bij de deur van de bibliotheek naar de gang. Zijn lichaam staat op weggaan. Dus we gaan. 

                         *

Het vervolg van de tocht naar de stad doet onze gezichten verstrakken. De vingerkootjes in het bont van de leren handschoenen voelen langzamerhand dood aan. Ik trek ze voorzichtig in de handschoen terug naar de warme holte van mijn hand zonder de macht over het fietsstuur te verliezen. Twee verstrakte vijftigers op de fiets op de dag voordat de sneeuw valt.

                         *

Het doel van de tocht is een film waar ik heen wil. Ik zag dat de film deze week voor het laatst draait in de stad. Het liefste bezoek ik met iemand films en nu strikte ik mijn man die ik ‘s ochtends op zijn werk een berichtje stuurde met de vraag of hij meewilde. En omdat hij niet altijd nee kan zeggen wilde hij mee. 

                         *

In de bioscoop die Filmschuur heet maar een architectonisch hoogstandje is tussen de oude huizen in het rosse randje van de binnenstad wemelt het van de vijftigers. De film is uitverkocht. En ondanks dat wij op rij 2 zitten, de film twee uur en zestien minuten duurt, de zaal vol zit en het buiten koud is verdwijnen ongemakken, verglijdt de tijd en nemen de beelden ons mee naar een onwerkelijke locatie (Boekarest), een carrière-dochter (die met haar gekwetste teennagel stoïcijns op hoge hakken loopt) en een ontregelende vader (met fopgebit). 

                     *

En laat u niet ontmoedigen door bovenstaande gegevens, dat deden wij ook niet. In een wereld vol geweld en gevaar is deze film er één van liefde, herinnering, troost en hoop. Gewoon gaan: Toni Erdmann. 

                         *

En…het gíng sneeuwen. 

                       ***

Dagdag


Dag haring met uitjes en zuur

Om mee te nemen 

Dag orchidee voor het raam

In de zon

Dag Apple en Sonos en oude pick up

Dag dia’s, oude foto’s, stukke lamp

In de hal, dag

Rollator met tassen eraan en een 

Krant in de mand

Nooit gebruikt was niet nodig

Dag home-trainer met de

Stugge pedalen

‘Ik fiets elke dag’

Ja ja

Dag geranium op het balkon

Met je rode kopje tussen de spijlen door

Dag gemakkelijke stoel, televisie en

Vensterbank met rode potten erop

Dag paella in de pan

Voor wel drie dagen

‘Bedankt voor je komst’

‘Ja ja

Ik vond het gezellig pa’ 

Dag zitten in de zon

Op het balkon

‘Heerlijk die zon’

Dag ‘Wil je wat drinken?’

Dag Buitenhof, dag proefabonnement 

Op de krant

Dag rolstoel, benauwdheid en 

Kamergenoten

Dag koude hand in de mijne

Dag dag

Rust zacht.

Zonnetje


In de gang kom ik Willem tegen, de kamergenoot van mijn vader. Hij schuifelt met beide voeten langzaam zijn rolstoel vooruit. Zijn ogen kijken langs mij heen.

‘Ha Willem!’, zeg ik, ‘Weet jij waar mijn vader is?’

Willem schrikt. Hij knippert met zijn ogen, wil spreken, maar de woorden blijven hangen achter zijn lippen. De letters liggen op het puntje van zijn tong, zijn vertrokken gezicht verraadt de inspanning om te zeggen ‘H-h-h-hij i-i-isss op d-d-de w.c.’ De laatste letter sist, het is eruit. 

                         *

‘Dank je wel, dan loop ik weer terug’, antwoord ik en ik loop de gang door, langs de brede deuren, met televisies waar niet naar wordt gekeken, luid aan gezet als onverschillig geluid-behang. Als ik kamer 102 inloop rolt mijn vader met zijn stoel de badkamer uit. 

                           *

‘Wat ben ik blij dat je er bent’, zegt hij. De hartgrondigheid van deze woorden treft mij, nooit sprak mijn vader op deze toon deze woorden. 

‘Het is hier zo stil de hele dag’, zegt mijn vader, ‘Er is niemand.’ En dat is zo. Er is Willem met zijn puzzels, er is verzorging die op-en-neer rent maar ook uren verdwijnt, de bedden en bewoners haastig opgemaakt achterlatend. 

‘Vanochtend ben ik zelf mijn bed maar uitgegaan’, vertelt mijn vader. ‘Het duurt zo lang voor er iemand komt.’

                           *

‘Lukt dat dan?’, vraag ik. ‘Ja, dat lukt’ en hij legt uit hoe hij het bed verlaagt, zijn benen over de rand slaat, de stoel pakt, staat, zich laat zakken. 

‘Gelukkig kan je dat nu’, zeg ik, die niets beters weet te zeggen.

‘Ja, anderen liggen maar te wachten’, vertelt mijn vader triestig. Zijn ogen staan mat. Zijn huid is in plaats van bruin, grijs en grauw. Baardstoppels komen lukraak op als witte sprietjes uit grauwe bollengrond. Mijn altijd verzorgde vader – ik voel zijn frisgeschoren wang tegen mijn kinderwang en ik ruik het vleugje aftershave – zo ging hij naar het werk, iedere dag, zeven uur, glad en fris. 

                           *

En ineens komt het inzicht dat ik afscheid neem van een tijdperk, kind van ouders, kind van een vader te zijn, een wang fris en glad tegen de jouwe. Het onwrikbare van gegevens, zeven uur weg, zes uur thuis, je leven met spelen, school, knikkeren op de harde aarde naast het plein ‘Ik twee bonkies tegen jouw mooitje?’ – begerige ogen gericht op het kleurrijke glas met kringels en diepten als het onbegrijpelijke heelal waarover je las in het boek uit de bibliotheek. 

                          *

‘s Avonds at je thuis, aan de keukentafel, je moeder maakte een overschotel. Papa waste af en dan naar bed. ‘Je kriebelt’, zei je huiverend als hij je welterusten zei met weer die wang, stoppelig nu, tegen de jouwe. En dan expres even heen-en-weer zodat je rilde van dat raspen op jouw wang en daarna slapen met het zand van Klaas Vaak in je ogen.

                           *

‘Zullen we een stukje lopen buiten?’, vraag ik mijn vader. ‘Het is heerlijk weer al waait het wel een beetje.’ Dat wil mijn vader. Samen is het een beetje wurmen met een fleece-vest en daar gaan we.

‘Is het niet te zwaar?’, informeert mijn vader. Het is niet te zwaar.

Eenmaal buiten, lopend naar het park, verdwijnen de stilte, het geluidsbehang en de haastig opgemaakte bedden. Ze maken plaats voor groen, leven en spartelende kinderen in de plas die grenst aan het park.

‘Heerlijk, dat zonnetje’, zegt mijn vader.

                         *

En stap voor stap neem ik afscheid van de tijd en vind ik het zonnetje ook heerlijk.

                          ***

De geitenhoeder

‘Ik ben een begrip in de straat.’ Mijn vader kijkt glazig naar de man tegenover hem. De spierwitte snor van mijn vaders kamergenoot in het ziekenhuis krult op bij zijn boude uitspraak.

‘Je ken wel zeggen dat ik een begrip in de búúrt ben. Iedereen kent mij. Ze missen me. “Waar is Piet?”, vragen ze.’

                         *

Mijn vader belandde onverwacht in het ziekenhuis; een longontsteking en vocht achter de longen veroorzaakte benauwdheid. Zo hevig dat de arts in het revalidatiecentrum besloot hem op te laten nemen. Met de ambulance reed mijn vader van het revalidatiecentrum naar het ziekenhuis, op een brancard die gedragen werd ‘door twee beren van kerels’, aldus mijn vader.

                         *

Nu, na een dag, lijken de antibiotica aan te slaan en heeft mijn vader in een andere kamer op een andere afdeling dan de dag ervoor een kamergenoot. Hij is overgebracht naar de afdeling Geriatrie. Het kostte mij twintig minuten om door een doolhof van klapdeuren, liften, gangen en kamers mijn vader te vinden. Als ik eindelijk kamer 1.06 vind en deze binnenloop zitten mijn vader en zijn kamergenoot tegenover elkaar. Een klein tafeltje staat tussen hen in. Op tafel staan twee hard-plastic bekers, half gevuld met water. De groene is van mijn vader. 

                         *

‘Je zit alweer op!?’, vraag ik verrast. En ik denk aan een dag geleden. 

Ja’, antwoordt mijn vader. 

‘Hoe gaat het?’, vraag ik.

‘Waar blijft Corrie eigenlijk?’, vraagt Piet opeens. Mijn vader en ik kijken naar Piet. Ook mijn dochter die op de rand van mijn vaders ziekenhuisbed zit – haar benen bungelend boven het zeil – kijkt hem aan.

                         *

‘Corrie? Is dat uw vrouw?’, vraag ik.

‘Ja, waar blijft ze?’

‘Het bezoekuur begint pas om drie uur. Mijn vader lag gisteravond nog ergens waar doorlopend bezoek was. Daarom ben ik nu hier. Uw vrouw komt vast wat later.’

‘Corrie laat zich niet leiden door bezoekuren’, beweert Piet. ‘Zij komt wanneer zij dat wil. Dat infuus mocht er ook allang uit. Om twee uur zeiden ze.’ Hij plukt aan het verband rond de infuusnaald op zijn hand.

‘Het is pas twaalf uur’, zeg ik en ik draai mij weer om naar mijn vader.

                        *

‘Heb je goed geslapen?’, vraag ik mijn vader.

‘Ja’, antwoordt hij.

‘Ik deed geen oog dicht vannacht’, begint Piet weer. ‘Wat een herrie was het op de gang! Vond u ook niet?’ Piet kijkt verwachtingsvol naar mijn vader.

‘Ik heb niets gehoord’, antwoordt mijn vader recalcitrant, ‘helemaal niets.’

                         *

Piet kijkt een beetje beteuterd, hij frummelt aan zijn infuus. Mijn dochter en ik, we proberen ons weer te richten op mijn vader, haar opa.

‘Wat heb je gegeten, opa?’, vraagt mijn kind. 

Mijn vader kijkt naar haar op. 

‘Ik had bietjes gekozen’, zegt Piet. ‘Maar het was niet te eten. Het eten is hier sowieso slecht.’

                        *

Piet is niet te stuiten. Hij start een verhaal over zijn vrouw Corrie en een geitenhoeder die teveel naar haar keek. ‘Ja, en dat pik ik niet, dus ik naar die vent toe…’

                           *

Het is pas twaalf uur. Mijn vader zit nog zeker drie lange uren tegenover Piet. De kamer is op twee bedden en het zitje na leeg. Hij heeft geen krant, geen tijdschrift, geen t.v. 

                          *

‘Pa, zal ik een krant voor je halen?, vraag ik, ‘Dan heb je wat te lezen.’ Mijn vader aarzelt.

‘Nee hoor, dat hoeft niet’, zegt hij na een korte stilte.

‘Opa, ik haal voor jou een krant’, zegt mijn dochter gedecideerd. ‘Beneden is een winkel.’ Ze wipt van het bed af. 

‘Ja, een krant’, zegt Piet, ‘Thuis heb ik ook de krant.’ 

                            *

‘Pa, vanmiddag komen Raymond en Max. Zij nemen de spullen mee die je nodig hebt. Ik ga nu weg. Julia komt zo nog even terug met de krant.’

Mijn vader knikt. ‘Bedankt voor je komst’, zegt hij.

‘Ja, ja’, antwoord ik, ‘Morgen ben ik er weer.’

‘Toch begrijp ik niet waar ze blijft’, mompelt Piet aan de overkant. ‘Ze zijn er altijd, mijn vrouw én dochter.’

                            *

Aan het einde van de middag keren mijn man en zoon terug uit het ziekenhuis.

‘Hoe ging het?’, vraag ik.

‘Ja goed’, antwoordt mijn man, ‘Maar wat is dat voor een man daar bij je vader op de kamer…Die man, trouwens die hele familie draaide zich voortdurend om en bemoeide zich met onze gesprekken.’
‘Ach, ja’, antwoord ik. 

                        *

Corrie was uiteindelijk dus toch gekomen. 

                          ***

Zaza


‘Lig je lekker Zaza?’, riep hij.

Zaza lag in een lucifersdoosje met watten. ‘Prima!’, riep hij met z’n hele kleine kakkerlakkenstem.

Uit Pluk van de Petteflet, A.M.G. Schmidt (1911-1995)



In het vakantiehuis zijn kakkerlakken. ‘s Avonds komen ze tevoorschijn. Ik zie er opeens een lopen op de stenen vloer van de slaapkamer. Bij het stukslaan van het gruwelijke insect door mijn dappere man sla ik mijn beide handen om mijn oren. In gedachten hoor ik het kraken van het zwarte schildje. In verband met de eitjes die het vrouwtje met zich meedraagt mag je ze niet doodslaan. Maar wat moeten we? Het is 23.13 uur, de eigenaar van het huis slaapt, wij moeten slapen en met een kakkerlak naast het bed lukt dat niet. 

                        *

‘Daar zit er nog een’, zegt mijn man en met zijn slipper slaat hij ook die dood. 

                         *

We slapen in het bed-met-klamboe, de ventilator staat aan, ze kunnen niet tegen tocht, kakkerlakken. Dat lazen we op internet, om 23.32 uur. Vandaar de ventilator, gericht op de plek waar de beestjes vandaan kwamen. Morgen bellen we de eigenaar van het huis. Ik ben benieuwd wat hij doet, het is vast een hardnekkig probleem. En vannacht kunnen we niet plassen. Misschien morgenochtend weer, als het licht achter het gordijn schijnt, de haan kraait, de honden blaffen.

                         *

‘s Ochtends om 8.35 uur belt mijn man Laurent, de eigenaar van het huis. ‘Hello Laurent, with Raymond from number six’, hoor ik en ik lach. Ons huisje, dat gewoon in een woonwijk staat van het ietwat vervallen plaatsje El Roque, heeft als huisnummer zes. En omdat er al diverse mankementen waren – een weigerachtige oven, t.v. en vaatwasser-, belden we al vaker met Laurent. Hij zal zijn buik wel vol hebben van ‘number six.’

                        *

Laurent zegt toe dat hij om 12.00 uur komt, maar hij staat om 9.00 uur al voor de deur. Gewapend met spuitbussen en een paar tubes met een spits tuutje komt hij binnen op de voet gevolgd door zijn maatje die al een keer eerder het zwembad reinigde. Laurent is het evenbeeld van Kevin uit de Netflix-serie ‘Bloodline’: een surfboy op leeftijd met een wilde, blonde haardos, zonnebril met gekleurde glazen, bermuda, losjes hangend shirt en teenslippers. Het zwembad-maatje lijkt op Derk Sauer, de Russisch-Nederlandse media-ondernemer. Ik grinnik om de bizarre combinatie.

                           *

Kevin en Derk lopen speurend in en om het huis; zij spuiten gif in kieren en gaten: ‘zee will zurely dai wieth diez’, aldus de Franse Laurent die Engels spreekt. Een omgekeerde versie van ‘Allo, allo’. 

‘And if zee don’t, you call me ageen’, zegt Laurent. 

                         *

Verder is het hier rustig, de zon schijnt, de wind waait en op het strandje dat we laatst ontdekten staan ligstoelen die maar € 3,- kosten. 

‘In Europe you don’t find a place like this with chairs for € 3,-‘, aldus de lieve strandjongen van wie we de dag daarop mogen komen betalen vanwege een tekort aan cash geld. ‘You bring the money to me tomorrow’, zegt hij en hij lacht zijn stralende lach. Ook dat vind je nergens meer op de Europese stranden. Vertrouwen en vriendelijkheid.

                           *

‘s Avonds stijgt de spanning in ons huis. Kakkerlakken houden van warmte en avond. Het is warm in huis -‘Niet de deuren openzetten dan lopen ze zo naar binnen!’, aldus een panisch kind,- en donker is het ook. Buiten pikkedonker, binnen mag maar een lichtje aan want ‘Muggen komen op licht af, geen licht aandoen!’. Tastend in het duister zoeken we onze bedden op. Ik val al bijna in slaap als ik paniek hoor. ‘Pap-pap-pap!’ en dat steeds harder en dwingender. Pap zoekt zijn weg door de klamboe die provisorisch bijeengehouden wordt met een wasknijper. Ik hoor gegil, een deur die dichtslaat.

                         *

Ik slaap voorzover dat lukt in een bed met een krappe klamboe in een slaapkamer met dichte ramen en deuren. De volgende dag hoor ik het verhaal van de dichtslaande deur: ‘We deden de deur even open – heel even maar – het was zo warm…er kwamen gelijk twee kakkerlakken op onze slaapkamer af. We sloegen gauw de deur dicht, maar de hele nacht hoorde ik geritsel van zo’ n beest.’ Mijn dochter kijkt mij aan. Haar blauwe ogen staan op afgrijzen. ‘En mam, vanochtend keken we en er zat er een tussen de deur klem. Dat hoorden we natuurlijk vannacht.’

‘Ach, wat zielig’, zeg ik.

‘Zielig!, antwoordt mijn kind, haar ogen sproeien vuur. 

‘Mam, niks zielig, ze zijn zo smerig die beesten.’ En direct daarop:

‘Pap, pap, je moet even kijken hoor, misschien zijn er nu eitjes achtergebleven in de deuropening en die moeten ook weg.’ Pap sjokt naar de slaapkamer, naar de onzichtbare eitjes van de niet-zielige, dode kakkerlak.

                           *

En ik denk aan Zaza, de kakkerlak. Dat waren nog eens tijden. Geen associaties met griezelige insecten waar onzichtbare eitjes uit vallen, geen bij-gedachten aan een voetballer met een maffe tatoeage op de buik die penalty’s neemt als een vogel die zijn pootjes een voor een hoog optilt alsof hij op eieren loopt.

                             *

Wat at hij ook alweer het liefst, Zaza?

                           ***